DDR eend tr M eit …_ eve Tere + ze 04 at st PL sgâeratete 445! p eee ene ed em mat ne we TEE eli koistrhsere rad nd eter ri Hisdnt pig Art en rr gea pa en „agar st 74 Linser ‚4 2 ie, GES WANDS. ri OMAN, m d ho Ref - 8’ En ‚ ein jn re * wet. nT Pa ‚n dd REVUE DEN DEUX MONDES. 1852, Ondanks de groote uitbreiding welke dit Zijdschrif? in de jongste jaren ondergaan heeft, ziet de Direktie daarvan tegen geene opofferingen op, om het belang daarvan te verhoogen. | Kosteloos zal op nieuw een Annuaire aan de in- teekenaren op den vollen jaargang worden toegezon- den, die in belangrijkheid niet zal behoeven onder te doen voor het voor geschiedemis, statistiek, enz., zoo omvattende Jaarhoek over 1850 — 1851. Bovendien zullen, in de Aevue zelve, portretten en geographische kaarten worden gevoegd; die gra- vures zullen door den beroemden Henrique Dueonr en de graveurs der Fransche marine worden uitge- voerd, en niet weinig tot verfraaiing van den ech- den druk der Pevue verstrekken. Trouwens ook voor degelijkheid van den inhoud zal voortdurend de meeste zorg worden gedragen. Wetenschappen en letteren zullen in hare ontwikkeling binnen- en bui- ten ’s lands gezet worden bijgehouden; staatkunde, handel en nijverheid steeds door gezaghebbende schrij- vers vertegenwoordigd en de aardrijkskundige kennis door regtstreeksche verbindtenissen met onderscheidene werelddeelen bevorderd worden. De inhoud van elke aflevering staat gelijk met een gewoon boekdeel van 500 bladz. De prijs van den jaargang der Mevue met bijvoeging van de gravuges, portretten en den Annuarre is in Nederland, bij Gebr. Berivrante, te ’s Gravenhage, f 20.—; te Ba- tavia bij Lance & Co. f 83,— met vooruit betaling van het jaar. Elke jaargang bestaat uit 24 afleve- ringen. Behalve den meerderen spoed en de volle- digheid van dezen oorspronkelijken druk, hebben de inschrijvers daarop het gevaar niet te beloopen, dat, bij het sluiten ven overeenkomsten tot handhaving van den letterkundigen eigendom, de nadruk in het midden van den jaargang zou kunnen worden ge- staakt. Á El GHEL , NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT VOOR : if NEDERLANDSCH INDIË, | le UITGEGEVEN DOOR IAS Ps | | DE NATUURKUNDIGE VEREENIGING hd IN NEDERLANDSCH INDIE. DERDE JAARGANG. Aflevering KH. f NE an ZDM MUS / BATAVIA, | | LANGE & Co. Ig 1S 5d. ALGEMEEN VERSLAG WERKZAAMHEDEN VAN DE NATUURKUNDIGE VEREENIGING IN NEDERLANDSCH INDIE, OVER HET JAAR 1851, VOORGELEZEN IN DE 2DE ALGEMEENE VERGADERING, GEHOUDEN DEN ADEN FEBRUARIJ 1852 TE BATAVIA; DOOR Dr. P. BLEEKER, President der Vereeniging, R.O.N. L., Lid der Keizerlijke Akademie van Natuuronderzoekers enz. Ten tweeden male valt mij de eer te beurt, namens het bestuur der Vereeniging, verslag te doen van hetgeen tot bloei der Vereeniging en tot uitbreiding der natuurwetenschappen in Nederlandsch Indië is verrigt. _ Deze taak wordt gemakkelijk gemaakt, omdat het in het pas vervlogen jaar niet heeft ontbroken aan veelzijdige werk- zaamheden van de leden en aan toenemende belangstelling van buiten, terwijl de Vereeniging met rassche doch vaste schreden in bloei is vooruitgegaan. En te meer is deze taak ligt te vervullen, omdat ik voor het grootste gedeelte slechts heb te verwijzen, naar hetgeen reeds door de Vereeniging tot alge- meene bekendheid is gebragt. Daaruit is voldoende na te UI. 1 2 gaan het voornaamste, wat de Vereeniging in den afgeloopen jaarkring voor de wetenschap heeft gedaan. Alles duidt in Nederlandsch Indië op vooruitgang. De ver- schijnselen daarvan zijn voor elken opmerker duidelijk waar- neembaar. De koelheid van vroeger dagen voor verbeteringen in zedelijkheid, opvoeding, onderwijs, maatschappelijke regten, heeft plaats gemaakt voor eene opgewektheid voor het goede in alles, welke niet zal nalaten, hare vruchten in nog ruimere mate af te werpen, dan tot heden reeds is geschied. En deze heilrijke, levendmakende en de maatschappij verjeugende adem omvat niet slechts de dadelijke behoeften der Indisch-Europe- sche maatschappij, maar ook die der inlandsche bevolkingen en de hoogere wetenschappen. Overal ter wereld, waar de maatschappij in ontwikkeling groote voortschreden maakt, uit zich de volheid, de overvloed van haar leven door weldadige uitstrooming naar bui- ten, door zucht en streven naar hoogere doeleinden, dan voldoening van stoffelijke behoeften. Waar men dit streven waarneemt, kan men zeker zijn, dat de maatschappij een tijdperk van hoogeren bloei te gemoet gaat. De voorspelling voor Nederlandsch Indië is alzoo niet twijfelachtig. Gaan wij eenige oogenblikken terug M.H., niet in het ver- ledene, maar tot den toestand der Indísch-Europesche maat- schappij, nog geene twee tientallen jaren geleden. Welke blijken van leven hebben de eerste decenniën dezer eeuw hier in het zedelijke en wetenschappelijke nagelaten? Te vergeefs zoeken wij naar die vertegenwoordigers van vooruitgang in de kunsten en wetenschappen, welke wij gewoon zijn tijdschriften te noemen. Tot op pas Í3 jaren geleden bestond in Neder- landsch Indië nog geen enkel bepaald periodiek orgaan voor eenig vak van wetenschap of kunst, en thans reeds is het 10de Tijdschrift in zijne geboorte, terwijl twee Jaarboekjes voor de fraaije letteren, als liefelijke sterren, aan den Java- schen hemel hunnen zachten glans hebben medegedeeld. Wel is waar is een dier jaarboekjes:' en zijn de „Kopiiïst”’, het „Natuur- en Geneeskundig Archief,” het „Indisch Archief” ‚e RJ en het „Tijdschrift ter bevordering van Christelijken zin” weder te niet gegaan en is het „Tijdschrift voor Nederlandsch Indië’ op den bodem van het moederland overgeplant, doch verheu- gen mogen wij ons, dat thans nog d tijdschriften gelijktijdig hier bloeijen en de aanstaande bloei van het opgerigt wordende Ade tijdschrift niet twijfelachtig is. „Die gelijktijdige bloei van verschillende tijdschriften, het eene vertegenwoordigende de regtswetenschappen, het andere de geneeskundige en het derde de natuurkundige wetenschap- pen, allen bestaande naast de aan inhoud steeds rijker wor- dende Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, is een van de sprekendste blijken der ontwikkeling van den wetenschappelijken zin in Neder- landsch Indië. Te midden van deze wetenschappelijke werkzaamheid is onze Vereeniging in het leven getreden, en thans, naauwelijks 18 maanden na hare oprigting, kan van haar gezegd worden, dat zij rang begint te nemen tusschen de instellingen van der- gelijken aard in Europa. De blijken daarvan zijn nedergelegd in hare Openbaar gemaakte werkzaamheden. De laatste afle- vering van den 2den jaargang van haar tijdschrift ligt hier ter tafel, en deze tweede jaargang overtreft in gehalte aan- merkelijk den eersten. Deze wel gewenschte en min of meer voorspelde, maar niet bepaald verwachte gunstige uitkomst is te danken aan de levend makende kracht, welke onze Veree- niging en haar orgaan hebben geoefend op de natuurkundigen in deze’ gewesten, aan welker kiemende of teruggehoudene werkzaamheid de weg werd geöpend, om de vruchten van hunne nasporingen spoedig tot algemeene bekendheid te doen geraken. Die gunstige uitkomst is tevens en niet minder te danken aan de belangstelling van velen onzer leden, die, hetzij door eigen onderzoekingen, hetzij door. toezending van belangrijke voorwerpen of verzamelingen, de direktie in de gelegenheid hebben gesteld, daarmede de wetenschap te ver- rijken. De direktie vervult daarom gaarne de taak, hare erkente- 4 lijkheid te betuigen aan de HH. leden G. F. pe Bruun Kors, S. BiNNenNpijK, J. Grorn, J. Haarman Jcz., C. Herer, C. F. A. SCHNEIDER, J. E. TeismanN en G. Wassink, die zich jegens de Vereeniging hebben verdienstelijk gemaakt door het inzen- den van schriftelijke bijdragen; alsmede aan de heeren J. G. X. BroexKmeieErR, Mr. A. G. Brouwer, G. F. pe Bruun Kors, D. Buur, G. GC. Daum, Dr. J. Eintnoven, J. M. van Leer, J. E. van Leeuwen, M. T. Rercue, D. FE. Scraar, H. W. SCHWANENFELD en J. Worrr, die min of meer belangrijke ver- zamelingen van naturaliën der Vereeniging hebben aangeboden. Niet minder aangenaam is de taak der direktie, hier den dank der Vereeniging uit te drukken aan het Gouvernement dezer gewesten, voor de welwillendheid en bereidvaardigheid, waarmede het der bereiking van de bedoelingen der Vereeni- ging bij voortduring bevorderlijk is, door het aanbieden ter opname in hef tijdschrift der Vereeniging van belangrijke stukken, welker publiekmaking tot den werkkring onzer in- stelling behoort. Aan dezen verlichten zin der regering is het te danken onder anderen, dat de geographische, statistische en geologische verhandelingen van de HH. Corrs. pe Groor, Mr. D. W. C. BARON VAN LINDEN, H. von GAFFRON en van wijlen H. L. Osrnorr en handelende over Bawean, Solor, Allor, Rotti, Savoe, Borneo en Sumatra, ter kennis van het wetenschappe- lijke publiek gebragt zijn kunnen worden. - Evenmin als in het eerste algemeen verslag van de verrig- tingen onzer instelling, zal de direktie zich veroorloven, een oordeel over den 2den jaargang des tijdschrifts uit te spreken, welk oordeel behoort te worden gelaten aan het wetenschap- pelijke publiek buiten haar. Wel echter verdient hier vermelding, dat de werkzaamheden onzer Vereeniging zich geenszins hebben bepaald tot de uitgave slechts van haar tijdschrift. De vergaderingen der direktie hebben minstens tweemaal ’s maands plaats en strekken niet slechts ter bespreking van de belangen des tijdschrifts, maar hebben tevens het doel, de behandeling van die onderwerpen, welke in het natuurwetenschappelijke nog onbesliste punten 5 zijn, alsmede te beraadslagen over die middelen, welke dien- stig kunnen zijn, om den wetenschappelijken zin in Neder- landsch Indië op te wekken en den bloei der natuurweten- schappen en dien onzer instelling te verhoogen, terwijl daarin tevens worden ter tafel gebragt en besproken de naturaliën , welke der Vereeniging van elders worden aangeboden. Het ligt in den aard onzer instelling, dat, behalve de ver- gaderingen der direktie, nog gehouden worden gewone verga- deringen, tot welker bijwoning alle te Batavia aanwezige leden worden uitgenoodigd. Deze vergaderingen hebben ten doel, het houden van bepaalde wetenschappelijke voordragten en mededeelingen, zoowel door de leden des bestuurs als door de gewone leden. Van deze vergaderingen hebben er in den loop van het vorige jaar drie plaats gehad, allen ten huize van ons honorair lid Z. H. K. B. Herroe van Saxsen Wemtan ErsenacH, die daartoe met welwillendheid zijne woning heeft afgestaan. Deze vergaderingen hebben de belangstellende bij- woning van de ter hoofdplaatse aanwezige leden mogen on- dervinden en zijn zonder twijfel den daarbij tegenwoordig geweest zijnde leden nog aangenaam in het geheugen. Volgens een in de eerste maanden van het vervlogen jaar genomen besluit zijn de notulen dezer vergaderingen in het tijdschrift opgenomen. De toevloed van schriftelijke bijdragen is van dien aard geweest, dat de direktie heeft moeten besluiten, aan het tijd- schrift een’ grooteren omvang te geven dan aanvankelijk was bepaald. Terwijl toch ín het prospectus van het tijdschrift was gezegd, dat één jaargang uit ongeveer 30 vellen druks zou bestaan, is reeds de tweede jaargang tot een volumen van 43 vellen geklommen en dus meer dan Vs in omvang toegenomen, zonder dat evenwel de inteekeningsprijs is ver- hoogd geworden. En thans, nu-de tweede jaargang is vol- tooid, zal de direktie tot eene nieuwe uitbreiding moeten overgaan , indien niet geldelijke bezwaren zich daartegen ver- heffen. 6 Thans zijn reeds beschikbaar voor den derden jaargang de volgende bijdragen. Geognostisch uitstapje naar de zuidkust van Ceram, door C. F. A. SCHNEIDER. Over minerale wateren van Java, door Dr. P. W. Korraars. Waarnemingen voor de astronomische plaatsbepaling van Batavia, door S. H. pr Lanaer. Bijdrage tot de geologische kennis van Blitong, door Corns. DE GROOT. Nog iets over de Manihot utilissima of Maniok en Cassave in Amerika (Obi dangdur op Java), door J. E. Trus- MANNe Rapporten over de drooging met ondergrondsleidingen op Java, door Dr. P. F. H. Frousrra en P. Dranp. De zoogenaamde witte stof , afgescheiden door het Kochenille- insekt, scheikundig onderzocht door D. W. Rost van TONNINGEN. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Singa- pore, door referent. Bydrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Suma- tra, door referent. Scheikundig onderzoek van het minerale water Banjoe assin, door P.J. Marer. Bijdrage tot de kennis der zoetwaterfauna van Blitong, door referent. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Túmor, door referent. Bydragen tot de flora van Nieuw-Guinea, Banda, Amboina, Timor en Celebes, nagelaten door ZrrPeLus. Over de oorzaken van de mislukking der koffijkultuur in Kadoe, door Dr. P. F. H. Frougrre: Evenzeer als wij ons mogen verblijden over deze mede- ‘werkende deelneming in ons tijdschrift, hebben wij ook re- den, om ons te verheugen over de onverwachte ondersteuning daarvan door betrekkelijk talrijke inteekeningen. In het vo- \ 7 rige algemeen verslag is mededeeling gedaan, dat toen (Fe- bruarij 1851) ruim 100 inteekeningen het tijdschrift hadden vereerd. Sedert is het aantal inteekeningen tot ruim 170 geklommen en houdt zich sedert eenige maanden op dat ge- tal staande, niettegenstaande enkele inteekenaren voor verdere deelneming daaraan hebben bedankt en anderen zijn overleden of naar Europa vertrokken. Dit aantal is te meer opmerke- lijk, omdat de HH. leden van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Nederlandsch Indië , wegens de aan het tijdschrift verleende en hier nogmaals dankbaar erkende geldelijke ondersteuning van dit Genootschap, elk een exemplaar van het tijdschrift gratis ontvangen en overi- gens het Indische publiek, van hetwelk deelneming verwacht kon worden, nog weinig talrijk is. Deze ruimere deelneming dan vermoed was, heeft er toe geleid, de oplage van het tijdschrift van 500 op 600 exemplaren te brengen, zijnde van den eersten jaargang reeds geene exemplaren meer be- schikbaar. Het is u reeds bekend M.H., dat 50 exemplaren van het tijdschrift geregeld werden gezonden aan den boekhandelaar Van HennineeN te Utrecht. Van dezen boekhandelaar is echter tot nog toe geen berigt ontvangen, omtrent hetgeen hij in Nederland tot verbreiding van het tijdschrift heeft gedaan of niet gedaan, en daar in Nederland geklaagd wordt over de niet- of moeijelijke verkrijgbaarheid van hetzelve, heeft de di- rektie besloten, de aan den heer Van HeisninGEN gezondene exemplkren terug te verzoeken en ze te doen geworden aan den boekhandelaar Van per Post te Utrecht, met uitnoodi-_ ging om ze verder in den boekhandel in Nederland te bren- gen. | E Overeenkomstig de bepaling, vermeld in het vorige algemeen verslag, zijn exemplaren van het tijdschrift verzonden aan de voornaamste wetenschappelijke genootschappen in Nederland en het overige Europa, alsmede aan de Asiatic Society te Calcutta. . Ö Ik moet thans overgaan tot de vermelding van eenige an- dere verrigtingen en beslaiten der Vereeniging gedurende het afgeloopen jaar. Deze hebben betrekking tot a. De herziening van: het reglement der Vereeniging. b. De oprigting van eene bibliotheek en museum. c. Het tot stand brengen van eene tentoonstelling te Batavia van de produkten der natuur en der industrie van den Indischen Archipel. d. De benoeming van Korresponderende en Gewone leden. In artikel 37 van het reglement der Vereeniging is bepaald, dat het reglement aan eene herziening zal onderworpen worden tegen het einde van het jaar 1851-— Gedurende het in werking zijn van het reglement is gebleken, dat het eenige wijzigingen behoeft, en in opvolging van gezegd artikel heeft de direktie een ontwerp opgemaakt van nieuwe wetten, hetwelk zoo aan- stonds aan de beoordeeling der Vergadering zal worden onder- worpen. Wat de oprigting van eene bibliotheek en museum betreft, hiervoor zijn de eerste grondslagen gelegd. Reeds is de Ver- eeniging vereerd met eenige boekgeschenken en met verschil- lende naturaliën, door hare leden en deels door buiten Indische geleerden aangeboden. Daar evenwel de Vereeniging tot nog zonder geldelijke kontributie der gewone leden bestaat, zijn geene fondsen beschikbaar tot spoedige en krachtige uitbrei- ding van de boekerij en verzamelingen der Vereeniging; doch de direktie, vertrouwende op de belangstelling van het weten- schappelijke publiek, noodigt een ieder uit, tot die uitbreiding bij te dragen, door het aanbieden van boekwerken of natura- liën, zullende daarvan in het tijdschrift dankbaar melding wor- den gemaakt. Eene andere verrigting onzer Vereeniging in het belang der wetenschap en der industrie is geweest, de benoeming eener Kommissie uit haar midden voor het tot stand brengen te Ba- tavia van eene Tentoonstelling van produkten der natuur en der industrie van den Indischen Archipel. Het denkbeeld daarvan heeft zich ontwikkeld uit een voorstel van onzen sekretaris, 9 den heer H. D. A. Smrrs, ten doel hebbende , hier eene kom- missie daar te stellen ter verzameling van voorwerpen van Indischen volksvlijt voor de in Julij dezes jaars te houden tentoonstelling te Arnhem. Dit voorstel, hetwelk door de direktie gereedelijk werd toegejuicht, heeft aanleiding gegeven got het raadplegen over deze aangelegenheid van eenige voorna- me ingezetenen ter dezer hoofdplaatse, met name de HH. L. M. F. Prater, P. van Rees, E. W. Cramerus, A. A. Reen en B. J. Weimar en eene bijeenkomst, met deze heeren gehouden, heeft geleid tot eene wijziging in het voorstel van den heer Súrrs, hierop neder- komende, dat men zou trachten, ih plaats van voorwerpen bijeen te brengen voor de bedoelde expositie te Arnhem, eene tentoonstelling ter dezer hoofdplaatse zelve in het leven e roepen. Tot deze wijziging werd men geleid door de over- weging, eensdeels dat de nog beschikbare tijd voor het ver- zamelen van voorwerpen voor de aanstaande Arnhemsche ten- toonstelling te kort zou zijn, en ten andere, dat eene tentoonstel- ling ter dezer hoofdplaatse geheel zou wezen in het belang der industrie in Nederlandsch Indië en krachtig tot de ontwikke- ling daarvan zou kunnen bijdragen. De Vereeniging is omtrent deze, in haar oog belangrijke, aangelegenheid getreden in | briefwisseling met het gouvernement en het is der direktie een genoegen, te kunnen mededeelen, dat haar plan bij de regering weerklank heeft gevonden en dat het gouvernement de toezegging heeft verleend, om de verrigtingen ten onder- werpelijke zake der Vereeniging krachtdadig te ondersteunen. De direktie heeft voorts gemeend, zich te moeten vereeni- gen met het gevoelen der regering, dat, zal de onderwerpe- lijke tentoonstelling beantwoorden aan hare bedoeling, eene tijdruimte moet gelaten worden, voldoende, om ook de bui- tenbezittingen er behoorlijk vertegenwoordigd te kunnen heb- ben, en zij heeft daarom besloten, de expositie vast te stellen tegen de maand September 1853. Na deze voorloopige regeling is de direktie verder te rade geworden, om te trachten, in het belang der zaak, te geraken tot de vorming eener Algemeene Kommissie, zamengesteld uit de kommissie uit den boezem der 10 Vereeniging, bestaande uit de heeren Corxs. pe Groor, P. J. Mater, P. Baron Mervirn van CannBee en H. D. A. Saurs; voorts uit de vijf heeren, hierboven genoemd; alsmede uit de heeren S. D. Scurmrr, direkteur der kultures, W. J. van De Graarr, direkteur der middelen en domeinen, Dr. W. Boscu , Chef der Geneeskundige dienst en president van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, D. van Scnreven, president der Afdeeling Batavia van de Maatschappij tot nut van het algemeen, J. TrouPp, hoofd-ingenieur van den wa- terstaat, E. A. Scmirr, ontvanger der inkomende en uitgaande regten te Batavia, C. Denninenorr, rijtuig-fabrijkant, A. Fraser , koopman, J. T. Bik, landeigenaar , en uit nog eenigen der voornaamste vertegenwoordigers van de industrie en landbouw in deze gewesten. Het is het voornemen der direktie om, na tot stand koming dezer algemeene kommissie, het verdere beleid dezer aangelegenheid aan haar over te dragen. Ik kan thans gevoegelijk overgaan tot de vermelding der sedert de laatste algemeene vergadering plaats gehad hebbende benoemingen. Blijkens «het vorige algemeen verslag was het voornemen - der Vereeniging, om niet tof de verkiezing van Korresponde- rende leden over te gaan, dan nadat de fste jaargang van het tijdschrift in Europa bekend zou zijn en de Vereeniging vas- ter gevestigd. Er bestaan sedert eenige maanden geene rede- nen meer, om die benoemingen niet te doen plaats hebben en de direktie heeft daarom in hare vergadering van 19 Ja- nuarij j.l. uit eene opgemaakte lijst van kandidaten tot MKor- responderende leden verkozen de HH. C. L. Bruur, Hoogleeraar te Leiden, R. O.N.L. enz. S. G. van Brrpa, Hoogleeraar, Sekretaris van de Holland- sche Maatschappij vaan Wetenschappen te Haarlem, enz. J. van per Hoeven, Hoogleeraar te Leiden, R. O. N. L. enz. F. Kaiser, Hoogleeraar te Leiden, enz. R. Logarro, Hoogleeraar te Delft, R. O.N.L., enz. F. A. G. Mrquer, Hoogleeraar te Amsterdam, enz. G. J. Murper, Hoogleeraar te Utrecht, Komm. O. N. L., enz. 11 R. van Rees, Hoogleeraar te Utrecht, R.O.N. L., enz. G. Smrons, Direkteur der Koninklijke Akademie te Delft, enz. C. J. Temminck, Direkteur van ’s Rijks-Museum van Natuur- lijke geschiedenis te Leiden, R.O. N. L., enz. W. Vrorik, Hoogleeraar te Amsterdam, R.M. W. O., enz. Voorts is sedert de jongste algemeene vergadering het Ge- woon lidmaatschap aangeboden aan de volgende HH. A. J. AnpreseN, Majoor der infanterie, kommandant der troepen in Westelijk Borneo, R. M. W.O. T. Arriëns, Kontroleur ste kl. te Magelang. S. BINNENDIJK, Adsistent hortulanus bij ’s lands plantentuin te Buitenzorg. S. L. BrANKENBURG, Officier van gezondheid íste kl. te Bata- via. J. G. X. Brorkueuer, Officier van gezondheid 2de kl. te Pasoeroean. Mr. A. G. Brouwer, te Batavia. G. C. Daum, Adjunkt-administrateur bij Z. M. marine. H. von DewarrL, Civiel-gezaghebber ter zuidoostkust van Borneo. H. von Garrron, Direkteur der steenkolenmijnen te Oranje Nassau (Borneo). Jkhr. T. J. H. Gevers, Kapitein der genie te Willem I. J. Haerman Jcz., Ambtenaar te Soerabaja. Dr. J. Hartrzrerp, Officier van gezondheid fste kl. te Am- boina. C. Herer, Sekretaris van Z. H. K. B. Hertoa vAN SAKSEN Weimar EiseNaca. _P. Jakes, Officier van gezondheid 2de kl. ter Sumatra’s Westkust. J. M. van Leer, Officier van gezondheid fste kl. te Palem- bang. J. E. Van Leeuwen, Kontroleur Íste kl. te Patjitan. Mr. D. W. J. C. Baron vaN LinpeN, Resident van Timor. 12 H. Ravenswaars, Administrateur van ’s Rijks magazijn van geneesmiddelen te Batavia. M. T. Rercne, Officier van gezondheid 2de kl. te Batavia. D. F. Scnaap, Resident van Banka. A. Scranter, Apotheker 3de kl. bij het groot hospitaal te Weltevreden. S. D. Scumrr, Direkteur der kultures , R. O.N. L., te Batavia. Dr. F. C. Scrwrr, Officier van gezondheid 2de kl. te Pa- dang. FE. Semurr, Officier van gezondheid fste kl. te Batavia. C. F. A. Scuneimer, Officier van gezondheid 3de kl. bij Z. M. marine. ij C. H. G. Srruerwarp, Luitenant kolonel der artillerie, R. O. N. L. en Ridder der Zwaardorde van Zweden en Noorwegen, te Batavia. V. BARON VAN TUIJLL VAN SEROOSKERKEN, Kamerheer van Z. M. den Koning der Nederlanden , tijdelijk te Batavia. D. J. Uarengeck, Kapitein der genie, R. M. W. O., te Padang. G. Wassink, Dirigerend officier van gezondheld áste kl., R.M. W.O., te Batavia. D. F. Worrson , Luitenant ter zee 2de kl, R. O.N. L. Overeenkomstig artikel 15 van het: reglement der Vereeni- ging zijn de President, Sekretaris en Hoofdredakteur der Ver- eeniging op het einde van het vorige jaar afgetreden. Bij de nieuwe verkiezingen zijn de keuzen voor die betrekkingen bij akklamatie op dezelfde personen uitgebragt en hebben zij de nieuwe verkiezingen aangenomen, zoodat in de leiding der Vereeniging en de redaktie van het Tijdschrift geene veran- dering is gekomen. Der direktie is een gevoelige slag toegebragt door het over- lijden van den heer ScnwaneR, die in den bloei zijner jaren van haar is weggenomen en van wien zij regt had nog veel te verwachten. De Vereeniging heeft hulde gebragt aan.zijne nagedachtenis in het levensberigt, voorkomende in de 2de aflevering van den 2den jaargang van het tijdschrift. 18 Voorts hebben de volgende bewegingen in de direktie plaats gehad. Teruggekomen te Batavia, de heer Corns. pr Groor, van onderzoekingsreizen in Oost-Java, op Madura, Bawean en Blitong (sedert weder vertrokken naar Soerabaja). Vertrokken naar Padang, de heer J. C. R. Sreinmerze Gekozen tot lid der direktie de heer S. H. pr Lanae. Vertrokken naar Menado, de heer S. H. pr Lanar. Overigens heeft de Vereeniging zich te verheugen, dat geen der gewone leden haar in het afgeloopen jaar door den dood ontvallen is. | Het is echter niet dan met een smartelijk gevoel, dat de direktie hier melding moet maken van eene voor de Veree- niging te betreuren omstandigheid. Ik bedoel het vertrek naar Europa tot herstel van gezondheid van ons honorair lid Z. H. K. B. Herron vaN SaKSEN Weimar EisenNacn. Heeft onze Ver- eeniging veel van hare kracht ontvangen door den onvermoei- den ijver harer leden, véél heeft zij ook te danken aan den opwekkenden en beschermenden invloed, welke Z.H. op haar had en ten haren nutte gedijen deed. Terwijl de direktie de verpligting op zich voelt rusten, zulks hier met erkentelijkheid te gedenken, drukt zij den wensch uit, welke gewis die van ons allen is, dat de zoo zeer geschokte gezondheid van den edelen vorst spoedig moge herstellen en hij moge behouden blijven voor alle gewigtige belangen, welke aan zijn kostbaar leven zijn verbonden. Vier onzer gewone leden, de HH. G. M. Bieckmann, C. Herer, P.F. Uurenpeek en H. A. Mopperman zijn naar Nederland terugge- keerd. Vleijen wij ons, dat deze heeren, in het moederland aangekomen, voor de Vereeniging werkzaam zullen blijven en hare belangen aldaar bevorderen. Ten opzigte van de finantiële aangelegenheden der Vereeni- ging acht de direktie zich gehouden, de volgende opmerkingen onder de aandacht der vergadering te brengen. 14 Gedurende het thans anderhalfjarig bestaan onzer instelling is geene kontributie, van welken aard ook, van de gewone leden noodig geoordeeld. Tot nu toe zijn alle kosten door de leden van het bestuur gedragen. De vergaderingen der direktie hebben bij afwisseling plaats gehad ten huize van een der leden des bestuurs en voor de gewone vergaderingen heeft ons honorair lid Z. K. K. B. Hertoe van Saksen Wervar Er- SENACH telkenmale met welwillendheid zijne woning geöpend niet alleen, maar ook met vorstelijke gulheid getracht, die vergaderingen den leden in alle opzigten aangenaam te maken. Bij het ontwerpen der nieuwe wetten is op nieuw ter sprake gebragt, de noodzakelijkheid of niet noodzakelijkheid voor de Vereeniging van gelden, voortspruitende uit eene bij de wet te bepalen of vrijwillige bijdrage, en, hoezeer voor het jaar 1852 geene geldelijke belemmeringen van eenig belang in de handelingen der Vereeniging zijn te vreezen, is de wensche- lijkheid blijkbaar geworden, dat de Vereeniging over eenige vaste inkomsten zou kunnen beschikken, om hare werkzaam- heden uit te breiden en in sommige zaken van geldelijke ge- volgen het initiatief te kunnen nemen. De direktie gaat echter ongaarne tot zoodanig voorstel aan de vergadering over en heeft het beter geoordeeld, de behandeling van dit punt tot het jaar 1853 te verschuiven en voor het tegenwoordige slechts aan de HH. leden en het belangstellende publiek kenbaar te maken, dat donàtiën van gelden met erkentelijkheid zullen worden ontvangen en dat daarvan onder dankbetuiging melding zal worden gemaakt in het tijdschrift der Vereeniging, terwijl jaarlijks openlijk verantwoording der ontvangen gelden zal worden gedaan. Ik heb thans gemeld het belangrijkste, wat door onze Ver- eeniging is verrigt en wat in haren boezem is voorgevallen. Vragen wij thans, of zij aan het doel harer instelling heeft beantwoord, dan mogen wij gerustelijk het antwoord van het publiek te gemoet zien. Want al is het waar, dat het veld, in deze gewesten te beploegen, onafmetelijk is, aan de andere 15 zijde is het even waar, dat het aantal arbeiders daarop niet met zijnen omvang in evenredigheid staat; dat alzoo nog veel gronds braak moet blijven liggen; maar ook, dat de betrek. kelijk weinige arbeiders niet nagelaten hebben te ontginnen ; wat zij ontginnen konden. Moge dat aantal arbeiders steeds toenemen. Mogen ook velen, die tot nog toe uit eene minder goed geplaatste zedigheid zich hebben laten terughouden, om zelfstandig in de wetenschap op te treden, hunne talenten en kennis niet ongut voor de wetenschap en de menschheid laten verloren gaan. Mogen ook andere mannen van kennis en talent, wie het welligt slechts aan opgewektheid ontbreekt, door de pogingen der Vereeniging worden aangespoord, om het hunne bij te dragen tot uitbreiding onzer kennis. De groote bewegingen dezer eeuw in het maatschappelijke hebben hunnen grond in de verbazende ontwikkeling, welke de jongste halve eeuw in de kennis van de natuur der dingen heeft aangebragt. Waarheen gij den blik rigt, op handel, industrie of landbouw, overal ontwaart gij de uitgebreidere kennis ‚der natuur en harer voortbrengselen als grondslag van die onmetelijke vooruitgangen in alles, welke in eene vroegere eeuw als hersenschimmig zouden zijn uitgekreten. Wij zijn in een gewest MH., waar de wetenschap, nog meer dan in andere beschaafde landen , geroepen is, de natuurlijke rijkdommen op te sporen en de eigenschappen der natuur op groote schaal aan de belangen der menschheid dienstbaar te maken. Wij zijn bovendien gelukkig in een’ tijd, waarin po- gingen ten algemeenen nutte en ter uitbreiding van kennis, bij het gouvernement dezer gewesten weerklank vinden. Wat den omvang en keuze der nasporingen betreft, kunnen alzoo voor praktische wetenschappelijke mannen naauwelijks gunsti- gere omstandigheden bestaan; — en, alhoewel hier een groote hinderpaal in de praktische beoefening der natuurwetenschap- pen gelegen is in de ambtelijke betrekkingen van de meesten onzer, die daardoor veelal aan eene bepaalde standplaats ge- bonden zijn, en andere bezwaren gelegen zijn in de kostbaar- heid van het reizen en in de onvolledigheid van letterkundige 16 hulpmiddelen, zijn die belemmeringen niet onoverkomelijk en bestaan reeds de voorbeelden, dat het tegenwoordige gouver- nement genegen is, gedeeltelijk daarin te gemoet te komen, door de reizen van natuuronderzoekers , al zijn die reizen niet in dienst ondernomen, gemakkelijker en minder kostbaar te maken. | Dat alzoo geen van ons alle stilsta en het over een jaar te geven verslag te vermelden hebbe, den steeds toenemenden vooruitgang op den door de Vereeniging en hgre leden inge- slagen weg. NOTULEN VAN DE ALGEMEENE VERGADERING DER NATUURKUNDIGE VEREENIGING IN NEDER- LANDSCH INDIE, GEHOUDEN OP DEN 4DEN FEBRUARIJ 1852, IN DE VERGADERZAAL VAN HET BATAVIAASCH GENOOTSCHAP VAN KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN. De vergadering heeft plaats des avonds ten 8 uur. Tegenwoordig zijn de Dirigerende leden: De HH. Dr. P. Brerkern, President. B P. BARON MELVILL VAN CARNBEE. sh D. W. Rosr van TONNINGEN. H H. D. A. Smirs , Sekretaris. zijnde de heer P. J Marer door ziekte verhinderd de vergade- ring bij te wonen en de overige leden der direktie, de HH. J. H. Croockewir, Corns. pe Groot, S. H. pe Lange en J. CG. R. Sremnmerz van Batavia afwezig. Het Honorair lid Dr. W. Boscu, vereert de vergadering met zijne tegenwoor- digheid. Voorts nemen deel aan deze vergadering de Gewone leden » De HH. L. W. Berserinck. 5 J. Munnicu , 55 M. T. Reicne. # À. SCHARLEE. He S. D. Scuipr, A C. H. G. STEUERWALD. att V. BARON VAN KolJLL VAN SEROOSKERKEN. Ie G. Wassink. HI. A 18 Àls gasten waren tegenwoordig De HH. E. W. Cramerus. à Mr. L. W. C. Kevcnenius. 4 P. Munrnicu. 8 E. NerscHer. 5 B. M. PariPPEAU. 7 H. A. SCHREUDER. há D. VAN SCHREVEN. 5) J. Troxe. ie F.J. WiLLER. De President, de vergadering geopend hebbende, verwel- komt de nieuw benoemde leden en de gasten, welke, tot het bijwonen dezer bijeenkomst uitgenoodigd, haar met hunne te- genwoordigheid vereeren. Hij deelt voorts mede, dat deze vergadering, wegens om- standigheden, onafhankelijk van de direktie, niet heeft kunnen plaats hebben in de maand Januarij, zooals bij het reglement der Vereeniging is bepaald. Daarop leest hij voor het Algemeen verslag van de werk- zaamheden der Vereeniging gedurende het jaar 1851. Het besturend lid de heer Corrs. pe Groor, had het voornemen gekoesterd, in deze vergadering mededeeling te doen van de resultaten zijner onderzoekingen naar de geognostische en mi- neralogische gesteldheid van het eiland Blitong (Billiton), waarin hij echter verhinderd is geworden, doordien zijne reis naar Soera- baja niet tot na de vergadering vertraagd kon worden. Evenzoo had het lid de heer Dr. O. J. G. Mounike toege- zegd, in deze vergadering ter tafel te zullen brengen de verza- meling van mineralen, welke hij van Japan heeft medegebragt en daarbij te spreken over de resultaten zijner natuurkundige onderzoekingen in gezegd rijk. Eenige uren voor de vergade- ring deelde de heer Mourik mede, dat hij door ongesteldheid verhinderd was aan zijne toezegging gevolg te geven. Na mededeeling hiervan vertoont de President eene verza- 19 sfneling petrefakten , door het lid den heer J. B. van LeEUWEN _bijeengebragt en afkomstig van de kalkbergen van Pangool “in Patjitan, waar zij in groote menigte nabij de oppervlakte, 400 tot 600 voeten boven de zeevlakte, voorkomen. Deze petrefakten , meestal molluskenschalen en echinodermen uit de tertiaire formatie, zijn een bewijs te meer van de uitgebrefdheid der sedimentformatiën, waaraan Java vroeger gemeend werd zeer arm te zijn, doch waarvan in de laatste jaren uit zeer verschillende streken van Java zeer belangrijke specimina zijn bekend geworden uit zuidelijk Bantam, uit de kalkbergen op de grenzen van Bandong en Tjandjor, uit de zuidoostelijke distrikten van de Preanger Regentschappen, uit de kalkbergen van Cheribon, uit die van Grobogan en uit de zuidelijke dis- trikten van de residentie Bezoeki, Voor de geognosie en ge- ologie van Java is het thans nog een der voornaamste gege vens, de palaeontologische verhoudingen op te helderen; doch zulks is vooreerst op Java zelf nog moeijelijk uitvoerbaar, daar wegens gemis eener voldoende literatuur over de Palaeontolo- gie, de bepaling der soorten van planten en dieren uit de vroegere scheppingsperioden grootendeels ondoenlijk is. Hierna wordt het ontwerp van de Nieuwe wetten der Ver- eeniging voorgelezen door den sekretaris. Niemand der te- genwoordig zijnde leden daarop eenige aanmerking makende, worden deze wetten met algemeene stemmen aangenomen, terwijl tevens wordt bepaald, dat zij in het tijdschrift der Vereeniging zullen worden opgenomen. De heer H. D. A. Surrs vertoont eenige afdrukken van platen, welke gevoegd zullen worden bij het in een der eer- ste nummers van den derden jaargang van het tijdschrift der Vereeniging op te nemen verslag van den heer Corns, DE Groor over het eiland Blitong (Billiton). Hij maakt daarbij opmerkzaam op den aanmerkelijken vooruitgang der lithogra- phie in Nederlandsch Indië en deelt voorts mede, dat ook eene nieuwe kaart van het thans zoo belangrijke eiland Blitong ter perse is en insgelijks binnen kort zal worden openbaar gemaakt. 20 Geen der leden verder het woord verlangende, sluit de President de vergadering, onder dankbetuiging aan de tegen- woordig zijnde heeren voor hunne belangstelling, betoond door het bijwonen dezer algemeene bijeenkomst. Batavia, 4 Februarij 1852. Mij bekend: De Sekretaris, HB. D. A. Sarrs. ng N ren Erie Ald dal Pd J.C. R. Sreinmerz, Majoor der genie. NAAMLIJSN T DER LEDEN VAN DE NATUURKUNDIGE VEREENIGING IN NEDER- LANDSCH INDIE, OP DEN 4pen FEBRUARIJ 1852. Besturende leden. Dr. P. Brreken, President, R.O.N.L. Dr. J. H. Croockewir Cz. Corns. pe Groor, Ingenieur van het mijnwezen men. T. P. J. Marer, Apotheker Íste klasse. P. Baron MervirL van CannBeeE, Luit. ter zee iste kl. R.O.N.L., B. Leg. van Eer. H. D. A. Sarrs, Sekretaris, Luit. ter zee Äste el ON. L. D. W. Rost van TonnisceN, Apotheker 2de klasse S. H. pr Laree, Geographisch ingenieur v. N. Indië. Honsraire leden. Z. H. K. B. Herroe van Saksen Weimar ErsenacH, Generaal der infanterie, Kommandant van het In- disch leger, Grootkr. M. W. 0., Grootkr. 0. N. L. Grootkr. der Badorde, Grootkr. 0. Leg. van Eer, enz. enz. enz. d 5 d n É : Dr. W. Bosen, Chef der geneesk. dienst in Nederl. Indië, President van het Batav. Gen. van Kunsten en Wetenschappen, R.O.N.L. enz. Korresponderende leden. C. L. Brome, Hoogleeraar te Leiden, R.0O.N. L. enz. S G. van Brepa, Hoogleeraar , Sekretaris van de Hol landsche Maatschappij van Wetenschappen te Haar- lem enz. 5 ; - Oprigters der Vereeniging. Datum van Benoeming. 31 Oktober 1850. 27 December » 13 Mei 1851. 6 Februarij 1851. 18 Januarij 18 1852. » 22 Korresponderende Leden. Datum ven Benoeming. J. van per Hoeven, Hoogleeraar te Leiden, R.ON,L.. enz. 13 Januarij 1852. F. Karser, Hoogleeraar te Leiden enz. . . 13 » » R. Lorarro, Hoogleeraar te Delft, R.O.N.L., enz. 13 » » F. A. G. Mrover, Hoogleeraar te Amsterdam, enz. . 13 » » G.J. Morper, Hoogleeraar te Utrecht, Komm.0.N.L. enz. 13 » » R. van Rees, Hoogleeraar te Utrecht, R.O.N.L., enz. 13 » » G. Simons, Direkteur der Koninklijke akademie te Delft, enz. . : - p - \ € RON t » » C. J. Temminck, Direkteur van ’s Rijks museum van E natuurl. historie te Leiden, R.O.N. L. enz. dd » » W. Vrorik, Hoogleeraar te Amsterdam, R. M. W.O. „enz. ‘ - : . R - 8 : ‚ 18 Di, » Gewone leden. 0. F. W.J. Hvevenin, Ingenieur van het mijnwezen in Ned. Indië, te Batavia. 2 p : E … Uig “Augustus 1850. - G. M. BrECKMANN, Luit. ter zee 2de kl. (naar Nederland’. 19 Septemb. » C. G. van Derrscu, Majoor der artillerie, te Soerabaja ROAN: E. } À 5 : 5 B 8 „da J. A. KraJeNBriNK, Ingenieur, te Cheribon. . iden » » J. B. Teissuann, Îste Hortulanus bij ’s lands plantentuin, te Buitenzorg. ' : : : . 5 19 » » P. F. C. Varrepe, Kapitein derartillerie, te Soerabaja. 19 » » Z. H. Arwasr Boacur, Prins van Ashantee, Ingenieur van het mijnwezen in NI, te Soerabaja. 8 … 22 Oktober » Dr. P. F. H. Froueere, Landbouwkundig chemist, te Buitenzorg. 5 Lewes : ‘ 3 : . 22 » » F. E. H. LreBenr, Ingenieur van het mijnwezen in Ned. Indië, te! Muntok, 0e. OO rete ee » F.D. J. van per Pant, Adsistent bij het landbouw- scheik. laborator., te Buitenzorg. . ê ' ADR > » S. ScuReuDeR, Ingenieur van het mijnwezen in N. I., te Makassar. . - f 2 8 8 , La » » Dr. J. R. A. BaveR, Offic. van gezondheid 2de kl., ter Sumatra’s Westkust. _ - d à 8 (eri » » G. F. pe Bruin Kors, Luit. ter zee 2de kl. "aah » » Dr. J. Eixrroven, Offic. van gez. 2de kl., te Sambas, EEM MOES DE : Á 4 8 à : … ol » > H. W. Senwanenrerp, Offic. v. gez. 2de kl,, ter Su- matra’s Westkust. . . e 4 } ‚ 31 > » Mr. J. H. Graar van pen Boscm, te Pondokh Gedeh, Resident toegevoegd voorde kochenilleteelt op Java, R.O.N.L. L ; H. GragBeeK van meR Does, Luit. ter zee Íste u. J. Grorr, Luit. ter zee dste kl., BR. M. W.0., R. 0. St. Anna 3de kl., te Batavia, , ; L. W. BeisenincK, Majoor, adjudant van Z. u. a Hertog vAN en We«erman ErsenacH, R. O0. N. L., R. Orde v.d. Witten Valk, te Batavia é à H. A. Mopperuanr, Luit. ter zee 2de kl. (naar Nederland). J. Munmicu, Office. v. gez. 2de kl., te Batavia. Dr. P. L. Onnen, Stadsgeneesheer, te Soerabaja. Dr. A. J. D. Sreensrra Toussarntr, Praktiserend ge- neesheer te Batavia. 3 5 . d : : P. F. Umrenseer, Luit. ter zee Áste kl. R. M. W. 0. (naar Nederland). H. von Garrron, Direkteur der Steenkolenmijnen te Oranje Nassau. £ 4 : 8 : B Dr. J. Harrzrerp, Offic. v. gez. dste kl,, te Amboina P. Jarres, Offc. v. gez. 2de kl., ter Sumatra’s westkust. Dr. F. C. Scuuirr , Office. v. gez. 2de kl., ter Sumatra’s Westkust. . É 8 - 3 8 H. vor DewarL, Civiel gezaghebber van Borneo’s zuidoostkust. 4 $ N 8 5 . D. L. Worrson, Luit. ter zee 2de kl. Rh. O.N. L. A. J. Anpresen, Majoor der infanterie, te Sambas, h. M. W. 0. : B . Mr. A. G. Brouwer, te Batavia. S. L. BrankenBure, Office. v. gez. Îste kl., te Batavia. Mr. D. W.C. Báron van Lisnpen, Resident van Timor. C. F. A. Scunermer, Oflie. v. gez. 3de kl. bij Z. M. marine. : : : : ' : F. Senuirr, Ofie. v. gez. Îste kl., te Batavia. J. Hacrman Jcz., Ambtenaar, te Soerabaja. C. Herer, Sekretaris van Z. H. den Hertoe van Sak- SEN Weerman Ersenacm (naar Nederland. _ 12 December 12 » 12 » Pipi » AP » hef 7 » 27 » 27 =p Jar » 13 Maart 18 » 13 D 13 » 15 » 18 » 3 April 3 » Des » td » 17 > 13 Mei 2 Junij 2 » Gewone leden. Datum van Benoeming. J. Worrr, Office. v. gez. 2de kl., te Bandjermassing. 31 Oktober — 1850. Rent G. Bnr bher Apotheker 2de kl., te Soerabaja. 7 Novemb. » EF. H. W. Kurspens, Majoor der artillerie, te Padang. 7 » » Dr. 0. G.J. Mouse, Offie.k. Gez. 2de kl, te Bata- j ete MEIN. LS > ° é 7 zi » » G. SrourenpisserL, Apothek. 2de kl, te Willem I. 7 » » > 24 Gewone leden. Datum van Benoeming. V. Baron van Toirr van SEROOSKERKEN , Kamerheer van Z.M. den Koning der Nederlanden , tijdelijk te Batavia. . = ; ° 2 Jungt 1951 JG. EEEN Ome. v. gez. 2de u. ‚te ensesaan, 10 Julij » J. M. van Leer, Offic. v. gez. Aste kl., te Palembang. 24 » » M. Te. Rrrene, Office. v. gez. 2de kl., te Batavia. . 24 ROTE: C. H. G. Sreverwarp, Luit. kolon. der artillerie, KR. O.N.L., R. der Zwaardorde van Zweden en Noorwe- gen, te Bid 3 $ : 3 : ae » D. J. UnrenBeckK, EER der genie, te petan Ke : M. W.O. : E 6 . 14 Augustus » G. Wassink , Dirig. offie. v. gez. Sale SR te Batavia, R. M. W. 0. enz. …. 3 5 Î b ï hees 4 * » » H. Ravenswaaij, Administrateur van ’s rijks magazijn van geneesmiddelen, te Batavia. 5 4 REE » » S. BinNerpijK, Adsistent hortulanus van ’slands plan- tentuin te Boka. : 9 Oktober » Jkhr. T. J. H. Gevers, aa de genie, te wil Jem B, 3 - . . 3 5 p . 23 » » G. C. Daum, Adjunkt-administrateur bij Z, M. marine. 18 November » D. F. Scuaap, Resident van Banka, te Muntok. EE » » A. Scnartee, Apotheker 3de kl. bij het groot hospi- taal te Weltevreden. 7 7 5 5 $ . 13 December » T. Arriëns, Kontroleur der 1ste kl., te Magelang. An » » J. E. var Leeuwen, Kontroleur der Íste kl, te Patjitan. 13 Januarij 1852. S. D. Scurrr, Direkteur der kultures, te Batavia, R. 0.N.L. ee > ' . 7 : , "18 » » W EE T T E NM VAN DE NATUURKUNDIGE VEREENIGING NEDERLANDSCH INDIE, OPGERIGT TE BATAVIA DEN I9DEN JULIJ 1850. Ánr. Î. Het doel der Natuurkundige Vereeniging is, werkzaam te zijn tot bevordering der natuurkundige wetenschappen in den uitgebreidsten zin, zoowel door eigen vlijt, als door de zorg, die zij zal aanwenden, om de natuurkundige ‚nasporingen en ontdekkingen, die in Nederlandsch Indië gedaan worden, te verzamelen, in het licht te geven en door alle in haar bereik vallende middelen aan te moedigen. Anr. 2. De zetel der Vereeniging is te Batavia. Anr. Je De leden zijn: Honoraire-, Dirigerende-, Korresponderende- en Gewone leden. 26 g\ u T e A. Dirigerende leden zijn: de oprigters der Vereeniging en zij die, bij vertrek van Batavia of bij aftreding van één of meer hunner, uit de gewone leden gekozen worden. Ärtr. 5. Het aantal dirigerende leden is bepaald op acht, doch kan, wegens bijzondere omstandigheden, vermeerderd worden. Ärr. 6. Diírigerende leden, van Batavia naar eene andere standplaats in Nederlandsch Indië vertrekkende, behouden dien titel. ART. ds De benoeming tot dirigerend lid geschiedt in de vergadering der direktie, uit de op dat tijdstip te Batavia aanwezige ge= wone leden, zullende het te benoemen lid op zich moeten vereenigen twee-derden der stemmen van de op Java aanwe- zige dirigerende leden. Art. 8. Een dirigerend lid treedt als zoodanig af, bij vertrek uit Nederlandsch Indië. Art. 9. Tot gewone leden zijn benoembaar, alle personen in Neder- landsch Indië, die geacht worden in staat te zijn, het doel der Vereeniging te bevorderen, en van hunnen wensch daartoe hebben doen blijken, hetzij door het uitgeven van geschriften of door het inzenden van bijdragen voor het tijdschrift, hetzij door het toezenden van belangrijke voorwerpen. bf) Art. 10. Tot honoraire leden kunnen worden benoemd de wegens vertrek uit Nederlandsch Indië aftredende dirigerende leden. Voorts zijn als zoodanig verkiesbaar, alle in deze gewesten woonachtige personen, aan of van welker maatschappelijken invloed en zucht tot bevordering der natuurkundige weten- schappen, de Vereeniging bescherming en ondersteuning te danken of te verwachten heeft. Ärt. 11. Tot Korresponderende leden zijn verkiesbaar, alle na- tuurkundigen, buiten Nederlandsch Indië wonende, die zich eenen gevestigden naam in de natuurkundige wetenschappen hebben verworven, en welker benoeming voor den bloei der Vereeniging belangrijk te achten is. Art. 12. De benoeming tot gewoon lid heeft plaats in de gewone vergaderingen, op voordragt der direktie, en bij meerderheid van stemmen der tegenwoordige leden. Ant. 13. Een gewoon lid iemand tot lid der Vereeniging wenschende aangenomen te zien, doet daartoe een gemotiveerd voorstel aan de direktie, die het, wanneer zij zich daarmede ver- eenigt, in de eerstvolgende gewone vergadering ter tafel brengt. Art. 14. De benoeming tot honorair- en tot korresponderend lid heeft plaats op dezelfde wijze, als die tot gewoon lid. 28 Art. 15. Een gewoon lid, Nederlandsch Indië verlatende, blijft het idmaatschap behouden, indien hij zich daartoe genegen ver- Iklaart. Art. 16. Door alle op Java zich bevindende dirigerende leden worden uit de te Batavia aanwezige met meerderheid van stemmen gekozen een Voorzitter, een Sekretaris tevens penningmeester en bebliothekaris, en een Hoofd-redakteur voor het tijd- schrift. Deze treden met den Ísten Januarij van elk jaar af, doch zijn terstond weder verkiesbaar. Art. 177. Bij tijdelijke afwezigheid van den voorzitter worden de ver- gaderingen bestuurd door den oudste in jaren, van de aan- wezige dirigerende leden, met uitzondering van den Sekre- taris. Bij tijdelijke afwezigheid van den Sekretaris zullen zijne betrekkingen waargenomen worden door het jongste lid in jaren der direktie. Art. 18. Bij ontstentenis van den President, Sekretaris of Hoofd-re- dakteur, zal ten spoedigste in de opengevallen plaats voorzien worden. Ärt. 19. _De voorzitter leidt de orde der werkzaamheden van alle vergaderingen. Hij brengt gedane voorstellen in omvraag en handhaaft ten allen tijde de wetten der Vereeniging. 29 Art. 20. Geene besluiten kunnen genomen worden, wanneer de ver- gadering minder dan vijf personen telt. In geval van staking der stemmen beslist de voorzitter. Art. 21. De Sekretaris voert de korrespondentie en houdt de notu- len van alle vergaderingen. Alle gewigtige stukken worden door den President en den Sekretaris, namens de direktie, onderteekend. Art. 22. Onder het beheer van den Sekretaris zijn alle de der Ver- eeniging toebehoorende memoriën, verhandelingen, boekwerken, naturaliën, enz. Art. 23. Ì LN Hij heeft het beheer over de gefdmiddelen, waarvan hij jaar- lijks verantwoording doet. De betalingen geschieden op mag- tiging der direktie. Art. 24. Overeenkomstig het slot van artikel f, wordt door de Ver- eeniging een Zydschrift uitgegeven, waarin zullen worden opgenomen de bij de direktie ingekomene memoriën, verhan- delingen , enz. op de natuurkundige wetenschappen betrekking hebbende en waarvan door haar de bekendmaking nuttig en wenschelijk wordt geacht. Arr. 25. Van dit tijdschrift zullen jaarlijks zes nummers verschijnen, elk inhoudende minstens vijf vellen druks. 30 Ärr. 26. De ingekomen verhandelingen zullen in de eerstvolgende vergadering der dirigerende leden ter tafel gebragt worden. De direktie beslist omtrent de opneming dezer stukken in het tijdschrift. Amr. -24. De stukken, waarvan de plaatsing niet geschiedt, blijven ter beschikking van den inzender. Arrr. 28. De verantwoordelijkheid voor de in het tijdschrift opgeno- men stukken wordt gelaten voor rekening van den schrrijver. Ärr. 29. De stukken waarvan de plaatsing in het tijdschrift door de direktie is goedgekeurd, worden aan den Hoofd-redakteur ter hand gesteld, aan wien is opgedragen ze voor de pers gereed te maken. Ärr. 30. De dirigerende leden zijn gehouden, den Hoofd-redakteur ‘in de redaktie bij te staan, zoo dikwijls hij het verlangen daartoe zal te kennen geven. Art. 3Í. De dirigerende leden houden minstens één maal ’s maands vergadering ter bespreking van de belangen der Vereeniging en van het Tijdschrift. Tot het bijwonen dezer vergaderingen kunnen ook andere personen worden uitgenoodigd, welker tegenwoordigheid in het belang der Vereeniging wenschelijk geacht wordt. P] a ear 51 ART. 92. Behalve deze vergaderingen heeft minstens éénmaal in de drie maanden plaats eene gewone vergadering, waartoe alle leden der Vereeniging toegang hebben. Hiervan zal de eerste, als algemeene vergadering, in Januarij gehouden worden. ART. 99. „De President maakt jaarlijks een verslag op der verrigte werkzaamheden, welk verslag van wege de direktie in, de eerste gewone (algemeene) vergadering voorgelezen en in het eerste nummer van elken jaargang des tijdschrifts opgenomen wordt. Art. JÁ. Het is wenschelijlk, dat dirigerende en gewone leden, buiten Batavia gevestigd, gewone vergaderingen houden, in den geest der Vereeniging en van het verhandelde in deze vergaderingen mededeeling doen aan de direktie te Batavia. ÄRT. 95. In de “wetten der Vereeniging kunnen geene veranderingen gebragt worden ten zij in de eerste gewone vergadering van elk, jaar. De voorstellen, daartoe strekkende, behooren voor den Îsten December aan de direktie te worden ingezonden en zullen in de bovengenoemde vergadering in beoordeeling worden gebragt. Voor de aanneming van eenige verandering worden twee- derden der stemmen vereischt. 52 Addittoneel artikel. Art. 36. Voorloopig worden alle geldelijke kosten van de Vereeni- ging door de dirigerende leden gedragen. Nad SCHEIKUNDIG ONDERZOEK VAN EENIGE OP JAVA VOORKOMENDE MINERALE WATEREN, DOOR P. SJ. MAIER: Mineraalwater Banjoe assin in het regentschap Poerworedjo , residentie Bagelen. De heer Kinper, kontroleur der fste klasse heeft de bron van dit water ontdekt, en daarvan volgende beschrijving ge- geven. „De bron is gelegen op ongeveer 8 palen afstands in n. 0. „„rigting van de hoofdplaats Poerworedjo, in de nabijheid der ‚„dessa Bapjoeassin (fÎ) midden in een rijstveld en slechts (1) „Van hoeveel nut voor den natuur- en oudheidkundige op Java „de kennis der volkstaal is, hiervan strekke het volgende ten bewijze. „„Bij mijne togtjes, welke ik ambtshalve onderneem, is het mijne ge- „woonte, door middel der benamingen van dessa’s, bergtoppen, rivieren „enz. nasporingen in het werk te stellen omtrent wetenswaardige bijzon- „derheden der tot mijne afdeeling behoorende lokaliteiten. Niet zelden sis mij de etymologie van soortgelijke benamingen een zekere gids ge- „weest tot belangrijke ontdekkingen. Zoo ook in dit geval. „Mij onlangs op reis bevindende in het oostelijke Bageleensche grens» „gebergte, werd mijne aandacht getrokken door den naam der dessa Ban- joe assin, twee zuiver Javaansche woorden, zout water beteekende. „Op die wijze raakte ik bekend met het hier bedoelde minerale water. „Zoo kan men eveneens verzekerd zijn, op alle plaatsen, Assinan geheeten, „„zoutwaterbronnen aan te treffen.” UI. J St „weinige passen verwijderd van eene in de nabijheid stroo- ‚‚ mende rivier. ‚, De kom afgesloten zijnde, bezit eene lengte van 10 en „eene breedte van 6 rijnl. voeten ; de diepte bedraagt 2 voeten. ‚„Het water welt uit den grond op, die daar ter plaatse ‚uit trachietbrekcie bestaat. Het omliggende terrein behoort „echter geheel tof de tertiaire formatie. De kleur van het wa- „ter, in de kom gezien, is ligt geel, bij sommige zonnestanden „groenachtig, in een glas witachtig troebel. Aan de opper- „vlakte vertoonen zich eenige olieachtige vliesjes. De reuk „onderscheidt zich niet merkbaar van gewoon water. De „temperatuur des waters in de kom was ’smiddags 4 uur „860 F. bij eene luchttemperatuur van 89° F. De opene vrije „ligging der bron in een riijjstveld en in steenachtigen grond „draagt zeker veel bij tot den hoogen graad van verwarming „des waters. De smaak heeft veel overeenkomst met dien „van zeewater d. í. zout en eenigzins bitter. Gasontwikkeling is „in de bron niet te bespeuren. ‚‚ Naar schatting ligt de bron op ongeveer 700 voeten boven „zee (Minoreh op 964 en de pas Toenggangan in het Tja- „tjabangsche gebergte op 1680 voeten stellende). De afstand „van de zuiderzee (Indische Oceaan) zal p. m. 20 palen be- > dragen. „Na afsluiting der bron leverde zij in 5 minuten eene ‚Ned. kan mineraalwater of 300 kannen daags. De inlanders verklaarden mij, dat in de oost- en westmoesson de hoe- ‚veelheid water dezelfde bleef. De Javanen bedienen zich „>niet van het water tot geneeskundige doeleinden. De diee „„ren handelen in dit opzigt anders. In den geheelen omtrek „is de bron bij alle buffels, runderen, paarden, wild, voge- „ien enz, bekend, die allen met graagte het water opslur- pen. „Zooals men bijna overal op Java voor een merkwaardig „ natuurverschijnsel een of ander fabelachtig verhaal heeft, „bestaat ook eene legende omtrent den oorsprong der ‚bron Banjoe assin. Pangeran BrrNrowo, zoon des laat- —_ jn 55 „sten Padjangschen sulthans, na de verwoesting des kratons ‚van Padjang vlugtende , bezocht ook dit gedeelte van Bage- „len. In de nabijheid van Banjoeassin uitrustende, om zijn ‚‚ middagmaal te nemen, hadden zijne volgelingen vergeten zout „mede te nemen. Pangeran Bernowo dit vernemende, deed „de zoutwel ontstaan. Eene bamboezen omheining wijst nog „de rustplaats aan van den prins en de mede in het gebergte „„gelegene dessa Bennowo vereeuwigt insgelijks zijne nage- „, dachtenis.” In de maand Augustus ll. ontving ik te Batavia & goed gekurkte en gevulde flesschen van bovenbedoeld water, waar- mede de volgende scheikundige analyse bewerkstelligd is. Het water heeft eenen onaangenamen bitter- zoutachtigen, eenigzins zwavelwaterstofgasachtigen, naderhand een weinig zoet _achtigen smaak, zwavelwaterstofgasachtigen reuk en een soortelijk gewigt van 4,01517 bij 28° C. temp. Reaktie naauwelijks zigtbaar alkalisch. Het is helder, doch tevens eenigzins wit- achtig, hetwelk bij het staan in de lucht wat toeneemt en na verloop van eenige dagen zich als sporen van een eenigzins geelachtig praecipitaat afzondert; het water is daarna ge- heel helder en vrij van elk spoor eener verbinding van ijzer. | Bij verwarming ontwikkelt het water siechts enkele gasblaas- jes; de dampen, door barietwater geleid, vormden sporen van koolzure barietaarde. Het kwalitatief onderzoek heeft de vol- gende bestanddeelen er in doen onderkennen. In weegbare hoeveelheid voorhanden: Zwavelzuur; Chlorium; Kiezelaarde ; Potassa; Soda; Kalkaarde; Bitteraarde en Aluin- aarde een spoor van IJzeroxyde bevattende, hetwelk in het water als Koolzuurijzerprotoxyde bevat is. In onweegbare hoeveelheid: Koolzure kalkaarde; Chloor- ammonium; Joodmagnium; Zwavelwaterstofgas; Koolzuurgas en Org. zelfstandigheden. 36 Kwantitatieve analyse. 1. Bepaling der Vaste deelen. 132,946 grm. water uitgedampt, het zout sterk verhit tot dat eenige zure dampen begonnen te ontwijken, gaven 2,585 grm. Zout = 1,9547 ten honderd water. 2. Bepaling van het Chloor. 132,246 grm. water gaven bij 100° C. gedroogd chloorzil- ver, wegende 6,083 grm. 100 grm. water dus 4,5998 grm., waarin 1,197{ grm. Chloor. 4 3. Bepaling van het Zwavelzuur. 132,2416 grm. water gaven bij 100° CG. gedroogde zwavelzure barietaarde , wegende 0,1737 grm. 100 grm. water dus 0.13135 grm., waarin 0,04513 grm. Zwavelzuur. A. Bepaling der Kiezelaarde. Van het in de fste bepaling verkregene zout, verkreeg men 0,001 erm. gegloeide kiezelaarde. 160 grm. water dus 0,600756 grm. Kiezelaarde. 5. Bepaling der Aluinaarde met sporen van IJzeroxyde. Uit het zoutzure filtraat der kiezelaarde verkreeg men op bekende wijze 0,6008 grm. gegloeide Aluinaarde, een spoor ijzeroxyde bevattende. _ 100 grm. water dus 0,00061 grm. 6. Bepaling der Kalkaarde. Het filfraat der aluinaarde met oxalas ammoniae behandeld, 37 gaf bij 100 C. gedroogde oxalas calcis, wegende 1,058 grm., waarin 0,40585 grm. Kalkaarde (|). 100 grm. water dus 0,30689 grm. Kalkaarde. 7. Bepaling der Zwavelzure kalkaarde. 100 grm. water bevatten 0,045131 grm zwavelzuur gevende met 0,031591 „ _kalkaarde en 0,020307 „ water. 0,097029 „ Zwavelzurekalkaar- de (gips). | 8. Bepaling van het Chloorcalcium. 100 grm. water bevatten 0,30689 erm. kalkaarde; aan het zwävelzuur is gebonden 0,03159 grm.; afgetrokken, blijft 6,2753 grm., beantwoordende aan 0,54525 grm. Chloorcalcium, \ waarin 0,34861 grm. chlorium. 9. Bepaling van het Chloormagniumn. Het filtraat van den oxalas calcis met phosphas ammoniae be- handeld, gaf 0,049 .grm. bij 100° C. gedroogde phosphorzure bitteraarde-ammonia, na gloeijing 0,0345 grm. phosphorzure bitteraarde gevende, waarin 0,01265 grm. bitteraarde. 190 grm. water 0,0096 grin., beantwoordende aan 0,0223 grm. Chloormagnium, waarin 0,01645 grm. chlorium. (1) Toen ik ongeveer 16 dagen later den- oxalas calcis wederom woog, had hijij eenig water aangetrokken; zijn gewigt bedroeg nu 1,071 grm. Ik nam hiervan 1,037 grm. en brandde deze hoeveelheid tot kool- zure kalkaarde, die, alvorens gewogen te zijn, met eene genoegzame hoeveelheid koolzure ammonia behandeld was; zij woog 0,702 grm. 1,071 grm. okalas ecalcis zouden dus 0,72502 grm. koolzure kalkaarde gegeven hebben, waarin 9,40601 grm. kaikaarde. Hieruit blijkt, dat de berekening der kalkaarde uit de bij 1009 C. ge- droogde oxalas calcis, juiste uitkomsten levert, en dat het overbodig is, den oxalas calcis te branden, ten einde uit de verkregene hoeveelheid koolzure kalkaarde de kalkaarde te berekenen. 38 10. Bepaling van het Chloorpotassium. 264,492 erm. water met barietwater enz. behandeld, gaven 0,056 grm. bij 100° C. gedroogd chloorplatina-chloorpotassium, bevattende 0,0{7125 grm. Chloorpotassium. 100 grm. water dus 0,0065 grm., waarin 0,00308 grm. chlorium. 1f. Bepaling van het Chloorsodium. 100 grm. water bevatten 1,1371 grm. chiorium. Hiervan is gebonden aan het potassium == 0,00308 grm. je Di Te Na = 0,34861. „ een wp ss se magnum, OON te zamen 0,56814 „@ afgetrokken van de geheele hoeveelheid chlorium, blijft 0,76896 erm., gevende 1,2738 grm. Chtoorsodium. Resultaat. 100 grm. water bevatten grm. Chloorpotassium … 4 4 ' : 5 0,0065 „ sodium gehe 3 8 d 1,2738 „ calcium 2 ve k ì 8 8 0,54525 MASA Ie ; l 5 } À 0,0223 Zwavelzure kalkaarde … 3 E - 0,09703 Kiezelaarde 4 ; 8 S : : 0,00075 Aluinaarde met een spoor ijzeroxyde 8 0,00061 Totaal der vaste deelen 1,94624 en de volgende niet kwantitatief bepaalbare stoffen Koolzure kalkaarde. Chloorammonium. Joodmagniurn. Koolzuurgas. _ Zwavelwaterstofgas. Organische zelfstandigheden. DE ZOOGENAAMDE WITTE STOF, AFGESCHEIDEN DOOR HET KOCHENILLE-INSEKT, SCHEIKUNDIG ONDERZOCHT DOOR DD. W. ROSET VAN TONNENGEN. ks « _ Het is bekend, dat zich tijdens het leven van het Koche- nille-insekt, eene witte stof afzondert, welke vooral na het dooden der insekten , bij de zuivering door middel van zifting, in tamelijk groote hoeveelheden kan worden verzameld. Volgens den heer L. Monop pr Froimprvure (zie Tijdschrift voor N. I. jaarg. 9, deel 2 pag. 237 en verder) zijn ge- noemde insekten reeds terstond bij hunne geboorte of ook S à 10 dagen daarna, met deze witte stof voorzien en ver- nieuwt zij zich zelfs telkens weder binnen de drie à vier dagen, wanneer zij door regen of andere oorzaken is afgespoeld of verloren gegaan. In den handel is men gewoon, bij de be- oordeeling der kochenille, de meerdere of mindere hoeveel- heid witte stof, welke het insekt bedekt, in aanmerking te nemen en haar in het eerste geval zelfs eenige hoogere waar- de toe te kennen, terwijl uit een wetenschappelijk oogpunt be- schouwd, reeds voor jaren Berzerivs aannam, dat het uit acidum margaricum bestond. Naar hetgeen mij de heer Dr. STrrn- STRA Toussarnr alhier meldt, bedroeg volgens zijne ten dezen aanzien reeds gedurende ettelijke jaren gedane waarnemin- gen, de grootste opbrengst aan witte stof 8E à 9°/, en de kleinste nog 4%, der verkregene zuivere kochenille en is zij tot heden toe beschouwd geworden als niet de minste waarde hebbende. 40 Wanneer men nu in aanmerking neemt, dat alleen in Euro- pa jaarlijks een millioen ponden kochenille van verschillende landen wordt ingevoerd en Engelands kockenille-handel in het jaar 1844 aan in- en uitvoer reeds ruim anderhalf millioen ponden bedroeg, danis het duidelijk, dat, volgens dezen grond- slag, minstens 50,000 ponden elk jaar van deze witte stof worden voortgebragt, en het zal dan ook wel geene bevreem- ding verwekken, dat ik gaarne het aanbod van Dr. Steenstra Tous- SAINT aannam, om mij door het toezenden van eene genoeg- zame hoeveelheid dezer witte stof, tot een onderzoek in staat te stellen. Hetzij mij vergund, dien heer mijnen dank te be- tuigen, zoowel voor dat aanbod als voor de vele inlichtingen , ‘welke mij door hem te dien aanzien met de meeste bereid- willigheid geschonken zijn. Hetgeen mij toegezonden werd, was een grof, wit en op verschillende plaatsen met roode stippen bedekt poeder. Dit poeder met water gekookt zijnde, verkreeg men eene schoone roo- de oplossing, welke zeer spoedig tot verrotting overgaat, iets wat geene geringe zwarigheid bij het onderzoeken er van oplevert; het afkooksel, met wijngeest van 70 à 80°/,, was zuiver oranje- rood, terwijl de koking met alkohol volstrekt geene kleurstof uittrok. In de teruggeblevene in water niet oplosbare en geleiachtige zelfstandigheid, bemerkt men, met het bloote oog, duidelijk kleine insekten of gedeelten daarvan, vooral van diegenen welke in den handel onder den naam van Zaccatillo bekend zijn: bij de verbranding verspreidt zich sterk de reuk, aan brandende dierlijke stoffen eigen; hierbij wordt eenige olie uitgescheiden, welke spoedig vuur vat en met eene sterke walmende vlam verbrandt; na afloop dezer verbranding blijft eene gele asch terug, welke aan de lucht blootgesteld snel vochtig wordt en waarover nader wordt gehandeld. Wanneer ik hier eenige kwantitatieve bepalingen aangaande de bewuste witte stof mededeel, houde men in het oog, dat deze geene absolute maar slechts eene betrekkelijke waarde kunnen hebben, daar het als van zelf spreekt, dat zij ver- schillen moeten voor iedere witte stof in het bijzonder, al 41 naardat zij meer of minder met kleine kochenille-insekten is bedeeld. Verder was het, behalve een onderzoek der stof in het algemeen, ook mijn doel om na te gaan, of er, op wel- ke wijze dan ook, nog eenige bruikbare kleurstof uit te trek- ken zoude zijn, en ten einde de hoeveelheid hiervan te weten te komen, was het noodig, eenige kwantitatieve bepalingen in het werk te stellen, welke hier volgen. Bepaling van het water. 9,554 grm. verloren op 1000 C. gedroogd 0,515 grm. = 14,4919/. | Bepaling van de onverbrandbare deelen. 0,830 grm. lieten bij verbranding 0,165 grm. asch terug = 19,8790/,. Deze asch is ligt bruin gekleurd, trekt zooals reeds is op- gemerkt snel de vochtigheid der lucht tot zich en vervloeit, isin water slechts gedeeltelijk doch in salpeterzuur volkomen onder sterke opbruising van koolzuur oplosbaar; zij bevat zeer vele chloruren en sulphaten van aluinaarde, kalk, mag- nesia en potassa benevens eenig ijzeroxyde; de eerstgenoemde basis heeft echter verre weg de overhand. Bepaling van hetgeen ín ether oplosbaar is. 7,990 gr. werden eenige dagen met ether bij de gewone temperatuur getrokken, daarna afgefiltreerd en het doorgeloo- pene vocht verdampt; hetgeen terugbleef woog 0,190 grm. = 9,377. Het in ether oplosbare is een vast, neutraal reagerend, bruinachtig, naar acidum butijricum riekend vet; het verzeept zich met loogen zeer gemakkelijk, uit welker oplossing in water, door zuren witte praecipitaten van vetzuren worden gevormd: op platinablik verhit, verbrandt het met eene veel roetgevende vlam en eenen prikkelenden reuk: in kokenden alkohol is het oplosbaar. 42 Bepaling van hetgeen in kokenden alkohol oplosbaar is. 50 gr. werden, na vooraf met ether, zooals boven, uitgetrok- ken te zijn, met kokenden alkohol behandeld en afgefiltreerd; nadat de doorgeloopene naauwelijks zigtbaar geel gekleurde oplossing was koud geworden, scheidde zich eene menigte groo- te, vlokachtige kristallen af, welke werden verzameld en ge- droogd; zij wogen 1,772 gr. = 3,5440/,. Het is bij de gewone temperatuur eene broze, helder witte en ligter dan water zijnde stof, welke eerst op het kookpunt van water smelt; is in kouden ether onoplosbaar , wordt in kokenden evenwel opgenomen, doch bij de minste bekoeling weder afgezet; verzeept met alkaliën zeer on- volkomen; het grootste gedeelte blijft bij de behandeling met eene loog op de oppervlakte der vloeistof onverzeept terug; afgefiltreerd en bij het filtraat een zuur gevoegd zijnde wordt een wit nederslag gevormd. Ik meen vele redenen te hebben om deze in kokenden alkohol oplosbare stof, als eene het bijenwas zeer nabijkomende te mogen beschouwen. Bepaling van hetgeen in kouden alkohol oplosbaar is. Nadat de vermelde hoeveelheid was uit de alkoholische op- lossing was verwijderd, dampte men deze laatste tot droogwor- dens toe uit; zij woog 1,523 gr. = 3,0460/,. _ Het is eene bruine, vloeibare, zuur reagerende, vetachtige massa, welke op een filtrum gebragt en met wijngeest van 70%, afgewasschen, spoedig in twee ligchamen werd ge- scheiden ; het eene bruinen in den wijngeest oplosbaar , reageert zuur en wordt door toevoeging van water volkomen geprae- cipiteerd, doch is niet verder onderzocht; het andere is een zuiver wit, half vloeibaar vet, dat even als het vorige onvol- komen verzeept, maar zich door zijne vloeibaarheid kenbaar genoeg van dit laatste onderscheidt. Bepaling van hetgeen in kokend water oplosbaar is. Dezelfde hoeveelheid, welke met ether en alkohol was behan- _ 45 deld , werd met water zoolang gekookt , tot dat dit laatste niet meer gekleurd werd; vervolgens de afgefiltreerde vloeistoffen verzameld zijnde, werden deze op een waterbad uitgedampt en op 1009 C. gedroogd; het ‚teruggeblevene woog 12,3 = 24,60. De op deze wijze verkregene massa is donkerrood; eene groote hoeveelheid water wordt door slechts zeer weinig hier van sterk rood gekleurd; aan de lucht blootgesteld trekt zij spoedig de vochtigheid daaruit aan; door zwavelzuur wordt alle kleurstof uit de oplossing in water gepraecipiteerd ; met wijngeest van 800/, gekookt, wordt er eene schoone oranje- roode oplossing gevormd, terwijl eene zwartbruine stof terug- blijft; uit deze oplossing zetten zich na eenigen tijd zeer kleine stakjes van dezelfde kleur af. Het spoedig aantrekken der vochtigheid van deze in water oplosbare kieurstof is alleen toe te schrijven aan sommige chlo- ruren, die in hare asch voorkomen, zijnde de hoeveelheid van deze laatste door eene kwantitatieve bepaling op niet minder dan 33,501°%/, bevonden: wanneer de witte stof met water gekookt wordt, zonder dat zij te voren met ether en alkohol behandeld was, dan gaf de op 00° C. gedroogde kleurstof, welke even zoo de vochtigheid snel tot zich trok, een asch- gehalte van 27,076%% te kennen. Bepaling van hetgeen in potassa caustica oplosbaar is. De met kokend water. behandelde kochenille-stof werd nu met eene zeer verdunde potassa-oplossing bij matige warmte getrokken en daarna van de teruggeblevene vezelstof afgefil- treerd; in de doorgeloopene vloeistof werd door zeezoutzuur eene geleiachtige, bruingele zelfstandigheid nedergeslagen , wel- ke op een filtrum gebragt, goed uitgewasschen en op 1000 CG. gedroogd is; zij woog 2,175 gr. = 4,35%. Wanneer deze stof verbrand wordt, doet zij zulks onder verspreiding van den reeds vroeger aangehaalden reuk naar verbrandende dierlijke ligchamen, terwijl slechts een onbedui- dend spoor van asch terugblijft; zij is in water en alkohol “« kh onoplosbaar, korrelig en moeijelijk tot poeder te brengen; salpeterzuur kleurt haar geel, terwijl zij door toevoeging van ammonia oranjegeel wordt. Bepaling van het dierlijke weefsel. Ik geef dezen naam aan de met ether, alkohol, water en potassa uitgetrokkene stof, welke goed uitgewasschen en op 100%, C. gedroogd, terugblijft; zij woog 21,161 gr. = 42,322°/. Bij verbranding op een platinablik blijft er nog een weinig asch terug, terwijl tevens hierbij bleek, dat er nog een weinig vet in was achtergebleven; zij is graauw wit en lost in sterke potassa caustica niet geheel op; ik geloof de waarheid het meest nabij te komen, als ik haar analoog aan het kraakbeen beschouw. Bepaling der hoeveelheid kleurstof, welke in de kochenille-stof bevat is. 50 gr. werden zoolang met water gekookt, als zich de vloei- stof nog rood kleurt, deze van het onopgelost geblevene afgezon- derd en bij de oplossing zooveel verdund zwavelzuur gevoegd, tot al de kleurstof was gepraecipiteerd, welke vervolgens op een fillrum gebragt, afgewasschen en gedroogd werd; daarna werd zij met ammonia getrokken, welke een groot gedeelte onopgelost terugliet, terwijl de kleurstof zelve met eene schoo- ne violet-roode kleur werd opgenomen; afgefiltreerd zijnde, werd de doorgeloopene oplossing op een waterbad uitgedampt en op 100° C. gedroogd; zij woog 4,606 = 9,212°/. Het was te voorzien, dat deze. kleurstof nog eenige anorga- nische stoffen zoude bevatten, zoodat van haar eene aschbe- paling is gedaan. 0,442 gr. gaven bij verbranding 0,048 gr. asch = 10,86°/, zoodat het cijfer der bovengemelde kleurstof op de volgende wijze moet veranderd worden van 9,212°/, kleurstof gaat af 1,000 asch. blijft over 8,212% / A KN k 45 Doch ook dat cijfer is slechts als benaderend te beschou- wen, want met kokenden wijngeest van &0°% behandeld, wordt wel is waar het grootste gedeelte als eene uiterst schoo- ne oranjeroode kleurstof opgelost, maar blijft ook nog een weinig van eene donkerroode gekleurde massa over, zoodat men haast zoude kunnen vermoeden dat in de witte koche- nille-stof twee kleurstoffen aanwezig zijn en bovengenoemde hoeveelheid, door ammonia uitgetrokken, als een mengsel van beiden te beschouwen is. | Verzamelen wij nu alle de hoeveelheden, verkregen door bo- vengenoemde wijzen van behandeling, dan blijkt de witte ko- chenille-stof op 100 deelen te bestaan, uit 2,377 in kouden ether oplosbaar vet. 3,544 „ kokenden alkohol oplosbare soort van was. 3,046 „ kouden alkohol oplosbaar met eenig orga- nisch zuur verontreinigd vet. 4,350 „ potassa caustica oplosbare dierlijke stof. 8,212 kleurstoffen. 14,491 water. 19,879 asch en 42,32 — dierlijk weefsel. te zamen 95,221 verlies à 1,779 100,000 Het was thans de vraag, of van deze stof gebruik kon ge- maakt worden tot afscheiding eener kleurstof, welke gemak- kelijk en op min kostbaren weg te verkrijgen was en tevens in schoonheid van kleur, het karmijn of karmijnlak nabij kwam; dezelfde zwarigheden staan hier evenwel in den weg, welke veelal ontmoet worden, wanneer men zich op technisch terrein bewegen zal. Berzerrus zegt aangaande den aard der berei- ding van het karmijn en lak het volgende, „indien ik hier „eenige algemeene opgaven mededeel omtrent de daarstelling „dezer verwen, kan het geenszins mijne bedoeling zijn, tech- 46 „nische voorschriften voor de juiste bereiding derzelve te ge- „ven,’ en later. „Ik geef hier verder niets daaromtrent aan, „omdat het voorschrift daartoe niet naauwkeurig is; de be- „handeling zelve moet, zal de verw -dien hoogsten graad van „schoonheid erlangen, welke haar eigenlijk de hooge waarde „geeft, van in de kunst bedrevenen geleerd worden.” Dewijl mij nu goede voorschriften tot de bereiding van karmijn enz. ontbraken, onderzocht ik eerst de hoeveelheid organische en anorganische deelen, waaruit het karmijn en karmijn- of flo- rentijnsch lak van den handel bestaan, en zulks ten einde eenig overzigt aangaande de verhouding van deze beiden te verkrijgen. Door de ‘goedheid van den heer stadsapotheker N. Lance werd ik in het bezit gesteld van twee soorten zeer schoon karmijn en even zoovele van karmijnlak; van alle deze deed ik aschbepalingen, welke hier volgen. Bepaling der asch van eene karmijnsoort No. Î. 0,660 grm. karmijn gaven bij verbranding 0,059 gr. asch, = 8,939°% anorganische en 91061 „ organische deelen. 100,000 Bepaling der asch van eene karmijnsoort No. 2. 0,401 gr. gaven bij verbranding 0,03f gr. asch, = 7,561°/, anorganische en 92,439 „ organische deelen. 100,000 — Bepaling der asch van eene soort karmijnlak No. 1. (Van eene schoone roode kleur). 0,711 gr. gaven bij verbranding 0,087 gr, asch, = 12,236% anorganische en 87,764 , organische deelen. 160,000 HT Bepaling der asch van eene soort karmnlak No. 2. (Van eene veel minder schoone roode kleur dan de eerste). \ 1,325 sgr. gaven bij verbranding 0,035 gr. asch, = 2,642% anorganische en 97,958 „ organische deelen. 100,000 NB. Dewijl deze soort van lak veel ligter gekleurd was dan de vorige, had ik veel meer anorganische deelen ín haar verwacht dan in de eerste. Om zeker te wezen , deed ik eene tweede aschbepaling tot kontrole, doch deze gaf nagenoeg de- zelfde resultaten (namelijk 2,577°%), zoodat een groot verschil in het aschgehalte van sommige karmijn-laksoorten schijnt te bestaan. Uit deze bepalingen blijkt dus, dat ook het schoonste kar- mijn en karmijnlak, welke fabriekmatig bereid en in den han- del gebragt worden, nog eene aanmerkelijke hoeveelheid anorganische stoffen bevatten, welke voornamelijk uit aluin- aarde bestaan. Om nu dadelijk uit de witte stof te beproeven karmijn te bereiden, werd het door kokend water verkregene donkerroode aftreksel met verschillende, doch altijd kleine hoe- veelheden ijzervrijen aluin gekookt, vervolgens na bezinking het heldere vocht in eene porceleinen schaal gegoten en aan zich zelf, goed bedekt, overgelaten. Bij de bereiding van het kar- mijn laat men de met aluin behandelde vloeistoffen eenige da- gen lang staan, doch het is zeker, dat eene dergelijke metho- de hier geene gepaste aanwending vinden kan, daar èn door de vele vetachtige en dierlijke stoffen, welke in het afkooksel opgenomen zijn, èn door de steeds hooge temperatuur der keer- kringsgewesten , reeds na verloop van een’ dag de vloeistof aan dusdanige verrotting onderhevig is, dat men zich genood- zaakt ziet haar weg te werpen. Op direkten weg laat zich dus uit deze stof geen karmijn afscheiden. Ik beproefde thans, om het door water verkregen afkooksel der kochenille-stof met verschillende hoeveelheden aluin te be- 48 deelen en daarna met een alkali alde kleurstof, gebonden aan de aluinaarde, te praecipiteren; deze op een filtrum te brengen, uit te wasschen en te droogen; de verwijdering der kleurstof gelukt op dusdanige wijze volkomen, doch de vele verbindin- gen, welke ik met aluin heb bereid, bezaten door dezelfde ver- ontreinigingen als waarvan bij de proef om karmijn te verkrij- gen is gewaagd, niet die eigenschappen, welke noodig zijn om als handelsartikel op te treden; zij misten de zachtheid en zui- verheid der gewone laksoorten , maar stemden overigens in kleur genoegzaam overeen, welke laatste trouwens naar verkie- zing meerder of minder donker kan verkregen worden, al naar- dat men bij eene gegevene hoeveelheid van het afkooksel, ver- kregen van te voren afgewogene deelen der bewuste stof, groo- tere of kleinere gewigten aluin voegt en dan met een alkali praecipiteert. Verschillende laksoorten, welke ik meteene ver- houding van 10 tot 40 aluinaarde ten honderd lak heb bereid, hadden zeer uiteenloopende sterkte ín kleuren, van het ligt roode tot het nagenoeg zwart-roode toe. Wanneer , zooals ik reeds in den aanvang dezer bijdrage ge- legenheid had op te merken, de kochenillestof met wijn- geest van 70 à 80 % gekookt is, wordt eene hoeveelheid kleur- stof door dezen opgelost, vermengd met verschillende vetsoor- ten, welke laatste evenwel bij bekoeling van den wijngeest voor het grootste gedeelte zich kristalvormig uitscheiden en dus door filtrering gemakkelijk kunnen worden verwijderd; de ver- kregene vloeistof daarna tot op de helft verdampt zijnde, zet schoone oranjeroode stippen af ‚ terwijl zij tot droogwordens verdampt, daarna in water opgelost en met aluin en een al- kali, zooals boven aangegeven is, behandeld, oneindig schoonere verwen geeft dan uit de oplossing door enkele koking met water kunnen verkregen worden. Dewijl deze methode evenwel naar mijne wijze van zien niet genoegzaam technisch is om met vrucht op Java zelf te kunnen worden aangewend, zoo zal ik er hier niet verder over uitweiden. Volgens mijne overtuiging zoude hef nief overtollig wezen, de volgende hoogst eenvoudige en onkostbare proef in het werk te 49 stellen. Men make door uitkoking met water een afkooksel der witte kochenille-stof, filtrere dat door eenen doek van de onopge- lost geblevene dierlijke zelfstandigheden af en voege onmiddellijk zooveel verdund zwavelzuur (namelijk een deel zwavelzuur uit den handel met vijf deelen water) bij het afkooksel, tot al de kleur- stof is nedergeslagen geworden, iets, dat men ligt bemerkt, _ dewijl het gevormde nederslag tamelijk snel bezinkt en men dan natuurlijk aan de bovendrijvende vloeistof gemakkelijk zien kan, of zij nog kleurstof bevat of niet. ín het laatste geval filtrere men nogmaals, spoele eenige malen het op het filirum teruggeblevene met water af en drooge de gansche massa, welke nu al de kleurstof, gebonden aan eenig zwavelzuur, bevat, in de zon, of ook in denzelfden oven waarin en dezelfde tempera- tuur waarbij de kochenille-beestjes worden gedood. In Euro- pa fabrijkmatig door deskundigen bewerkt wordende, was hef te verwachten, dat aan deze stof welke tot heden toe volstrekt geene waarde had, eenige waarde zoude worden toegekend en zij eene plaats zoude innemen tusschen de vele met haar ge- lijke voortbrengselen, welke voorheen als onnut weggeworpen , doch thans reeds lang eene nuttige toepassing in het dagelijk- sche leven gevonden hebben. Het spreekt overigens van zelf, dat, wil men deze laatste wijze niet volgen, men even goed de gansche oorspronkelijke witte stof ter verwerking naar Euro- pa zenden kan. Zulks is nog gemakkelijker; alleen neemt zij in dit laatste geval veel meer scheepsruimte in en zal dus eenige meerdere kosten na zich slepen. Vatten wij alle de resultaten van dit onderzoek te zamen, dan blijkt het, dat de witte kochenille-stof gedurende het le- ven van het insekt afgescheiden en welke vooral bij zijne zui- vering verkregen wordt, is eene massa, bestaande uit kleine insekten en gedeelten daarvan, vermengd met de exkrementen dezer diertjes, in welke beiden zijn aangetoond minstens drie goed gekenmerkte en van elkander verschillende vetsoorten, eene in kouden ether, eene andere in kokenden alkohol en de laatste in kouden alkohol oplosbaar, welke èn om het groote ‚gehalte dat gerust op 8% mag gesteld worden, èn het volsla- ui. Á, 50 gen gemis aan overeenstemming met het door meerdere schrij- vers beschrevene coccus-vet (welk laatste. trouwens ook meer van coccus polonicus en veel minder van coscus cacti afstamt ) wel verdienden, uit een meer wetenschappelijk oogpunt te wor- den beschouwd ; dat voorts in deze stof is bevat eene kleurstof gelijk aan die, welke in het kochenille-insekt voorkomt, doch welker bereiding in den vorm van karmijn of karmijn-lak op de gewone wijze, wordt verhinderd door de groote hoeveelheid vet en dierlijke zelfstandigheden welke haar vergezellen, zijnde dit laatste tevens de oorzaak van de snelle ontbinding harer af- kooksels met water, vooral in het Indisch klimaat en dat nog wel dáár, waar minstens over eenige dagen tijdster goede vol- eindiging moest kunnen worden beschikt. Ik behoud mij voor, om na afloop van meerdere onderzoe- kingen nog eens op dit onderwerp terug te komen. Weltevreden, den 6den Februarij 1852. BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER ICHTHYOLOGISCHE FAUNA VAN SINGAPORE, DOOR Dr. P. BLEEMER. In mijne Bijdrage tot de kennis der Ichthyologische fauna van Riouw (Natuurkundig Tijdschrift voor Ned. Ind. Jaarg. II, 1851), gaf ik eene opsomming van de door den heer Tu. CANTOR van Singapore bekend gemaakte vischsoorten, ten getale van 122, Ik vermoedde toen niet, dat ik spoedig in de gelegenheid zou zijn, zelf de kennis der zeefauna van Singapore aanmerkelijk te verrijken. In November en December 1851 ontving ik belangrijke ver- zamelingen van Singapore, welke ik heb te danken aan den wetenschappelijken ijver van den heer Durronquvor te Singa- pore, alsmede aan de welwillendheid van den heer C. G. Daum, die zich wel met de overbrenging daarvan heeft willen belasten. De bedoelde verzamelingen bevatten de hieronder genoemde soorten. Van de reeds door mij beschrevene is de plaats van beschrijving achter de namen gevoegd. 1. Labraax waigiensis CV. Nat. Tijdschr. N.L Jaarg. Ip. 479. 2. Apogon rhodopterus Blkr. nov. spec. BE glaga Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Percoid. 4. Serranus crapao GV. ibid. ö. nn altwvelis CV. ibid. 6. Plectropoma maculatum CV. ibid. 52 . Mesoprion annularis GV. ibid. … ___chrysotaenia Blkr. Nat. Tijdschr. N.L II p. 170. . Myriodon scorpaenoïdes Bris. d. Barnev. ibid. p. 480. . Therapon theraps GV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. . Helotes sexlineatus CV. Nat. Tijdschr. N. IL. HI p. 171. ‚ Holocentrum orventale CV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. . Sphyraena gello CV. ibid. zi obtusata CV.? ibid. . Polynemus tetradactylus GV. ibid. „ Upeneoïdes variegatus Blkr. ibid. ke sulphureus Blkr. = Upeneus sulphureus GV. ibid. ie vittatus Blkr. = Upeneus vittatus CV. ibid. Platycephalus isacanthus CV.?- Nat. Tijdschr. N. IL. II p. A81. . Pristipoma nageb Rüpp. Verh. Bat. Gen. XXIII Sciaenoïd. . Diagramma punctatum Ehr. ibid. 5 plectorhynchus CV. ibid. . Scolopsides Vosmeri GV. ibid.  margaritifer GV. ibid. 5 monogramma K. v. H. ibid. . Girella sarissophorus Blkr. = Crenidens sarissophorus Cant. . Heterognathodon bifasciatus Blìkr. Verh. Bat. Gen. XXIII Sciaenoïde . Dentex tolu CV. ibid. Sparoid. …Lethrinus rhodopterus Blkr. nov. spec. 50. Pentapus setosus CV. Nat. Tijdschr. N. í. II p. 175. Caesio coerulaureus Lac. Verh. Bat. Gen. XXIII Maenoid. > __ erythrogaster K.v. H. ibid. . Scatophagus argus CV. ibid. Chaetodont. ‚ Chelmon rostratus CV. ibid. . Holacanthus annularis GV. ibid. n sexstriatus K. ve H. . Platax gampret Blkr. ibid. … ___teira CV. ibid. 39. 40. 41. 42. 45. 44. 40. 46. 47. 48. 49. 50. ò4. 52. 3. ò4, 0) 56. ò7. _ö8. òg. _60 61. 62. 65. 64. 65. 66. 67. 68. 69. 70. 55 Psettus rhombeus CV. ibid. Cybium guttatum CV. ibid. XXIV Makreel. Vissch. Chorinemus sancti Petri GV. ibid. TFrichturus savala GV. ibid. En haumela CV. ibid. Megalaspis Rottlerí Blkr. = Caranx Rotleri GV. ibid. Selar Kuhli Blkr. ibid. Carangoïdes atfropus Blkr. = Carana nigripes GV. ibid. Stromateus niger Bl CV. = Apolectus stromateus CV. Stromateoïdes cinereus Blkr. = Stromateus griseus GV. Equula dacer CV. ibid. Amphacanthus guttatus Bl. Schn. ibid. XXIV Teuthid. 5 virgatus CV. ibid. is javus GV. ibid. hs chrysospilos Blkr. nov. spec. Pomacentrus prosopotaenia Blkr. nov. spec. Glyphisodon bengalensis GV. Verh. Bat. Gen. XXI Labroïd. Ctenoïd. | 5 coelestinus GV. ibid. 5 plagiometopon Blkr. nov. spec. Cossyphus macrodon Bìkr. Verh. Bat. Gen. XXII Gladsch. Labroïd. | Tautoga melapterus GV. ibid. Crenilabrus oligacanthus Blkr. Nat. Tijdschr. N. IL. II p. 489. Scarus micrognathos Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Gladsch. Labroïd. 5 rivulatovdes Blkr. ibid. on aeruginosus GV. ibid. Ki harid Forsk. ibid. i) singaporensis Blkr. nqy. spec. Gobius chlorostigma Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Gobioïd. Apoeryptes changua CV. ibid. Batrachus grunniens CV. Nat. Tijdschr. HI p. 487. Echeneis neucrates L. Verh. Bat. Gen. XXIV Chiroc. Lutod. Machaerium nebulatum Blkr. nov. spec. 5 71. Arius leiotetocephalus Blkr. Verh. Bat. Gen. XXI, Siluroïd. batav. 72. …„ _macruropterygius Blkr. ibid. 75. Plotosus unicolor K.v. H. ibid. Br, albilabris CV. 75. Chirocentrus dorab CV. Verh. Bat. Gen. XXIV, Chiroc. Lutod. Zoen „__… _hypselosoma Blkr. 77. Belone caudimacula Cuv. Verh. Bat. Gen. XXIV. Snoek. 78. _„ melanotus Blkr. ibid. 79. _„ leivroïdes Blkr. Nat. Tijdschr. N.I. I. p. 479. 80. Hemiramphus Quoit CV. ibid. II p. 491. 81. „ Dussumierii CV. Verh. Bat. Gen. XXIV, Snoek. Vissch. 82. Pellona Russellii Blkr. ibid. Haring. Vissch. 85. Alausa ctenolepis Blkr. ibid. 84. Engraulis Brownii GV. ibid. 85. É Dussumierii CV. ibid. 86. Saurida tombil GV. ibid. Chir. Lutod. 87. Hippoglossus erumei Cuv. ibid. Pleuronect. 88. Synaptura aspilos Blkr. nov. spec. 89. A zebra Cant. Verh. Bat. Gen. XXIV, Pleuronect, 90. Plagusia brachyrhynchos Blkr. ibid. 91. Conger talabon Cuv. \ 92. _… _singaporensis Blkr. nov. spec. 95. Balistes stellatus Lac. Verh. Bat. Gen. XXIV, Balistin. 94. Monacanthus Cantoris Blkr. ibid. 95. Triacanthus Blochit Blkr. 96. Tetraödon Kunhardtii Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV, Blootk. Visschen. 97. ie testudineus Bl. ibid. 98, oe lunaris Guv.gbid. 99. Hippocampus kuda Blkr. nov. spec. 100. Ginglymostoma Rüppellii Blkr. 101. Rhinobatus (Rhinobatus) armatus Gr. Hardw. Verh. Bat. Gen. XXIV Plagiost. 102. Taeniura lymma MH. ibid. 55 Van deze soorten zijn slechts 29 vermeld door den heer CaNtoRr. Het geheele aantal mij bekende species van Sin- gapore stijgt daardoor van 122 tot 195, zoodat ik de ken- nis der vischfauna van dit eiland, met die van niet minder dan 73 species heb kunnen verrijken. Vergelijkt men voorts de van Riouw bekende vischspecies met die van Singapore, dan blijkt het, dat van de 75 bekende Riouwsche soorten 99 of ongeveer de helft ook te Singapore zijn aangetroffen en dat het geheele aantal van den Archipel van Riouw en Singapore bekende species 232 bedraagt. De bedoelde 195 species van Singapore zijn de volgende. 1. Lates nobilis CV. 2. Labrax waigiensis CV. 8 &. Apogon rhodopterus Blkr. BEE poecilopterus K. v. H. ven guadrifasciatus GV. Ors, glaga Blkr. 7. Serranus crapao CV. 8. ie horridus K. v. H. 9. va suillus CV. = Serranus cotoïdes Cant. 10. 5 altivelis GV. | 11. Plectropoma maculatum CV. 12. Mesoprion rangus GV. 15. zh chrysotaenia Blkr. 14. De annularis GV. 15. Myriodon scorpaenoïdes Bris. de Barnev. 16. Therapon puta CV. = Therapon trivittatus Cant. MT) theraps CV. 18. Helotes sexlineatus GV. 19. Holocentrum orientale CV. 20. Sillago acuta CV. = Sillago malabarica Cant. 21. Sphyraena jello CV. 23, … … … obtusata-CV. 25. Polynemus tetradactylus Shaw. 24. kiss uronemus GV. = Polynemus indicus Shaw. 56 25. Upeneoïdes sulphureus Blkr. 26. na vittatus Blkr. Re En variegatus Blkr. 28. Platycephalus isacanthus CV. 29. Apistus trachinoïdes CV. = Prosopodasjs trachinoïdes Cant. | 30. Otolithus biauritus Cant. AM en, ruber GCV. Eelt ss argenteus K,. v. H. 545 INNEN maculatus K. v. H. 84. Corvina Dussumierii CV. 5E Belengeri CV. TMR catalea CV. 57. Umbrina Russellit CV. 58. Pristipoma kaakan CV. 99. oe nageb Rüpp. 40. Diagramma punctatum Ehr. = Plectorchynchus balteatus Cant. Al. s plectorhynchos GV. 42. Girella sarissophorus Blkr. = Crenidens sarissophorus Cant, 48. Lobotes erate GV. A4. Scolopsides Vosmeri CV. 45. ie margaritifer CV. 46. B monogramma K. v. H. 47. Heterognathodon bifasciatus Blkr. 48. Dentexr tolu CV. 49, Lethrinus rhodopterus Blkr. 50. Pentapus setosus CV. òf. Caesio coerulaureus Lac. 52. „ erythrogaster K.v. H. 53. Chelmon rostratus CV. 5k. Heniochus macrolepidotus CV. = Diphreutes macrolepido- tus Cant. 5 85. Ephippus orbis CV. = llarches orbis Cant. 56. Drepane longimana CV. = Harpochirus punctatus Cant. 87. Scatophagus argus CV. = Cacodoxus argus Cant. 58. óg. 60. 61. 62. 65. 64. 65. 66. 67. 68. 69. 70. 71. za. 78. 74. 78. 76. 77. 8. 79. 80. 81. 82. 85. 84. 85. 86. B. 88. 89. 90. 91. 92. 95. Holacanthus sexstriatus K. v. H. H annularis CV. Platax Bloch CV. = Platax vespertilio CV. Ds teira GV. > __gampret Blkr. ge arthriticus CV. es ocellatus CV. Psettus rhombeus CV. = Monoductylus rhombeus Cant. Tozotes jaculator CV. Cybium guttatum GV. Ne Commersonii CV. % A lineolatum CV. Trichturus haumela CV. iP savala CV. Elacate bivittata CV. Chorinemus sancti Petri CV. EN Commersonianus GV. pa tol. GV. Stromateus niger Bl. Megalaspis Rottleri Blkr. Selar Kuhlit Blkr. Carangoïdes talamparah Blkr. = Caranx malabaricus GV. h atropus Blkr. = Caranx mgripes GV. e citula Blkr. = Caranx citula GV. 5 gallichthys Blkr. = Gallichthys major GV. Selaroïdes leptolepis Blkr. = Caranx leptolepis K. v. H. Gnathanodon spectosus Blkr. = Caranx speciosus CV. Seriola binotata GV. Lactarius delicatulus CV. Stromateoïdes atoukota Blkr. = Stromateus atous CV. 5 cinereus Blkr. Kurtus indicus Bl. Equula caballa GV. jk filigera GV. EL dacer CV. pe longimana Cant, 58 94. Equula insidiatrie CV. 95. Gazza minuta Blkr. 96. Amphacanthus javus CV. = Teuthis javus Cant. 7. BE chrysospilos Blkr. nov. sp. 98. SS guttatus Bl. Schn. 99. 5 virgatus GV. 100. Mugil cephalotus CV. 101. _ _ecunnesius GV. 102. Gobius chlorostigma Blkr. 105. Apocryptes changua GV. 104. Periophthalmus Schlosseri CV. 105. Petroskirtes variabilis Cant. 106. Echeneis neucrates L. 107. Antennarius hispidus Cant. = Chironectes hispidus CV. 108. a Commersoni Cant. = … __ Commersonii CV. 109. Batrachus grunniens GV. 110. Glyplisodon bengalensis GV. AM. Eh rahti CV. 112. a coelestinus GV. 115. be plagiometopon Blkr. nov. spec. 114. Pomacentrus prosopotaenta Blkr. nov. spec. 115. Cossyphus macrodon Blkr. 116. Cremilabrus oligacanthus Blkr. 117. Tautoga melapterus CV. 118. Scarus micrognathos Blkr. 119, _„ _aeruginosus GV. BO Ng harid Forsk. RD rwulatoïdes Blkr. 122. „ _ singaporensis Blkr. 125. Arius arius CV. 124. _macruropterygius Blkr. 125. * „, _leiotetocephalus Blkr. 126. Osteogeneiosus militaris Blkr. = Arius militaris CV. 427. Plotosus lineatus CV. = Plotosus anguillaris Cant. 128. pr unicolor K. v. H. 129. n albilabris. GV. 59 150. Chirocentrus dorab CV. 151. zh hypselosoma Blkr._ 152. Dussumieria acuta CV. 55. Belone caudimacula Cuv. 454. „ leturoïdes Blkr. 155. „ melanotus Blkr. 156. Hemiramphus Dussumieriùi CV. 157. D Quoijt GV. , 158. Pellona Russellit Blkr. 159. _„ _ Grayana CV. = Pellona affinis Cant. 140. Raconda Russelliana Gray. 141. Clupeonia perforata Cant. 142. Alausa toli CV. 145. _„ _ctenolepis Blkr. 144. Coïlia Reynaldi CV. 145. Engraulis Brownü CV. 146. NS mystax CV. 147. on Dussumterùi CV. 148. Saurida tombil CV. 149. Saurus ophiodon CV. 150. Platessa Russellit Gray- 154. Hippoglossus erumei Cuv. 152. Sijnaptura aspilos Blkr. nov. spec. 155. 7 zebra Cant. 154. eh Commersoniana Cant. — 455. Plagusia quadrilineata K. v.;H. = Plagusia bilineata Cant. 156. sf potous Cuv. 157. id brachyrhynchos Blkr. 158. Machaerium nebulatum Blkr. nov. spec. 159. Conger talabon Blkr. 160. _„ _bagio Cant. 161: _„ _singaporensis Blkr. 162. Ophiurus baccidens Cant. 165. Balistes stellatus Lacép. 164. „ conspicillum Bl. Schn. 165. Monacanthus geographicus Cuv. 166. 167. 168. 169. 170. 471. 172. 175. 174. 175. 176. 177. 178. 179. 180. 181. 182. 185. 184. 185. 156. 187. 188, 189. 190. 191. 192. 195. 194. 195. 60 Monacanthus Cantoris Blkr. ‚N penicilligerus Cuv. Pogonognathus barbatus Blkr. = Alutarius barbatus Cant. Triacanthus Russellii Blkr. = Friacanthus biaculeatus Cuv. he Blochü Blkr. = Friacanthus biaculeatus Bl. Tetraödon Kunhardtii Blkr. ke testudineus Bl. är simulans Cant. pf lunaris Cuv. Ostracion cornutus L. Syngnathoïdes Blochù Blkr.= Syngnathus biaculeatus Bl Hippocampus kuda Blkr. nov. spec. Scyllium maculatum MH, Ginglymostoma Rüppellii Blkr. Carcharias (Scoliodon) acutus MH. Sphyrna zygaena Rafin. 4 Bloch MH. Pristis semisagittatus Lath. Rhynchobatus laevis MH. Rhinobatus (Rhinobatus) armatus Gr. Hardw. 5 (___ » _) hgonifer Cant. Platyrhina sinensis MH. Astrape dipterygia. MH. Temera Hardwick Gray. Trygon uvarnak Rüpp. De imbricata MH. Pteroplatea micrura MH. Hypolophus sephen MH. Taeniura lymma MH. Aëétobatis narinari MH. = Stoüsodon narinart Cant. Van deze 195 species zijn 28 door mij ontdekt of voor het eerst beschreven. Meerderen dier nieuwe soorten heb ik ech- „ter reeds vroeger bekend gemaakt , zooals Apogon glaga, Mesoprion chrysotaenia, Upeneoïdes variegatus, Platax gam- pret, Selar Kuhlii, Gobius chlorostigma, Crenilabrus oligacan- 61 thus , Scarus micrognathos, Scarus rivulatoïdes, Arius leioteto- cephalus, Arius maecruropterygius, Belone leturovdes, Belone melanotus, Alausa ctenolepis, Plagusia brachyrhynchos, Te- traödon Kunhardti, Monacanthus Cantoris. In deze bijdrage worden voor het eerst beschreven Apogon rhodopterus , Lethrinus rhodopterus, Amphacanthus chrysospilos, Glyphisodon plagiometopon, Pomacentrus prosopotaenia , Sca- rus singaporensis, Chirocentrus hypselosoma, Synaptura a- spilos, Machaerium nebulatum, Conger singaporensis, Hippo- campus kuda. De beschrijvingen van enkele soorten, voorko- mende in het nog niet in het licht verschenen 2áste deel der Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, heb ik hier teruggegeven, als aan het wetenschappelijk publiek nog onbekend. Van andere reeds min of meer bekende soorten heb ik nieuwe beschrijvingen ontworpen en daarbij de noodige toelichtingen gevoegd. DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE, PERCOIDEL Apogon rhodopterus Blkr. Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 34 in ejus longitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite 34 in longitudine corpo- ris, paulo longiore quam alto; oculis diametro 3 et paulo in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; praeopereulo rotundato fortiter dentato; maxilla superiore sub oculi limbo posteriore desinente ; squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinali, 9 p. m. in serie verti- cali; linea laterali subarborescente; dorso elevato; pinna dorsali spinosa radiosa multo humiliore, spinis validis, spina 2° ceteris longiore; dorsali radiosa et anali rotundatis, dorsali anali altiore; pectoralibus et ventrali- bus longitudine aequalibus, analem non attingentibus, 5 circiter in longi- tudine corporis; caudali emarginata lobis obtusis 44 in longitudine corpo- ris; colore corpore aureo-viridi; dorso fasciis 2 transversis, 12 sub initio pinnae dorsalis spinosae, 2* sub fine pinnae dorsalis radiosae; cauda ma- cula rotunda nigra; pinna dorsali spinosa fuscescente nigro marginata; pinnis ceteris rubris et aurantiacis; caudali membrana fusca. B. 7. D. 6-1/9 vel 1/10. P. 2/12. V. 1/5..A- 2/8 vereren Oe Lee spinul. lateral. sup. 5 infr. 4, Habit. Singapore, in mari. Longitudo speciminis unici 132”, Deze soort staat in verwantschap tusschen Apogon trimacu- latus CV. van Boeroe en China en Apogon bifasciatus Rüpp. van de Roode zee. Aan laatstgenoemde beantwoordt zij zelfs ten opzigte van de plaatsing en gedaante der rugbanden en staartvlek, maar zij verschilt er van door ligte wijzigingen in de overige kleuren en voornamelijk door spitser, niet bol profiel, langwerpiger ligchaam, grootere bekspleet, één doorn minder in de fste rugvin, die aanmerkelijk lager is dan de 2de rugvin, en door afgeronde 2derugvin en aarsvin. Van de ÎS8 mij thans bekende soorten van Apogon van den Indischen Archipel bevinden er zich 2 in mijne verzameling, 68 t. w. Apogon hyalosoma Blkr. (Apogon thermalis Blkr. nec CV.) van Java, Sumatra, Sumbawa; Apogon quadrifasciatus CV. van Java, Singapore, Pinang; Apogon novemfasciatus CV. (Apogon balinensis Blkr. olim) van Bali, Sumatra; Apogon mul- titaeniatus Ehr. van Sumbawa; Apogon macropterus K. v. H. van Java, Sumatra; Apogon glaga Blkr. van Java, Singapore; Apogon chrysotaenia Blkr. van Java; Apogon melas Blkr. van Sumbawa; Apogon Cantoris Blkr. van Riouw; Apogon rosei- pinnis GV. en Apogon Hartzfeldü Blkr. van Amboina en de bo- venbeschrevene. De overige bekende soorten van den Archipel zijn Apogon nigripinnis GV. van Java, Celebes; Apogon fu- catus Cant. van Pinang; Apogon poecilopterus K.v.H. van Java, Singapore, Pinangs Apogon orbicularis K. v. H. van Java, Amboina, en Apogon trimaculatus CV. van Boeroe. SCLEROPAREL. Platycephalus isacanthus GV? Ik beschreef deze soort in mijne bijdrage tot de kennis der Ichthyologische fauna van Riouw naar 2 specimina van 220” en 230” lengte. Mijn specimen van Singapore is 290” lang en heeft alle vinnen fraai met geel gemarmerd en de meeste vinnen tevens met bruine of zwartachtige vlekjes geteekend. SCIAENOÏDEI. Girnerra Blkr. Dentes maxillares pluriseriati tricuspidati. Apertura bran- chialis sub angulo praeoperculi desinens. Pori mentales plures conspicui. Membrana branchiostega radiis 6. Pinna dorsalis unica. Spina dorsi prima procumbens. Aanm. De bovenstaande diagnose komt in de hoofdkarak- ters overeen met- die van Grella Gray, Richards. De heer Cantor brengt de soort, welke mij aanleiding geeft tot voorstelling van dit geslacht, tot Crenidens CV. en onder dit geslacht tot het subgenus Girella, hetwelk gekenmerkt 64 wordt als van Crenidens te verschillen , doordien alle kaaktan- den driepuntig zijn. Het komt mij evenwel voor, dat Gerella tot een eigen geslacht behoort verheven te worden, verschil- lende van Crenidens niet alleen door de afwezigheid van kor- relachtige kaaktanden, maar ook door zijne zes kieuwstralen, vertikale spleetvormige kieuwopening, getand praeoperkel, liggenden doorn voor de eerste rugvin enz. Het getand zijn van het praeoperkel doet dit geslacht zelfs uit de familie der . Sparoïden verwijderen. Blijkbaar echter is dit kenmerk van zeer ondergeschikte waarde ten opzigte van de onderscheiding van familiën,.gelijk ik zulks reeds in eene vroegere bijdrage heb aangemerkt. Evenzeer als het getand zijn des praeoper- kels de groote verwantschap niet verbreekt tusschen Girella en Crenidens, evenmin verbreekt zulks de groote overeenkomst tusschen Heterognathodon en Pentapus, welke evenzeer volgens de Cuviersche diagnose in twee verschillende familiën zouden behooren plaats te nemen. Ik kan den heer Rrcuarpson niet bijstemmen, wanneer hij de Melanichthys der Fauna gzapontca tot Crenidens CV. terug- brengt. Het geslacht Melanichthys verschilt toch niet alleen van Crenidens door algemeenen habitus, maar ook door zijn, tandenstelsel en van Gtrella insgelijks door beide momenten. Van de bekende geslachten van Sciaenoëïden heeft Girella het meest van Diagramma en Pristipoma. Grrella sarissophorus Cant. Girell. corpore oblongo compresso, altitudine 22% ad 23 in ejus longi- tudine, latitudine 2} ad 24 in ejus altitudine; capite obtuso, convexo, 4 eirciter in longitudine corporis, aeque alto circiter ac longo; oculis dia- metro 44 ad 42 in longitudine ecapitis; rostro convexo oculo longiore, ante os prominente; osse suborbitali oculi diametro altiore; maxillis den- tibus pluriseriatis omnibus tricuspidatis serie externa majoribus; mento poris 10 valde conspicuis; praeoperculo obtusangulo rotundato postice den- En ticulato; operculo medio alepidoto; dorso elevato; squamis ctenoïdeis, lateribus 46 p. m. in serie longitudinalis spina procumbente ante pinnam dorsalem; pinna dorsali spinam ultimam et penultimam inter usque ad basin fere incisa, spina 4* maxime elongata, parte radiosa ut et pinna anali squamulosa antice angulata postice rotundata; pinnis pectoralibns acutis 65 43 ad 5, eaudali subtrunecata non emarginata, maxima parte squamosa), 5} eireiter in longitudine corporis; ventralibus acutis, spina valida, radio 1° filigero anum attingente; colore corpore superne pinnisque verticalibus fuscescente-viridi, inferne argenteo, pinnis pectoralibus ventralibusque vi- ridi-aurantiaco. Bio D, 1 procumb. + 10/16. B. 2/18. V. 1/5. A. 3/15. C. 17 et lat, brev. Synon. Crenidens sarissophorus Cant. Catal. Mal. Fish. p. 52 tab. 1 fig. 1-4. Habit. Singapore, in mari. Longitudo 2 speciminum 275” et 325”, Aanm. De heer Cantor ontdekte deze soort op Pirang in 1845 en gaf daarvan eene afbeelding en uitvoerige beschrijving in zijne „ Catalogue of Malaijan Fishes.”’ Ik vind er echter 6 kieuwstralen en niet 5, zooals de heer Cantor aangeeft. De soort is zeer kenbaar door haren zeer verlengden 4" rugdoorn. SPAROIÏIDEI. Lethrinus rhodopterus Bikr. Lethrin. corpore oblongo compresso, altitudine 84 in ejus longitudine, patitudine 24 circiter in ejus altitudine; capitesacuto, 33 circiter in longi- tudine corporis, paulo longiore quam alto; oculis diametro 82 in longie tudine capitis; linea rostro-frontali concaviuscula; fronte convexa; nucha non gibbosa; rostro acuto oculo duplo circiter longiore ; maxillis aequalibus, superiore ante oculum desinente; dentibus utraque maxilla serie externa antice caninis 4 magnis curvatis, lateribus antice conicis postice globosis , seriebus internis minimis; labiis crassis; osse suborbitali angulo oris oculi diametro altiore; praeoperculo rotundato; operculo postice spina unica plana; linea dorsali rotundata; squamis ciliatis, lateribus 48 p. m. in se- rie longitudinali; pinna dorsali spina 5* spinis ceteris longiore, parte ra- diosa rotundata; pinnis pectoralibus acutis 88, ventralibus acutis 54, cau- dali emarginata lobis acutis 5 circiter in longitudine corporis; anali spina da spinis ceteris longiore; parte radiosa postice angulata paulo humiliore; colore corpore superne olivaceo-viridi inferne argenteo; lateribus sub linea laterali macula diffusa nigricante magna; pinnis rubris vel aurantiacis. B. 6. D. 10/9 vel 10/10. P. 2/11. V. 1/5. A. 3/8. vel 3/9. C. 17 et lat. brev. Habit. Singapore, in mari. Longitudo speciminis unici 342”, HL. 5 66 Aanm. Deze soort heeft groote verwantschap met Zethrinus harak Rüpp, welke echter korter van ligchaam is, stomperen kop en ander profiel, kortere borstvinnen en, de staartvin uitgezonderd, witachtige vinnen heeft. Ik kan de bovenstaande beschrijving tot geene der mij bekende terugbrengen. De karakteristiek der soorten van Zethrinus is moeijelijk, wegens de groote overeenkomst van vele soorten onderling en door het onvoldoende van meeste bestaande beschrijvingen. TEUTHIDES. Amphacanthus chrysospilos Blkr. Amphac. corpore oblongo compresso, altitudine 23 in ejus longitudine, latitudine 32 in ejus altitudine; capite obtuso 5 in longitudine corporis, aeque alto circiter ac longo; linea rostro-frontali declivi rectiuscula ante oculos convexiuscula; linea rostro-pectorali convexa; oculis diametro 34 in longitudine capitis; osse suborbitali supra angulum oris altitudine oculi diametrum subaequante; operculo, praeoperculo et osse scapulari valde striatis; squamis minimis; pinna dorsali partem spinosam inter et radio- sam vix emarginata, spinis mediocribus, mediis ceteris majoribus, 1* ce- teris breviore, parte radiosa parte spinosa altiore rotundata; pinnis pecto- ralibus obtusis capite bravioribus; ventralibus pectoralibus brevioribus; anali spinis validis postica ceteris longiore, parte radiosa parte spinosa altiore rotundata; caudali profunde semilunariter emarginata, lobis acutis 4 eirciter in longitudine corporis; colore corpore coeruleo, guttis valde confertis aureis sve1 aurantiacis; pinnis dorsali et anali spinosis nigricante nebulatis, dorsali et anali radiosis nigricantibus; pectoralibus radiis viri- di-fuscescentibus; ventralibus violaceis; caudali nigricante-viridi. B. 5. D. 1 procumb. + 13/10 vel 13/11. P. 2/15. V. 1/3/1. A. 7/9 vel 7/10. C. 17 et lat. brev. Habit. Singapore, in mari. Longitudo speciminis unici 292, Aanm. Amphacanthus chrysospilos heeft in habitus en kleur- teekening het meest van Amphacanthus guttatus Bl. Schn. doch verschilt daarvan ten duidelijkste door minder bol profiel van den kop, sterk gestreept zijn der operkels, hoogeren nek, sterk uitgeronde tweekwabbige staartvin, korteren laatsten rugdoorn en zeer digt bijeenstaande goud- of oranjekleurige vlekjes. Deze vlekjes strekken zich bij mijn specimen uit tot 67 op de doornachtige rugvinen de basis der staartvin. Bij Am- phacanthus guttatus Bl. Schn. zijn de vlekjes grooter en ver- der vaneenstaande. LABROIDEL CTENOÏDEL Glyphisodon plagiometopon Blkr. Glyphis. corpore oblongo compresso, altitudine 22 in ejus longitudine, latitudine 24 in ejus altitudine; capite 4 in longitudine corporis, aeque alto circiter ac longo; linea rostro-dorsali capite valde obliqua convexius- cula; oeulis diametro 4 in longitudine capitis; rostro oculo longiore; osse suborbitali angulo oris altitudine oculi diametrum aequante; praeoperculo subreectangulo angulo rotundato;s dentibus maxillis apice vix emarginatis, cuneiformibus; squamis lateribns 26 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali rotundatis, dorsali spina ultima spinis ceteris longiore; pectoralibus obtusis et ventralibus non productis capite paulo brevioribus, longitudine aequalibus; caudali vix emarginata angulis obtusa, 5 fere in longitudine corporis; colore toto corpore fusco; capite coeruleo punctato; squamis lateribus vitta transversa coerulea; pinnis fuscis, dorsali et anali radiosis basi coeruleo guttatis. BEE 13/14 vel 13/15. P. 2/15. V. 1/5. À. 3/14 vel 2/15. C2'15 et lat. brev. Habit. Singapore, in mari. Longitudo speeiminis unici 164”, Aanm. Men kan deze species bij den eersten oogopslag herkennen door haar zeer schuinsch profiel en kleuren. Pomacentrus prosopotaenta Blkr. Pomac. corpore oblongo compresso, altitudine 83 in ejus longitudine, latitudine 2% in ejus altitudine; capite obtuso 42 in longitudine corporis, aeque alto circiter ac longo; linea rostro-dorsali vertice convexa, rostro et ante oculos declivi-rectiuscula; oculis diametro 4 circiter in longitudive capitis; rostro oculo vix longiore; osse suborbitali angulo oris oculi dia- metro humiliore, postice valde dentato; praeoperculo rotundato dentibus valde conspicuis; operculo spina unica parva plana; squamis lateribus 29 p. m. in serie longitudinalis; pinnis dorsali et anali angulatis rotundatis , dorsali spinis gracilibus postica spinis ceteris longiore; pinnis pectoralibus obtusis et ventralibus acutis longitudine subaequalibus, capite paulo bre- vioribus; caudali emarginata lobis obtusis rotundatis 4 et paulo in longi- tudine corporis; colore corpore aureo-viridi vel fuscescente-viridi; vittis 68 interoculari et oculo-maxillaribus gracilibus coeruleis; ossibus opercularibus coeruleo guttulatis et maculatis; squamis lateribus plurimis vittula transversa coerulea; pinnis fuscescente-violaceis vel viridibus, dorsali et anali mar- ginem versus vitta longitudinali coerulea, basi coernleo guttatis. B. 5. D. 13/14 vel 13/15. P. 2/16. V. 1/5. A. 2/14 vel 2/15. C. 15 et lat. brev. Habit. Singapore, in mari. Longitudo speciminis unici 140”. Aanm. In habitus heeft deze soort veel van Pomacentrus trimaculatus CV. doch verschilt daarvan door andere kleuren en f straal minder in rug- en aarsvin. LABROÏDEI CIJCLOÏDEI. Crenilabrus oligacanthus Blkr. (descriptio emendata). Crenil. corpore oblongo compresso, altitudine 3} ad 82 in ejus longi- tudine, latitudine 2 ad 2! in ejus altitudine; capite obtuso 4 in longitudine corporis, vix longiore quam alto; linea rostro-frontali junioribus con- vexiuscula, adultis convexa; oculis diametro 34 ad 5 et paulo in longi- tudine capitis; rostro convexojs osse suborbitali junioribus altitudine ocu- lum aequante, adultis oculi diametro duplo altiore; maxillis subaequali- bus, dentibus, caninis exceptis, uniseriatis, ex parte graniformibus ex parte conicis obtusis; maxilla superiore angulo oris dentibus angularibus 2 conicis prominentibus; dentibus caninis magnis curvatis utraque maxilla 45 ecaninis intermaxillaribus internis caninis ceteris majoribus, externis ceteris minoribns; caninis inframaxillaribus subaequalibus, externis diver- gentibus, internis convergentibus; praeopereulo rectangulo angulo rotan- dato, margine posteriore denticulato; dentibus pharyngealibus graniformi- formibus; osse pharyngeali inferiore crista dentibus 3 conicis majoribus; squamis lateribus 26 p. m. in serie longitudinalis linea laterali singulis squamis arborescente; pinna dorsali radiosa dorsali spinosa altiore, rotun- data; pinnis pectoralibus obtusiusculis 5 in longitudine corporis, ventralibus adultis radiis 2 anticis productis pinnam analem attingentibus, junioribus analem non attingentibus; anali junioribus obtusa, adultis postice angulata; caudali truncata 6 circiter in longitudine corporis; colore corpore virides= cente ; marginibus squamarum aurantiacis; linea laterali supra pinnas pec- torales macula magna fusca; lateribus vittis longitudinalibus coerulescen- tibus; capite viridi vittis oculo-maxillaribus et opercularibus coeruleis et rubris; dentibus viridibus; pinnis junioribus aurantiacis; dorsali radiosa et caudali ocellis flavescentibus, anali vittis obliquis margaritaceis; adultis pinnis dorsali et anali coerulescentibus maculis numerosis oblongis et 69 rotundis rubris; pectoralibus viridescente-rubris; ventralibus coerulescen- tibus radio 1° rubro-violaceo; caudali rubra coerulescente guttata. BEND 13/7 vel 13/8. P.'2/14. V. 1/5, A. 3/10 vel 3/11. C. 12 et lat. brev. Habit. Singapore, in mari. Longitudo 5 speciminum 98” ad 260”. Aanm. Ik gaf van deze soort eene beschrijving naar 4 jeug- dige specimina in mijne Bijdrage tot de kennis der Ichthyolo- gische fauna van Riouw (Nat. Tijdschr. N. Ind. II p. 489). Se- dert ontving ik van Singapore een specimen van 260” lengte, hetwelk door vormen van kop en door kleuren zoodanig van de jongere specimina verschilt, dat ik gemeend heb, eene nieuwe beschrijving der soort te moeten ontwerpen. Bij het oudere specimen is de kop veel stomper, het onderoogkuils- been betrekkelijk veel hooger, zijn de buikvinnen veel meer verlengd , de aarsvin hooger en hoekiger en de kleuren , vooray die der vinnen veel fraaijer en duidelijker. Het volwassen specimen heeft in habitus veel van Cossyphus macrodon Blkr. Scarus singaporensis Bikr. Scar. corpore oblongo compresso, altitudine 3 in ejus longitudine, la- titudine 24 circiter in ejus altitudine; capite 4 in longitudine corporis, paulo altiore quam longo; vertice elevato; linea rostro-dorsali ante oculos leviter concava; ovulis diametro 7 circiter in longitudine capitis; rostro convexo oculo triplo longiore; maxillis viridi-coeruleis; dentibus 2 angula- ribus prominentibus supramaxillaribus exceptis, externe glabris, margine libero denticulatis; squamis longitudinaliter striatis, lateribus 22 p. m. in serie longitudinali; linea laterali ramosa; pinna dorsali spinis flexilibus ; pinnis pectoralibus ventralibusque acutis, pectoralibus longitudine caput aequan- tibus, ventralibus 12 in longitudine capitis; caudali postice concava radiis externis valde productis; colore corpore rufescente et flavescente-fusco; labiis rubris; squamis lateribus ex parte guttis dilutioribus; pinnis radiis rubris vel aurantiacis coeruleo? marginatis. BD. 9/10 vel 9/11. P. 2/18. V. 1/5. A. 3/9 vel 3/10, C..13-et lat. brev. Habit. Singapore, in mari. Longitudo speciminis unici 480” Aanm. De bepaling der soorten van Scarus behoort tot de 70 moeijelijke punten der Íchthyologie, wegens de onzekerheid der kenmerken, welke men als soortelijke gemeend heeft te moeten bezigen. Weinigen dier kenteekenen zijn bruikbaar ter bepaling der soorten, en hunne: aan- of afwezigheid afhan- kelijk van leeftijden als anderzins. Zulks is van toepassing op de hoektanden der kaken, de gedaanten der staartvin, den vorm des kops enz. Meer vertrouwen verdienen de kleur en op- pervlakte der kaken , het aantal schubben op eene overlangsche rei , de betrekkelijke lengte der borst- en buikvinnen. Bovenbeschreven specimen heeft groote verwantschap met Scarus limbatus CV. en Scarus nuchipunctatus CV. Het be- hoort tot een dier van zeer gevorderden leeftijd , wat in re- kening gebragt moet worden bij zijne kleuren (die misschien aanmerkelijk anders zijn dan bij de jonge specimina), bij zijne verlengde staartvinstralen en hooge kruin. Ik heb het voor- loopig een’ nieuwen soortnaam gegeven, zonder stellig te dur- ven beweren, dat het niet tot eene der reeds bekende soorten terug te brengen is. SILUROIDEIL. Plotosus albilabris GV. Poiss. xv p. 916. *_Plotos. corpore elongato compresso, altitudine 6% in ejus longitudine; capite 6 in longitudine corporis; latitudine capitis 14 circiter, altitudine 12 ad 12 in ejus longitudine; oculis diametro 54 circiter in longitudine capitis, diametro 1% circiter a se invicem distantibus; rostro convexo oculo duplo longiore, antice acute rotundato; labiis crassis; dentibus maxillis conicis acutiusculis, vomerinis subgraniformibus; cirris crassis, nasalibus spinam dorsalem, labialibus opercula, inframaxillaribus externis basin pinnae pectoralis, inframaxillaribus internis opercula attingentibus; spinis dorsali pectoralibusque acutissimis utrinque serratís, dorsali pinna minus duplo humiliore et spinis pectoralibus paulo longiore, 2 in longi- tudine capitis; pinnis ventralibus rotundatis pinnis pectoralibus rotundatis paulo brevioribus; caudali rotundata; appendice anali biloba lobis arbo- rescentibus vel digitatis; colore corpore pinnisque nigro, ventre dilutiore; labiis albis. B. 10 vel 11. D. 1/4-104 p. m. P. 1/13. V. 13. À.-95rBem. «G. 9s Synon. Plotose à lèvres blanches CV, Poiss. XV p. 316, Habit. Singapore, in mari. Longitudo speciminis unici 210”. 71 Ik bezit thans 5 soorten van Plotosus van den Indischen Archipel t. w. Plotosus lineatus CV., Plotosus macrophthalmus Blkr., Plotosus unicolor K. v.H., -Plotosus castaneoïdes Blkr. en de bovenbeschrevene. In mijne bijdrage, getiteld: „ Silu- roideorum bataviensium conspectus diagnosticus” beschreef ik nog als afzonderlijke soorten Plotosus viviparus Blkr., Ploto- sus horridus Blkr. en Plotosus multiradiatus Blkr., doch latere onderzoekingen en de vergelijking van talrijke specimina van zeer verschillenden leeftijd hebben mij overtuigd, dat de in die beschrijvingen opgesomde verschillen niet van soortelijke waarde zijn en dat het aantal kieuw- en vinstralen bij ver- schillende specimina en op verschillenden leeftijd zelfs vrij aanmerkelijk kan verschillen, dat ook de lengte der cirri niet standvastig is en dat de kop en bekspleet en lippen bij toe- nemenden leeftijd steeds betrekkelijk breeder worden. Deze drie laatstgenoemde soorten breng ik thans allen terug tot Plotosus unicolor K.v. H. Plotosus albilabris CV. is het eerst bekend geworden van Batavia, waar ik haar echter tot nog toe niet heb aangetrof- fen. De heer Cantor vermeldt haar ook als bij Poeloe Pi- nang voorkomende, doch het zou wel kunnen zijn, dat de door dezen verdienstelijken ichthyoloog als Pl. albilabris CV. beschrevene soort tot eene andere species behoort, daar hij als borstvinstralen opgeeft 1/9 en als kieuwstralen Î2 en de buitenste onderkaakscirri beschrijft als korter dan de boven- kaakscirri enz. CHIROCENTROIDEL Chirocentrus hypselosoma Blkr. Chiroc. corpore elongato compresso, altitudine 64% circiter in ejus lon- gitudine, latitudine 3 circiter in ejus altitudine ; capite 64 circiter in lon- gitudine corporis; altitudine capitis }4 circiter in ejus longitudine; oculis ‚diametro 5 circiter in longitudine capitis; rostro oculo non longiore; maxilla superiore sub oculo desinente; maxilla inferiore maxime adscen- dente et ante maxillam superiorem prominente; ore simo; maxilla supe- riore dentibus conicis medioeribus, antice caninis 2 longis horizontalibus convergentibus; maxilla inferiore dentibus elongatis, lateralibus medtis 72 maximis; dentibus palatinis et pterygoïdeis minimis in vittas graciles dispositis; dentibus hyoïdeis valde conspicuis; squamis parvis deciduis; dorso rotundato; ventre cultrato; axillis squamis elongatis; pinna dorsali parti analis anteriori opposita, corpore- plus duplo humiliore et anali paulo plus duplo breviore; pectoralibus acutis 14 circiter in longitudine capitis ; ventralibus oculo brevioribus; anali capite vix longiore et corpore plus duplo humiliore; eaudali lobis acutis 54 cireiter in longitudine cor- poris; colore corpore dorso coeruleo, lateribus inferneque argenteo; pinnis hyalinis vel viridescentibus; caudali nigro marginata. B.8. D. 16 vel 17, B. '14, V. 1/6. A. 84. C. 19 et Tat. DEEV. Synon. Wahlah Russ. Cor. Fish. II p. 78 fig. 199. kan Terak Indig. Samar. Habit. Singapore, Samarang, in mari. Longitudo speciminis unici 415”. Aanm. Deze soort onderscheidt zich van Chirocentrus dorab CV. voornamelijk door hooger en korter ligchaam, hoogeren kop en langere borstvinnen en staartvin. Bij exemplaren van gelijke grootte dezer beide soorten vallen deze verschillen terstond in het oog. Bij een specimen van Chtrocentrus dorab CV. van dezelfde lengte als het bovenbeschrevene, gaat de hoogte des ligchaams meer dan & maal in zijne lengte, de hoogte van den kop 12/, maal in zijne lengte en de borstvinnen {!/, maal in de lengte van den kop, terwijl er de, kaakstanden aanmerkelijk kleiner zijn. Het komt mij voor, dat de Wahlah van Russer (Corom. Fish. fig. 199) meer te brengen is tot Chirocentrus hypselo- soma dan tot Chirocentrus dorab CV. De heer Cantor, in zijnen Catalogue of Malaijan Fishes p. 277, heeft reeds te regt de Wahlah met zekeren twijfel onder de synonymen van Chirocentrus dorab GV. opgebragt. | CLUPEOÏDEL. _Pellona Russelliù Blkr. Bijdr. tot de kenn. der Har. V. Verh. Bat. Gen. xxiv p. 28. Pellon. corpore oblongo compresso, altitudine 3% ad 4 in ejus longitu- dine, latitudine 8 in ejus altitudine; capite subrhomboïdeo, 44 circiter 75 in longitudine corporis, longiore quam alto; linea rostro-frontali declivt rectiuscula; oculis diametro 3 ad 84 in longitudine capitis; rostro oculo breviore; ore simo; maxilla superiore sub medio oculo desinente, antice et postice denticulata; maxilla inferiore valde adseendente et ante ros- trum prominente; dentibus intermaxillaribus, supramaxillaribus, infra- maxillaribus, palatinis, pterygoïdeis et lingualibus bene conspicuis; ossi- bus intermaxillaribus antice ligamento cum osse supramaxillari unitis; praco- perculo subrectangulo angulo vix rotundato; operculis et ossibus subor- bitalibus striatis; lineis dorsali et ventrali convexis, ventrali dorsali multo convexiore; ventre cultrato spinis 28 ad 30 serrato, convexitate maxima ante pinnam dorsalem; squamis vulgo transversim striatis, late- ribus 45 ad 50 in serie longitudinali;, axillis inguinibusque squamis elongatis; pinnis, dorsali maxima parte ante pinnam analem sita, radiis posticis radiis analibus anticis oppositis, corpore duplo circiter humiliore; peetoralibus capite brevioribus sed ventrales attingentibus; ventralibus lateraliter ante initium pinnae dorsalis insertis, lineam ventralem maxima parte superantibus, oculo vix brevioribus; anali 82 circiter, caudali lobis acutis 44 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne griseo- flavescente inferne argenteo; rostro nigro; pinnis flavis, dorsali et caudali fusco marginatis, | Synon. Jangarloo Russ. Corome Fish. II p. 73 fig. 191. Pellona Leschenaultti Blkr. lehth. M. O. Java p. 11. Jkan Mata besar et Ikan Bulan bulan Mal. Batav. Ikan Bulan Indig. Samarang. Jkan Mata leber Indig. Pasur. Habit. Java, Madura, Pasuruan, Singapore, in mari. Longitudo 5 speciminum 143” ad 310”. Aanm. Deze soort beantwoordt genoegzaam volkomen aan de afbeelding en beschrijving der Jangarloo van Russeru. Eene nadere studie dezer soort heeft mij overtuigd, dat zij niet met Pellona Leschenaultii CV. Poiss. XX p. 226 mag vereenigd worden. De heer Varenciennes toch vermeldt van zijne Pellona Leschenaultii 21 rugvinstralen , ongestreepte schub- ben, waarvan er 70 op eene overlangsche rei zich bevinden, terwijl de buikvinnen er veel verder voor de rugvin zouden liggen. Clupea melastoma T.Schl. der Fauna japonica is eene geheel andere soort als Russerr’s Jangarloo, is aanmerkelijk langwerpiger, heeft langere aarsvin, de rugvin geheel voor de aarsvin gelegen, 48 buikdoornen enz. UI. 6 74 Alausa ctenolepis Blkr. Bijdr. t. d. kenn. der Haring. V. van den Ind. Arch. Verh. Bat. Gen. vol. xxrv. Alaus. corpore oblongo compresso, altitudine 4 ad 32 in ejus longitu- dine, latitudine 3 fere in ejus altitudine; capite triangulari, acuto, 5 in longitudine corporis, paulo longiore quam alto; vertice convexo; linea rostro-frontali rectiuscula; oculis diametro 44 ad 5 in longitudine capitis; rostro oculo non breviore; maxillis denticulis vel asperitatibus nullis, su- periore symphijsi valde emarginata, sub oculi parte posteriore desinente; maxilla inferiore symphysi tuberculo praedita; praeoperculo rotundato; lineis dorsali et ventrali convexitate subaequalibus; ventre cultrato, den- tibus 28 vel 29 serrato; squamis valde ciliatis, parte basali transversim striatis, lateribus 40 p. m. in serie longitudinali; axillis inguinibusque squamis elongatis; pinnis, dorsali acuta corpore plus dnplo humiliore, emarginata, antice in 2 tertia parte corporis sita; pectoralibus acutis capite brevioribus ventrales non attingentibus;s ventralibus dorsali mediae circiter oppositis, pectoralibus duplo cireiter brevioribus; anali humili paulo emarginata, pectoralibus breviore; caudali lobis acutis inferiore lon- giore 4 in longitudine corporis; colore corpore superne plumbeo, inferne argenteo; dorso singulis squamis macula diffusa coerulea; pinnis flaves- centibus, caudali margine posteriore violascente. B. 6. D.-17 vel 18. BP, 15 vel:l6. V. 1/7 vel-1/6. A. 18 dz 20, Corid vel 21 et lat. brev. Synon. Jkan Bulan bulan Mal. Batav. Habit. Batavia, Muntok, Singapore, in mari. ka] Longitudo 5 speciminum 290” ad 420”, PLEURONECTEOÏDEI. Synaptura aspilos Blkr. Synapt. corpore oblongo-ovali, altitudine 24 circiter in ejus longitudine; capite obtuso, rotundato 54 circiter in longitudine corporis, altiore quam longo; oculis dextris, diametro 1 circiter approximatis, superiore ante inferiorem prominente, diametro 7 circiter in longitudine eapitis; rostro paulo ante os prominente, fimbriato; ore subantico, rictu curvato sub oculi inferioris margine anteriore desinente; labiis mentoque fimbriatis; denttbus maxillaribus pluriseriatis, parvis, subaequalibus; linea laterali capite flexura valde convexa, corpore ad media latera decurrente; squa- mis ciliatis, lateribus 115 p. m. in serie longitudinali usque ad aperturam branchialem; pinnis dorsali, caudali et anali non distinctis, radiis fissis; caudali obtusa rotundata; dorsali ante oculum superiorem ineipiente; pee» torali sinistra pectorali dextra breviore, dextra 4 circiter in longitudine 75 capitis; ventrali dextra ventrali sinistra majore 3 in longitudine capitis; corpore dextro latere nigro immaculato, sinistro latere albo; pinnis dex- tro latere nigris, verticalibus aurantiaco marginatis. B56. De 70e C. 12 +: AL 55 = D.C. A. 137. P, 6. Vs, 4 Habit. Singapore, in mari, Longitudo speciminis unici 162”, Aanm. Van het geslacht Solea Cuv. (Solea et Synaptura Cant.) bezit ik thans 6 soorten, en wel 5 van de afdeeling - van dit genus met volkomen vereenigde vertikale vinnen (Sy- naptura Cant.) t. w. Synaptura zebra Cant., Synaptura pan Cant. , Synapturd panoïdes Blkr., Synaptura Russellië Blkr. en de bovenbeschrevene, terwijl Solea- maculata Cuv. de eenige species is mijner verzameling van Solea in engeren zin (met vrije staartvin). Synaptwra aspilos is gemakkelijk te onder- kennen; van Synaptura zebra Cant. en Synaptura ommatura (Solea ommatura Richards.), door eenvoudige zwarte kleur van de regterzijde des ligchaams; van Synaptura pan Cant. door ongevlekt ligchaam en veel kleinere schubben; van Synap- tura ovalis (Solea ovalis Richards), door langwerpiger on- gevlekt ligchaam; van Synaptura foliacea (Solea foliacea Ri- chards.) door dezelfde kenmerken; van Synaptura panoïdes Blkr. door breeder en ongevlekt ligchaam en veel minder tal- rijke vinstralen; van Synaptura Russellit Blkr. door veel bree- der ligchaam, veel minder talrijke schubben op eene overlang- sche rei en rood gerande vertikale vinnen; van Synaptura Commersontana Cant. (Mal. Fish, p. 222) door grooteren kop, veel breeder ligchaam , minder talrijke vinstralen enz.; van Synaptura plagiusa (Pleuronectes plagiusa Lacép.) door bree- der ligchaam en zwarte kleur; en van Synaptura argentea (Pleuronectes argenteus Lacép.) door breeder ligchaam en zwarte regterhelft des ligchaams. Beide laatstgenoemde soorten zijn door LacÉrtpe slechts oppervlakkig vermeld en zijn nog bij- kans onbekend. 76 OPHIDINL. Macnaerrum BRuchards. Blkr. Pinnae dorsalis, caudalis et analis unitae, anacanthae, radiis fissis. Dentes intermaxillares et inframaxillares uniseriati, conici, aequales; palatini vel vomerini nulli. Cirri inframaxil- lares nulli. Membrana branchiostega radijs 6. drag cy- eloideae cutem totam tegentes. Machaerium nebulatum Blkr. Machaer. corpore elongato compresso, altitudine 10 in ejus longitudine, latitudine antice 2 fere, postice plus quam 2 in ejus altitudine; capite convexo, &£ in longitudine corporis; altitudine capitis 12 in ejus longi- tudine; oculis diametro 6 circiter in longitudine capitis, minus diametro l a se invicem distantibus; linea rostro-frontali convexaj; rostro oculo longiore; labiis carnosis; maxillis superiore et inferiore dentibus medio- cribus obtusis, utroque latere p. m. 25; maxilla superiore rictuque sub oculo desinente; maxilla inferiore superiore longiore; capite genis oper- culisque superne tantum squamoso; squamis lateribus 200 p. m. in serie longitudinali; linea laterali anteriore laterum parte tantum econspicua; pianis verticalibus basi radiorum squamosis; dorsali supra apieem pecto- calium incipiente, altitudine maxima 14 in altitudine corporis; pectorali- ‘bus rotundatis 24 in longitudine capitis; anali postice in 2° sexta corporis parte incipiente, altitudine maxima 2 in altitudine corporis; caudali acuta rotundata; corpore pinisque pulchre viridibus, fusco et nigricante nebu- latis et maculatis. Bs:0 D5 77 Hs CF TO-L Anp65 =D, Ci A: 152, Pehk Habit. Singapore, in mari. Longitudo speciminis unici 370”. Aanm. Dit geslacht is ontdekt door den heer Rrcrmarpson. Hij maakte daarvan voor het eerst melding in Report of the Brit. Assoc. for 1842 p. 69; later in het 12de deel van de Annals of Nat. Hist. 1843 p. 175 in een artikel getiteld: „Description of the Lurking Machete (Machaerium subducens) from the nor- thern coast of New Holland” en later nog in de zoölogie van de reis der schepen Erebus en Terror (Fish. p. 72 tab. A4 fig. 1-6). Volgens den heer Rrcrarpson gaat bij Machaerium subducens de kop slechts 7 maal in de geheele lengte, is 71 de snuitlijn een weinig konkaaf, staat hef oog verder achter- waarts, gaat de bekspleet niet tot onder het oog, zijn de kaken van gelijke lengte, de vinstralen = B. 6. D. 71. C. 10, A. 60. P. 10, is de staartvin stomper en het ligchaam niet gevlekt , waarom ik. de bovenbeschrevene soort beschouw als eene verschillende. De ingewanden van mijn eenig specimen bevinden zich in geen’ voldoenden toestand van bewaring voor een naauwkeu- rig anatomisch onderzoek. Wat de spijsbuis betreft, kan ik mededeelen , dat de maag cylindervormig is en het grootste ge- deelte van de lengte der buikholte inneemt, dat zij zonder blinden zak in den zeer korten dunnen darm overgaat en dat de dikke darm, hoezeer een weinig langer dan de dunne darm, toch tweemaal korter is dan de maag. Lever bestaande uit twee kegelvormige lange kwabben. Geene poortieraanhangsels. Geene zwemblaas. Nieren zich langs de ruggegraat ter lengte van bijkans de geheele buikholte uitstrekkende. MURAENOIDEI. Conger talabon Cuv. Règn. anim. Cong. corpore valde elongato, compresso, altitudine 18 ad 23 in ejus longitudine; latitudine 14 ad 12 in ejus altitudine; capite acuto 54 ad 62 in longitudine corporis; rostro acuto, apice carnoso, clavato, 4 ad 32 in longitudine capitis; linea rostro-frontali, apice rostri excepto, rec- tiuscula vel concaviuscula; oculis diametro 9 ad 10 in longitudine capitis5 naribus anticis tubulatis; maxilla superiore inferiore longiore; dentibus nasalibus pluribus magnis; dentibus palatinis biseriatis, serie externa subgra- niformibus, serie interna conicis; vomere dentibus triseriatis, serie media magnis compressis, tricuspidatis vel simplicibus, seriebus externis co- nicis brevibus; maxilla inferiore antice dentibus aliquot elongatis, lateri- bus dentibus biseriatis, serie externa conicis brevibus, serie interna compressis majoribus; rictu longitudine 2 circiter in longitudine capitis, longe post oculum desinente; apertura branchiali lata; cute laevis li- nea laterali tubulosa; ano antice in 2° tertia corporis parte sito; pinna dorsali supra aperturam branchialem incipiente, antice corpore du- plo vel plus duplo, postice corpore minus duplo humiliore; pectoralibus 25 ad 34 in longitudine capitis, rotundatis; anali corpore plus duplo hu-- miliore; caudali proeessubus 2 osscis inserta; colore corpore superne oli 78 vaceo-viridi inferne albo; pinnis flavescentibus vel viridibus, dorsali ana- lique nigro marginatis. B. 19. D. 232 ad 281. P. 15 vel 16. A,-188 ad 210. C. 10. Synon. Meer Ael Nieuh. Gedenkw. Zee en Lantr. fig. Anguilla indica Willoughb. Talabon Russ. Corom. Fish I p. 27 fig. 38. Conger longirostris Benn. Life of Raffl. p. 692? Ikan Putje kanipa Mal. Batav. Ikan Remang Javan. Samar. Habit. Singapore, in mari. Batavia, Samarang, in mari. Pamangkat, Borneo occidentalis, in mari et ost. fluv. Longitudo 13 speciminum 270” ad 830”. Aanm. De heer J, Maccreranp (Apodal Fishes of Bengal, in Calcutt. Journ. of Nat. Hist. vol. V.) noemt de Russellsche soort van zijnen Muranesox, M. serradentata en kenmerkt haar met de weinige woorden k Vomerial teeth serrated.” Bij geen mij- ner specimina ontwaar ik echter dat getand zijn van de ploeg- beenstanden en Russrrr spreekt er ook niet van in zijne ove- rigens onvolledige beschrijving. Het schijnt alzoo, dat Murae- nesox serradentata J.M. tot eene eigene soort van Conger behoort. De twijfelachtige punten omtrent de soorten van Conger met groote ploegbeenstanden (Muraenesox J.M.) zullen eerst behoor- lijk kunnen worden opgehelderd, wanneer voldoende reijen van exemplaren der tot heden opgestelde soorten, mel elkander zullen kunnen worden vergeleken. Conger talabon wordt tot meer dan 1500” lang en komt te Batavia bijkans dagelijks ter markt. Het vleesch is weinig gewild en wordt slechts door Inlanders en Chinezen genuttigd. GYMNODONTES. Fetraödon testudineus Bl. Ausl. Fish. tab. 189. Tetraöd. corpore oblongo antice circiter aeque alto ac lato, altitudine 41 ad 43 in ejus longitudine; capite obtuso 84 ad 832 in longitudine cor- poris; linea rostro-dorsali convexa; oculis superis, diametro 7 ad 8% in longitudine capitis, diametris 44 circiter a se inviceem distantibus; papillis nasalibus utroque latere 2 conicis oblongis; maxilla superiore prominente; | 79 capite corporeque totis spinulis scabris; rostro, labiis basibusque pinna- rum laevibus; linea laterali inconspicua; pinnis dorsali et anali flabelli- formibus rotundatis, ecaudali convexa; corpore superne nigricante-viridig maculis rotundis numerosis lutescentibus, inferne argenteo; regione oculo- peetorali fasciis pluribus nigricante-viridibus curvatis parallelis; pinnis viridibus, caudali maculis rotundis lutescentibus. 2/9, P. 2/16, A.-1/9. C, 8 et lat. brev. Synon. Bontwisch Nieuh. Gedenkw. zee- en Lantr. fig. p. 278. Schildkrötenfisch Bloch. Ausl. Fisch. tab. 139. Toadfish Bloch. ibid. | Tetrodon perroquet Lacép. Poiss. id Pp: 477. Arothron testudineus J. Müll. Noulin plathi Incol. Pondic. Ikan Buntak kalappa Mal. Batav. Habit. Singapore, Batavia, in mari. Longitudo 5 speciminum 270” ad 420”. hd Aanm. De afbeelding van Nirvnor is duidelijk herkenbaar. Die van Brocu is vrij goed, doch daarop zijn 2 neusgaten afgebeeld, welke niet in de natuur bestaan. De vinnen. zijn er verkeerdelijk rood gekleurd, terwijl er van de vlekken der staartvin niets te zien is. Deze soort is langs de noord- kust van Java als giftig bekend en mag op de markten niet verkocht worden. : Teiraödon Kunhardtië Blkr. (diagnosis emendata). Tetr. corpore oblongo antice cylindraceo postice compresso, altitudine 4 ad 5 in ejus longitudine; capite 4 circiter in longitudine corporis; linea rostro-frontali convexa vel declivi rectiuscula; oculis superis diametro 8 ad 6 in longitudine capitis, diametris 1 ad 83 a se invicem distantibus; papillis nasalibus oblongis utroque latere 2 basi unitis; maxilla superiore prominente; vertice, dorso antice ventreque spinulis scabris; rostro et cauda maxima parte vel totis glabris; lateribus junioribus glabris aetate provectioribus spinulis scabriusculis; linea laterali vix conspicua; pinnis dorsali et amali altioribus quam latis, caudali convexa; corpore superne migricante-viridi, inferne albo; lateribus junioribus maculis diffusis viri- descentibus, aetate provectioribus maculis nullis; pinnis viridescentibus, caudali postice nigra. | D. 2/8 vel 2/9. P. 2/15. A. 2/6 vel 2/7 vel 2/8 vel 1/8, C, 8 vel 9 et lat. brev. Habit. Singapore et Padang, in mari. Longitudo 7 speciminum 60” ad 270”, 80 Aanm. Mijne vroegere diagnose dezer soort kon ik slechts nemen naar zeer jeugdige individu’s. Het Singapoersche spe- cimen heeft mij sedert doen zien, dat de soort veel grooter wordt en dat ook hier de huiddoorntjes zich verder over het ligchaam uitbreiden, naarmate het dier ouder wordt. BALISTINL. Monacanthus Cantoris Blkr. Verh. Bat. Gen. xxiv, Balist. p. 17 tab. 1 fig. 2. Monac. corpore oblongo compresso, diametro dorso-anali 24 ad 24 in corporis longitudine, latitudine 4 circiter in diametro dorso-anali; capite acuto 4 et paulo in longitudine corporis, multo altiore quam longo; ocu- lis diametro 4 circiter in longitudine capitis; linea rostro-frontali valde concava; rostro acuto oculo triplo fere longiore ; dentibus utraque maxilla 6 acutis apice obliquis vel emarginatis, dentibus maxilla superiore exter- nis autem rotundatis; apertura branchiali ante pinnam pectoralem desi- nente; squamis spinula armatis, parvis sed bene conspicuis, caudalibus ceteris majoribus; cauda spina magna nulla sed spinulis parvis omnibus postrorsum spectantibus tota scabra; dorso elevato valde angulato; spina dorsali supra oculum inserta, rostro longiore, postice dentibus magnis armata; pinnis dorsali radiosa, pectoralibus et anali obtusis angulatis ra- diis omnibus simplicibus; dorsali radiosa et anali diametro dorso-anali quadruplo fere ad quintuplo humilioribus; ventrali flabelliformi, sulcosa, spina ls scabra apice dentata, radiis numerosis filiformibus; caudali radiis divisis, postice convexa, 41 circiter in longitudine corporis; corpore fla- vescente-griseo vel flavescente-fusco nebulato; spina dorsali fusco annulata; pinnis pectoralibus flavis; dorsali radiosa et anali flavescentibus; anali basi leviter fusco reticulata; ventrali fusca coeruleo guttulata; caudali viridescente vittis numerosis transversis fuscis et nigricantibus. D. 1-28 ad 1-30, P. 12, A. 28 vel 29. CO. 12: Synon. Jkan Hajam Mal. Batav. Habit. Batavia, Singapore, in mari. Longitudo 2 speciminum 135%” et 140”, Aanm. Ik beschreef deze soort, hoezeer naar slechts een enkel specimen, in mijne Bijdrage tot de kennis der Balistint en Ostraciones van den Indischen Archipel. Het specimen van Singapore is iets langwerpiger dan het Bataviasche en heeft 9 stralen meer in de rug- en Î straal meer in de aarsvin en öl vertoont geene drupvormige bruine vlekjes, welke het Bata- viasche specimen bezit. Ik heb hiernaar de diagnose thans gewijzigd. Ik heb deze gemakkelijk herkenbare soort ge- noemd naar den heer Dr. Tu. Cantor, die zich in de ichthy- ologie verdienstelijk heeft gemaakt, vooral door zijnen „Cata- logue of Malayan Fishes.” ue Blochis Blkr. Triacanth. corpore oblongo compresso, altitudine 32 in ejus longitudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite acuto 4 circiter in longitu- dine corporis, aeque alto ac longo; oculis diametro 3 ecirciter in longitu- dine capitis; linea rostro-frontali rostro concava fronte convexa; rostro acuto oculo duplo circiter longiore vel altiore; parte capitis praeoculari fere aeque longa ac alta; maxillis squamosis dentibus biseriatis, serie externa 8 vel 10 cuneiformibus, serie interna 2 ad 6 granulosis; apertura branchiali subverticali ante pinnam pectoralem desinente; squamis parvis sed bene conspicuis, scabris; linea laterali conspicua ante spinam dorsa- lem 1 cruciata;s pinnis radijs, anterioribus exeeptis, divisis; dorsali 1* spinis 2 anterioribus (abruptis), spinis 2 posterioribus oculo brevioribus, membrana humili; dorsali radiosa humili obtusa rotundata; pectoralibus rotundatis; anali angulata vix emarginata; spina ventrali utroque latere unica 6 in longitudine corporis; caudali biloba, lobis acutiusculis rotunda- tis 6 eirciter in longitudine corporis; colore corpore superne griseo inferne flavescente vel argenteo; pinnis omnibus flavescentibus. Mee 13. Vol. A. 16, -C, 12, Synon. Balistes braculeatus Bl. Ausl. Fisch. tab 148 fig. 2. Zweistachelichte Mornfisch Bl. ibid. Baliste à deur piqguants Bl. ibid. Habit. Singapore, in mari. Longitudo speciminis unici 130” Aanm. Thans zijn reeds verschillende soorten van Friacan- thus bekend. Nog slechts weinige jaren geleden bragten de ichthyologen de soorten van Frracanthus, afgebeeld bij Nievuor, Brocn en RusserL, tot eene enkele species, welke zij naar den Blochschen soortnaam Friacanthus biaculeatus noemden. In mijne Bijdrage tot de kennis der Balistini en Ostraciones van den Indischen Archipel heb ik aangetoond, dat de af- beeldingen dier dric schrijvers tot drie verschillende soorten behooren en ik noemde daar de soort van Nieunor Zriacan- df Ri. ri 82 thus Nieuhofii en die van Russeru Zriacanthus Russelli, ter- wijl ik 2 nog geheel onbekende soorten Friacanthus rhodo- pterus en Triacanthus oxycephalus heb genoemd. De heer Cantor beschreef onlangs als eene nieuwe soort ZFriacan- thus strigilifer en de heeren TeuwineK en ScurearL Tria- canthus anomalus, zoodat thans 7 soorten van dit geslacht vrij goed bekend zijn. De bovenbeschrevene soort is onge- twijfeld dezelfde als de door Brocu als Balistes biaculeatus af- gebeelde. Hare habitus beantwoordt volkomen aan die afbeel- ding, hoezeer de eerste rugvin er niet zwart is en ook de zwarte vlek voor de buikdoornen ontbreekt. Ter voorkoming van verwarring, heb ik gemeend den soortnaam biaculeatus, welke aan verschillende der bovengenoemde soorten gegeven is, te moeten veranderen en heb daartoe gekozen den naam van den ichthyoloog, aan welke men hare eerste kennis te danken heeft. LOPHOBRANCHII. Hippocampus kuda Blkr. Hippocamp. corpore heptagono, altitudine maxima 64 ad 64 in totius piscis longitudine, latitudine 1% circiter in ejus altitudine; cauda tetra- gona; capite 38 in longitudine corporis ab occipite usque ad apicem cau- dae; rostro longitudine capitis partem postocularem aequante, altiore quam lato, inferne cirris parcis brevibus, ante oculum tuberculo conico brevis oculis diametro 7 in longitudine capitis; orbita superne tuberculo conico unieo non clavatojs occipite in processum obtusum quinquetuberculatum et fimbriatum exeunte; operculis valde striatis; pyxide corporis ex an- nulis 11 formata, eristis longitudinalibus tuberculatis tuberculis elevatis non ramosis sed ex parte fimbriatis; cauda annulis 35, carinis tubercula- tis, tuberculis carinis superioribus majoribus ex parte fimbriatis; pinnis dorsali pectoralibusque rotundatis; colore toto corpore viridescente-fusco, pinnis viridi. RN 1d, Pr ONE: Synon. Jkan Kuda Mal. Habit. Singapore, in mari. Longitudo 2 speciminum 95” et 120”, Aanm. Deze soort laat zich van de bekende soorten onder kennen door in een 5 knobbelig op een’ hals staand uitsteek- ' mn „ nh RE a and 5 Á : NE an EE ST 85 sel eindigend achterhoofd, door even langen snuit als achter- oogsgedeelte van den kop, waaijervormig gestreepte operkels, sterk knobbelachtige en hier en daar met franjes bezette lijf- kielen , groenachtig- bruine ligchaamskleur en 1Î6 stralen in de rugvin. Zij is nog het naaste verwant aan Syngnathus hippocampus Bl. (Ausl. Fisch tab. 109 fig. 3), alsmede aan Hip- pocampus comes Cant. (Mal. Fisch. p. 389 tab. fl fig. 2). Deze laatste species laat zich echter bij den eersten oogopslag van de bovenbeschrevene onderscheiden, door de knodsvormige einden der oogkas- en achterhoofdknobbels, terwijl er de kop slechts weinig langer is dan !/, van het geheele ligchaam. SCYLLIA. Ginglymostoma Rüppell Blkr. Ginglymost. corpore elongato antice cylindraceo postice compresso, altitudine 9 ad 10 in ejus longitudine, vix latiore quam alto; capite 7 cireiter in longitudine corporis, multo latiore quam alto; oculis diametro 8 eirciter in longitudine rostri, longioribus quam latis; foramine tempo- rali diametro oculi longitudinali 1 ab oculo remoto, vix conspicuo; rostro convexo latiore quam longo, subtruncato-rotundato, plus dimidia capi- tis longitudine efficiente; rictu maxillari semilunari, labiali vix cur- vato rostri parte praecorali minus duplo longiore; cirris nasalibus conicis labium inferiorem attingentibus; maxillis dentibus margine libero rotundato totis denticulatis, denticulo medio ceteris vix majore; spiraculis 2 posti- cis supra pinnam peetoralem sitis; cute toto corpore valde porosa, squa- maulis graniformibus postice non denticulatis; dorso non carinato; pinnis dorsalibus minus earum longitudine a se invicem distantibus, altioribus quam longis, acutis, apice rotundatis, leviter emarginatis, 1° 2* majore, __ventralibus opposita, 2* ante analem incipiente et ante finem analis desi- gente, minus dimidio ejus longitudine ab initio caudalis remota; pinnis ‚ pectoralibus capite non vel vix brevioribus, multo longioribus quam latis, _acutis, emarginatis 3 ventralibus subquadratis paulo longioribus quam la- tis; amali altitudine dorsalem 2* aequante, caudali valde approximata, acuta, vix emarginata; caudali capite plus duplo longiore, 2% circiter in longitudine corporis, lobo posteriore subquadrato postice emarginato , lobo anteriore lobo posteriore sextuplo longiore, antice plus triplo humiliore quam basi longa, emarginata; appeadicibus genitalibus conicis sulcatis margine ventralium interno multo brevioribus; colore corpore superne pinnisque griseo-aurantiaco, inferne griseo. Synon. Nebrius concolor Rüpp. N. W. F. Abyss. F.R. M, p. 62 tab. 17 B 2 84 Ginglymostoma concolor Cant. (nec MH.) Mal. Fisch. p. 395. Habit. Singapore, in mari. Longitude speciminis unicì masculini 730” Aanm. In de „Systematische Beschreibung der Plagiostomen” zijn slechts 2 soorten van Ginglymostoma beschreven, t. w. G. concolor MH. en G. cirratum MH. De bovenbeschrevene soort heeft zeer groote verwantschap met Ginglymostoma concolor MH. doch kan deze niet zijn, vermits hare tanden een cirkelsegment vertoonen, hetwelk aan den vrijen rand met 6-10 tanden van nagenoeg gelijke groote gewapend is en de schubben korrelachtig, niet gekield en niet gekerfd zijn. Bovendien ook zijn de snuit en staartvin bij mijn specimen betrekkelijk langer dan op de afbeelding in genoemd werk van G. concolor aangeduid is, en is de alge- meene omtrek des snuits vierhoekig. Mijn specimen beant- woordt beter aan de afbeelding en beschrijving van MNebrius concolor Rüpp. en van Ginglymostoma concolor Cant. (nec MH.), welke tot dezelfde species behooren en van Ginglymostoma concolor MH. soortelijk verschillen. Ik heb daarom gemeend, aan de Rüppellsche soort een’ nieuwen naam te moeten geven, om haar te onderscheiden van de soort, welke de heeren J. Mür- LER en Herre verkeerdelijk voor identisch met haar houden en Ginglymostoma concolor hebben genoemd. Ginglymostoma Rüppellië Blkr. is tot heden toe aangetroffen in de Roode zee in Straat Malakka en Straat Singapore. Lever tweekwabbig, de kwabben van ongeveer gelijke lengte, de halve lengte der buikholte innemende. Eene dikwandige vrij groote galblaas is in de zelfstandigheid der regterkwab gedeeltelijk verborgen. Galbuizen zoowel in de maag «als dik- ken darm inmondende. Milt zeer lang en slank, het achterste gedeelte van de maag omringende. Pancreas veel kleiner dan de milt, langwerpig onregelmatig van gedaante. Maag cylin- dervormig, zich met het achterste gedeelte hoefijzervormig om- | „buigende. Dunne darm slechts eenige millimeters lang, maag en dikken darm als het ware slechts door een’ engen hals van een scheidende. Dikke darm korter dan de maag. Maag ge- 85 vuld met resten van Loligo en andere Gephalopoden, van Engraulis en van Atherina. Klapvlies van den dikken darm spiraalvormig met 24 windingen. Regte darm zonder klapvlies. SQUATINORAJAE. Rhinobatus (Rhinobatus) armatus Gr. Hardw. Mlustr. Ind. Zoöl. II tab. 99. MH. Plagiost. p. 119. Rhinob. corpore elongato depresso, latitudine supra pinnas pectorales 3 in ejus longitudine; capite acuto 4 fere in longitudine corporis; rostro acuto 54 in longitudine corporis, duplo longiore quam medio lato, pro- cessu a rostro distincto nullo, lateribus membranaceo, carina media gra- cili non spinulosa, latitudine minima 15 in ejus longitudine , non sulcata, apice clavata; oculis diametro 74 circiter in longitudine rostri, diametris 2 circiter a s3 invicem distantibus; foraminibus temporalibus oculis ap- proximatis et ijs non vel vix majoribus, margine posteriore bituberculato; naribus minus dimidia earum longitudine a se invicem distantibus, pec- tine radiis plus quam 90, valvula anteriore gracili marginem narium in- feriorem vix superante; sulco labiali superiore nullo, inferiore continuo; rictu tota fere ejus longitudine a margine rostro-pectorali remoto, recti- usculo; squamis corpore parvis conspicuis, dorso majoribus, ex parte spinula brevi armatis; linea dorsi media et regione humerali spinulis ma- joribus armatis; pinnis dorsalibus forma subaequalibus, non vel vix emar- ginatis, acutis, altioribus quam basi longis, dupla earum longitudine a se invicem distantibus, posteriore anteriore paulo altiore, vix tota ejus longitudine a caudali remota; pectoralibus latissimis rotundatis, ventrali- bus subrhomboïdeis antice obtusis rotundatis, postice acutis; caudali acu- ta, margine postero-inferiore convexa, 54 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne flavescente-fusco, inferne albescente; rostro parte membranacea subpellucida; pinnis fuscescente-viridibus. Synon. Jndian Rhinobatus Gr. Hardw. Illustr. Ind. Zoölog. II tab. 99. Rhinobatus typus Benn. Life of Raffl p. 694, lkan Kekeh Javan. Samar. Habit. Singapore, Samarang, in mari. Longitudo speeiminis unici feminini 504”, TRIJGONES. Taeniura lymma MH. Plagiost. p. 171. Cant. Mal. Fish. p. 431. Taeniur. corpore disciformi, disco longiore quam lato, antice lateri- 86 busque rotundato, postice apicibus pinnarum pectoralium acutis; capite longitudine 3 fere, rostro 44 fere ad 44 in latitudine disci maxima; ocu- lis diametro 2 ad 22 in longitudine rostri, diametro 1 circiter a se in- vicem distantibus; foramine temporali sub oculo desinente, oeculo non vel vix breviore; rictu flexuoso; dentibus:maxillaribus acutis; fundo ca- vitatis oris bipapillato; velo postmaxillari valvulisque nasalibus anteriori- bus fimbriatis; cute toto corpore junioribus tota glabra, aetate provectio- ribus linea dorsi media spinis brevibus obsita; cauda disco longiore, radice depressa, postica parte spinis serratis armata; colore corpore super- ne fuscescente-aurantiaco maculis numerosis rotundis pulchre coeruleis; cauda superne lateribus coeruleo longitudinaliter vittata; ventre albescente vel flavescente, marginem disci versus aurantiaco. Synon. Raja lymma Forsk. Deser. anim. 17 Ne. 15 L. Gm. Syst. Nat. p. 1511. Lacèp. Poiss. I p. 119 tab. 4 fig. 2, 3. Bl. Schn. Syst. posth. p. 364. Shaw Gen. Zoöl. V, p. 287. Raie torpille Lacép. Poiss. I p. 82. Trygon lyinma Cuv. Règn. anim. Swains. II p. 319. Trigon lymma Rüpp. Atl. R. N. Afr. F.R. M.p. 51 tab. 13 fig. 1. N. Wirb. F. Ab. F. R.M. p. 69 tab. 19 fig. 4. (dentes). Trygon Halgani Less. Voyage de Duperrey, Zoöl. II p. 100 tab. Pastenaque de Halgan Less. ibid. Trygon ornatum Gr. Hardw. Illustr. Ind. Zoöl. I. tab. 99. Lymma Arab. Pharr Indig. Nov. Hibern. Ikan Pareh kumbang et Ikan Peh tjun Mal. Batav. Habit. Singapore, Batavia, in mari. Latitudo 3 speciminum femin. 165” ad 215%”, Aanm. Taendura lymma MH. is niet alleen bekend van Ja- va, Celebes en Timor, maar ook van Singapore, Malakka, Pinang, de Indische- en Roode zee en Nieuw-Ierland. De soort is te Batavia niet zeldzaam en wordt tot meer dan twee voeten breed. Seripst Batavia Calendis Decembris mpeeeur. ned an ae 4 BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER ICHTHYOLOGISCHE FAUNA VAN BLITONG (BILLITON), MET BESCHRIJVING VAN EENIGE NIEUWE SOORTEN VAN ZOETWATERVISSCHEN , DOOR Dr. P. BLEEKER: In het begin dezes jaars berigtte ik omtrent eenige Blitong- sche visschen, door den heer Dr. Croockrewir tijdens zijn ver- blijf op dit eiland verzameld. Deze vischsoorten, allen in zee gevangen, zijn 10 in getal t. w. Mesoprion Russelliù Blkr., Mesoprion annularis Blkr., Helotes serlineatus CV., Sulago acuta CV., Platycephalus insidiator Bl, Dente tambulus CV., Pentapus setosus CV., Platax bataviensis GV., Belone leiuroïdes Blkr en Synaptura pan Cant. (zie Natuurk. Tijdschr. v. Neêrl. Indie Jaarg I bladz. 478). | Later vertrok naar Blitong mijn vriend, de heer Corns. pr Groor, ingenieur van het mijnwezen, ten einde onderzoek te doen naar de geologische gesteldheid van dit eiland, en in het bijzonder naar zijnen tinrijkdom. Ik noodigde dezen ver- dienstelijken natuurkenner uit, op Blitong te trachten, de daar levende zoetwatervisschen te verzamelen en aan de welwil- lende voldoening aan dit verzoek heeft deze bijdrage haar ont- staan te danken. Is deichthijologie van den Indischen Archipel in het algemeen zeer verwaarloosd geworden, vooral is zulks het geval ten opzigte der zoetwatervisschen en van talrijke aanzien- lijke eilanden van den Indischen Archipel is tot nog toe geene en- | kele species van zoetwatervisschen bekend geworden, niettegen- staande deze studie voor de geographische zoölogie van meer 88 belang is, dan de studie der zeefauna, welker vertegenwoor- digers, uit den aard van de middenstof, waarin zij le- ven, aan minder beperkingen in hunne woonplaatsen onder- worpen zijn. De verzameling van den heer De Groot, hoe- zeer niet meer dan 15 soorten bevattende, ís niet onbelangrijk en bevat eenige species, welke tof nog toe op geen der ove- rige eilanden van den Soenda-Molukschen Archipel zijn aange- troffen. De 15 boven bedoelde soorten zijn de volgende. ‚ Catopra, Grootii Blkr. nov. spec. . Nandus nebulosus Blkr. = Bedula nebulosus Gr. Hardw. ‚ Betta anabatoïdes Blkr. ‚ Ophicephalus marulioïdes Blkr. zj marginatus GV. . Mastacembelus maculatus GV. ‚ Silurus phaiosoma Bikr. . Bagrus micropogon Blkr. nov. spec. ? . Pimelodus cyanochloros Blkr. Clarias punctatus GV. ‚ Barbus lateristriga CV. ADM 7 blitonensis Blìkr. nov. spec. eo TVD NO DD 15. Leuciscus cephalotaenia Blkr. nov. spec. 14. Hemiramphus phatosoma Blkr. nov. spec. Ee © . Luciocephalus pulcher Blkr. Vijf dezer soorten beschouw ik als nieuw voor de weten- schap, hoezeer Zagrus micropogon nog met eenigen twijfel, daar zij mogelijk den zeer jeugdigen leeftijd voorstelt van Ba- grus poecilopterus K.v.H. van Java. Voorts komen van de bo- vengenoemde soorten tevens op de fauna van Java: Opkicep- halus marginatus CV., Mastacembelus maculatus CV., Pimelo- dus cyanochloros Bìkr., Clarias punctatus CV. en Barbus late- ristriga CV.;-—op de fauna van Borneo: Betta anabatoïdes Blkr., Ophicephalus marulioïdes Blkr., Silurus phatosoma Blkr., en Luciocephalus pulcher Blkr.; — en op de fauna van Sumatra, Mastacembelus maculatus CV. en Pimelodus cyanochloros Blkr. | | Men mag hieruit opmaken, dat de zoetwatervischfauna van _ 89 jn Blitong, afgescheiden van de haar eigene soorten, in verwant- schap het midden houdt tusschen die van Java en Borneo. Alle 15 bovengenoemde species zijn gevangen in heft stroom- gebied der Tjiroetjoep, in het westelijk gedeelte van het ei- land, nabij de plaatsen, waar door den heer De Groor vrij rijke tingronden zijn gevonden, met welker ontginning reeds een begin gemaakt is. In het geheel zijn mij thans de vol- gende 25 soorten van Blitong bekend. 1. Mesoprion Russellii Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 2. jn annularis Blkr. ibid. ò. Helotes sexlineatus CV. Nat. Tijdschr. N.L Hp. 171. 4. Sillago acuta GV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 8. Catopra Grootii Blkr. 6. Nandus nebulosus Blkr. 7. Platycephalus insidiator Bl. Verh. Bat. Gen. XXII Sclerop. 8. Denterx tambulus GV. ib. XXIII Sparoïd, 9. Pentapus setosus CV. Nat. Tijdschr. N. Ind. H p. 175. 40. Platax bataviensis CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Chaetodont. M., Betta anabatoïdes Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. I p. 269. 12. Ophicephalus marutoïdes Blkr. ib. H p. 424. drs 5 marginatus GV. Verh. Bat. Gen. XXIII Vissch. Doolhofv. Kieuw, 14. Mastacembelus maculatus GV. 15. Silurus phaiosoma Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. IH p. 428. 16. Bagrus micropogon Blkr. 17. Pimelodus cyanochloros Blkr. Verh. Bat. Gen. XXI N. Bijdr. Silur. Jav. 18. Clarias punctatus GV. ibid. Siluroïd. batav. conspecte 19. Barbus lateristriga CV. Ne blitonensis Blkr. 21. Leuciscus cephalotaenia Blkr. 22. Belone leiuroïdes Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind, I p. 479. 25. Hemiramphus phaiosoma Blkr. 24. Luciocephalus pulcher Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. I p. 273. 16. Synaptura pan Cant. Verh. Bat. Gen. XXIII Snoek. Vissch. DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAEs NANDOÏDEI. Catopra Grootii Blkr. Catopr. corpore oblongo compresso, altitudine 2% fere in ejus longitu- dine, latitudine 24 in ejus altitudine, capite obtuso convexo 32 circiter in longitudine corporis, aeque alto ac longo; oculis diametro 4 in lon- gitudine capitis; linea rostro-dorsali ante oculos convexa, supra oculos leviter concava; rostro convexo longitudine oculum aequante; maxillis aequalibus, superiore protractili sub oculi parte anteriore desinente; den- tibus maxillis pluriseriatis parvis, antice serie externa majoribus conicis, vomere parvis in thurmam oblongam transversam antice in palato collo= catis; dentibus palatinis parvis utroque latere in vittam gracilem obli- quam dispositis; dentibus pterygoïdeis granulosis in Jaminam oblongam ovalem, lingualibus granulosis in laminam magnam lageniformem collo- catis; denticulis suborbitalibus vix conspicuis; praeoperculo subrectan- gulo, angulo rotundato leviter tantum denticulato; interoperculo edentulo ; squamis ectenoïdeis ciliis minimis pluriseriatis, parte basali flabelliforme striatis, lateribus 30 p. m. in serie longitudinali, 15 p. m. in serie ver- ticali; linea laterali singulis squamis tubulo simplice notata, sub pinnae dorsalis radiosae parte posteriore interrupta et infra sub parte ejus ante- riore reïncipiente ; pinnis basi squamosis, dorsali et anali radiosis rotun- datis caudalem attingentibus, dorsali spinosa spinis mediis ceterislon- gioribue, parte radiosa humiliore; anali spina media ceteris longiore; peetoralibus obtusis ventralibus acutis vix longioribus, 4# in longitudine corporis; caudali rotundata 43 in longitudine corporis; colore corpore pinnisque olivaceo-viridi, B. 6. D. 13/16 vel 18/17. P. 2/12. V. 1/5. A. 3/9 vel 3/10. C. 14 et lat. brev. Habit. Blitong, in flumine Tjirutjup. Longitudo speciminis unici 184”. _ Aanm. Deze soort is de derde Catopra, mij van den Indi- schen Archipel bekend geworden. Java bezit Catopra nandoï- des, Borneo Catopra fasciata. Deze drie soorten hebben 91 groote verwantschap met elkander, doch laten zich door vol- gende kenmerken gemakkelijk van elkander onderscheiden. Catopra fasciata Blkr. 12 zwartachtige dwarsche banden over het ligchaam. D. 18/16 of 13/17. P. 2/14. Catopra nandoïdes Blkr. Ligchaam zonder banden. D. 14/16 of 14/17. P. 2/14. Snuit niet bol. Catopra Grootiü Blkr. Ligchaam zonder banden. D. 13/16 of 13/17. P. 2/12. Snuit bol. Ik noem de bovenbeschrevene nieuwe soort naar den heer Corns. pr Groor, aan wien de wetenschap de eerste kennis der zoetwaterfauna van Blitong te danken heeft. Nanpus CV. Pinna dorsalis unica. Dentes maxillares, palatini, vomerini et linguales setacei, pterygoïdei granulosi in thurmam graci- lem collocati. Os suborbitale non denticulatum. Praeoper- culum denticulatum. Operculum spina unica. Membrana bran- chiostega radiis 6. Linea lateralis interrupta. Maxilla superior protractilis. Nandus is zeer na verwant aan Catopra (zie Nat. Tijdschr. Ned. Indië Jaarg. II), doch verschilt er van, doordien er de tongtanden zeer dun zijn en op eene smalle plaat verce- nigd, wat ook met de vleugelbeenstanden het geval is. Voorts heeft Nandus de onderoogkuilsbeenderen ongetand en het operkel slechts met een’ enkelen doorn gewapend. Catopra en Nandus zijn geslachten, welke in verwantschap bet midden houden tusschen de Chromides en de Percoïden en welligt te brengen zijn tot eene eigene familie. Het niet volkomen veree- nigd zijn der onderste keelgatsbeenderen sluit ze van de Labroïden uit, waarmede overigens hunne inwendige organisatie ze ver- want doet zijn. Zij schijnen voor de zoete wateren van Zuid- Azië en den Indischen Archipel te wezen, wat de Chromides zijn voor de zoete wateren van Zuid-Amerika. Waarschijnlijk zullen latere nasporingen nog meerdere soorten van Nandus en Catopra in de zoete wateren dezer gewesten doen kennen. Nandus nebulosus Blkr. Nand. ecorpore oblongo compresso, altitudine 3 in ejus longitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite acuto 83% in longitudine corporis, paulo longiore quam alto; oculis diametro 84 eirciter in longi- tudine capitis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; maxilla superiore valde protractili alepidota, ore clauso maxilla inferiore paulo breviore, sub oculi parte posteriore desinente; dentibus maxillaribus, vomerinis, palatinis, pterygoïdes et lingualibus in vittas graciles dispositis; osse sub- orbitali humillima; praeoperculo rotundato, margine posteriore leviter emarginato dentieulis vix conspicuiss interoperculo leviter denticulato; spina operculari plana acuta; squamis ciliatis, lateribus 30 p. m. in serie longitudinalis linea laterali simplice sub pinnae dorsalis radiosae parte posteriore interrupta; pinna dorsali profunde emarginata, parte spinosa parte radiosa humiliore, spinis 3*, 4* et 5° spinis ceteris longioribus, parte radiosa rotundata; pinnis pectoralibus rotundatis et ventralibus acutiusculis 53 circiter in longitudine corporis; anali spina 2° spinis 1* et 3* longiore, parte radiosa rotundata, caudali convexa 54 circiter in longit udine corpo ris; colore corpore superne fusco, lateribus inferneque aurantiaco-rufo diffuse transversim fusco fasciato; pinnis dorsali spinosa fusca, pectorali- bus olivaceis, ceteris aurantiacis fusco maculatis et variegatis. B. 6. D. 14/11 vel 14/12. P. 1/15. V. 1/5. A. 3/5 vel 3/6. C. 14 et lat. brev. Synon. Bedula nebulosus Gr. Hardw. Illustr. Ind. Zoöl. II Pisc. tab. 1 fig. 2? Habit. Blitong, in fumine Tjirutjup. Longitudo speciminis unici 111”, Aanm. Deze soort verschilt van Nandus marmoratus GV. door sterken operkeldoorn, onder het oog eindigende boven- kaak, aanmerkelijk grootere borst- en buikvinnen, veel min- der schubben op eene overlangsche rei, ongeschubte boven- kaak enz. In habitus en kleurteekening heeft zij zeer groote overeenkomst met Bedula nebulosus van de Illustrations of Indian Zoölogy, met welke species ik geneigd ben haar voor identisch te houden. Is zulks het geval, dan is de aange- haalde afbeelding in meerdere opzigten onjuist, vertoonende zij het oog te klein, de onderkaak te ver voor de boven- kaak uitstekende, de bovenkaak te ver achterwaarts rei- kende , het praeoperkel ongetand, den operkeldoorn in het geheel niet, enz. Bovendien tel ik op die afbeelding slechts 95 13 rugvindoornen , wat zijne reden kan hebben in seene indi- viduöle verscheidenheid. De heer Cantor (Malaijan Fishes p. 17) brengt Bedula nebulosus Gr. Hardw. tot Nandus marmo- ratus GV. even als Bedula Hamilton Gray (Illustr. Ind. zoöl. II Pisc. tab. 1 fig. 3). Ten opzigte van laatstgenoemde species stem ik den heer Cantor bij, maar Gray heeft mijns inziens zeer te regt beide afbeeldingen beschouwd als tot verschillende soorten te behooren. NOTAGANTEINL. Mastacembelus maculatus GV. Poiss. vir p. 840. Rèen. an. éd. d. luxe tab. 55 fig. À. Mastac. corpore elongato compresso, altitudine 10 circiter in ejus longi- tudine; capite 7 circiter in longitudine corporis; rostro 24 ad 22 in lon- gitudine capitis, apice tentaculis 2 trilobo, parte producta rictum longi- tudine aequante ; praeoperculo dentibus vel spinis nullis; linea laterali cauda inconspicua; squamis parvis, totis striatis, cycloïdeis, lateribus 180 p. m. in serie longitudinalis; pinnis verticalibus unitis; appendice anali conica longa; caudali vix distincta rotundata; dorsali post apicem pinnae pectoralis incipiente, parte spinosa longitudine partem radiosam aequante, spina postice spinis ceteris multo majore; anali spina 2% valida magna, parte radiosa paulo ante pinnam dorsalem radiosam incipiente; pectorali- bus rotundatis; colore corpore superne viridescente-fusco, inferne virides- cente-flavo; lateribus fusco. nebulatis; pinnis verticalibus flavo marginatis, dorsali viridi et fusco variegata, basi maculis nigricantibus; anali nigricantc- fusca. Beb. 26-60, ad, 30-70..P. 22 vel 23. A. 59 ad 69,,C..16 p. ms Synon. Rhynchobdella maculata Reinw. Mastacemble tacheté CV. Poiss. VIII p. 340. Mastacemble maculé CV. Règn. anim. éd. de luxe tab. 55 fig. 1, Jkan Arehlot Sundanens. Habit. Blitong, Java, Sumatra, in fluviis. Longitudo 16 speciminum 125” ad 280”. Varietas: chrysogaster , ventre immaculato. Habit. Java (Buitenzorg, Tjis pannas), Sumatra (Pajacombo , Solok). dictyogaster , ventre fusco reticulato. Hab. Blitong. Aanm. In mijne Bijdrage tot de kennis der Notacanthint van den Soenda-Molakschen Archipel (Verh. v. h. Bat. Gen. 94 v. K. en W. vol. XXIII), heb ik de diagnose dezer soort ge- geven, volgens hare in de groote Histoire des Poissons voor- komende beschrijving. Sedert ben ik in het bezit gekomen van een aantal exemplaren van Java, Sumatra en Blitong, waardoor ik in staat gesteld ben, hare kenmerken naauwkeu- riger op te geven. Deze soort is vooral merkwaardig door haar ongewapend praeoperkel, en zou daardoor zelfs uit het geslacht Mastacembelus behooren weg te vallen, indien de praeoperkeldoornen, door Cuvier VALENCIENNES als generisch karakter beschouwd, zulks inderdaad waren, wat ik echter niet kan aannemen, omdat Mastacembelus maculatus overigens in de wezenlijke kenmerken met de andere soorten van Mas- tacembelus overeenkomt. SILUROÏDEL. Bagrus micropogon Blkr. Bagr. corpore elongato compresso, altitudine 8 circiter in ejus longitu- dine; capite acuto 44 circiter in longitudine corporis, duplo longiore quam alto sed minus duplo longiore quam lato; dorso humilis linea ros- tro-dorsali declivi reetiuscula, vertice tantum convexiuscula; oculis dia- metro 6 eirciter in longitudine capitis; rostro oculo duplo longiore, ante os prominente; scuto capitis cristaque interparietali glabris; crista inter- parietali trigona aeque longa ac basi lata, tota conspicua, os interspino- sum glabrum non attingente; cirris 8 gracilibus, nasalibus oculum attin- gentibus, labialibus oculum superantibus, inframaxillaribus aperturam branchialem non attingentibus; labiis carnosis; maxilla superiore inferiore longiore; dentibus maxillis setaceis pluriseriatis, vomero-palatinis plurise- riatis in vittam semilunarem simplicem dispositis; osse scapulari vix ru- goso acuto; pinna dorsali spina corpore paulo altiore postice dentata; dorsali adiposa tota ejus longitudine a dorsali radiosa remota, anali op- posita eamque postice superante, oblonga, rotundata; pinnis pectoralibus acutis capite multo brevioribus, spina crassa postice valde dentata; ven- tralibus capite duplo brevioribus; anali rotundata corpore non humiliore; caudali valde excisa lobis acutissimis aequalibus 5 in longitudine corpo- ris; colore corpore fuscescente fusco profundiore nebulato;s; pinnis rufis nigro late fasciatis. B. 10. D. 1/7. P. 1/8. V. 1/5. A. 4/12 vel 5/1le CG 17 et lat, breve Habit. Blitong, in flumine Tjirutjup. Longitudo speciminis unici 79”, nn nd ea 95 Aanm. Deze species behoort tot die soorten van Bagrus met 8 cirri en onafgebrokene rei ploegbeen-gehemeltetanden, bij welke de vetvin ongeveer dezelfde lengte heeft als de aars- vin en de achterhoofdskam niet tot aan het tusschendoorns- been reikt. Zij staat in verwantschap zeer nabij Bagrus poeci- lopterus K.v.H. van Java en heeft daarvan de dunne korte voeldradeny vooruitstekenden snuit en algemeene kleurteekening. Bagrus poecilopterus K. v. H. bevindt zich tot nog toe niet in mijne verzameling, doch ik bezit er eene fraaije afbeelding van, af- komstig uit de teekeningen der voormalige Natuurkundige Kommissie. Deze afbeelding wijkt in zooverre van de be- schrijving van Cuvier VALENCIENNES af‚ dat de rugdoorn er duidelijk getand is, de rugvin er 7. en de borstvin 8 stralen vertoont, even als bij bovenbeschrevene soort. Vergelijk ik echter mijn specimen met die afbeelding, dan blijkt het, dat het veel ranker van kop en ligchaam is, grootere oogen en zeer spits uitloopende staartvinkwabben heeft, minder regel- matig gekleurd is, en de lipdraden er tot achter het oog rei- ken. Ik houd mijn specimen daarom voor eene eigene soort, tot dat nadere waarnemingen kunnen doen blijken, dat deze verschillen slechts toe te schrijven zijn aan den leeftijd „ be- dragende de lengte van mijn specimen nog niet de helft van die der bedoelde afbeelding. | CIJPRINOÏDEL Barbus lateristriga GV. Poiss. xv: p. 120. Barb. corpore oblongo compresso, altitudine 34 ad 34 in ejus longitu- dine, latitudine 3 circiter in ejus altitudine; capite 5 et paulo in longitu- dine corporis; altitudine capitis 1% ad 1% in ejus longitudine; oculis dia- metro 3 in longitudine capitis, diametro l a se invicem distantibus; rostro convexo oculo breviore; maxilla superiore inferiore vix longiore, vertica- liter deorsum protractili, ante oculum desinente; ore antico; cirris maxil- laribus labialibus brevioribus, maxillaribus oculi marginem anteriorem, labialibus praeoperculi partem posteriorem attingentibus; dentibus pharyn- gealibus triseriatis conicis, serie externa 4 uncinatis et subuncinatis; osse scapulari trigono obtuso rotundato; linea frontali declivi rectiuscula; 96 dorso elevato ventre convexiore, linea dorsali vix angulata antice valde convexaj linea ventrali rotundata; linea lateralí infra lineam rostro=cau- dalem descendente, concava; squamis radiatim striatis, lateribus 24 p. m. in serie longitudinali, 8 vel 9 in serie verticali; inguinibus squamis elon- gatis; pinna dorsali acutiuscula non emarginata, corpore minus duplo. humiliore, spina denticulata capite breviore ventralibus opposita; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis longitudine aequalibus capite brevioribus, pectoralibus ventrales non attingentibus; analí acutiuscula non emarginata, corpore plus duplo humiliore; ecaudali profunde incisa lobis acutis 44 cir- citer in longitudine corporis; colore corpore superne olivaceo-viridi, late- ribus infermeque flavescente-argenteo; dorso lateribusque fasciis 2 trans- versis violaceo-nigricantibus, fascia anteriore dorso-pectorali, fascia pos- teriore dorso-ventrali; cauda fascia longitudinali violaceo-nigricante; pinnís flavescente-roseis, dorsali analigue marginem versus violascentibus. B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/13. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C, 19 et lat. brev. Synon. Barbeau au trait latéral CV. Poiss. XVI p. 120. Ikan Dokkum Sundan. Habit. Blitong, in flumine Tjirutjup. Tjampea, Buitenzorg, Javae insulae, in flumine Tjidani. Longitudo 3 speciminum 80’” ad 95”. Aanm. Ik vond deze soort in 1850 , tijdens een verblijf te Tjampea en ontving haar in 1851 van den heer TeismanN van „Buitenzorg. Volgens de waarnemingen van Kuur en Van Has- seLT komt zij ook te Sading wetan voor. De heer VALENCIEN- NES heeft deze plaats van voorkomen verkeerdelijk gehouden voor den inlandschen naam der soort. Het Blitongsche specimen is 87” lang en behoort tot eene varieteit met eene ronde vio- let-zwarte vlek boven het begin van de basis der aarsvin. Bij dit specimen gaat ook de tweede dwarsband tot aan den anus en vereenigt zich daar met dien der tegenovergestelde zijde. Barbus blitonensis Blkr. Barb. corpore oblongo compresso, altitudine 82 circiter in ejus longi- tudine, latitudine 22% circiter in ecjus altitudine; capite 5 in longitudine corporis; altitudine capitis 12 circiter in ejuslongitudine ; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis, diametro 1 a se invicem distantibus; rostro convexo oculo breviore; maxilla superiore inferiore vix longiore, ver- ticaliter deorsum protractili, ante oeulum desinente; ore antico; cirris maxil- laribus cirris labialibus brevioribus, maxillaribus pupillam, labialibus oper” aad 97 culum attingentibus; dentibus pharyngealibus triseriatis conicis, serie ex= terna 4 vel 5 subuncinatis; osse scapulari trigono, obtuso, rotundato; linea frontali -declivi convexiuscula;s dorso elevato ventre convexiore; linea dor- sali angulata, antice vix convexa; linea ventrali rotundata; linea laterali infra limeam rostro-caudalem descendente, concava; squamis radiatim stri- atis, lateribus 24 p. m. in serie longitudinali, 8 vel 9 in serie verticalis; inguinibus squamis elongatis; pinna dorsali acutiuscula, non emarginata, corpore minus duplo humiliore, spina denticulata capite breviore ventra- libus opposita; pinnis pectoralibus acutis ventralibus acutis paulo longic- „ribus, capite brevioribus, ventrales non attingentibus; anali apice rectan- gula non emarginata, corpore triplo fere humiliore; caudali profunde emarginata lobis acutis, aequalibus, 44 circiter in longitudine corporis; eolore corpore superne aureo-viridi, inferne viridescente-argenteo; dorso macula diffusa violaceo-nigra ad basin pinnae dorsalis; cirris labialibus nigricantibus; pinnis rubris, anali fusco marginata. Benen Dr 4/8 vel 4/9. P. 1/14. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 et lat. brev. Habit. Blitong, in flumine Djirutjup- Longitudo speciminis unici 117”, Aan. Deze species heeft. groote verwantschap met Barbus lateristriga CV. doch onderscheidt er zich van, behalve door het gemis der dwarsche en overlangsche violet-zwarte banden, door ranker ligchaam, langere voeldraden, minder stompen snuit, minder bollen rug, één straal meer in de borstvin enz. Zij moet ook na verwant zijn aan Barbus roseipinnis GV. van Pondicherij, doch deze mist de violet-zwarte rugvlek en is overigens in de groote Histoire naturelle des Poissons te onnaauw- keurig beschreven, om over de identiteit te kunnen oordeelen, eene identiteit welke, de woonptaatsen in aanmerking genomen, niet te verwachten is. Leuciscus cephalotaenia Bkr. Leueise. eorpore elongato eompresso, altitudine 5 ad 54in ejus lÉhgitu- dine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acuto 5 circiter in Tongitudine corporis; altitudine capitis 12 ad 12 in ejus longitudine; ocu- lis diametro 3 ad 34 in longitudine capitis, diametro 1 et paulo a se in- vieem distantibus; rostro acuto oculo non vel vix longiore; maxilla su- periore maxilla inferiore vix breviore, paulo protractili, ante oculum desinen- te; maxilla inferiore valde adseendente, symphysi uucinata; dentibus pharyn- gealibus triseriatis, serie externa 5 ecurvatis subuncinatiss osse scapular! HI. 8 Dim, 98 trigono apice rotundato; linea rostro-dorsalí capite deeclivi recta, dorso convexa; dorso ventre non vel vix convexiore; ventre obtuso non cari- nato; linea laterali valde concava, lineae ventrali valde approximata et parallela, basin pinnae caudalis attingentes squamis parte libera et basali radiatim vel longitudinaliter striatis, lateribus 30 p. m. in serie longitudinali, 8 p. m. in serie verticali; pinna dorsali pinnas ventrales in- ter et analem sita, acuta, non emarginata, corpore vix humiliore; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis, pectoralibus ventralibus longioribus sed ventrales non attingentibus, ventralibus analem non attingentibus; anali acuta, vix emarginata, dorsali vix longiore et humiliore; caudali pro- funde emarginata, lobis acutis 44 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne viridi inferne dilutiore; capite fascia rostro-operculari coerulea; lateribus guttis profunde coeruleis in series 2 vel S longitudinales dispositis; pinnis viridescentibus, caudali medio vitta longitudinali coerulea. B. 3. D. 2/7 vel 2/8. P. 1/14 vel 1/15. V.1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 ef Tat. brev, Habit. Blitong, in flumine Tjirutjup. Longitudo 8 speciminum 85” ad 103”. Aanm. De Indische Archipel bezit vrij talrijke soorten Leu- ciscus met lang slank ligchaam , spitsen kop, zeer korte aars- vin en gehaakte onderkaak , de rugvin geplaatst tusschen buik- vinnen en aarsvin, en met groote schubben „—zooals Leuciscus cganotaenia Blkr., Leuciscus kalochroma Blkr., Leuciscus du- sonensis Blkr., ZLewciscus Einthoven Blkr., en andere nog onbeschrevene species, welke in mijne groote verhandeling o- ver de Cyprinoïden van den Indischen Archipel gepubliceerd zullen worden. Van alle die soorten laat zich de bovenstaan- de bij den eersten oogopslag onderkennen door den donker- blaauwen snuitoperkelband en door de reijen blaauwe vlekken _ langs de zijden. Bij Leuciscus daniconius (Cyprinus danicont- us H. Buch.), gaat ook de kopband tot aan den snuit, maar deze soort is korter van ligchaam dan Zeuciscus cephalotaenta, mist de reijen zijvlekken en zou (wat ik echter betwijfel} de zijlijn regt over het midden der zijden hebben. Nog groo- ter schijnt de verwantschap te zijn van Leuciscus cephalotaenia „met Cyprinus anjona H. Buch. van Bengalen, welke lang- werpiger is dan Leuciscus daniconius, twee reijen zwarte zij- vlekjes heeft, dach den snuit stomp, de oogen hoog en he 93 profiel van den rug sterk naar den nek dalende, terwijl er van geen snuitoperkelband gesproken wordt. LUCIOCEPHALOIDEL Luciocephalus pulcher Blkr. Ik beschreef deze soort reeds in mijne Bijdragen tot de ken- nis der Ichthijologische fauna van Borneo, De heer Corns. Dr Groor verzamelde op Blitong 4 exemplaren van 75” tot 180°” lengte en de grootste alzoo 60” langer dan het grootste mij- ner Borneosche specimina en dan de afbeelding in de Illustrati- ons of Indian Zoölogij. Deze uiterst merkwaardige soort, wel ke aan het hoofd eener afzonderlijke familie behoort te staan, waarvan zij tot nog toe de eenige bekende representante is, on-. dergaat met toenemenden leeftijd aanmerkelijke wijzigingen in hare kleuren , zoodat de donkerbruine kaakstaartband ligter wordt en zich over het geheele ligchaam en de vinnen zwartachtige ron- de vlekjes vertoonen. Bij de anatomische aanteekeningen, vroe- ger medegedeeld, kan ik nog voegen, dat er geene zwemblaas aanwezig is. In de maag van een der grootste specimina vond ik een twintigtal zeer jonge vischjes, met den dojerzak nog ver buiten de buikholte uitpuilende, in welke ik Leuciscus cephalotaenia meen te herkennen. ESOGES. Hemiramphus phaiosoma Blkr. Hemiramph. corpore elongato compresso, altitudine 9 et paulo in ejus longitudine; dorso rectiusculo; ventre prominente; capite 834 circiter, ros- tro 54 circiter in longitudine corporis; maxilla superiore longiore quam lata lanceolata; dentibus maxillaribus minimis aequalibus; oculis diametro 12 circiter in capitis parte postoculari, diametro 1 a se invicem distanti- bus; membrana submaxillari humili; squamis lateribus 70 ad 80 in serie longitudinali; pinna dorsali anali plus duplo longiore, radio 19 longe ante analem inserto; pectoralibus acutis capitis parte postoculari ct ventralibus multo longioribus; ventralibus antice in 41 sexta corporis parte sitis radio postico ceteris non longiore; anali dorsali humiliore k 100 radijs tumefactis; caudali integra, convexa, 64 circiter in longitudine totius corporis; colore toto corpore pinnisque fusco. B. ? D. 1/20,*P. 1/9? V. 1/5. A. 1/8? C. 16 et lat. brev. Habit. Blitong, in flumine Tjirutjup. Longitudo speciminis unici 52”, Aanm. Deze soort laat zich zeer gemakkelijk van alle be- kende onderscheiden door haar bruin ligchaam, korte onder- kaak , lange rugvin, bolle staartvin en kleine schubben. Het eenige specimen, naar hetwelk bovenstaande beschrijving geno- men ís, heeft mij niet duidelijk genoeg het aantal kieuw- , borst- vin-en aarsvinstralen laten herkennen. Scripst Batavia Calendis Decembris mpeeeu. GEOGNOSTISCH UITSTAPJE NAAR DE ZUIDKUST VAN GERAM. DOOR dl C. FE. A. SCHNEIDER. Door de welwillende ondersteuning van den gouverneur der Moluksche eilanden in de gelegenheid gesteld zijnde, een geo- guostisch uitstapje naar een gedeelte van Ceram'’s zuidkust, ge- naamd Batoe tambaga, te doen, wil ík, nopens het resultaat van dit reisje, het navolgende kort mededeelen. Ceram vormt aan zijne westzijde een schiereiland, dat zich van het n.n.o. naar het z. z. w. uitstrekt, en doorsneden wordt van eene in dezelfde rigting loopende bergketen, welke als een zijdelijke tak van de grootere bergketen van Ceram’s centraal-gebergte moet beschouwd worden. Een andere en kleinere tak loopt in z. z. o. rigting naar het strand en stelt aldus, met den bovengenoemden tak eenen driehoekigen berg ketel daar, welke zich als laag land (Niederung), met eene uitgestrektheid van ongeveer Σ H m. voordoet, en van eenige kleine rivieren doorsneden is. In deze uitgestrektheid liggen de negorijen Iha, Loehoe, Lahat, Kahila, Hoelang en Lokki. 102 Tot beter overzigt zal ik het zoo even beschreven gedeelte van Geram’s kust, bepaaldelijk tot onderwerp mijner naspo- ringen gediend hebbende, verdeelen in drie distrikten, te weten. 1. Het distrikt van af Iha tot Loehoe. 2. Het distrikt van af Loehoe tot halfweg tusschen Kahila en Hoelang, of het gedeelte van het laag land, en 3. van daar af tot Batoe mas bij Lokki, welke uitge- strektheid gewoonlijk Batoe tambaga genaamd wordf. 1. Het eerste dezer distrikten is van wege de geringe mid- delen, welke ter mijner beschikking stonden, slechts opper- vlakkig kunnen worden onderzocht. Het doet zich voor als een afgebroken bergwand, welks bovenste gedeelte uit met berggruis vermengde kleiaarde bestaat, terwijl aan het onder- ste gedeelte de kleiaarde, in lei overgaande, tot aan zee to bestaat uit lagen blaauwe ijijzerleiaarde en aluin of brandlei van afwisselende gedaante. In de nabijheid van Loehoe zijn eenige kleine rivieren, in welke zich meer of minder groote steenen bevinden, uit kwarts, brekciënkalk , ijzerkwarts, lei, leiporphier , graauwakke, stukken aluinlei, en pechsteen bestaande. Dezelfde steenen _ vindt men met kwartskiezel aan het strand. Het water is hel- der en zuiver van smaak. | | Aan het oosteinde van de negorij Loehoe begint het tweede distrikt. Het strand is hier laag, begroeid met mangi-mangi boomen (Rhizophoren). De zeegrondis vast en bestaat grooten- deels, even als het sfrandgesteente , uit glimmende brandlei en _ kolenletten. Van het strand naar het binnenland toe wordt de grond meer of min moerassig en is begroeid met sagobosschen , eenige klapperboomen en moerasstruiken , bewoond door moe- rasvogels, terwijl in de rivieren van dit gedeelte zich kroko- dillen ophouden. Aan de oevers van een dezer rivieren, welkeik een eind wegs opging, bestond het land uit kleiaarde met berggruis, stukken van kwarts en brandlei, terwijl ook de bodem der rivier 105 meest uit kleine stukken dezer lei, met stukken van hout tinsteen en zand zamengesteld was. In dit gedeelte zijn den- kelijk de kolenlagen het naast aan de aardoppervlakte; mis- schien liggen zij zelfs nader aan den oorsprong der rivier, waar deze meer kracht heeft om de hoogere stukken weg te spoelen geheel bloot. Nadat deze streek laag land verscheidene hoeken heeft ge- vormd, wordt het strand hooger en er vertoonen zich weder de muurachtige afsnijdingen. Het bovenste gedeelte van dezen muur is kleiaarde met losse steenen, onder welke weder ho- rizontale lagen van ijzerlei, ijzerklei, aluinlei, brandlei houdend kornisch tin afwisselen. De ijzerleiaarde is rijk aan zwavel- zuur ijzer, zwavelijzer en aluin. Bij dit eerste gedeelte, waármede het derde distrikt eenen aanvang neemt, liggen twee kleine eilanden, welke afgespoeld van de vaste kust en van dezelfde formatie zijn, schijnbaar daarstellende den romp van een schip met eene kleine sloep op sleeptouw en daarom Batoe kapal genaamd. Hierachter begint het tweede gedeelte van het derde distrikt en valt de voet van de eenen bergketel vormende bergketen als eene steile afhelling in zee, waardoor het gezigt op deze plaats zeer belemmerd wordt; de bovenste laag echter bestaat, even als de bovenste laag der genoemde muren, uit kleiaarde, of lie- ver berggruis. De losse steenen zijn stukken van kwarts, glim- mende brandlei, zuivere klompen zwavelkies, deels verweerd en dus met kristallen van zwavelzuur ijzer vermengd, gedeeltelijk als kristallen uit het gesmolten metaal afgezet en vermengd met zwa- vellood. Ik vermeen, dat deze laag zwavelijzer een nest vormt in de steenkolenbedding analoog aan de Waldenburger beddingen. Ook vindt men er stukken van leisteen en graauwakke. Het strand is bedekt met kiezel. Hier staat het huis van ee- nen Arabier, een hadji, welke vergunning heeft gekregen, daar ter plaatse goud te zoeken. Het huis, ongeveer 10 schreden van het strand verwijderd, was gesloten; in de voorgaanderij echter zag men eenige kisten met verweerd zwa- velijzer. Voor dit huis was een tweede , waar zich de mijn 104 bevond, waaruit deze Arabier het zwavelijzer groef. Deze mijn was, naar opgave van: den orang toewah, welke mij vergezelde, 5 vademen diep en had van boven. eene bemetselde opening van omtrent 4 D voet; zij. was met naar ijzer sma- kend water opgevuld. De naast deze mijn liggende uitge- worpen grond bestond uit kies, ijzerlei en plastische thoon ; buiten haar had men nog eene put gegraven, waarvan het water ook een’ iijjzersmaak had, terwijl in den omtrek van het huis randjoes geplaatst waren. Dit tweede gedeelte is van eene geringe uitgestrektheid , en achter hetzelve begint het derde of laatste gedeelte, alwaar de muurachtige, bij 100 voeten hooge bergafsnijdingen zich her- halen ; ook hier was de volgorde der lagen als vroeger-en de stapeling horizontaal. Digt bij zee wordt het leigesteente vas- ter en in dit laatste lagen groote blokken leiporphier, ver- mengd met kristallen van kwarts, ijzerkwarts en de reeds vroeger genoemde metalen; dit gesteente wordt batoe mas, ook batoe tambaga genaamd, en de geheele landstreek is hierhaar genoemd. Zeer wenschelijk is een nader onderzoek naar steenkolen, aangezien de brandlei toch gewoonlijk het dak uitmaakt der steenkolen, welke hier in het vlakke gedeelte zouden moeten opgespoord worden. Rivier van Hila. tTerugkeerende van Loehoe, maakte ik een tweede uitstapje van Hila langs de rivier, welke zich in de nabijheid van het fort met vele krommingen in noordwestelijke rigting in zee stort en met. regt een bergstroom genoemd mag worden, uithoofde harer groote en plotselinge opzwellingen, waardoor _ reusachtige rolsteenen, die in sterke tegenstelling met de anders ondiepe rivier zijn, medegevoerd worden. De ‘monding is wijd en sedert eenige jaren zeer vergroot, terwijl de werkelijke mond iets verlegd is. | Terwijl het land aan de kust van Ceram door langzame 105 bezinking ontstaan is, vertoont zich de omtrek dezer rivier integendeel plutonisch. In den mond dezer rivier en aan het strand bestond het gesteente uit porphier en trachiet. De groote stukken waren door tras verbonden. De oevers der rivier worden aan den mond gevormd door afgebrokene- bergzijden van geringe hoogte, welke naar boven met steile bergafhellingen en naar hooge muren gelijkende bergafsnij- dingen, welker bovenste laag uit kleiaarde met berggruis be- staat, afwisselen. Onder deze Ïagen bevinden zich nu eens kalk- en dan weder leiformaties. De kalk vertoont zich als te zamen gehoopt kalkzand, mergel, druip- , en tufsteen, hier en daar eene grot vormende. De lei kwam altijd beneden het kleiachtige berggruis voor en zij maakt de gewone onderlaag van de door de rivier doorsnedene bergen uit. Daar waar de kleiaarde tot aan de rivierbedding nadert, was zij door ijzer rood gekleurd, meer of minder hard, met eene bijzonder groote hoeveelheid kristallen van metalen vermengd. Slechts op eene plaats heeft zij het voorkomen van zuiver iijzeroker. De lei was meer of min door de werkiag van het vuur veranderd, Jeiporphierachtig. Verder vond men blaauwe ijzerleiaarde , lei- steen, welke nu en dan met groote hoeveelheden van kwarts doordrongen was (leiporphier), in zijne spleten en in de massa zelve tinsteen bevattende, welke met kristallen. van eene als goud schitterende, purpere of zilverwitte kleur een prachtig aanzien aan dit gesteente gaf. Op de spleten der steenen zijn deze kristallen van 1 tot 2 strepen dik. Verweerd en met veel ijzer verbonden, doortrekt de tinsteen verder in _dikkereaderen het overige leigesteente. De afhelling dezer aderen van erts was onder eenen hoek van omtrent 35 à 45 graden. Waar de lei meer met kwarts vermengd was, vertoonde zich op de breuk bismuthoker als een geel beslag en wel voornamelijk op tensvormige schubkristallen. Er kwamen ook groote stukken van roodijzerkwarts en zwarte amphibole voor. De door de rivier medegevoerde rolsteenen zijn aanvankelijk minder groot, maar worden naar boven toe reusachtig en het is vreemd, op welke “Wijze eene zoo ondiepe rivier zulke groote steenen heeft kun- k nen medevoeren; de meesten waren rond, enkelen waren ba- zaltpilaren van Î0 tot f5 voeten lengte en 2àá voeten diame- ter. Dit gesteente behoorde grootendeels tot de leiformatie en was porphier- en trachietachtig. De kleinere leirolsteenen, in den mond van derivier waren rijk bezet met bovengenoemde kris- tallen en geheel en al van dit metaal doordrongen; naar boven toe worden zij grooter en bevatten meer kwarts. Men vindt er stukken leisteen, graauwakke, kwarts en roodijzerkwarts, waar- op zich eene menigte kleine rooskleurige kristallen bevindt. Tegenover deze met kwarts doormengde lei liggen aan de oe- vers eenige stukken bolus. Hoe meer ik den oorsprong der rivier naderde, des te _ reusachtiger werden de amphibolische steenen, welke uit _ porphier- en trachietachtigen pechsteen bestonden, waarvan de kleinere stukken door een onzuiver en geel tras tot rolsteenen verbonden zijn, hebbende het tras zelf een zwa- velachtig voorkomen. Deze zwarte amphibole was nueens meer porphier-, en dan weder meer trachietachtig, lava herin- nerende; enkele stukken geleken op hoornblende, andere klei- neren op obsidiaan. Ook dit gesteente was met tinsteen door- drongen. | De rivier is in den regel niet meer dan een halve el diep, maar rijst tot 4 en meer voeten, vooral op die plaatsen , waar door het reusachtige puimgesteente , natuurlijke sluizen en watervallen gevormd worden. De stroom is sterk en het water heeft eene blaauwgrijze kleur, is melkachtig, doch zuiver van smaak. In zijnen loop neemt deze rivier slechts eenige kleine kreken op, welke nu eens eenen waterval over hare rotsachtige wanden vormen, dan weder steil over rol- steenen zich daarin uitstorten; slechts eene enkele is van meer aanmerkelijke grootte. 5 _ Het ware wenschelijk et anelek de rivier tot aan haren oor- sprong op te gaan, en wel des te meer, daar mij door eenige in-_ _ boorlingen werd kenbaar gemaakt dat er boven eene solfatara be- staat. Volgens beschrijving van den heer Roorpa van Eisinca eene uitbarsting aldaar plaats gehad hebbende, is misschien deze sol- 106 107 fatara daardoor gevormd. Het was mij echter onmogelijk den ouden krater dien dag te bezoeken, aangezien deze te ver ge- vorderd was en ook de medegenomene gidsen verzekerden, dat de oorsprong der rivier voor den avond niet te bereiken zoude zijn. Dien tengevolge keerde ik, na van des morgons % tot des namiddags 3 uur de rivier te zijn gevolgd, naar Hila terug, waar ik ten S ure aankwam, zoodat het onderzochte gedeelte eene uitgestrektheid van 4 uren gaans zal bedragen. Door dit mijn eerste uitstapje overtuigd, dat het opsporen van den oorsprong der rivier meer hulpmiddelen dan de mijne vorderde, zag ik van eenen tweeden togt af en keerde naar Amboina terug. Ten slotte moet ik hier nog bijvoegen , dat ik bij het inzen- den dezer bijdrage aan de Natuurkundige Vereeniging, foutief had medegedeeld, dat het tingehalte van enkele tingronden 70 tot 77 procent bedraagt. Deze opgave is overdreven en moet zoo verstaan worden, dat het moedergesteente ongeveer 10 procent erts bevat, en de erts 70 tot 77 pCt. tin (vergelijk dit tijdschrift Jaarg. IL p. 669). KWIKMIJNEN OP SUMATRA, DOOR GG. WASSINK. Toen eenige jaren geleden de rijkdommen van Californië en nu zeer onlangs van Sydney ontdekt werden, steeg er een kreet van verwondering op van zoodanig prikkelend en betooverend vermogen, dat duizenden uit alle deelen der wereld derwaarts snelden, en alles trotseerden om een’ hartstogt te bevredi- gen of bot te vieren, die door de meestal overdrevene of ongerijmdste verhalen uit die landen tot eene ongehoorde hoogte was opgewekt. | Onder zulke omstandigheden, waarin zelfs de bedaardste mensch niet dan van gouden bergen droomde, kon het niemand ver- wonderen, dat onze landgenooten door den handel eenig voor- deel zochten te trekken van den toestand waarin Californië zich bevond. Meer verwondering heeft het evenwel gebaard, te ver- nemen, dat sedert dien tijd de reeds zoo lang sluimerende Hol- landsche spekulatiegeest is beginnen te ontwaken en wat daarbij opmerkingswaardig is, ten voordeele onzer eigene bezittingen. Ik meen dezen gelukkigen ommekeer of beter verandering te mogen toeschrijven: ; ΰ. aan den geest des tijds, die thans meer dan ooit leert, om niet dan na rijp beraad, zelfs dan nog met de meest mo- gelijke voorzigtigheid, het zegel zijner bewondering te hech- fen aan hetgeen van verre en uit den vreemde komt, al heeft dit vreemde voor ons Hollanders nog zoo veel aan- lokkelijks , en derhalve tevreden te wezen, met datgene, wat voor de hand ligt. 109 go, Aan het gouvernement van Indië, hetwelk met alle zijne beschikbare middelen het belang der partikuliere in- dustrie bevordert en ondersteunt. De koncessie tot het aan- leggen en bewerken van tinmijnen op het eiland Blitong aan partikulieren, is alleen het gevolg van een van gouvernements- wege bevolen onderzoek naar de geologische gesteldheid __ van dat eiland door den ingenieur van het mijnwezen den heer Corns. pe Groor, terwijl verdere onderzoekingen door deskundigen naar den bodem van eenige plaatsen op Java, Borneo , Sumatra en Celebes zijn gelast. Onder een vrij- gevig gouvernement als het tegenwoordige, lijdt het geen’ twijfel of de koncessie van Blitong zal een opwekkend voor- beeld zijn tot andere ondernemingen en exploitatiën van schatten, die welligt weinig behoeven onder te doen voor die van Californië en Sydney. Is het ons niet reeds in jeugdigen leeftijd geleerd, dat hef schoone, door de natuur zoo rijk bedeelde Sumatra schatten gouds, koper en ijzer, dit laatste gelijkstaande in hoedanigheid met het Zweedsche , bevat ? De wijze les: „zoekt en gij zult vinden ,’ wacht dus slechts op hare toepassing. Misschien dat het volgende berigt, het- ‘welk mij door eene hooggeschatte handis toegezonden, de ge- dachte toepassing eenigermate zal bespoedigen. | ‚, Dat Sumatra kwik produceerde, was sedert geruimen tijd ‚„bekend. De aderen, die den erts (natuurlijke cinnaber) in het ‚Maleisch „lingam” genaamd , bevatten, zijn gelegen in dis- „„trikten, die direkt onder ons gezag behooren. Daaromtrent „goede en zekere berigten in te winnen is bij de listige en ‚> wantrouwende geaardheid, die den Maleijer kenmerkt, aan „zwarigheden onderhevig en vordert eene grondige kennis „van het volk, veel geduld en overleg. Het mogt den resident „der Padangsche bovenlanden, den onvermoeid werkzamen „en verdienstelijken luitenant-kolonel Van per Hart, gelak- „ken, inlichtingen te erlangen, die aan een daarop in te „Stellen onderzoek eene goede uitkomst beloofden. Nu ver- », zocht hij den heer Netrscrer, adsistent resident van Tanah Da- 110 ‚tar, zich plaatselijk van de gesteldheid van zaken te overtui- „gen. Aan de onderneming waren vele moeijelijkheden en ge- „> varen verbonden. Wilskracht en bekwaamheid waren onont- „ beerlijke vereischten om tot een welgelukken te geraken. Het „behoeft niet gezegd te worden, dat de heer Nerscurr zijne „„zending goed volbragt.” „In het kort zij hier medegedeeld, wat mij daarvan mogt ‚‚ter oore komen.” ‚„De bekende ader, die zeer uitgebreid en verscheidene palen „lang is, wordt aangetroffen aan den voet van een’ op zich „ zelven staanden berg Goenong Soempoeng genaamd. Deze is ge- „„legen in de III Kotta's, welk distrikt, bij gelegenheid ‚der invallen van de grensvolkeren op onze bezittingen in het „Jaar 1848 , bij ’s vijauds vervolging door onze troepen be- „„zocht, doch daarna weder verlaten werd. De cinnaber wordt „niet alleen op de oppervlakte der aarde gevonden, doch bij „„ingravingen verkrijgt men den rijksten erts. Op vijftien voet „diepte (dieper is men nog nict gegaan), treft men de lin- „gam, die tot nu toe door wassching verkregen is aan tot in „stukken van 5 à 6 thails zwaarte.” ‚> De minst rijke grond, die aan de oppervlakte der aarde, „geeft bij wassching op een’ dag 6 en meer thails erts. Een ‚, dag werks van een’ Maleijer bestaat uit slechts weinige uren ‚van middelmatige inspanning, terwijl de overige uren met „eten, drinken, rooken enz. gesleten worden. Hieruitis af te „leiden, wat bij eene nijvere behandeling van eene rijkere grond- „laag te erlangen zou zijn.” ‚In den handel komt de cinnaber en het kwik voor. Het „laatste verkrijgen de Maleijers door verdamping. Deze be- > werking is der vermelding waardig. De fijngemaakte lingam „doen zij in een’ gewonen aarden pot, gewoonlijk p.m. acht ‚‚thails, en daarover een aarden deksel. Om de ontsnapping „van den damp langs de randen van het onvolmaakt sluiten- „de deksel tegen te gaan, wordt daar langs eene soort van „rijpe pisang, pisang-lidi genaamd, ingewreven. Hieronder „nu wordt een houtvuur gestookt en gedurende de bewerking | 111 id „9 à 4 malen het deksel afgenomen, waartegen het kwik zich „heeft gezet en dit daarvan met een wollen lapje afgeveegd. „In den pot blijft eene witte asch over. „Langs dezen zeer gebrekkigen weg, levert de erts 80°/% „zuiver kwik op. Dat eene betere bewerking meer opleve- ‚‚„ren zou, lijdt geenen twijfel. Opgaven daaromtrent geven „volgens Gursourr 86,21 pCt. en volgens Sersrröm 86,29 pCt. ‚‚De omstreken der mijn zijn onbewoond; de exploitatie is * „dan ook gering. De omstreken bevatten zeer rijke goudmij- ‚‚„nen, waardoor de Maleijer met den geringsten arbeid over- ‚vloed kan hebben; iets, dat hij niet waardeert. De rijke „ kwikader kan dusals het ware beschouwd worden als nog in ‚, maagdelijken staat te verkeeren. Welke voordeelen aan eene „goede exploitatie daarvan verbonden zouden zijn is ligt nate- „ gaan.” ‚Hoezeer de prijs van het kwik aan de Europesche markt niet „zeer hoog is en vele rijke kwikaderen te Idra, Carniola eu „, Almaden in Spanje en ook in Californië ontgonnen worden, „> Schijnt hetechter, dat de exploitatie toch aanzienlijke baten af- „werpt. Ik herinner mij ergens het navolgende daaromtrent ‚gelezen te hebben. „In Californië werd eene kwikmijn geëxploiteerd, Eensklaps ‚‚ klinkt de verbazende goudmare, en er was bijna geen arbei- „der meer te houden. Door het toeleggen van buitengewone „„loonen werden zij echter overgehaald, het zekere boven het „onzekere te verkiezen. De ondernemers konkurreerden dus „„als het ware tegen de rijke goudproduktie. Het mogt hun ‚gelukken, die konkurrentie volte houden en nog steeds aan- » Zienlijke winsten uit hunne ontginningen te trekken.” „Uit het bovenstaande is dus gereedelijk af te leiden, dat „de exploitatie van het kwik op Sumatra eene uiterst winst- „gevende industriële onderneming zoude zijn. De natuur- „lijke rijkdom is dààr. Eenige Europesche en inlandsche s, werklieden zouden voor zekere matige loonen der onderne- ming wel hunne krachten leenen. Er blijft nu slechts één |» moeijelijkheid en deze is van veel gewigt. Hoe namelijk het k „kwik af te voeren? Eenige palen van de ader foopt de „rivier Batang hari, die zich later met den Djambi-stroom veree- » nigt, geheel bevaarbaar is en in acht dagen (dit is de tijd, „die de Maleijers er voor bezigen) kon zonder moeite het pro- | ‚„‚dukt langs dien weg te Moeara kompeh worden aangebragt. ‚Het terrein tusschen de kwikader en de rivier biedt geene „> moeijelijkheden aan tot het daarstellen van eenen goeden weg. „Het land echter tusschen de Batang hari en Djambi is niet „onder ons gezag, zoodat daardoor de afvoer zoude kunnen” ‚‚ bemoeijelijkt worden.” Ter voorkoming van verkeerde uitlegging of gevolgtrekkin- gen teeken ik evenwel aan, dat bedoelde moeijelijkheden vol- | gens de meening van zaakkundigen behooren tot die, welke op eene gemakkelijke, niet kostbare wijze uit den weg te ruimen zijn. Uit de vermelde mijnen heb ik eene zekere hoe- veelheid kwikerts, en op de hiervoren genoemde wijze bereid kwik ontvangen, en het tot het doen van onderzoek in handen gesteld van den iijverigen en kundigen chemist, den heer Scuarrer, die de goedheid zal hebben, het resul- taat zijner onderzoekingen zoo spoedig mogelijk bij wijze van aanhangsel op dit berigt openbaar te maken. 112 Batavia, den Îfden Maart 1852. BIJ D RAGE N TOT DE GEOLOGISCHE EN MINERALOGISCHE KENNIS VAN NEDERLANDSCH INDIE DOOR De Ingenieurs van het Mijnwezen in Nederlandsch Indië (1). EE. ‚ CHEMISCH ONDERZOEK VAN ZWART ZAND EN EEN ZWART MINERAAL VAN DE ZUIDOOSTKUST VAN BORNEO EN POELOE-LAWUT. DOOR O.E.U J.J. HUGUENEN. In den loop van de maand December 1850 werd mij door den heer Corxs. pe Groor eenig zwart zand, en eene zwarte vaste mineraalmassa ter onderzoeking overhandigd. Zand en mineraal waren hem aangeboden door den heer W. June, welke het op het zeestrand te Pagattan en Poeloe Lawut had aangetroffen en verzameld. In een’ brief, welke deze voorwer- pen vergezelde, deelde genoemde heer Inne mede, dat het (1) Onder dezen algemeenen titel zullen achtereenvolgens openbaar ge- maakt worden de resultaten der natuurkundige werkzaamheden van de heeren ingenieurs van het mijnwezen in Nederlandsch Indië. De Bijdrage van den ‚heer Corxs. pe Groor over Bawean, in den vorigen jaargang opgenomen, is als de eerste dezer verhandelingen te beschouwen. HIL, Gj 114 zand, tilaanijzerzand door hem genoemd, waarmede het in ui- terlijk aanzien vrij wel overeen kwam, zeer waarschijnlijk ont- staan was uit het verbrokkelen van den vasten erts door de gol- ven der zee. Ik heb ook inderdaad geen verschil hoegenaamd, behalve den aggregatie-toestand, tusschen het zand en den erts kunnen vin- den; slechts waren meerdere zeezandkorrels bij het eerste ge- mengd. Beiden zijn afzonderlijk door mij kwalitatief onderzocht, en wat hieronder van het zwarte zand vermeld staat is ook op den erts volkomen van toepassing. Met het mikroskoop gezien , bestond het zand uit afgeronde gladde korrels van ongelijke gedaante en bruinachtig zwarte kleur met metaalachtigen vetglans; de korrels waren volkomen glanzend zwart, en onder de honderden, welke door mij naauwkeurig bezigtigd zijn, heb ik eene kristalachtige gedaante aan slechts twee korrels waargenomen, namelijk de octaëder. Zij waren te onvolkomen en de hoeken en kanten te veel afgerond om eenige bepaling van het stelsel, waartoe zij behoorden te veroorloven. Bij 29° C. was het spec. gewigt 4,561. Het zeer fijn gemaakte drooge poeder was bruinachtig zwart, waardoor het reeds dadelijk van titaanijzer afwijkt. Voor de blaaspijp in de oxydatievlam waren de korrels onveranderlijk , doch een hevig reduktie-vuur rondde de kanten eenigzins af. Het zeer fijne poeder met borax en phosphorzout in de oxy- datie-vlam behandeld , hadden de parels, warm zijnde, de beken- de ijzerkleur; bij de bekoeling werden zij groenachtig, en geheel koud fraai groen. De kleur was bij de phosphorzout- parel helderder, dan die van de borax ; deze laatste was meer geelachtig. In de reduktie-vlam had men dezelfde verschijnse- len ; de geheel bekoelde parel bezat de intensief schoon groene kleur , welke zuiver chromiumoxyde aan de glasvloeden me- dedeelt. Alhoewel de groene kleur der borax-parel in de oxydatie- „en reduktie-vlam allen twijfel omtrent het aanwezen van chro- mium weg nam, is ten overvloede een deel der zeer fijn gemaakte stof in een’ platinalepel met soda en salpeter zamen- 115 gesmolten. De gele zoutmassa, in water opgelost en gefiltreerd, liet op het filtrum een bruingeel poeder achter, dat zoowel voor de blaaspijp als langs’ den natten weg slechts de reaktiën van iijzer gaf. Volgens een kwantitatief onderzoek van den heer RosrT van TONNINGEN, die binnen kort omtrent dezen erts meerdere berigten zal mededeelen, is het op 100 deelen aldus zamengesteld, 23,434 chroomijzer. 63,550 ijzeroxyde en oxydule. 9,771 zand en 2,987 aluinaarde. Te zamen 99,742 0,258 verlies. 100,000; hamse waaruit volgt, dat de gevonden erts een mengsel is van iijzer- zand met chroomijzer. De heer Inne zegt betreffende de wijze van voorkomen het volgende: „Aan de zuidoostkust van Borneo, en wel bepaaldelijk aan „het strand in de nabijheid van Pagattan, even als aan de „tegenoverliggende kust van Poeloe Lawut, vindt men eene zeer „aanzienlijke hoeveelheid zwart zand, hetwelk op het oog vol- ‚maakt overeenkomt met het in de natuur zoo menigvuldig „voorkomende titaanzand. Het is niet algemeen langs het „Strand verspreid, maar wordt meer plaatselijk, eenige ellen „breed en een half el en meer dik opgehoopt, aangetroffen , | „en meestal uitgaande van een punt boven de hoogwaterlijn „gelegen en breed op de grens van de laagwaterlijn ein- „digende. Dit alles scheen mij bepaald aan te duiden , dat „de erts, waarvan het zand afkomstig was, zeer nabij de „Vindplaats van hetzelve moest aanwezig zijn. Eenige gra- „Vingen op het strand te Pagattan leverden geen resultaat op. „Aan de kust van Poeloe Lawut was ik gelukkiger.” 116 „Op deze merkwaardige kust vond ik weder eene groote „hoeveelheid van het bovengenoemde zwarte zand, en op de- „zelfde wijze verspreid als te Pagattan het geval was. De „oorsprong of aanvang van de zandmassa verloor zich in een „naauw, in den kleiachtigen oever uitgespoeld hol, in het- „welk ik dan ook bij nader onderzoek de vaste ertsmassa vond, „ welke met het boveneinde slechts weinig boven den kleibo- „dem van het hol uitstak. Haar eenige voeten aan alle zijden „ontblootende, bleek het ten duidelijkste een depôt van zeer „grooten omvang te zijn.” Waarschijnlijk vindt men daar ter plaatse graniet, serpentijn of andere plutonische gesteenten als vaste bergmassa’s en zul- len ook andere metalen en mineralen bijv. platina en goud niet — afwezig zijn. De heer De Groot, die binnen kort deze streken _ zal bezoeken, zal daaromtrent zeker wel nadere berigten kunnen _ mededeelen. BERIGTEN VAN VERSCHILLENDEN AARD. Chronologisch overzigt der vulkanische verschijnselen op Java, gedurende het jaar 1851. Het volgende overzigt der aardbevingen op Java in 1851, heeft de redaktie te danken aan den heer J. Haarman Jcz. Het sluit zich aan dat, voorkomende in het Natuurkundig tijdschrift, Îste deel, bladz. 463, hetwelk loopt over het jaar 1850. __ De heer Haarman heeft slechts van twee aardstortingen in het jaar 1851 , namelijk op den 13den en 1Î6den Januari, melding gemaakt gevonden (Javasche Couranten N°. 11 en 14), en deze waren van weinig aanbelang. 6D je cle 5 E © È eit E ES eve 5e Aardbevingen. > zeis on pe ele) Se { © OB se En D == . € = ad 2 5 & > A NEER lee Deet une ereen naer Th obers "Batt eee k 24 Jan. | Ter hoofdplaatse Ke- | diri: drie kort op elkander volgende vrij hevige schokken, voorafgegaan door een onderaardsch ge-| Z. 0. 5 uur LK, 14 druisch. namidd. 4 Mei. | Te Batavia: ligte;Horizontaal.| 34 uur Nat. Tijds. schokken, gedurende namidd. II. 180. eeniges"konden, De- ze werden meer ge- voeld in de Lampongs gedurende 5 minuten op hetzelfde uur , bij windstilte en hooge;Horizontaal. 8 u. 8m. (N.M, +4d. 46 zee. 89 gr. Fahr. Z.W.-N.0. 29 Aug. | Te Batavia: ligte schok. 2 2u.53m.'N.M.+3d.f Nat. Tijds. | 29 Sept.| In het zuiden van namidd. II. 523. Banjoemas. Ook in zee, in de nabijheid|Z.0.-N.W.\ Vroegen 3d. —E.K. 83 der kust. Vertikaal. | morgen. | 30Okt. | In de residentie hevige schok. Horizontaal. 8u. ’sav. B. K. +1d. 84 (Banjoemas; een vrij N 118 | De heer Haarman drukt den wensch uit, dat de chronolo- gische overzigten mogen vervolgd worden van de vulkanische gebeurtenissen in de bezittingen buiten Java, die vroeger in het Zdschrift voor Nederlandsch Indië, het Natuur- en Ge- neeskundig Archief voor N. Indië en het Indisch magazijn me- degedeeld zijn, welke wensch ook is die der redaktie. Aardbevingen in de Molukken in het laatst van 1851. Volgens de Javasche Courant van den 1Îden Februarij j. 1. zijn op den 97sten Augustus en den Ssten Oktober 1851 te Ternate eenige schokken van aardbeving gevoeld. Te Amboina en in de afdeelingen Saparoea, Haroeko, Hila en Larieke hadden, volgens dezelfde Courant van den 21sten Februarij j.l, in den nacht van den 20sten November 1851 twee schokken van aardbeving plaats, welke geene schade heb- ben aangerigt, De officier van gezondheid íste kl. te Amboina, de heer J. HarrzreLp, heeft aan den chef der geneeskundige dienst in Nederlandsch Indië, omtrent deze laatste aardbeving de vol- gende bijzonderheden medegedeeld. In den nacht van den 20sten op den 2ísten December 1851 ten Íf ure 55 min., werd te Amboina eene hevige doch kort- durige aardbeving waargenomen, die alle gedurende dit jaar plaats gehad hebbende schokken in intensiteit overtrof en eene vertikale rigling scheen te hebben. Tien minuten later volgde een tweede, doch minder hevige schok. Beide schokken werden voorafgegaan door een duidelijk waar te nemen onder- aardsch geraas, veel overeenkomst hebbende met het geluid van den donder. Op de ziekte-konstitutie had dit natuurver- schijnsel , althans tot op den datum der mededeeling (29 Nov.), geenen merkbaren invloed gehad. Het volgende is een extrakt van het meteorologisch journaal, gehouden te Amboina op den 20sten November 1851. 119 Pifferentiaal thermometer: smorgens ten 6 uur: droog 24.8; nat ’ 5) 9 1 7 28.8 ’ is namiddags. „ 3, PEREN 705 Ae ’s avonds It CE BER ri Der Barometer ’s nachts omtreeks ten 12 uur, 753 m.m.; wind- rigting den geheelen dag westelijk. Wolkformatie: 's morgens cumulus; ’s middags nimbus; ’s nachts stratus. Regen: van ’s namiddags 3 tot ’s nachts ÎΣ uur stortregen. Onweder : ’s namiddags 3 uur, matig onweder in het westen. Lo bo ro Pe ED ie be dit Aardbeving in westelijk Java en zwidelijk Sumatra op den Îden Januari 1852. In de residentiën Bantam en Batavia, de afdeeling Buitenzorg en in de Lampongsche distrikten zijn, in den namiddag van den Oden Januarij Il. , even na 6 uur, eenige schokken van aardbeving gevoeld, waaromtrent de volgende bijzonderheden zijn aangeteekend. Ei Te Batavia hadden, met tusschenpozingen van verscheidene minuten, twee vrij zware en eenige minder sterke schokken plaats, welke echter, voor zoo ver bekend is, geene schade hebben te weeg gebragt. Een der schokken moet geweest zijn ten 6 uur 9 minuten, daar eene astronomische klok van KNeBeL op dat tijdstip is stil blijven staan. Eene andere astronomische klok werd ook gestopt en de eerstgenoemde is niet zonder de hulp van den instrumentmaker weder aan den gang kunnen gebragt worden. De gang van eene derde as- tronomische klok, die van Houwu NO. 12, is bij die gelegen- heid 3 sekonden versneld. Men meent uit het aangevoerde te „mogen besluiten, dat de aardbeving in oostelijke en westelijke rigting heeft plaats gevonden. 120 Te Buitenzorg was de schudding ook vrij hevig, zonder even- wel schade aan te rigten. Te Tjiringin (Bantam) voelde men drie zeer zware schok- ken en vier ligtere, kort op elkander volgende, en een’ circa twee minuten aanhoudenden. De rigting was van het oosten naar het westen, terwijl een zwaar onderaardsch gedruisch zich deed hooren. De eenige schade, door dit natuurverschijn- sel veroorzaakt, was het instorten van de kap van het dak van den ouden mohammedaanschen tempel. Te Serang (Bantam) is een vrij hevige schok waargenomen, Te Telok betong (Lampongs) had, volgens de opgave van den militairen en civielen gezaghebber den heer J. E. H. Jucu, de aard- beving plaats omstreeks ten 6 u. 25 m. Het was stil, doch had des morgens een stijve n.o. en des middags een stijve n. w. wind gewaaid. Het weder was droog; de thermome- ter teekende 81 gr. Fahr. De aardbeving duurde ruim 3 mi- _nuten. De schokken waren horizontaal en hevig, met twee kleine tusschenpozingen. De rigting scheen van het z. w. naar het n. o. te zijn. De gebouwen in het algemeen heb- ben geleden. Des avonds ten 8 ure ruischte de zee meer dan gewoonlijk, hoewel de vloed reeds een’ aanvang had genomen. Het water steeg op eens zeer spoedig; kleine vaartüigen, die niet vlot lagen, werden in beweging gebragt. De zee daalde daarop even spoedig en steeg vervolgens weder hooger en spoe- diger. Dit verschijnsel herhaalde zich eenige malen. De stij- ging der zee is echter niet hooger geweest dan de hoogste stand bij de hoogste vloeden. De thermometer wastoen reeds gedaald tot 78° Fahr. Aardbeving inde residentiën Madioen en Kediri en in de afdeeling Patjitan, den Qlsten Januari 1852. Te Kediri zijn op den 27sten Julij jl. des morgens ten zes ure, eenige schokken van aardbeving gevoeld, voorafgegaan door een onderaardsch gedruisch in de rigting van het zuidwesten, en eindigende met een’ zwaren schok, welke evenwel geene schade aan de gebouwen heeft toegebragt. In de residentie Madioen werden op gezegden datum, des morgens ongeveer zeven ure, insgelijks eenige schokken van aardbeving waargenomen, in de rigtiug van het oosten naar het westen, en in de afdeeling Patjitan gingen zij verge= zeld van een dof onderaardsch geluid (Javasche Couranten van 11 en 21 Februarij 1852). Koffij-thee. In de Astrea, Tijdschrift voor Schoone Kunst, Wetenschap en Letteren, 9de Aflev. bladz. 285, komt volgend artikel voor omtrent de in den laatsten tijd meer ter sprake gebragte koffij- thee, welke artikel hier eene plaats gegeven wordt, om de aandacht der belanghebbenden daarop meer algemeen te vestigen. „Wij gaven onlangs te kennen, dat het ons aangenaam zou zijn , nosrgaals op het gewigtige onderwerp der koffij-thee terug te zullen kunnen komen. Dit is thans het geval, daar de ge- achte Leidsche hoogleeraar Bruur ons ter plaatsing toezond den brief, door hem, reeds voor nagenoeg twaalf jaren, be- trekkelijk deze aangelegenheid, aan den toenmaligen minister van koloniën geschreven. Die belangrijke missive volgt alzoo hieronder. Overigens hebben wij nu ook het oorspronkelijk schrijven van den En- gelschen scheikundige Garpner (Augustus 1845) onder het oog gehad, en daarin de voorstellen gevonden, door dien vreem- deling aan onzen vereerden landgenoot gedaan, doch door de- zen, geheel onbaatzuchtig, van de hand gewezen, als liggende het enkel in het plan van den hoogleeraar Brume, om zijn we- tenschappelijk denkbeeld uitsluitend ten voordeele van Nederland in praktijk te zien gebragt, zonder daarbij eenig persoonlijk belang, van welken aard ook, in te mengen. De brief, die hat Kk 122 hier volgt, strekt daarvan ten overvloedigen bewijze. Intusschen twijfelen wij niet, of de eer der witwinding, welke de heer GARDNER zich zoo roekeloos aanmatigde, zal hem wel spoedig ontvallen, nu het wetenschappelijk publiek met de juiste toedragt dezer opmerkelijke zaak alome meer en meer volledig bekend begint te worden”. Leiden, den 14den Maart 1840. Aan den heer staatsraad J. C. Baup, Minister ad interim van Koloniën. Het onderhoud, hetwelk ik de eer had, ongeveer acht da- gen geleden, met uwe excellentie over onderscheiden voor- werpen van kultuur op Java te voeren, noopt mij, om aan het door uwe excellentie uitgedrukt verlangen te voldoen, en mijne denkbeelden over een en ander nader uit elkander te zetten. Ik doe dit des te liever, daar ik bij ondervinding weet, hoezeer de voortgang en uitbreiding der kultuur in de Neder- landsche bezittingen uwer excellentie ter harte gaan, en hoe groot het aandeel is, hetgeen haar aan den hierdoor thans zoo bloeijenden toestand onzer Oost-Indische koloniët, volgens _ mijne overtuiging , toekomt. Tot de takken van kultuur, welke in de laatste jaren op Java, voorzeker niet zonder een, van den beginne af aan, veel belovend vooruitzigt gedreven, en diensvolgens van regerings- wege krachtdadig ondersteund zijn, behoort vooral die van de thee. Het is dan ook buiten twijfel, dat dit nieuwe produkt _ voor onze koloniën bij voortduring de meeste belangstelling verdient, omdat bijna geheel Europa en de Vereenigde Staten _ van Amerika daarvoor aan China, als het ware, cijnsbaar zijn — geworden en jaarlijks onmetelijke schatten betalen, terwijl geen ander handelsartikel zooveel toebrengt, om den koophandel „Teven bij te zetten. Nogtans verschilt het klimaat en de ge-— steldheid van den grond op Java en in andere gedeelten van den Indischen Archipel zoo zeer met die streken van China, , ne nd 123 waar deze belangrijke kultuur vooral te huis behoort, en van _ waar de beste theesoorten alleen afkomstig zijn, dat er bij mij f | | groote twijfel bestaat, of men wel ooit er in zal kunnen sla- gen, om op Java eene soort van thee te produceren, die zich door hare goede hoedanigheid in den handel kan staande hou- den, en of die kultuur aan de van regeringswege daartoe be- steede sommen zal beantwoorden. Dan dit daargelaten zijnde, blijft het desniettegenstaande eene zaak van groot gewigt, zoo men in Nederlandsch Indië, al is het dan ook slechts eene mindere kwaliteit van dit produkt, in zeer groote hoeveelheid en tot een’ bijzonder lagen prijs, kan aankweeken. Immers, de grootste konsumptie van dit artikel bepaalt zich juist tot de mindere en goedkoopere soorten. Nu hebben bij mij eenige, wel is waar slechts op eene zeer kleine schaal ondernomen, proeven genoegzaam de overtuiging doen geboren worden, dat wij tot de produktie van zoodanig eene mindere kwaliteit van thee, die evenwel nog voor den handel geschikt is, en daaren- boven veel goedkooper dan de minste soorten, die uit China worden aangevoerd, kan geleverd worden, het geschikte plant- gewas alreeds in de Nederlandsche koloniën, en dat wel in zulk een buitengemeen grooten overvloed bezitten, dat, zoo mijne waarnemingen bevestigd mogten worden, dan ook nood- wendig de voor het hemelsche rijk tot dusverre zoo voor- deelige produktie van thee tot in hare grondvesten zal worden geschokt. Dit zal bij uwe excellentie geen nader betoog be- hoeven, wanneer ik herhaal, dat de bladen van den Arabi- schen koffjboom mij daartoe bijzonder geschikt voorkomen, van dien boom, waarvan de invoering op Java aânvankelijk zoozeer is tegengewerkt, en die thans de hoofdbron van den voorspoed èn der Nederlandsche koloniën, en van den handel van het moederland geworden is. Ik ben tot deze waarneming ge- leid geworden door eene zeer belangrijke ontdekking van onzen bekwamen en verdienstelijken scheikundige, den heer G. J. Morprr, hierin bestaande, dat de eigenlijk werkza- me stof, die in de koffij en thee is hevat, niet, zoo als men tot dusverre geloofde, van elkander verschillend, maar 124 volkomen dezelfde is, en, voor zoover bekend, alleen in deze beide produkten, welke zoo algemeen onder alle beschaafde volkeren als dagelijksche drank zijn aangenomen, wordt aan- getroffen. Ik zou te wijdloopig worden, indien ik nu uwer excellentie uit een zetten wilde, hoe ik door deze ontdekking op het denkbeeld ben gebragt, dat hetzelfde werkzame beginsel, men moge het coffeine of theïne noemen, ook in de bladeren van den koffijboom aanwezig kan zijn, zoo als zulks door de gemaakte proefnemingen buiten allen twijfel is gesteld. Alleen moeten deze proefnemingen, gelijk ik boven reeds aanmerkte, uit hoofde van de moeijelijkheid, om mij eene genoegzame hoe- veelheid koffijbladeren uit onze warme kasten aan te schaffen, nog als te ontoereikend beschouwd worden, om reeds nu da- delijk met zekerheid te bepalen, dat de thee, uit de bladeren van den koffijboom bereid, ín alle opzigten voor den handel geschikt zal zijn. Dit moet door herhaalde, en vooral op eene groote schaal aangestelde proefnemingen nog nader worden be-_ vestigd. Men mag evenwel uit de daadzaak, dat hetzelfde werkzame beginsel in de bladeren van den koffijboom, even als in die van de theeplant vervat is, a prior eene gunstige gevolgtrekking opmaken, ofschoon het niet te ontkennen valt, dat de bereiding van beide planten vermoedelijk zekere wijzi- gingen zal dienen te ondergaan, zoo als zelfs reeds het geval is met de verschillende soorten van thee, die in China van hetzelfde gewas gewonnen worden. Door al het gezegde geloof ik de bevreemding, die het door mij aangevoerde noodwendig bij uwe excellentie verwekken moest, eenigermate te hebben weggenomen, terwijl daaren- boven nog andere, meer of min algemeen op Java bekende daadzaken, strekken kunnen, om mijne vooronderstelling, dat de bladeren van den koffijboom ter bereiding van eene voor den handel geschikte theesoort kunnen dienen, te bevestigen, en daarom verdient hier kortelijk te worden aangestipt: ΰ. Dat de geringere klassen der Javanen algemeen de bla- deren van den koffijboom, even als wij de thee, tot drank gebruiken, en men niet kan vooronderstellen, dat zij daartoe 125 aan deze uitheemsche plant de voorkeur zouden geven, indien hun een daartoe geschikt gewas, dat op Java te huis behoort, bekend was. 20, Dat zelfs de tegenwoordig met de theekultuur belaste ambtenaar JacoBsoN, die, zoo ik mij niet vergis, in der tijd j door de Nederlandsche handel-maatschappij als theeproever | naar China is uitgezonden, zich door den resident van Kra- wang met thee, uit de bladeren van den koffijboom bereid, j zoozeer liet misleiden, dat hij, JacoBsoN, verklaarde, dat de hem daarvan tot herhaalde beproeving voorgezette thee , voor- zeker tot debeste soort behoorde, die tot dusverre op Java gewonnen was, wel te verstaan van de uit China ingevoerde \ theeplant. Doordrongen van het gewigt eener zaak, waaruit, zoowel | voor onze koloniën, als voor het moederland de gewigtigste | | uitkomsten kunnen voorspruiten, durf ik uwer excellentie des | te meer aanraden, om haar tot het onderwerp van een grondig onderzoek te maken, daar zulks zonder eenig bezwaar | voor den lande zou kunnen geschieden. Daarbij komt het mij echter raadzaam voor, om de geheele zaak met de meest mo- | gelijke geheimhouding te behandelen, zoowel hier te lande , als in Nederlandsch Indië, en de bereiding der thee uit koffij- | bladeren op Java zelf aan zoodanige personen op te dragen, | die tot de aldaar bestaande theekultuur volstrekt in geene be- | trekking staan. Alhoewel dit onderzoek hier te lande alleen jn het klein kan plaats hebben, zou het echter der moeite | waard zijn, om het ook hier door eenige onbevooroordeelde | personen te laten voorzetten, daar, in allen gevalle, deze proef- | nemingen uitkomst kunnen geven, welke analogie er tusschen de thee, uit koffijbladeren bereid, en die van den Chineschen \ theeheester, bestaat; of die van het eerstgenoemde gewas in j hare phijsische en chemische eigenschappen met de in den han- | del voorkomende geringere soorten van China-thee genoegzaam overeenkomt, zoodat men gegronde hoop mag voeden, om j daarvan partij te kunnen trekken. Het lijdt bij mij geen twij- | fel, dat eenige kundige mannen, alleen om het belang der zaak, en zonder op eenige belooning aanspraak te maken, van re- geringswege met deze taak zich gaarne zullen belast zien. Ik eindig met de verzekering, dat, zoo uwe excellentie daarin belang stellen mogt, ik gaarne mijne opmerkingen over _ eenige andere voorwerpen van kultuur, die, mijns erachtens, _ voor onze Oost-Indische bezittingen geschikt zijn, aan haar zal _ mede deelen, terwijl ik de eer heb, mij, met gevoelens van ware hoogachting , te noemen: | C. L. Brume.” Tentoonstelling te Batavia te houden in 1853. Ten vervolge op het voorkomende in het algemeen verslag, aan het hoofd dezer aflevering geplaatst kan medegedeeld wor- den, dat de Vereeniging, overeenkomstig haar plan, het be- # heer der tentoonstelling overgedragen heeft aan de algemeene & kommissie, welke het haar gelukt is zamen te stellen, en dat \ de regering deze handeling heeft goedgekeurd. Van de vor-_ deringen dezer tentoonstelling zal van tijd tot tijd, bij nog be- & staand gebrek in Indië van een orgaan voor industrie en volks-_ vlijt, ín dit tijdschrift melding gemaakt worden. | Wij laten hier thans volgen het regeringsbesluit van 25 Febr. 1852 No. 3, alsmede de cirkulaire van de kommissie tot het beheer der tentoonstelling van 6 Maart 1852. | Esxtrakt uit, het register der beslut ten van den gouverneur generaal van Nederlandsch Indië. | Batavia, 25 Februari 1852. Gelezen de missives: a. van de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië, 127 van 15 en 22 December 1851 en van {7 Februarij 1852 No. 3; b. van de Kommissie tot het beheer der tentoonstelling te Batavia, van 17 Februarij 1853 lett. K. F. No. 1; De Raad van Nederlandsch Indië gehoord; Is goedgevonden en verstaan: Eerstelijk: Aan de kommissie tot het beheer der tentoonstel ling te Batavia, te kennen te geven, dat er bij het gouverne- ment geene bedenkingen bestaan. | 10. dat eene tentoonstelling van Voorwerpen van industrie en volksvlijf uit den Indischen Archipel worde gehouden te Batavia in September 1853; f 20, dat door de kommissie worde rondgezonden eene intec- kenings-lijst, ten einde de noodige gelden bijeen te bren-_ gen, tot bestrijding der uitgaven aan gezegde tentoonstel ling verbonden; en dat, indien de tentoonstelling een ba- tig saldo overlaat, zulks worde aangewend tot eenig nuttig doeleinde. Ten tweede: Aan de kommissie voornoemd, toe te zeggen, zoodanige hulp als zonder geldelijke uitgaven, noch stoornis- sen in de dienst, kan verleend worden. Ten derde: De gouverneurs en residenten op en buiten Java aad te schrijven , om het plan en doel der in September 1853 te Batavia te houden tentoonstelling van voorwerpen uan in- dustrie en volksvlijt uit den Indischen Archipel, aan de be- volking bekend te maken en deze aan te moedigen om bijdra- gen in te zenden, alsmede om te bevorderen de verzameling en verzending van al de voorwerpen, welke kunnen bijdragen, om de volksvlijt en de produkten van de onder hun bestuur of invloed staande gewesten te doen kennen. Ten vierde: Te bepalen, dat zal worden verleend vrijdom van in- en uitgaande regten voor de voorwerpen, bestemd voor de tentoonstelling , afkomstig van buiten. Java. Ten vijfde: Te bepalen, dat het plaatsen in de Javasche Courant van berigten betreffende de tentoonstelling kosteloos zal geschieden. 128 Ten zesde: Aan de kommissie voornoemd toe te staan, om met de respektive autoriteiten op en buiten Java, door tus- _ schenkomst van den direkteur der kultures , officiëel te korres- ponderen. Ten zevende: Aan meergemelde kommissie te kennen te ge- ven, dat nadere voorstellen zullen worden afgewacht no- pens de verwezenlijking van het denkbeeld, om het reizen herwaarts en het verblijf alhier voor inlanders, die de ten- toonstelling willen bezoeken , van gouvernementswege te be- vorderen en gemakkelijk te- maken. Afschrift dezes zal worden gezonden aan den raad van Nederlandsch-Indië, tof informatie, en extrakt verleend aan den direkteur der produkten en civiele magazijnen, den direk- teur der middelen en domeinen, den direkteur der kultures , de algemeene rekenkamer, de gouverneurs en residenten op en buiten Java, de natuurkundige vereeniging in Nederlandsch Indië en de kommissie tot het beheer der tentoonstelling te Batavia, tot informatie en narigt. Akkordeert met voorschreven register. De eerste adjunkt-sekretaris van het gouvernement, DE WAAL. Cirkulaire van de kommissie tot het beheer der Tentoonstelling, te hou- den te Batavia in de maand Sep- tember van het jaar 1853. Eenigen tijd geleden werd het denkbeeld geopperd om de tentoonstelling, die in den loop dezes jaars te Arnhem zal plaats vinden, te verrijken met eene verzameling van indische voorwerpen. Dat denkbeeld scheen echter minder voor ver- wezenlijking vatbaar te zijn, zoo uit aanmerking, dat de tijd, 129 | die tot het verzamelen en verzenden dier voorwerpen beschik baar bleef, te kort werd geoordeeld , als voornamelijk , om- dat men het eigenaardiger en beter achtte, eene tentoonstelling van indische industrie en volksvlijt in Indië zelf, en wel ter hoofdplaatse Batavia , tot stand te brengen. De verbazende ontwikkeling, welke de handel en alle tak- ken van nijverheid in Europa, gedurende deze eeuw hebben ondervonden, is voor een groot gedeelte te danken aan de veelvuldige gelegenheden, door de tentoonstellingen, in bijna | alle landen van dat werelddeel , herhaaldelijk aangeboden, om j de voortbrengselen van verschillende oorden , de behoeften , den | smaak en de neigingen van vele natiën tot in de minste bij- | zonderheden te leeren kennen. Ieder kunstenaar, ieder industriëel, nam gretig zulke gele- | genheden te baat, om zijne schoonste kunstgewrochten of fa- | brikaten ten toon te stellen voor een publiek , dat met opmerk- zaamheid de werken van gelijken aard , maar door verschillen- j de personen of op onderscheidene wijzen voortgebragt, zou | vergelijken en beoordeelen. | Menige voortreffelijke en heilzame vinding werd langs dien j weg spoedig wereldbekend en tot hoogere volmaaktheid ge- | bragt, terwijl eene matige konkurrentie uit vreemde landen , | door de tentoonstellingen opgewekt, zeer veel heeft bijgedra- | gen tot veredeling van den smaak en tot ruimere, betere en | goedkoopere voorziening in de behoeften der verschillende na- | tiën. | |___In weerwil van veler pogingen , om kennis te verspreiden | van de landen en volken, die tot den Indischen archipel | behooren, is die kennis nog uiterst beperkt: voor het minst \ zeer ver van algemeen. De ondergeteekenden , doordrongen van het groote belang eener meer algemeene bekendheid met den aard, den trap van j beschaving, de vatbaarheid en de behoeften der indische be- | volkingen en van den rijkdom dezer landen, hebben zich in kom- |_missie vereenigd, ten einde eene tentoonstelling van voorwer- } pen van industrie en volksvlijt uit den Indischen archipel, in k 180 de maand September 1853, te Batavia tot stand te brengen en te besturen, in de overtuiging, dat dit middel het zekerst en snelst tot het voorschreven doel zal leiden. De indische regering heeft hun daartoe gereedelijk de ver- eischte magtiging en hulp verleend, bij besluit van den 2östen Februarij jl. no. 9, houdende onder-anderen verlof, om eene inteekeningslijst rond te zenden, ten einde de noodige gelden bijeen te brengen tot bestrijding der uitgaven aan gezegde ten- toonstelling verbonden; met vrijlating, om indien de tentoon- stelling een batig saldo over laat, zulks aan te wenden tot eenig nuttig doeleinde; — aanschrijving aan de gouverneurs en residenten op en buiten Java, om het plan der tentoon- stelling aan de bevolking bekend te maken en deze aan te moedigen om bijdragen in te zenden, alsmede om de verza- meling en verzending te bevorderen van al de voorwerpen, welke kunnen dienen om de volksvlijt en de produkten van de onder hun bestuur of invloed staande gewesten te doen kennen; — voorts bepaling, dat vrijdom zal worden verleend van in- en uitgaande regten voor de voorwerpen, bestemd voor de tentoonstelling, afkomstig van buiten Java. De kommissie vleit zich, dat eene zaak, welke het algemeen welzijn geldt en getuigt van zucht naar vooruitgang en van be- langstelling in de Indische volken , ook algemeen zal worden toegejuicht en ondersteund. Zij heeft gemeend, dat eene zoo- danige zaak behoort te worden tot stand gebragt geheel buiten bezwaar van ’slands schatkist, de hoop koesterende, dat dit gevoelen bijval zal vinden. De regering heeft van hare zijde gereedelijk de bescherming, en ondersteuning verleend , welke door de kommissie is ver- zocht. Met grond durven dan ook de ondergeteekenden ver- trouwen, daf die milde beginselen van het bestuur zullen wor- den gewaardeerd , en dat allen, die daartoe in de gelegenheid _ zija, door geldelijke bijdragen en verzending van voorwerpen, _ zullen willen medewerken om de tentoonstelling bevorderlijk te zijn of opteluisteren , opdat deze op eene ruime schaal kunne | | 181 plaats grijpen en de vruchten moge dragen, welke daarvan voor Nederland en Indië in de toekomst te verwachten zijn. De Kommissie tot het beheer der tentoonstelling te Batavia. S. D. SCHIFF, President. P. VAN REES, Vrce-President. W.J. VAN DE GRAAFF. Der. W. BOSCH. Jxur. R. G.B. DE VAYNES VAN BRAKELL. L. M. EF. PLATE. J. TROMP. B. J. WEIJMAR. E. A. SCHILL. A. A, REED. BP DIARD: Dr. P. BLEEKER. Ts BIE: E. W. CRAMERUS. P. BARON MELVILL VAN CARNBEE. A. FRASER. P. J. MAIER. CORNS. DE GROOT. C. DENNINGHOEF. C. T, DEELEMA N, A. S. GABRIEL. H. L. DEELEMAN. H.D. A. SMITS, Sekretarss. hd Geschenken van Boekwerken aan de Vereeniging. _ Die Infusionsthierchen als volkommene Organismen. Ein Blick in das tiefere organische Leben der Natur, nebst einem Atlas von 64 colorirten Kup- fertafeln von C. G. Enrexsere. Leipzig 1838 fol. (aangeboden door den heer H. A. Scuneuper). The Journal of the Indian Archipelago and Eastern Asia, edited by J. R. Locax. Vol. V. 1851. Singapore 8° (aangeboden door den heer J- R. Locan). | Commentatio de Systemate uropoietico piscium auct. A. J. D. SrrENsTRA Toussaint. Lugdun. Batav. 1835 4° (aangeboden door den heer Ds. A. J. D. Srzunstra Toussaint, Lid der Vereeniging). 182 Handleiding tot de kennis der geschiedenis, aardrijkskunde, fabelleer erz tijdrekenkunde van Java, door J. Hacrman Jez., deel IL. Kort begrip der algemeene geschiedenis van Java. Batavia 1852 8° (aangeboden door den heer J. Hacrman, Jez., Lid der Vereeniging). De sterrekundige plaatsbepaling in den Indischen Archipel en de maatre— „gelen op gezag van de minister van koloniën tot hare voorbereiding genomen, door F, Karser. Amsterd. 1851 89 (aangeboden door den heer S. H. pe Lancee, Bes'urend lid-der Vereeniging). Tijdschrift voor de wis- en natuurkundige wetenschappen uitgegeven door de eerste klasse van het koninklijk Nederl. Instituut. Dl. IV 1851 8e (aangeboden door de klasse voornoemd). Bijdrage tot de kennis der Plagiostomen van den Indischen Archipel door Dr. P. Breeken. Batavia 1852 4° (aangeboden door den schrijver). Bijdrage tot de kennis der Balistini en Ostraciones van den Indischen Ar- chipel door Dr. P. Brerken. Batavia 1852 49 (aangeboden door der schrijver). ERRATA Ide Jaargang pag. 521. 141.23 lees: 145.23. 106 u. 56m.2is. 1069 56° 51”. IEN MOUD. Aflevering L. Bladz. Algemeen verslag der werkzaamheden van de Natuurkun- dige Vereeniging in Nederlandsch Indië, over het jaar 1851, voorgelezen in de 2de algemeene vergadering, gehouden den Áden Februari 1852 te Batavia; door Dr. P. Brereker, president der Vereeniging. : it Notulen van de algemeene vergadering der Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië, gehouden op den Aden Februarij 1852 in de vergaderzaal van het Bata- viaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. . 17 Naamlijst der leden van de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië, op den Aden Februarij 1852. 2 Wetten van de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië. Ld . e ® ® Ld e . . 25 Scheikundig onderzoek van eenige op Java voorkomende minerale wateren, door P. J. Marrr. Mineraalwater Banjoe assin in het regentschap Poer- woredjo, residentie Bagelen. . 8 ï 4 la, De zoogenaamde witte stof, afgescheiden door het koche- __ nille-insekt, scheikundig onderzocht, door D. W. Rkosr VAN TONNINGEN. … . 3 4 fi : fi î . 39 Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Sin- _ gapore, door Dr. P. Brrrken. … : hs à od Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Bli- ú tong (Billiton), met beschrijving van eenige nieuwe soor- FE ten van zoetwatervisschen, door Dr. P. Brereken. . 87 Geognostisch uitstapje naar de zuidkust van Ceram, door ‚C.F. A. Scaneimen. . : ; , ‘\ ‚101 Ni Á __Bladz. Kswikmijnen op Sumatra, door G. Wassink. RS Bijdragen tot de geologische en mineralogische kennis van Nederlandsch Indië, door de ingenieurs van het mijn- wezen in Nederlandsch Indië. IL. Chemisch onderzoek van zwart zand en een zwart mineraal van de zuidoostkust van Borneo en Poeloe _ Lawut, door O. F. U. J. J. Huauenin. Rie veil Berigten van verschillenden aard. Re ten: Chronologisch overzigt der vulkanische verschijnselen op. | Java, gedurende het jaar 1851. . $ saf. sd Aardbevingen in de Molukken, in het laatst van 183t. 118 Aardbeving in westelijk Java en zuidelijk Sumatra op den “ | Yden Januarij 1852. . p ' ê É É ‚ 119 Aardbeving in de residentiën Madioen en Kediri en in de afdeeling Patjitan, op den 27sten Januarij 1852. _ _… 120 Koffij-thee. 5 Ë î j > î stoer Tentoonstelling, te houden te Batavia in het jaar 1853 . 126, Geschenken van boekwerken aan de Natuurkundige Ver- eeniging in Nederlandsch Indië. …_ « «‚ 131 NS P NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT àl NEDERLANDSCH INDIE, \ Trmar UITGEGEVEN DOOR Lof En LA A9 DE NATUURKUNDIGE benede: NEDERLANDSCH INDIE. DERDE JAARGANG. Aflevering II & HEN. ee ata Sn „ an” BATAVIA, LANGE & OC BIJ D RAGE N TOT DE GEOLOGISCHE EN MINERALOGISCHE KENNIS VAN NEDERLANDSCH INDIE DOOR De Ingenieurs van het Mijnwezen in Nederlandsch Indië. EEE. EILAND BLITONG (BILETON), DOOR CORNS. DE GREOGOT. ( Met kaarten en platen ). & De weinige tijd, welke ter mijner beschikking blijft, alvo- rens eene nieuwe reis te ondernemen, mag ik geene oorzaak doen zijn, dat het publiek onbekend zoude klijven met het- geen ik van het eiland Blitong kan mededeelen. Ik heb even- wel gemeend, de vrijheid te mogen nemen, om den vorm, waar- in ik deze mededeeling lever, ondergeschikt te maken aan dien „weinigen tijd. Tot mijn gemak zal ik daarom deze bijdrage in drieën verdeelen, als volgt: a. Wat bepaald betrekking heeft op de aan mij door de re- gering opgedragene zending. BE ILL | | 10 ” Ee es 184 b. Hetgeen ik in mijne aanteekeningen vind opgeteekend om- trent de geographie, en, c. Wat ik heb opgemerkt aangaande de geologische gesteld- heid des eilands. Wat bepaald betrekking heeft op de aan mij door de regering opgedragene zending. Den 15den April 1851 kwam ik te Soerabaja van het ei- land Bawean terug en vond bij mijne aankomst eene oproeping naar Batavia, waar ik den Î2den Mei, door het stoomschip Ko- ningin der Nederlanden overgebragt, aankwam. Z. K. H. Prins HenpriK per NEDERLANDEN (in Indië verte- genwoordigd door de heeren Joun EF. Loupon en VincenT BARON VAN Tuur VAN SEROOSKERKEN) had toestemming gevraagd tot het ontginnen van het eiland Blitong. In het laatst der maand Mei werd door het gouvernement aan mij opgedragen, bijgestaan door den aspirant-ingenieur den heer Huavenin, het mineralogisch onderzoek van het eiland Bli- tong, ter voldoening aan het eerste lid van art. 3 van het ko- ninklijk besluit van 24 Oktober 1850 No. 45. Tot de uitvoering van het onderzoek naar de regten van de bevolking op de aangevraagde gronden en de daaruitvolgende aanspraak op schadeloosstelling, werd de resident van Banka aangeschreven, om een ambtenaar aan te wijzen, zoo mogelijk plaatselijk op Blitong bekend en in staat om dat qnderzoek naar behooren te volbrengen. Den 12den Junij was ik met mijne uitrusting gereed en be- gaf mij dien dag met den heer Huavenin en de belanghebbenden, de heeren Louporx en BARON VAN TuirrL aan boord van Zr. Ms. stoomschip Etna, hetwelk ’s middags van den ÎÁáden op de reede van Muntok, Banka’s hoefdplaats, ten anker kwam. Van den tijd, dien de Etna in de wateren van Banka zich moest ophouden, maakte ik gebruik, omin de distrikten Soen- geislan en Toboali eenige tinstroomwerken te bezoeken en _ _ daarvan de bijzonderheden op te nemen; waarbij ik veel hulp- 185 vaardigheid mogt ondervinden van den kant der administrateurs van die distrikten. Door den resident van Banka werd tot bovenvermeld onder- zoek aangewezen de administrateur van het distrikt Jeboes, de heer H. L. van BrormeN WAANDERS. Nadat deze zich mede aan boord van de Etna had begeven en van Banka het een en ander was ingescheept, verliet het stoomschip in den vroegen morgen van den 27sten Junij de reede van Toboali, koers zettende naar de Tjiroetjoep op bs eiland Blitong. _ Dien dag, ’s middags ten 1£ uur, kregen wij de bergen en heuvels van Blitong in het gezigt en ’s avonds ten 94 uur lag de Etna voor de Tjiroetjoep ten anker. Den 2Ssten Junij ontscheepten wij zeer vroegtijdig, doch de- wijl de Etna 6 Engelsche zeemijlen uit den wal lag, landden wij eerst ten 10 uur nabij de woning van den depati. Door dit inlandsch opperhoofd werden wij met beleefdheid ontvan- gen en geleid naar het fort (op de kaart id hide als fort Tandjong Goenoeng). Binnen dit fort bevindt zich een houten huis, waarin wij aanvankelijk onzen intrek namen en dat ons tot hoofdkwar- tier heeft verstrekt gedurende den tijd, welken wij op het ei- land doorbragten. Reeds op den dag onzer ontscheping werd door een’ inlan- der het kerkhof te Tandjong Pandan aangewezen als tingrond te bevatten. Een onderzoek, in de nabijheid van dat kerkhof bewerkstelligd, bevestigde dat berigt en den volgenden dag hadden wij daaruit een staafje tin gesmolten, dat wij nu met zeker- heid wisten, dat van Blitong afkomstig was. Tandjong Pandan behoort tot de vallei der Tjiroetjoep. Zulks gaf mij regt om te vooronderstellen, dat in die vallei j ook op andere plaatsen stroomtinerts zou zijn afgezet. Om dit uit te maken, heb ik van Tandjong Pandan in eene noordoostelijke rigting, dwars door, al wat zich voordeed heen, gen pad laten hakken en daar op geschikte plaatsen door boringen en proefputten het onderzoek aangevangen. Ik had daarbij het voornemen, om, zoodra mijne vooronder- stelling bewaardheid was, onmiddelijk eene reis door het ei- land aan te vangen ter onderzoeking, hoe-de stroomtinerts was verspreid. De belanghebbenden zelven onderzochten die plaatsen, waar- van het gerucht zeide, dat zij tinerts bevatten. Tegen de helft der maand Julij was het genoegzaam zeker geworden, dat een deel der Tjiroetjoep-vallei zooveel stroomtinerts inhield, dat de mogelijkheid eener ontginning niet meer te betwijfelen viel. Het was toen, dat ik den belanghebbenden voorstelde, om, zoo het gouvernement daartoe magtiging wilde verleenen, voor hunne eigene rekening eene proefmijn te openen. Tot het openen dier proefmijn voor eigene rekening werd van hunnen kant besloten en verzoek gedaan aan het gouver- nement , hetwelk bij besluit daartoe de magtiging verleende. In de laatste dagen van Augustus kwamen 50 Chinezen als vrije werklieden, voor de tinontginning te Singapore gewor- ven, op Blitong aan. Slechts vijf weken na de bekomene magtiging werd het eerste tinstroomwerk, Prins Hendrik ge- naamd, geopend. Thans is het in volle werking. in het begin van September verliet de administrateur Van BLOEMEN WAANDERS, wiens zending was afgeloopen, het eiland. Deze heer heeft, gedurende zijn verblijf op Blitong, zich steeds beijverd, om zoo veel de aan hem opgedragene kommissie daar- toe tijd overliet, de belanghebbenden en dus ook het aan mij opgedragen onderzoek in het algemeen, van dienst tezijn. Het is mij eene aangename taak, die belangelooze medewerking on- der dankbetuiging hier te vermelden. Dewijl het meer en meer zich liet aanzien, dat de ontgin- ning van Blitong in de vallei der Tjiroetjoep zoude aanvangen » zoo had ik het hiervoren vermelde voornemen, om spoedig eene reis door het eiland te doen, vooreerst laten varen. De oostelijke lijn, waarvan, ik vroeger sprak, is door mij voort- gezet tot op Boekit Rauwes, waar ik in tinlooze gronden kwam en mijne rigting veranderde in die van ongeveer zuid 187 609 oost. Van die algemeene rigting hier en daar naar om- standigheden afwijkende, heb ik het onderzoek op en nabij die lija voortgezet tot bezuiden Goenoeng Kamoeroekan. Daar ge- komen, was ik in zoo verre met de vorming van deze vallei be- kend geworden, dat ik, bij den weinigen tijd, welke mij over- bleef , niet verder doorging met het hakken van voetpaden vol- gens eene bepaalde rigting en verder gebruik maakte van de be- staande. Alleen waar het noodig was, deed ik, wat ik ook vroeger bovendien had moeten doen, langs de riviertjes zooda- nig pad openen. Tot het laten openhakken van al die voetpaden, welker geza- menlijke lengte niet minder dan 50 palen bedroeg, was ik ge- noodzaakt, doordien de naar de kampongs geleidende paden mij niet met de TFjiroetjoep-vallei konden bekend maken en het ter- rein, over het algemeen, sterk begroeid is met grooten klein houtgewas. In den laatsten tijd van mijn verblijf op Blitong, heb ik, meestal in het gezelschap van de belanghebbenden, eene reis om en door eenige deelen van het eiland gedaan, ten einde het aanwezen van stroomtinerts ook op andere plaatsen, zoo mogelijk te bevestigen. Met den heer Huave- NIN begaf ik mij van het fort Tandjong Goenoeng overland naar de ‚kampong Sidjoek, waar de BARON van Tur en de heer Loupon, die over zee waren gekomen, zich bij mij _ voegden. Van Sidjoek overland uitgaande, deden wij ge- zamenlijk eene reis door en gedeeltelijk langs het noorden van het eiland, vervolgens door een deel der oostelijke kust- landen tot bezuiden de Soengei Lolo en keerden over zee te- rug naar de Tjiroetjoep. Na ons voor een’ tweeden togt te hebben uitgerust, onder- namen wij eene reis langs en door de wester-, zuider- en_00s- ter - kustlanden. Deze reis ondernamen wij gezamenlijk, in vier praauwen, langs de kust en, waar het noodig was, de rivieren opvarende, de oevers onderzoekende en kleine togten te land doende. Toen wij het onderzoek tot den zuidwesthoek hadden uitge- strekt en de afdeeling Blantoe hadden opgenomen, stak de Baron 158 VAN Tursu met een der praauwen over naar het distrikt Soen- geislan op Banka, welk distrikt en dat van Pankalpinang hij wenschte te bezoeken, in het belang der te aanvaar- den onderneming. De heer Huavenin, die aan koorts leed en daarom het overige der reis, waarvan het te voorzien was, dat het met vele ongemakken en ontberingen zoude ge- paard gaan en buitengewone inspanning zoude kosten, niet kon medemaken, ging van Tandjong Tambelan in eene sam- pang (klein visschersschuitje) terug naar Tandjong Goenoeng. Ik zette de reis verder alleen in gezelschap van den heer Loupon voort. Het doel van dien verderen togt was, om de Soengei Lingan en hare takken te onderzoeken en tevens om den vorm van de geheele. kust van Blitong op te nemen, waarom wij van de Soengei Lingan om de noordkust naar Tandjong Goenoeng zijn teruggekeerd. Dat deze reizen, welke ongeveer eene maand duurden, hun- ne ongemakken opleverden, zal de lezer kunnen nagaan, wan- neer ik mededeel, dat de door ons gebezigde praauwen geheel open waren en alleen eene tent, bestaande uit eene kadjang- mat, ons gedeeltelijk tegen den regen beveiligde, terwijl wij aan de nachtlucht geheel bleven blootgesteld. Op deze reis zijn noch boringen, noch proefputten gemaakt en heeft zich het onderzoek alleen bepaald tot den bovengrond. De uitkomsten van het onderzoek, zoo ver ik die voor het publiek wetenswaardig acht, zijn de volgende: a. Dat de hoofdvorming van het eiland Blitong, even als Ws van Banka, bestaat uit graniet en de geassocieerde bergsoorten. b. Dat, aangezien de hoofdvorming van Blitong graniet is en alzoo de begane grond over het algemeen uit graniet en de verweringsprodukten dier rotssoort bestaat, dit eiland een der onvruchtbaarste deelen uitmaakt van Nederlandsch Indië. c. Dat er veel en goede primaire ijzererts op dit eiland wordt gevonden en door de inlanders verwerkt; dat er ook kopererts op Blitong wordt aangetroffen, doch voor zoo ver mij bekend is, niet in eene noemenswaardige hoe- 139 veelheid, zijnde het mij slechts gelukt één geïsoleerd specimen te ontdekken op Tandjong Boeroengmandi; voorts, dat op het strand nabij Tandjong Boerongmandi, Fandjong Binga en Tandjong Tambelan, in groote hoeveelheid en in fijn verdeelden toestand, wordt aangetroffen , een mineraal, hetwelk mij voor- komt hoofdzakelijk uit ijzer en titanium- verbindingen te bestaan. d. Dat de stroomtinerts , afgezet op Blitong, afkomstig is van de heuvels van het eiland. e. Dat stroomtinerts in den bovengrond wordt gevonden, in het noorden bij Ajer Sinkeli en de Soengei Padang; in het oosten aan de Soengei Lingan, in het zuidwesten aan Ajer Mansira en in het westen aan de Soengei Doedat, Soengei Brang en Soengei Tjiroetjoep. f. Dat de stroomtinerts, op Blitong gevonden, van goede kwa- liteit is, zoomede het tin, daaruit verkregen. Eene uit- smelting, door den heer J. F. Lovupon uitgevoerd (in eenen blaasoven met houtskolen op gelijke wijze als op Banka, doch op kleinere schaal, hetgeen de uitkomst iets te min doet zijn), heeft tot resultaat gegeven, voor den erts van Tan- djong Pandan 45°/, en voor de koeliterts van het stroomwerk Prins Hendrik 67°/, tin. Twee andere onderzoekingen geven, de eene 65°), en de andere 59,2°/, tin. | Dat het tin van gelijke kwaliteit is, als dat van Banka, blijkt uit het onderzoek, verrigt door den hoogleeraar C. F. DoNNaApIEU, op verzoek van Z. K. H. Prins Henprik der Ne- derlanden. Dit onderzoek heeft doen zien, dat het specifieke gewigt was 7,27, terwijl de Íste bepaling gaf 99,373 „ 2de „ 99,361 „ dde si „ 99,375 dus gemiddeld 99,370 scheikundig zuiver tin. Het tin, dat tot dit onderzoek heeft gediend, was op gebrekkige wijze uitgesmolten; er was in het geheel niet op gerekend, dat Prins Henprik zulks scheikundig zou laten onderzoeken. 140 g. Dat de stroomtinerts, zich in de vallei der Soengei Tjiroe- tjoep, op gelijke wijze heeft afgezet als op Banka en in de beddingen van vijf riviertakken, aan de belanghebbenden bekend gemaakt, in zoodanige hoeveelheid, dat zijne ont- ginning kan worden aanbevolen onder gunstige vooruit- zigten. f h. Dat, zoo ver mij bekend is, over het algemeen, veel en goed water op het eiland wordt gevonden, makende alleen een gedeelte van de afdeeling Boeding daarop eene ongun- stige uitzondering. t. Dat op het eiland Blitong weinig zwaar nóvsbins wordt aangetroffen , doch dat het overvloedig hout oplevert tot het branden van houtskolen voor de tinsmelterij; waartoe ook __de omliggende en bij Blitong behoorende eilanden groote- lijks kunnen bijdragen. | Hetgeen ik in mijne aanteekeningen vind opgeteekend omtrent de geographie van het eiland. De kapitein Morrr, in 1822 civiele en militaire kommandant van Blitong, heeft destijds een schetskaartje van het eiland ge- leverd, dat, wat den vorm der westkust betreft, vrij goed is en door dien officier naar zelf gedane opnemingen schijnt te zijn zamengesteld. De zuid-, oost- en noordkust en het bin- nenland met zijne rivieren en bergen, zijn blijkbaar daarop ge- bragt naar ingewonnen berigten. Tijdens mijn vertrek naar Blitong was dit kaartje, onverbeterd, het eenige, dat van het eiland bestond. De geologische kaart van het eiland Blitong, hierbij gevoegd, is vervaardigd naar de- kaart, welke ik op het eiland zelf heb gemaakt. De lengteschaal dier originele kaart is zestien maal zoo groot als die van de hierbijgevoegde. De gekleurde gedeelten zijn die, waarvan de geologische ge- steldheid tijdens mijn verblijf is bekend geraakt. Wat ik niet heb onderzocht, heb ik ongekleurd gelaten, dewijl ik be- ter vond, dat mijn arbeid later door anderen of misschien door 141 mij zelven zou worden aangevuld, dan dat ik, zulks doende naar ingewonnen berigten, mijn werk alleen in schijn meer volko- men aan het publiek zou aanbieden. Ik maak volstrekt geen aanspraak voor deze kaart op naauw- keurigheid, vooral niet voor wat de zuidkust aangaat tusschen Tandjong Penjabong en Tandjong Kemoedi, hoewel aan de opne- mingen en de zamenstelling , voor zooveel tijd, gelegenheid en middelen zulks toelieten, de meest mogelijke zorg is besteed. Het is de eerste kaart, die met eenige juistheid den vorm van het eiland Blitong doet kennen. De vorm van het eiland is, zooals de kaart doet zien, regel- matig en bijna een regthoek , waarvan de twee lange zijden noord en zuid loopen , terwijl de twee korte zijden zich oost en west uitstrekken. De Tandjong Roe en Tandjong Sianto en de Telok Boeding en Telok Balokh verbreken eenigermate die regelmatigheid. | De oppervlakte van het eiland heeft een’ inhoud van onge- veer 100 vierkante geographische mijlen. Zoowel van uit zee gezien, als wanneer men zich in het binnenland bevindt, heeft het uiterlijke voorkomen van Blitong eene zeer sterke gelijkenis op dat van Banka. Over het algemeen is het kustland laag en het binnenland eenigzins verheven en zachtgolvend. Te midden daarvan verhef- fen zich plotseling vrij steile op zich zelve staande heuvels en bergen, die over het geheele eiland zijn verspreid. De belangrijkste der mij bekende bergen zijn de Tadjem laki en Tadjem parampoean, de Lian, de Badau, de Agong, de Koebing, de Beloeroe, de Loeday, de Tebalo en de Boe- roengmaudi. Naar mijne gissing heeft geen dezer bergen eene hoogte van 1000 Ned. ellen. Het is op de hoogere deelen aan deze bergen en langs de rivieren , vooral aan hunnen oorsprong, dat men het weinige zwaar hout aantreft, dat het eiland oplevert. Van de door _ mij opgenomene rivieren zijn de Tjiroetjoep en de Lingan de voornaamste. Zooals op de kaart kan gezien worden, ontsprin- gen beide in het gebergte Tadjem, doch de Tjiroetjoep loopt 142 westwaarts en stroomt uit aan de westkust, terwijl de Lingan zich zuidwaarts rigt en aan de oostkust in zee valt. De Tjiroetjoep is over eene lengte van 10 palen en de Lin- gan over Í2 palen, van de monding afgerekend, bevaarbaar voor praauwen van 19 el lengte, 3 el breedte en 6 à 7 palm diepgang. Beide rivieren hebben eenen zeer kronkelenden loop. De Tjiroetjoep heeft eene breede monding en behoudt over eene lengte van 5 à 6000 el eene breedte van meer dan 120 el, doch heeft weinig diepte. De Lingan heeft een vernaauw- den, ondiepen ingang, blijft over eene lengte van 6000 el eene gelijkmatige breedte van 100 el behouden en heeft binnen hare monding en zoover zij bevaarbaar blijft, bij eb, meer dan 4 el water. De twee rivieren verdeelen het eiland in twee dee- len , waarvan het noordelijke het kleinsteen Y, kleiner is dan het zuidelijke. De rivieren, welke in Telokh Balokh uitloopen, heb ik niet kunnen opnemen, doordien de ingangen in vroegere jaren ver- sperd waren tegen het indringen der zeeroovers. Waar langs de kusten en rivieren de ware alluviale vor- ming is aangegeven, vindt men veelal mangleiboomen (rhizo- phoren). Voor zoover ik weet, bepalen zich de moerassige streken veelal tot de nabijheid der rivieren en hare takken. De kust van Blitong mag onherbergzaam worden genoemd; zij is omgeven door koraalriffen , zandbanken en klippen, waar- van sommigen zich vrij ver in zee uitstrekken. De stranden bestaan bij afwisseling uit rotsen, koraal, zand en modder. Door den luitenant ter zee den heer A. H. MoppeErMaN , des- tijds kommandant van Zr. Ms. schoener Aruba, welk vaar- tuig gedurende het onderzoek in de wateren van Blitong ‘was gestationeerd, is de reede der Tjiroetjoep , met de aangren- zende kust en eilanden opgenomen en de door hem vervaardigde kaart bereids door het bureau der zeekaarten te Batavia ge- drukt en verkrijgbaar gesteld. Aan de aanteekeningen van ge- noemden officier , op zijne kaart gesteld, ontleen ik het volgende. 143 „De kaart van de reede der Tjiroetjoep is trigonometrisch „opgenomen. Om haar aan andere opnamen te verbinden dient de navolgende ware peiling. „O0. hoek van het eiland Kalmambang z. 479 30’ o.; eiland ‚„Kelamoa z. 86° 30’ o.; w. hoek van het eiland Rotterdam „z. 629 w.; eiland Gaspar n. 53° w.” „De riffen zijn meestal steil en derhalve niet aan te looden; „daarbij zijn ze moeijelijk te zien. Hoewel de meeste zorg is „aangewend, zou het om de aangehaalde redenen mogelijk „kunnen zijn, dat er nog riffen waren overgeslagen, voor bin- „nen de 12 vadem. „Tijdens het verblijf van Zr. Ms. schoener Aruba in de „oostmoesson, stond er met het hoogste water nooit meer „dan 10%, voet op het droogste der bank voor de rivier Tji- „roetjoep ; er was dan 6 à 7 voet verval. Men heeft gedu- „rende 3 à 4 dagen zulke getijden, waarop weder 8 à 10 da- „gen met doode getijden volgen, wanneer er niet meer dan f „à 2 voet verval is. Het schijnt, dat de hooge getijden niet „juist op de dagen van volle of nieuwe maan voorkomen. De „bank is rotsig met eene dunne laag zand er op. Het beste „drinkwater wordt met laagwater gehaald achter het fort Tan- „djong Goenoeng.”’ De bewoners van Blitong kan men gevoegelijk in drieën ver- deelen. 1°, De bewoners van het binnenland, orang darat. Hun getal is met geene zekerheid op te geven; het wordt geschat op 5000 zielen. 20, De bewoners der vaartuigen, orang lawut; deze worden ook wel orang sekah genoemd. Zij bewonen ongeveer 100 klei- ne praauwen en hun aantal bedraagt ruim 400 à 500 zielen. 3°, Ongeveer 150 vreemdelingen, die uitsluitend in de kampong Pandan wonen en meestal kooplieden zijn. Zij bestaan uit Linganezen, Boeginezen, Borneoten, Javanen, Palemban- gers en andere Maleijers, benevens enkele Chinezen. Bij de vreemdelingen moeten nog gevoegd worden 250 Chi- 144 nezen, welke op dezen oogenblik reeds worden gebruikt tot het ontginnen van stroomtinerts. De orang darat zijn goedaardig, behulpzaam, gastvrij, eerlijk en nijver, als hun de gelegenheid wordt aangeboden om iets te verdienen. Zij bewonen op palen gebouwde woningen, waarin de vloer gewoonlijk meer dan f el boven den grond ligt. De wanden en het dak dezer huizen zijn veelal van boomschors vervaar- digd. Deze woningen zijn in kleine kampongs vereenigd, die van 2 tot 10 huizen tellen. Hunne taal is het Maleisch en hunne godsdienst de Moham- medaansche, met vele bijgeloovige begrippen vermengd. Men vindt bij hen dienzelfden eerbied voor de graven, welke de meeste inlandsche volken onzer bezittingen kenschetst. Bij de schetsen, hierbij gevoegd, bevindt zich die van een graf op den top van den Goenoeng Tadjemlaki. Dit graf is de laatste rustplaats van een’ vorst, met zijne vrouw en zoon, terwijl ter zijde zijne kat ligt begraven. De naam van den zoon (zoo zegt de overlevering), was Tapsem, en daarnaar zou de berg zijnen naam dragen. Deze begraafplaats staat bij den inlander in een’ zeer sterken reuk van heiligheid; allen die met ons den berg, welke ongeveer 900 el hoog is, beklom- men , baden en offerden op het graf, waarheen zij, zoolang wij op den berg waren, hun gelaat onafgebroken hielden gekeerd. De orang lawut en een deel der strandbewoners, welke laat- sten meestal van den overwal afkomstig zijn, hebben een min- der goed karakter dan de orang darat. De orang lawut of orang _ sekah , brengen, evens als de hoklo’s of waterchinezen , het groot ste gedeelte van hun leven door aan boord van vaartuigen. De vaartuigen van de orang sekah, die zeer klein en niet zoo groot zijn als de gieken der Nederlandsche koopvaardijschepen, strek- ken aan een geheel gezin tot eenig verblijf. Het zijn kleine stevig gebouwde menschen, donkerder gekleurd dan de gewo- ne Maleijers. Zij hebben min of meer negertrekken in het gelaat en velen hebben eenigzins gekroesd haar. Zij spreken met eene rammelende vlugheid eene taal, welke, hoezeer eenige malei- 145 sche woorden bevattende, echter alleen onder hen wordt ver- staan. Hunne gesprekken zijn brommend en onaangenaam voor het gehoor, hetgeen, gevoegd bij hunne groote praatzucht, hun gezelschap niet zeer aangenaam maakt. Zij zijn bekwame duikers en visschers, waartoe zeker veel bijbrengt dat schelpdieren en visch voornamelijk hun voedsel uitmaken. Ook maken zij jagt op wilde varkens en herten, mede voor hun levensonderhoud; rijst eten zij, als zij die kun- nen krijgen en zij kunnen zonder letsel brak water drinken. Zoo ver mij bekend is, wordt door de orang sekah geene godsdienst beleden. Hun bedrijf is de tripangvisscherij en het verzamelen van agar-agar. Meermalen hebben zij zich aan zeedieverijen schuldig gemaakt, welke zij evenwel veelal pleegden enkel uit gewoonte. Er bestaat bij mij dan ook geen twijfel, of deze menschen zijn zonder veel moeite tot het goe- de terug te brengen, waartoe de ontwikkeling van handel en- nijverheid, die Blitong te wachten staat, zeker veel zal bijdra- gen; want het ontbreekt hen voornamelijk aan geregelden arbeid, waardoor zij in hun onderhoud kunnen voorzien. De politie, thans in handen van het inlandsch hoofd, is door diens geringen invloed zeer gebrekkig. Zoo deze met verstand en bedaardheid, met het oog op de verbetering dezer menschen wordt gehandhaafd, zullen die orang sekah hunne dieverijen la- ten varen en zeer bruikbare menschen worden. Van de vele eilanden, welke Blitong omringen, is alleen Men- danau bewoond, door 40 à 50 zielen, welker aantal onder de orang darat van Blitong is opgenomen. Het eiland Blitong wordt bestuurd door den depati Tsikra DI NINGRAT, die sedert vele jaren van het gouvernement eene bezoldiging geniet. Persoonlijk houdt de depati het grootste deel des eilands onder zijn beheer, terwijl het overige onder hem wordt bestuurd door ingebei’s. In het oostelijke gedeelte zijner landen heeft de depati eenen vertegenwoordiger, zijnde zijne volle neef Kr Acors Lorsson; deze woont in eene ‘kam- pong niet ver van de Boekit Poedas, nabij de Soengei Lingan. De depati en de ingebei’'s komen aan het bestuur bij erfop- 146 volging. De depati wordt bevestigd door de hooge regering van Nederlandsch Indië en de ingebei’s door het bestuur van Banka, onder welke residentie het eiland Blitong tot dus verre behoorde. Het eiland Blitong is dus, overeenkomstig het vermelde in- landsche bestuur, verdeeld in vijf af deelingen: Îste afdeeling, van den depati, 2de pe „ __»„ ingebei van Sidjoek, dde ’ ’ ’ ’ ’ Blantoe , Áde , 13 Lb bb} bi Badau ’ 5de 5 be, En „ Boeding. De depati woont in de hoofdkampong Pandan en de in- gebei’s bewonen in hunne afdeelingen kampongs, welke de na- men van hunne afdeelingen dragen. De kampong Pandan is de eenige, welke blijvend is. De kampongs Sidjoek, Blantoe, Badau en Boeding zijn het min of meer. Alle andere kampongs op het eiland hebben eene veranderlijke standplaats, te midden van het land (ladang), dat de inwoners der kampong bebouwen. De hoofdkampong Pandan is even binnen den mond der Tjiroetjoep, op haren regteroever, gelegen en bestaat uit eene vrij lange dubbele rei woningen, waarvan de meesten zeer slecht en onzindelijk zijn, zich in zoo ver ongunstig onderscheidende van de woningen in het binnenland. Op Tandjong Goenoeng (eene tandjong door de rivier gevormd), aan het einde der hoofdkampong, is op een uit ijzererts be- staanden heuvel het fort gelegen. Den top des heuvels heeft men tot den aanleg van het fort afgeplat en aan de rivierzijde eene borstwering laten staan, terwijl men den beganen grond aan de landzijde door palissaden heeft afgesloten. De wapening van het fort bestaat uit vier ‘oude ijzeren kanonnen, met rottan op stukken hout vastgebonden, welke in betere dagen tot affuiten hebben behoord. Twee dezer stukken zijn door schietgaten in de palissadering op de kampong gerigt, terwijl de twee ande- ren, op de borstwering geplaatst, de rivier en hare monding moeten bestrijken. Het gezigt, hierbij gevoegd, zal mede een 147 denkbeeld kunnen geven van deze wapening. Het fort bevat, behalve de vroeger door mij genoemde houten woning, welke voorheen door den depati werd bewoond, de woningen voor het garnizoen, dat tijdens mijn verblijf op het eiland bestond uit een Europeschen korporaal en twaalf Javaansche fuseliers; - deze woningen waren in zeer slechten staat. Water is binnen het fort niet te krijgen en moet aan den voet des heuvels worden gehaald. Van den landbouw der Blitonezen valt weinig te zeggen. Hij bepaalt zich tot het teelen van rijst, oebi mengaloi en oebi ketejla. De rijstteelt is alleen de drooge; natte rijstvelden (sawah’s) kent men op Blitong niet. Het te veld staande hout: gewas wordt neêrgehakt en genoegzaam droog zijnde verbrand, waarna men met een rond houtje openingen in den grond maakt, waarin eenige rijstkorrels worden geworpen. Naarmate de onvruchtbaarheid van den bodem grooter is, kan hetzelfde stuk grond slechts van eens om de acht tot eens om de twaalf jaren worden bebouwd, en dan nog is de opbrengst onaanzienlijk. De op Blitong geteelde rijst, kan dan ook niet voorzien in de behoefte der bewoners, welker aantal zoo gering is in verge- lijking der uitgestrektheid van het land. De bebouwde landerijen zijn allen door eene f,5 à 2 el hooge heining omgeven, tot bescherming tegen de wilde varkens. De verscheidenheid van vruchten is op Blitong zeer gering. Zij bepaalt zich tot de kalapa, de pinang, de pisang , de doe- rian, de nangka en de papaja; de hoeveelheid is mede zeer ge- ring. De gereedschappen, welke de Blitonezen gebruiken , zijn zeer weinig in aantal, zeer eenvoudig en worden bijna zonder onderscheid allen door hen zelven vervaardigd. Een groot deel der orang darat verstaat het bewerken van ijzer, van den erts af tot het afgewerkte voorwerp. Tot het herleiden van den iijzererts gebruiken de inlanders kleine blaasovens, waarin zij slechts eene geringe hoeveelheid te gelijk bewerken. Nadat de oven is ontstoken, laden zij dien 148 vol met houtskolen, waarop zij dan een paar handen vol ijzer- erts werpen, dat vooraf ter grootte van erwten is fijn ge- maakt. Vervolgens dekken zij de lading weder met houtskolen, voegen weder ijzererts toe en daarop weder kolen, naarmate zij veel of weinig ijzer noodig hebben voor hetgeen zij willen maken. Het ijzer halen zij met eene tang in een’ half vloei- baren toestand uit het vuur (even gelijk zulks in de ijijzer- werken uit een pudle furnace, poedeloven , komt). De lomp wordt eerst door zachte hamering tot een staafje gemaakt, dat een palm lang, een Ned. duim dik en ongeveer vijf Ned. duim breed is. Zoodra zij tot hun doel staafjes genoeg ijzer voorhanden hebben , brengen zij die twee aan twee weder in het vuur, waarna ze door hamering tot een staafje gewoon ijzer worden gemaakt. De aldus verkregen staafjes worden zoo noodig weder met twee of meer tot een gebragten daaruit het verlangde voorwerp vervaardigd. De parong (hakmes) en de bliong (bijl) door hen gemaakt, zijn vooral van zeer goede kwaliteit. Ook maken zij zeer goe- de spijkers. Over het algemeen zijn de voorwerpen, door de Blitonezen vervaardigd, vrij goed afgewerkt, vooral als men in aanmerking neemt, hoe gering hunne hulpmiddelen zijn. In de nabijheid van het gebergte Tadjem worden gindies (water- kruiken) gemaakt, van een’ bijzonderen vorm, die als uit de han- den van zulk een onbeschaafd volk komende, inderdaad fraai mogen worden genoemd. Verder levert het eiland voor den handel nog op: geel was, dammar en een weinig rottan; deze produkten, met het tin, de spijkers, de tripang en de agar-agar, zijn de artikelen, welke voor uitvoer kunnen dienen. De handel, welke op Blitong bestond, was zeer gering, doch zonder twijfel zal deze voor het vervolg geheel wat anders wor- den , dan het tot nu toe was en zeer zeker gaat het eiland, ook in dezen, eene ongekende ontwikkeling te gemoet. De be- palingen, door de regering omtrent dit punt te maken, zullen tot die ontwikkeling grootelijks aanleiding geven. De reede der Tjiroetjoep is de eenige, waarbij de handel op dit 149 oogenblik eenig belang kan hebben. Gelijk de boven ver- melde kaart van den heer Mopprruan doet zien, moeten sche- pen van aanmerkelijken diepgang nog al ver uit den wal blij- ven, en nabij het eiland Kalmambang ten anker komen ; min- der diepgaande vaartuigen echter kunnen in de rivier komen. Zoo is onder anderen Zr. Ms. schoener Aruba, die naar ik mij herinner ruim acht voeten diep gaat, de rivier ingeloopen en heeft aan den voet van fort Tandjong Goenoeng ten anker gelegen. De gemeenschap te land tusschen kampong Pandan en de overige deelen des eilands is, gelijk men vroeger zag, bij het niet be- staan van wegen, zeer gebrekkig. Ook die toestand zal spoe- dig ophouden , daar met het aanleggen van wegen dwars door het eiland, tot vereeniging der voornaamste punten, onverwijld zal worden aangevangen. Door een’ geachten vriend daartoe uitgenoodigd, laat ik hier volgen mijne herinneringen, van wat ik in het dierenrijk ont- moette en niet aantrof. Van de dieren welke voor het huisselijk leven van belang zijn, vindt men op Blitong nief: paarden, koeijen, karbouwen schapen en eenden. Daarentegen treft men er aan: honden, en- kele geiten, kantjils, wilde varkens, kippen , snippen, poe- jokh’s, poenei’s (groene wilde duiven), zeeschildpadden, weinig riviervisch, veel en zeer smakelijken zeevisch, oesters, inkt- visch , krabben, garnalen , en honishijen. Overigens heb ik er aangetroffen de rasse (Viverra rasse), zeer veel apen (waaronder den kleinen grijzen en den loetong), het spookdier (Tarsius spectrum), de topei (soort van Sciurus), tengiling, de bajan (perekiet), de serinditan, de tijong (Gracula religiosa), de helong (Haliaetus ponticerianus), krokodillen, le- guanen, gekko's, skinken , landschildpadden, verschillende soor- ten van slangen, witte, roode en andere mierensoorten (1), (1) Waaronder eene zwarte soort van buitengewone grootte. Deze mieren _ kwamen althans mij zeer groot voor. Sommigen, die ik zag, waren 3 centi- meters lang en hadden een’ zeer breeden kop; zij maken zeer groote wo- ningen, wier vorm het segment van een’ bol is, waarvan de koorde 4 à 5 Ned. el en de pijl 1 Ned. el bedraagt. HI. 11 150 duizendpooten, huis- en boschschorpioenen, vele sprinkha- nen, waaronder van buitengewone grootte, wespen, vliegen , vlinders, muggen en springbloedzuigers. Geen enkel slakken- hoorntje heb ik kunnen ontdekken. Wat ik heb opgemerkt aangaande de geologische gesteldheid des eilands. Wat ik omtrent de geologie van Blitong hier zal laten vol- gen, kan alleen bestaan in eene opsomming van wat ik heb opgemerkt, bij het doen van mijn onderzoek naar stroomtin- erts. Het zal zich slechts bepalen tot die plaatsen, welke ik heb bezocht en van een groot gedeelte des eilands zal ik alzoo niets zeggen. Daar mij de geologische gesteldheid van ge- noegzaam den geheelen omtrek van het eiland bekend is, zoude het mij niet moeijelijk vallen, om uit hetgeen hier volgt een aantal gevolgtrekkingen te maken; ik zal mij echter daar- van zooveel mogelijk onthouden, even als van het generalise- ren van verschijnselen; dewijl bij het weinige, dat van Blitong bekend is, die bespiegelingen, bij hunne gewaagdheid, in miju oog toch zeer weinig waarde zouden hebben. Omtrent de physische gesteldheid des eilands en de hiernevens gevoegde kaart, is reeds het een en ander vermeld in het tweede gedeelte dezer bijdrage. De beteekenis der kleuren en teekens is op de kaart ken- baar gemaakt , waardoor de lezer op deze de belangrijkste daad- zaken kan vinden. Het valt al dadelijk in het oog, dat genoegzaam al het ge- kleurde de granietvorming aanwijst en deze is dan ook met kleine uitzonderingen , hierna te vermelden , de eenige vorming, door mij op het eiland aangetroffen. De kaart doet duidelijk zien , dat die granietvorming rondom het geheele eiland is gevonden en ik geloof dus met regt te hebben gezegd, „dat de hoofdvorming van het eiland Blitong bestaat uit gra- ‚hiet en de geassocieerde bergsoorten,” 151 In die granietvorming treft men veel jongere eruptive gesteen- ten aan, voornamelijk veldspaathporfier (elvan) en ook op een paar plaatsen groensteen. Zij wordt gesneden door ver- scheidene kwartsaders en bevat op vele plaatsen ijzererts; ik ontdekte er ook twee tinvoerende aders. Even als in elk granietterrein, vindt men ook op Blitong, op vele plaatsen , de naakte onverweerde rots bloot liggende, meermalen in de zonderlingste vormen. Dit voorkomen ontstaat, doordien de za- menstelling van deze bergsoort, ongelijkmatig zijnde, zij hier meer daar minder voor verwering vatbaar is. Het gemak- kelijkst verwerende verliest zijnen zamenhang en wordt, zoo het bloot ligt, weggevoerd, terwijl harde kernen blijven staan. De hierbij gevoegde schetsen van den top van Boekit Melan- tin, van den top van Goenoeng Batoetoengal en van Goe- noeng Beginda , kunnen tot opheldering dienen van deze on- gelijke verwering van den graniet. De twee eerstgenoemde schetsen, vooral de eerste, illustreren tevens eene bijzonderheid, welke men in de granietvorming aantreft. Men vindt namelijk hier en daar, dat de graniet zich heeft gevormd in parallelo- pipeda, en dat de voegen zich hebben gevuld met een gra- nitisch cement, dat alhoewel, evenals de graniet, uit veld- spaath , kwarts en mica bestaande, niet dien grooten zamenhang heeft en niet zoo bestand is tegen de inwerking van de atmos- feer , als de graniet zelf. Algemeen gelooft men, dat dit voorkomen is toe te schrijven aan de krimping, welke heeft moeten plaats hebben bij de bekoeling ; terwijl men aanneemt, ‚dat de voegen bij haar ontstaan van beneden op zijn aange- vuld. Wat van deze theorie ook juist of onjuist moge zijn, het verschijnsel bestaat, en men maakt daarvan in de graniet- groeven een zeer nuttig gebruik, om groote blokken te ver- krijgen ; waartoe men, bij het door middel van buskruid doen springen, de lading in de voegen aanbrengt. _ Op elken heuvel en schier op elke hoogte is de graniet bloot liggende en wel in groote massa op Tandjong Pandan, __Boekit Pajong, Boekit Rauwes, Goenoeng Batoe toengal, Boe- 152 kit Melantin, Goenoeng Kamoeroekan , Boekit Beganti, Boe- kit Goendoel , de heuvels welke den westelijken voet van het gebergte Tadjem vormen, Tandjong Binga en de voorliggende eilanden tot Tandjong Kelajan, Goenoeng Tebalo, Goenoeng Pramoean, Goenoeng Sekajoe, Goenoeng Moensang , Goenoeng Goentong , het voorgebergte Boeroengmandi, Boekit Poedas, de kust met de voorliggende eilandjes van Tandjong Selokkat tot Tandjong Kemoedi en van Tandjong Passang tot Tandjong Getah, de zuidwestkust vande afdeeling Blantoe, Poeloe Sari- boe, Poeloe Selio, Goenoeng Beloeroe, Goenoeng Beginda en Goenoeng Merantang. Zeer gewone graniet is die van Tandjong Pandan en Boekit Rauwes, terwijl die van Boekit Pajong, van Goenoeng Kamoe- roekan, van Boekit Begandi, Boekit Goendoel en de heuvels aan den westelijken voet van den Tadjem allen porfierische graniet zijn, met meer of min groote veldspaathkristallen, in den gewonen graniet besloten. De graniet van Goenoeng Batoe toengal, welke mede por- fierisch is, bevat zeer fraaije, groote veldspaathkristallen , glas- achtig , grijsachtig wit gekleurd en half doorschijnend. Derge- lijken graniet vindt men ook op Boekit Melantin. In den gra- niet van Goenoeng Batoe toengal vindt men, hoewel zelden, ophoopingen van hornblende, hoewel ik dit mineraal buiten die ophoopingen niet heb kunnen ontdekken, bevattende de gra- niet altijd zwart gekleurde mica. Aan de zuidzijde van Goenoeng Batoe toengal vond ik, op eene plaats, dat de porfierische graniet was overgegaan in een uit nagenoeg gelijke deelen chlo- riet en veldspaath, met zeer weinig kwarts, bestaand gesteente {protogine?); de gewone mica ontbrak daarin geheel. In eene put (nabij de kampong Paripin), ten westen en niet ver van Boekit Begandi gemaakt, bestond de onverweerde rots nagenoeg uit enkel veldspaath; het kwarts, dat zij bevatte, was onbeduidend en mica ontbrak geheel. Toen ik tot op 15 Ned. duimen in dat gesteente was gekomen , werd het minder veldspaathhoudend en trad de mica, doch in zeer geringe hoeveelheid, te voorschijn. Weinige Ned. duimen 153 dieper was dit gesteente vloeijend overgegaan in porfierachtigen graniet. Dezen overgang heb ik later ook op andere plaat- sen waargenomen. De graniet van Goenoeng Sekajoe is fijnkorrelig, op som- mige plaatsen ligt rood gekleurd, als wanneer er een mineraal in voorkomt, dat mij toescheen pijniet te zijn; de kristallen van dat mineraal waren evenwel niet duidelijk genoeg , om met zekerheid te zeggen, dat het pijniet was. Nabij de kampong Goenoeng salak, ten noorden van Goenoeng Kamoeroekan, had ik eveneens eenigzins rood gekleurden graniet aangetroffen , doch deze bevatte geene vreemde mineralen. De graniet van het voorgebergte Boeroengmandi is voor een gedeelte porfierachtige graniet en voor een ander gedeelte fijnkorrelige sijeniet, met talrijke ophoopingen van hornblende. De graniet van Goenoeng Beloeroe is zeer fijnkorrelig , par- fierachtig en bevat ophoopingen van veldspaath en mica; terwijl die van Tandjong Tambelan zeer hard en grofkorrelig is en ophoopingen bevat van het mineraal, waarvan ik vroeger ver- meldde, dat het in fijn verdeelden toestand werd gevonden, onder anderen ook op het strand nabij Tandjong Tambelan en, naar het mij voorkomt, hoofdzakelijk uit ijzer en titanium- verbindingen bestaat. _ Met een enkel woord heb ik gemeld, dater in den graniet van Blitong jongere eruptive gesteenten voorkomen en voorna- melijk veldspaathporfier (elvan), van welk gesteente men op vele plaatsen aderen in den graniet aantreft, als: op Tandjong Tikar, Tandjong Binga, aan de Soengei Padang, Tandjong Boe- roengmandi , enz. De Goenoeng Tadjemlaki levert een’ schoonen overgang van den porfierachtigen graniet, door veldspaathporfier, in kwarts- porfier, terwijl de top bijna geheel uit kwarts bestaat. De westelijke voet van dezen berg bestaat, zoo als gezegd is, uit porfierachtigen graniet. Deze gaat langzamerhand over in ligt rooden, fijnkorreligen graniet, welke op zijne beurt overgaat ineen geelbruin gekleurd veldspaathporfier. Het geelbruine _veldspaathporfier gaat over in een geel wit, minder digt; 154 dit laatste in een wit, zeer broos, hetwelk zeer ruw op het gevoel is, en dit wederom in een bruin gekleurd kwarts- porfier, hetwelk nabij den top overgaat in een gesteente, dat genoegzaam geheel uit kwarts bestaat. Groensteen heb ik aangetroffen op Goenoeng Tadjemla- ki. Deze was zeer digt. Voorts op Boekit Poedas, ‘waar hij pijriet inhield. De vindplaatsen van den iijzererts, door mij op Blitong opgenomen, zijn op de kaart aangewezen. Het is roodijzersteen (hematiet), van roodbruin tot zwartbruin gekleurd, soms zwak magnetisch; het komt voor in aderen, waarvan ve- len zeer zwaar zijn. De ertsen zijn over het algemeen zeer rijk, vooral die van de ader op den westelijken voet van Goenoeng Tadjemlaki. | Bezuiden Tandjong Binga, nabij Poeloe Kidjang, vindt men een konglomeraat van geringe uitgestrektheid , bestaande uit gerold kwarts, veldspaath, chloriet en ijzererts-fragmenten, de klein- sten te grootte van eene erwt, de grootsten als een duiven- ei. Op Tandjong Boeroengmandi, tegen over Poeloe Hendrik, treft men mede een konglomeraat aan, geheel verschillend van dat nabij Poeloe Kidjang. Voor een deel bestaat het uit zeer kleine gerolde stukjes kwarts, veldspaath en ijzererts, het ge- heel sterk door iijzeroxijde gekleurd; voor een ander deel dient het zoo even beschreven konglomeraat als cement, bevatten- de gerolde stukken zeer rijken roodijzersteen, waarvan de kleinsten ter grootte van eene vuist zijn, terwijl anderen ver= scheidene honderden Ned. ponden wegen. Op eene derde plaats eindelijk, dient mede het fijne konglomeraat als bindmiddel, doch de stukken hematiet zijn vervangen door groote brokken sijeniet, waarvan sommigen meer dan een kub. Ned. el meten. Er blijft mij thans nog over, met een enkel woord te spre- ken van den stroomtinerts en de wijze, waarop dat mineraal voorkomt. De stroomtinerts komt op Blitong voor in de kleine valleijen, waardoor de rivieren haren loop nemen; de afzetting hee dus plaats gehad tijdens het land, wat zijne hoogten en laagten aangaat, tamelijk gelijkvormig was met het geen wij nu zien. Men onderscheidt twee wijzen van voorkomen: 19, dat hij op eenige diepte onder den beganen grond in eene laag wordt gevonden; 2°, dat hij in de koelit (den be- ganen grond) voorhanden is. De 2de wijze van voorkomen is alleen op sommige plaatsen oorspronkelijk; in de meeste ge- vallen is zij afkomstig van de fste en bijgevolg eene afzetting ‚van lateren tijd. Dezelfde tinerts als die der stroombeddingen , is door mij gevonden in onverplaatsten grond (verweerden gra- niet) op den top van den Batoetoengal. De stroomtinerts op Blitong heeft, zoo als duidelijk zigtbaar is, aan den vorm van denerts, der veldspaath- en aderkwarts- fragmenten , welke met den erts van de stroombeddingen wor- den gevonden, slechts een gering vervoer ondergaan. De plaat- sen, waar de stroomtinerts wordt gevonden, zijn van elkander gescheiden door gronden, welke geen tinerts bevatten, waar- onder bergen van:ongeveer 900 Ned. el hoogte. Gelijk ik vroeger reeds meldde, heb ik op Blitong gevonden, dat de graniet op onderscheidene plaatsen, nabij den beganen grond, overgaat in een gesteente, dat bijna geheel uit veld- spaath bestaat en ik heb van dit veldspaath-gesteente in de stroomtinbeddingen stukken gevonden, waarin tinertskorrels waren bevat; geheel gelijk aan den stroomtinerts, welke in losse korrels wordt gevonden. De diepte waarop de stroomtinerts wordt gevonden is on- gelijk , doch niet aanmerkelijk, zijnde de diepstliggende tingrond aangetroffen op 5,05 Ned. el onder den beganen grond. Om een denkbeeld te geven van het terrein, waarin de stroom- tinerts wordt gevonden, laat ik hier volgen de grondlagen, in vier der proefputten aangetroffen. Ajer Makelingan. Ned. el. Wewarte-tuinaarde * ‚… ' 0,35. 156 | Ned. el. Stukjes graniet, kaöline, kwartskorrels en stukjes onverweerd veldspaath. b D 8 kb 1,50. Tingrond, bestaande uit korrels tinerts, kleine stukjes kwarts en een weinig kaöline. $ ì E 0,5t. Doode grond. Ajer Jambingan. Zwarte tuinaarde, modder en zand. … p je 1,50. Vaste, geelachtig-grijze klei. : : à 0,40. Kaöline, met onverweerde stukjes veldspaath en kwartskorrels. k : k 8 : : 0,60. Tingrond, bestaande uit korrels tinerts, stukjes kwarts, een weinig kaöline en eenige scherpe stukken aderkwarts, kwarts met toermalijn , chloriet en veldspaath. . : 6 & b ë é 0,30. Doode grond. Ajer Kloebi. Ned. el. Zwarte tuinaarde. É ; L } ; 0,60. Kaöline, met onverweerde beuijet veldspaath en kwartskorrels. é / £ ' : N 1,65. Tingrond; bestaande uit korrels tinerts, stukjes kwarts en een weinig kaöline. . N . 0,16 à 0,22. Doode grond. — Ajer Paripin. Ned. el. Zwarte tuinaarde, zand en modder. 8 k 1,65. Vuil grof zand. : 4 a 8 1,25. Kaöline met onverweerde Ale nn en kwartskorrels. ‚ Ù 4 : 6 4 2,25. 157 Tingrond; waarvan de zamenstelling en zwaarte niet is op te geven , wegens het ontijdig instorten der put. De drie eerste putten waren, om zooveel mogelijk het water te vermijden, te zeer op de helling der kleine val- leijen gemaakt , om daaruit te kunnen besluiten tot de diepte, waarop de tingrond in den bodem zal liggen, zeker veel dieper, dan hij in die putten is gevonden. De put aan Ajer Paripin, meer in den bodem gemaakt, kan daartoe beter dienen. Naar mijne waarnemingen zal de grootste diepte, waar- op de tingrond op Blitong ligt, gesteld kunnen worden op 7 tot 8 Ned. ellen. De doode grond, waarop de tingrond rust, wordt door de Chinesche stroomwerkers van Banka, „ kong” genoemd. Hij bestaat voornamelijk uit kaöline , soms geheel zuiver, soms ook kwartskorrels en een weinig mica bevattende. Het komt mij voor, dat de kong niets anders is, dan het verwerings- produkt van het vermelde veldspaathgesteente, van het veld- spaathporfier of van den graniet, al naarmate een dezer drie gesteenten ter plaatse eenmaal den beganen grond uitmaakte, en dat die verweringsprodukten onverplaatst aanwezig zijn, waar het gesteente, dat ze opleverde, zich bevond. Omtrent den tinerts , welke in den bovengrond wordt ge- vonden , is niets bijzonder mede te deelen, als alleen dat al de koelit-erts van minder gehalte was dan deerts uit de laag van dezelfde vindplaats, en dat het uiterlijk voorkomen van den koelit-erts in zooverre van den erts uit de lagen verschilt, dat jk van mij onbekende ertsen altijd heb kunnen aanwijzen, welke uit de koelit en welke uit eene laag waren genomen. Misschien zijn deze opmerkingen alleen geldig voor den erts, door mij van Blitong gezien, en zullen zij later nietig worden; zijn zij daarentegen juist, dan zullen ze zeker ook eenig licht kunnen verspreiden oven de twee verschillende wijzen van voor- komen van den stroomtinerts. UI 12. 158 Den 29sten November begaven wij ons aan boord van Zr. Ms. schoener Aruba, welk vaartuig den volgenden dag de reede der Tjiroetjoep verliet en ons den /den December te Batavia terug bragt. Á Hiermede is de togt naar het eiland afgeloopen, waaraan _ voor mij hoogstgelukkige , doch ook de droevigste herinnerin- gen mijns levens verbonden zijn. Soerabaja, den 9den Maart 1852. BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER ICHTHYOLOGISCHE FAUNA VAN TIMOR, DOOR Dr, P. BLEEK KI, Deze kleine bijdrage heeft haar ontstaan te danken aan de welwillendheid van den heer CG. F. GorDpmann, gouvernements kommissaris voor Timor, die vóór zijne jongste reis naar 'Li- mor, ter overname der onder het gezag van Nederland over- gegane Portugesche bezittingen in den oostelijken Archipel, mij aanbood, te trachten op Timor eene verzameling van na- turaliën voor mij te maken. Deze verzameling, in uitmuntend bewaarden toestand mij geworden, bevat 28 vischsoorten, welke voor verreweg het grootste gedeelte nog onbekend waren van Timor en voor een klein gedeelte nieuw zijn voor de wetenschap. Niettegenstaande Timor in deze eeuw door talrijke natuuron- derzoekers is bezocht geworden , heeft de ichthijologische kennis van dit belangrijke eiland slechts weinig daarbij ge- wonnen, en zelfs het nieuwere prachtwerk over de Nederland- sche overzeesche bezittingen, waarin uitvoerig over Timor ge- handeld wordt, heeft die kennis niet verrijkt. De tot heden bekend gemaakte opgaven omtrent Timorsche visschen heeft men voornamelijk te danken aan Qvoy en Garmarp, doch die opgaven omvatten naauwelijks 30 species, allen van zeevisschen, 160 terwijl men nog heden omtrent de stellig zeer merkwaardige vischfauna der zoete wateren in volstrekte onwetendheid ver- keert. De tot nu toe door verschillende schrijvers van Timor op-_ gegevene species zijn, voor zoover mij bekend is, de volgen- den : 1. Apogon novemfasciatus CV. 17. Carangoïdes blepharis Blkr. 2. Serranus merra CV. 18. Equula oblonga CV. eN on punctulatus CV. 19. Amphacanthus doliatus CV. 4. Mesoprion Calveti Blkr. = Dia- 20. sd nebulosus QG. cope Galveti QG. 21. Prionodon annularis CV. 5. Cirrhites aprinus OV. 22. Salarias quadripinnis CV. 6. Therapon servus CV. 23. Periophthalmus Freycineti CV. 7. Holocentrum diadema CV. 2Â. Dascyllus aruanus CV. 8. Platycephalus timoriensis CV. 25. Glyphisodon unimaculatus CV. 9. Pterois volitans CV. 26. 55 azureus QG. ADN zebra CV. 27. nr uniocellátus QG. 11. Apistus marmoratus CV. 28. Plotosus macrocephalus CV. 12. Dentex hexodon QG. 29. Saurida nebulosa CV. 13. Chaetodon virescens CV. 30. Oxybelus Home: Richards. 14. Je Sebanus CV. 31. Carcharias (Prionodon) mela- 15. Holocanthus semicirculatus CV. nopterus QG. 16. Platax punctulatus CV. 32. Taeniura lymma MI. De verzameling van den heer GOorLDMANN bevat de hieronder genoemde soorten. Achter de sijstematische namen laat ik volgen de Timoresche, waaronder zij te Timor koepang, hare vindplaats, bekerird zijn. Slechts van 7 soorten waren de naam- briefjes losgeraakt, zoodat ik de namen niet meer met juist- heid tot de species heb kunnen terug brengen. . Apogon novemfasciatus CV. . Ambassis Dussumierii CV. = Kadir. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. . Therapon servus CV. = Samgeh. Ibid. . Sphyraena jello CV. = Manira. Ibid, Polynemus plebejus Brouss. Ibid. ‚ Sillago acuta CV. == Tjiratjat. Ibid. . Upeneoïdes bivittatus Blkr. —= Banang. Ibid. . Heterognathodon bifasciatus Blkr. —= Mohung. Ibid. XXIII Sciaenoïd. ‚ Lethrinus opercularis CV. —= Panan. Ibid. Sparoïd, DO OO TD NW CO DO ek 161 10. Gerres kapas Blkr, Nat. Tijdschr. N. Ind. EI p. 482. 11. Chaetodon virescens CV. = Kelipik. Verh. Bat. Gen. XXIII Chaetod, 12. Caranx Forsteri CV. — Kawan. Ibid. XXIV Makreelacht. Vissch. 13. Equula filigera CV. = Peperrek. Ibid. 14. Amphacanthus dorsalis CV.“*= Pahat. Ibid. XXIII Teuthid. 15, Acanthurus matoïdes CV. Ibid. 16. Mugil parsia HB.? — Belanakh. 17. Batrachus diemensis Richards. —= Angik. 18. Gobius phalaena CV. —= Lapik. Nat. Tijdschr. Ned. Ind. IT p. 244. NE 5 Goldmanni Blkr. 20. Plesiops melas Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII, Ichth. Bali. 21. Pomacentrus katunko Blkr. —= Katunko. 22. Julis (Halichoeres) interruptus Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. II p. 252. Bs vel bi ) miniatus K. v. H. AAS S soer bs ) Schwarziü Blkr. = Tombilang. Verh. Bat. Gen. XXII Ichth. Bali. DOEN) void f pe ) binotopsis Blkr. = Lambuwon. BOE ws il ” ) kawarin Blkr. = Kawarin. ddie is val 5 ) timorensis Blkr. —= Keilu moquas. 28. Engraulis encrasicholoïdes Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Haring. V. Slechts drie dezer soorten t. w. Apogon novemfasciatus CV., Therapon servus GV. en Chaetodon virescens CV. behooren tot de vroeger reeds van Timor bekende. 25 zijn alzoo nieuw voor de fauna van Timor. Nieuw voor de wetenschap zijn daarvan slechts 4, t. w. Gobius Goldmanni, Pomacen- trus katunko, Julis (Halichoeres) timorensis en Julis (Halichoe- res) kawarin. Insgelijks ‘door mij ontdekt, doch in vroeger uitgegevene verhandelingen reeds bekend gemaakt, zijn Gerres kapas, Plesiops melas, Julis (Halichoeres) interruptus, Julis (Halichoeres) Schwarzit, Julis (Halichoeres) binotopsis en En- graulis encrasicholordes. De verhandeling, waarin laatstge- noemde soort is beschreven, is reeds sedert lang afgedrukt, doch wordt eerst in het 24ste deel der Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en wetenschappen publiek gemaakt. In het geheel ken ik thans alzoo de volgende 57 vischsoor- ten van Timor. ‚er 1. Apogon novemfasciatus CV, 32. Acanthurus matoïdes CV. 2. Ambassis Dussumieru CV. 33. Prionodon annularis CV. 3. Serranus merra CV. 34. Mugil parsia HB. ? Á, he punctulatus CV. 35. Salarias quadripinnis CV. 5. Mesoprion Galveti Blkr. 36. Batrachus diemensis Richards. 6. Cirrhites aprinus CV. 37. Gobius phalaena CV. 7. Therapon servus CV. OSS Goldmanm Blkr. 3. Holocentrum diadema CV. 99. Periophthalmus Freycineti CV. 9. Sphyraena jello CV. 40. Plesiops melas Blkr. 10. Polynemus plebejus Brouss. 41. Pomacentrus katunko Blkr. 11. Sillago acuta CV. 42. Dascyllus aruanus CV. 4D Upeneoïdes bivittatus Blkr. 43. Glyphisodon unimaculatus CV. 13. Platycephalus timoriensis CV. 44. De azureus QG. 14. Pterois volitans CV, 45. ii uniocellatus QG. bs 55 zebra CV. 46. Julis (Halichoeres) interruptus 16. Apistus marmoratus CV. Blkr. 17. Heterognathodon bifasciatus Blk.47. „ (_ ,, ) miniatus K. v. H. 18. Dentex hexodon QG. 48. _… (__» ) Schwarzii Blkr. 19. Lethrinus opercularis CV. 49. (> ) bimotopsis Blkr. 20. Gerres kapas Blkr. 50. (__» ) kawarin Blkr. 2í. Ghaetodon virescens CV. 51. (__‚ ) timorensis Blkr. 22. sô Sebanus CV. 52. Engraulis encrasicholoïdes Blkr. 23. Holocanthus semicirculatus CV. 53. Plotosus macrocephalus CV. 24, Platax punctulatus CV. 54, Saurida nebulosa CV. 25. Caranx Forsteri CV. … 55. Oxybelus Homei Richards. 26. Carangoïdes blepharis Blkr. 56. Carcharias ( Prionodon ) mela- 27. Equula filigera CV- nopterus (QG. 28. ‚‚ oblonga CV. 57. Taeniura lymma MH. 29. Ampkhacanthus doliatus CV. 50. 3 nebulosus QG. 31. jd dorsalis CV. Het blijkt alzoo, dat zelfs thans nog, niettegenstaande ik de kennis der Timorsche vischfauna bijkans heb kunnen ver- dubbelen, van die fauna nog slechts zeer weinig bekend is. Ik hoop daaraan weldra meer te kunnen toebrengen, ver- mits mij nieuwe verzamelingen van Timor zijn toegezegd ge- worden. \ DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE. PERCOÏIDEL. Apogon novemfasciatus GV. Poiss. IL p. 114. Apog. eorpore oblongo compresso, altitudine 4 circiter in ejus longitu- dine, latitudine 12 circiter in ejus altitudine; capite 3% ad 34 in longitu- dine corporis, longiore quam alto; oculis diametro 24 eirciter in longitu- dine capitis; linea rostro-frontali convexa; praeoperculo rotundato, denti- eulis conspicuis; squamis lateribus 26 p. m. in serie longitudinali, 9 p.m. in serie verticalis linea laterali arborescente; dorso subelevato; pinna dorsali spinosa radiosa multo humiliore, spina 3* spinis ceteris longiore; dorsali radiosa et anali angulatis; pectoralibus ventralibus paulo longiori- bus; ventralibus analem non attingentibus; caudali emarginata angulis acuta; colore corpore roseo-argenteo, dorso fascia media longitudinali fusca; lateribus fasciis 4 longitudinalibus fuscis, 3 superioribus in cauda- Jem coeuntibus; operculo margine macula fusca profundiore; pinnis rubris, dorsali radiosa analique basi fascia longitudinali obligua fusca. BAD - 1/9 vel 1/10. P. 2/12. V.: 1/5.'As 2/8 ‘vel’ 2/9. C.'1%7 ef lat. brev. | Synon. Apogon à neuf rubans CV. Poiss. II p. 114, Apogon balinensis Blkr. Bijdr. tot de kennis der Percoïd. p. 28. Verh. Bat. Gen. XXII. Habit. Timor kupang, Padang Sumatrae occidentalis, et Boleling Bali septentrionalis, in marie Longitudo 5 speciminum 55°” ad 70”. y Aanm. Deze soort beschreef ik vroeger als eene nieuwe, doch eene nadere vergelijking mijner oudere en sedert nog van Sumatra en Timor ontvangene exemplaren, doet mij haar tot Apogon novemfasciatus terugbrengen. Cuvier spreekt in zijne korte beschrijving niet van de bruine banden langs de 164 basis der 2de rug- en aarsvin en noemt de bruine ligchaams- banden zwart. SCOMBEROÏDEL. Caranx Forster GV. Poiss. IX. p. 81? Car. corpore oblongo compresso, altitudine 3 ad 32 in ejus longitudine, latitudine 3 ad 24 in ejus altitudine; capite obtuso convexo 4 ad 42 in longitudine corporis, aeque alto ac longo vel (junioribus praesertim) paulo altiore quam longo; oculis diametro 3 ad 34 in longitudine capitis; osse suborbitali postice oculi diametro duplo circiter humiliore antice subra- diatim tubulato; maxilla superiore vix protractili sub oculi dimidio poste- riore desinente; maxilla inferiore prominente; dorso valde convexo, linea rostro-dorsali regulariter rotundata; ventre parum convexo; triangulis-pec- toralibus lateralibus et inferiore totis squamosis; linea laterali usque sub pinnae dorsalis radiosae la quinta parte curvata, postice scutis 28 ad 33, maximis latitudine 54 ad 74 in altitudine corporis; pinnis acutis radio producto nullo; dorsali spinosa dorsali radiosa humiliore; pectoralibus falcatis, junioribus capite non vel vix, aetate media adultisque capite multo longioribus; ventralibus eapite duplo vel plus duplo brevioribus; spinis analibus posteriore anteriore longiore; caudalilobis acutis 5 ad 44 in lon- gitudine corporis; colore corpore superne junioribus coerulescente-, ado- lescentibus et adultis fuscescente-viridi, inferne junioribus flavescente, adultis argenteo; corpore junioribus fasciis 5 ad 7 transversis nigricanti- bus, aetate provectioribus fasciis nullis; macula supraoperculari nigra punc- tiformi; pinnis, junioribuús dorsali la nigricante, ceteris flavis, dorsali 2a apice nigra, caudali fusco marginata; adultis dorsalibus et anali violaceo- nigricantibus, dorsali 2a nigro marginata, anali apice alba, pectoralibus violascente-hyalinis, ventralibus albis, caudali violaceo-nigricante nigro marginata. B. 7. D. 1 proc. + 7-1/20 vel 7- 1/21 vel 8-1/19 vel 8-1/20 P. 2/17 ad 2/19. V. 1/5. A.2-1/15 ad 2-1/17. C. 17 et lat. brev. Synon. Jkan Babara Valentijn Ind. Amb. III. p. 463 fig. 371? Babara Renard Poiss. Mol. II, tab. 29 fig. 141? Carangue de Forster CV. Poiss. IX. p. 11? Caranx sexfasciatus QG. Zoöl. Voy. Freycin. tab. 65 fig. 4. Carangue à six bandes CV. Poiss. IV. p. 83. ‚Square mackerel Reeves. Tong ti et Tang ijt Chinens. Jkan Kuweh Mal. Batav. Habit. Timor Kupang, Batavia et Padang, Sumatrae occidentalis, in mari. Longitudo 32 speciminum 80” ad 305”, 165 Equula filigera GV. Poiss. X. p. 67 tab. 284. Equul. corpore oblongo compresso, altitudine 24 ad 24 in ejus longi- tudine; capite acuto 4 ad 42 in longitudine corporis; fronte spinis 4 valde conspicuis armata; linea frontali concava; mento concavo; ore deorsum protractili dentibus parvis; oculis diametro 24 ad 3 in longitudine capitis; praeoperculo obtusangulo inferne denticulato; dorso elevato angulato ventre convexiore; spinis ad basin pinnae dorsalis et analis valde conspicuis; squamis corpore minimis sed conspicuis; linea laterali ad pinnam cau- dalem desinente; pinnis acutis; dorsali spina 2a valde elongata flexili in- terdum pinnam caudalem attingente; pectoralibus capite multo brevio- ribus sed ventralibus multo longioribus; anali spina 2a magna interdum filiforme elongata flexili; caudali profunde excisa lobis acutis; colore corpore argenteo; dorso lateribusque interdum maculis vel fasciis diffusis plumbeis quasi subeutaneis vix conspicuis; rostro fusco; axillis nigris; linea laterali antice flava; pinnis immaculatis, dorsali et ventralibus hy- alinis, ceteris flavis. B. 4. D. 8/16 vel 8/17. P. 2/17 vel 2/18 V. 1/5. A. 3/14 vel 3/15. C. 17 vel 19 et lat. brev. | Synon. Clupeo Commers. man. inedit. Clupea fasciata Lacép. Poiss. V. p. 463. Cuv. Mém. du Mus. Betab.. 23. flo, 2. Clupée à bandes Lacép. ib. Karah Russell Corom. Fish. I. p. 51 fig. 66. Equula fasciata CV. Poiss. X. p. 70. Equula à bandes CV. ibid. Equula cara et karah CV. ibid. Equula longispinis CV, ibid. p. 69. Equula longue-épine CV. ibid. Equula porte-fil CV. ibid. p. 67. Jkan Peperrek Mal. Batav. Ikan Pettah Jav. Jamar. Habit. Timor Kupang, Batavia et Samarang, et Padang, Sumatrae occidentalis, in mari, Longitudo 64 speciminum 65” ad 105, Aanm. Onder mijne talrijke exemplaren bevinden zich alle verscheidenheden, welke Cuvier als vier soorten, Equula fili- gera, Eq. longispinis, Eq. cara en Eq. fasciata heeft opgebragt. Het lijdt bij mij geen twijfel of deze 4 soorten behooren tot eene enkele teruggebragt te worden. De banden of vlekken bij deze soort, zoowel als bij eenige 166 hieronder nog te beschrijvene, zijn dof en onduidelijk, als het ware onderhuidsch, en laten zich slechts waarnemen wanneer men den visch in zekere rigtingen tegen het licht houdt. MUGILOÏDEL. Mugil parsia Ham. Buch. Gang. Fish. p. 215 tab. 17 fig. 21 GV. Poiss. XIp. 107? Mug. corpore oblongo-elongato valde compresso, altitudine 42 ad 5 in ejus longitudine; capite obtusiusculo, convexo, 44 ad 54 in longitudine corporis; altitudine et latitudine capitis 14 ad 14 in ejus longitudine; ocu- lis diametro 34 circiter in longitudine capitis, 14 ad 12 in capitis parte postoculari, 14 ad 12 a se invicem distantibus; membrana palpebrali iridem non tegente; linea rostro-dorsali vertice convexiuscula; rostro convexo oculo breviore; naribus anterioribus rotundis posterioribus subrimaeformibus majo- ribus; osse suborbitali parum emarginato denticulis bene conspicuis; osse maxillari superiore ore clauso non conspicuo; labio superiore membranaceo non papillato ; dentieulis maxillaribus ineonspicuis ; maxilla superiore deorsum valde protractili; tuberculo inframaxillari quadrato; dentibus palatinis in thurmas oblongo-rotundatas collocatis; lingua peripheria thurmis den- ticulorum parvis obsita; impressione praevomerina profunda cordiformi; praeoperculo acutangulo angulo rotundato, margine posteriore'obliquo e- marginato; squamis lateribus 40 ad 45 in serie longitudinali, parte basali striis 4 ad 6; squamis axillaribus longis; pinnis dorsalibus minus longitu- dine pinnarum pectoralium a se invicem distantibus, altitudine subaequalibus, corpore multo humilioribus; dorsali spinosa spinis gracilibus 1* ceteris longiore; dorsali radiosa acuta emarginata; pinnis pectoralibus capite absque rostro lon- gioribus; ventralibus angulatis pectoralibus multo brevioribus; anali acuta, pau- lo emarginata, altitudine pinnam dorsali radiosam aequante, spina 3* radio 1° duplo circiter breviore; caudali semilunariter emarginata 44 ad 42 in longitudine corporis; colore corpore superne viridi inferne argenteo; pin nis verticalibus viridescentibus, caudali postice nigro marginata; pectora- libus et ventralibus hyalinis vel flavescentibus; pectoralibus supra basi macula nigra. B. 6. D.4-1/8 vel 1/9. P. 2/15 vel 2/16, V.1/5,,A. 3/10 vel 3/11, C. 14 et lat. brev. Synon. Muge parsia CV. Poiss. XI p. 107? Jkan Belanakh Mal. Batav. Habit. Batavia, Timor kupang, in mari. Longitudo 4 speciminum 90°” ad 212, md sun 167 kt Aanm. Deze soort heeft zeer groote verwantschap met Mugil cunnesius CV. doch laat er zich van onderkennen, doordien bij laatstgenoemde species minder schubben op eene overlang- sche rei gaan, de uitgespreide staartvin afgeknot, het achter- ste gedeelte des oogs door een ooglidvlies bedekt is, de borst- vinnen en aarsvin een straal minder tellen enz. Bij de groo- te gelijkenis der soorten van Mugil op elkander en het wei- nig voldoende der bestaande beschrijvingen, is het dikwijls zeer moeijelijk, naar deze laatsten alleen de soorten te bepalen. In alle opzigten gelijken de bovenbeschrevene exemplaren het meest op de afbeelding en omschrijving van Mugil parsia HB., zonder dat ik echter over de identiteit beslissend durf oordeelen. GOBIOIDEL Gobius Goldmanns: Blkr. Gob. eorpore elongato antice eylindraceo, postice compresso, altitudine 6 in ejus longitudine; capite obtuso convexo 42 in longitudine corporis; latitudine capitis 12, altitudine 14 in ejus longitudine; oculis diametro 4 cireiter in longitudine capitis, maxime approximatis, in anteriore dimidio capitis sitis; vertice usque ad oculos squamoso; sulco temporali eonspicuo ; __rostro obtuso oculo breviore; maxilla superiore inferiore paulo longiore, valde protractili; dentibus maxillis pluriseriatis serie externa majoribus; maxilla ‚ jnferiore dentibus caninis 2 lateralibus divergentibus curvatis; rictu obliquo sub oeulo desinente; squamis Jateribus 28 p. m. in serie longitudinalis | appendice anali conica; pinna dorsali spinosa corpore et pinna dorsali ra- diosa postica humiliore, obtusa; dorsali radiosa postice angulata corpore altiore; pectoralibus et ventralibus longitudine subaequalibus, 5 circiter in longitudine corporis; anali angulata postice corpore non humiliore; cau- dali obtusa, rotundata, 42 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne olivaceo, inferne dilutiore; dorso lateribusque superne punctis ni- gris ocellisque numerosis luteis; lateribus inferne fasciis pluribus transver- sis luteis; pinnis dorsalibus rufescentibus punctulis nigris; pectoralibus, ventralibus caudalique rufescente-olivaceiss anali antice fusca postice flava nigro marginata. B. 4, D. 6-1/10 vel 1/1l. P. 19. V. 1/5. A. 1/9 vel 1/10, C. 14 et lat. brev. Habit. Timor kupang, in mari. Longitudo speciminis unici 63”. 168 Aanm. De rijkdom van den Indischen Archipel aan Gobioï- den schijnt onuitputtelijk. Ik ken er thans reeds 104 soorten van, terwijl in het groote vischwerk van de geheele bekende aarde in 1837 slechts 143 soorten beschreven zijn. Gobius timorensis behoort tot de groep van het geslacht Gobius met 2 hondstanden in de onderkaak, stompen kop, stompe staart- vin en groote schubben, waarvan reeds elders talrijke Neder- landsch Indische soorten door mij beschreven zijn. PEDICULATL Batrachus diemensis Richards. Ann. Nat. Hist. X p. 852. Zool. Ereb. Terr. Fish. p. 17 tab. 8. fig. 1, 2. Batrach. corpore antice cylindraceo, postice compresso, altitudine 5 in ejus longitudine; capite obtuso, convexo, 84 ad 34 in longitudine cor- poris; altitudine capitis 12 ad 2, latitudine 14 ad 14 in ejus longitudine; oculis diametso 3 ad 6 circiter in longitudine capitiss linea rostro-frontali convexa;s cute orbitali, vertice, rostro et maxillis cirris pluribus ramosis et simplicibus obsitis; maxillis aequalibus; dentibus intermaxillaribns conicis parvis biseriatis; inframaxillaribus anticis pluriseriatis, lateralibus uniseria- tis, conicis; vomerinis et palatinis bi- vel pluriseriatis, conicis; operculo spinis 2 superiore inferiore plus duplo longiore ; suboperculo operculo majore spinis 2 superiore inferiore duplo longiore; cute laevi squamis inconspicuis; linea laterali utroque latere duplice, poris distantibus notata; pinna dor- sali spinosa parva, spina 2° oculo non longiore, spina 3* cum dorsali ra- diosa unita; dorsali radiosa corpore vix humiliore; pectoralibus rotundatis 5 ad 5 et paulo, ventralibus acutissimis 44 circiter in longitudine corpo- ris; anali rotundata dorsali humiliore; caudali obtusa, rotundata, 44 ad 52 in longitudine corporis; colore corpore nigricante et fusco vel viridi ne- bulato vel subretieulato; pinnis junioribus nigricante-viridibus, adultis _fusco et nigro mârmoratis vel reticulatis; dorsali radiosa analique nigri- cante marginatis. Be. D. 3-20. B. 28 adi25. Ve 2. Ac dAIC A, Synon. Batrachoïdes diemensis Lesueur Journ. Acad. Nat. Sc. Philad. p. 402. Batrachus quadrispinis CV. Poiss, XII p. 368. Batrachoïde à quatre épines CV. ibid. Habit. Timor kupang, et Wahai, Ceram septentrionalis, in mari, Longitudo 2 speciminum 65” et 170”, 169 Aanm. Het grootste mijner twee specimina gelijkt volkomen op de afbeelding van den heer RicmarpsoN, boven aangehaald. Slechts is het gewolkt zijn van ligchaam en vinnen er niet zoo duidelijk waar te nemen. , LABROIDEL CTENOÏDEI. Pomacentrus katunko Blkr. Pomocentr. corpore oblongo compresso, altitudine 23% in ejus longitu- dine, latitudine 3 fere in ejus altitudine; capite obtuso 4 in longitudine corporis, aeque alto ac lorgo; oculis diametro 3 in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi convexiuscula; osse Suborbitali dentato vel potius quasi eroso; dentibus maxillis aequalibus obtusis; praeoperculo subobtusangulo, angulo rotundato, margine posteriore obliquo, dentibus valde eonspicuis; operculo spinis 2 planis obtusis vix conspicuis; squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinalis; pinnis dorsali et anali radiosis rotundatis; dorsali spinosa radiosa humiliore, inter singulas spinas lobata, spina postica ceteris,longiore; ventralibus pectoralibus paulo longioribus, longitudine caput aequantibus; anali spina 2% 1* duplo longiore; caudali emarginata lobis rotundatis, superiore inferiore longiore 4 in longitudine corporis; colore corpore olivaceo-viridi marginibus squamarum profundiore; cauda superne macula nigra; pinnis profunde viridibus; ventralibus apice nigricantibus. DIA P 2/15. V. 1/5. AL S/lA C, 15 et lat. brev. Synon. Jkan Katunko Timorens. Habit. Timor kupang, in mari. Longitudo speciminis unici 61”, Aanm. Deze soort zou eenigermate behooren tot het ge- slacht Pristotis van den heer Rürrperv. De vergelijking mijner thans reeds vrij talrijke soorten van Pomacentrus heeft mij evenwel doen zien, dat de aan- of afwezigheid der operkel- doornen geen karakter van genoeg gewigt geeft, om de soor- ten van Pomacentrus, waar die doornen bestaan, onder een nieuw geslacht te brengen, zooals de heer Rürerrr heeft ge- daan. Bij sommige soorten zijn namelijk die doornen zoo weinig ontwikkeld, dat men aan hun bestaan zou kunnen twijfelen of wel, dat men in verlegenheid zou zijn, ze met den 170 naam van doornen te bestempelen. Ik geloof daarom 5 dat het geslacht Pristotis behoort te vervallen en met Pomacentrus vereenigd te worden. De bovenbeschrevene soort heeft in habitus veel van Poma- centrus littoralis K.v.H. doch meer afgeronde vinnen, andere kleuren, talrijker vinstralen enz. LABROIDEI CIJCLOÏDEL Julis (Halichoeres) hinotopsis Blkr. Verh. Bat. Gen. xx Ichth. Bali (diagnosis emendata). Jul. (Halichoer.) corpore oblongo compresso, altitudine En fere in ejus longitudine, latitudine 2 in ejus altitudine; capite acuto 4 fere in longitu- dine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus longitudine; oculis dia- metro 8 et paulo in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi recti- uscula; labiis carnosis; dentibus maxillaribus medioecribus, caninis anticis et angularibus medioeribus, curvatis; linea laterali ramosa vel subramosa; squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali basi glabris postice angulatis; ventralibus 2 circiter, pectoralibus 12 circi- ter in longitudine capitis; caudali integra postice convexa; corpore super- ne lateribusque violaceo-nigricante rufoque reticulatis, fasciis insuper 4 vel 5 diffusis transversis profundioribus; capite vittis flexuosis rubro-violaceis; cauda superne ad basin pinnae caudalis macula nigra rubro annulata; ventre flavo; pinna dorsali violascente ocellis numerosis rubris maculisque 2 nigris, 1° spinam lm inter et 2m, 2* rubro cincta radium 1m inter et 3@; pinnis pectoralibus et ventralibus flavis, pectoralibus basi vitta trans- versa violascente; anali rubra ocellis aurantiacis; caudali aurantiaca. B. 6. D. 9/IL vel 9/12. Vs 1/5. A. 3/11 vel 3/12, Card4 vet lat. bre: Synon. Zkan Lambuwon Timorens. _ Habit. Timor kupang, et Boleling Bali septentrionalis, in mari. Longitudo 2 speciminum 50” et 60”, Aanm. Ik beschreef deze soort reeds in mijne Bijdrage tot de kennis der Ichthijologische fauna van het eiland Bali. ‘Thans heb ik echter de kleuren naauwkeuriger kunnen opgeven, zijnde die bij het Timorsche specimen zeer fraai bewaard ge- ble ven. 171 Julis (Halichoeres) timorensis Blkr. Jul. (Halichoer.) corpore oblongo compresso, altitudine 4 in ejus lon- gitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite acuto 4 in lon- gitudine corporis; altitudine capitis 14 in ejus longitudine; oculis diame- tro 34 in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; labiis carnosis; dentibus maxillaribus medioeribus, caninis anticis et angularibus parvis, leviter curvatis; linea dorsali linea ventrali non convexiore; linea laterali ramosa; squamis lateribus 28 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali basi glabris postiee angulatis; pinnis pectoralibus 14, ven- tralibus 2 circiter in longitudine capitis; caudali integra postice conveax 62 in longitudine corporis; colore corpore margaritaceo-aurantiaco; capite lateribusque vittulis serpentinis et maculis elongatis longitudinalibus pro- funde aurantiacis; lateribus insuper guttulis nigris sparsis irregulariter seriatis; pinnis verticalibus aurantiacis, ceteris flavis; dorsali vittis obli- quis rubris maculisque 2 nigris, 1* punctiformi spinam 1* inter et 2*, 22 iride pellucida cincta radium 1” inter et 8"; anali basi maculis rubro-vio- laceis. BREN D. 9/11 vel 9/12. P. 2/11. Ve-1/5. A. 3/11 vel 3/12. C. 14 et lat. brev. Synon. Zkan Keilu mogquas Timor. Habit. Timor kupang, in mari. Longitudo speciminis unici 68”, \ Aanm. De verscheidenheid in de kleurteekening der soor- ten van Julis schijnt oneindig. De bovenbeschrevene soort is een der sierlijkst geteekende en hare kleurteekening bij den eersten oogopslag herkenbaar even als die der meeste soorten van dit geslacht. De zwarte vlekjes der zijden staan in groep- jes van 2 tot 4 bij elkander. Julis (Halichoeres) miniatus K. v. HL. Poiss. XII p. 837 (diagnosis emendata). Jul. (Halichoer.) corpore oblongo compresso, altitudine 4 circiter in ejus longitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acuto 84 ad 4 in longitudine corporis; altitudine capitis 12 circiter in ejus longitu- dine; oculis diametro 34 circiter in longitudine capitis; linea rostro-fron= tali declivi rectiuscula; labiis ecarnosis; dentibus maxillis mediocribus, eaninis curvatis anticis magnis, angularibus mediocribus; linea dorsali li- nea ventrali convexiore; linea laterali ramosa; squamis lateribus 23 p. m. in serie longitudinalis pinnis dorsali et anali basi glabris postice angula- 172 tis; pinnis pectoralibus 14, ventralibus 2 in longitudine ecapitis; eaudali integra, leviter convexa, 6 in longitudine corporis; colore corpore superne rubro inferne flavo; dorso et lateribus superne maculis nigricantibus fascias transversas subsimilantibus; lateribus striis flavis obliquis et macula maxi- ma carmosina supra anum sita; capite vitta oculo-maxillari et postoculari transversa nigricantibus; pinnis rubris vel roseis; dorsali maculis rotundis nigris rubro annulatis 2, anteriore spinam 1” inter et 2e, posteriore ra- dium lm inter et 8", vittis insuper pluribus violascente-nigris transversis obliquis; anali vittis pluribus transversis obliquis rubro-violaceis; caudali radiis mediis guttulis rubro-violaceis. B.6. D. 9/11 vel 9/12. BP. 2/12, V. 1/5. A. 3/11 vel 3/13. Cs 1A-et lat. brev. Synon. Güirelle rouge CV. Poiss. XIII p. 337. Habit. Timor kupang, Boleling Bali septentrionalis et Sibogha Su- matrae occidentalis, in mari. Longitudo 4 speciminum 45” ad 83”. Aanm. Ik beschreef deze soort kortelijk in mijne Bijdrage tot de kennis der Ichthijologische fauna van Bali. Mijn Timo- reesch specimen heeft de kleuren nog zeer frisch, zoodat ik die thans vollediger heb kunnen beschrijven dan vroeger. Julis (Halichoeres) kawarin Blkr. Jul. (Halichoer.) corpore oblongo compresso , altitudine 4 fere in ejus longi- tudine, latitudine 24 circiterin cjus altitudine; capite acuto 4 et paulo in longitudine corporis; altitudine capitis 12 en lt ín ejus longitudine; oculis diametro 4 in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; labiis carnosis; dentibus maxillis mediocribus caninis anticis angularibus- que mediocribus curvatis; linea dorsali linea ventrali non convexiore; linea laterali ramosa; squamis lateribus 28 p. m. in serie longitudinalis pinnis dorsali et anali basi glabris postice angulatis; pinnis pectoralibus et ventralibus longitudine aequalibus, 1% circiter in longitudine capitis; caudali integra postice convexa 64 in longitudine corporis; colore corpore superne viridi inferne flavo; dorso lateribusque superne maculis irregula- ribus violaceis et lateribus maculis irregularibus rubris subreticulatis; capite, rostro, genis operculisque vittis rubro-violaceis; macula postoculari oblonga profunde coerulea flavo limbata; pinnis verticalibus rubris; dor- sali rubro dilutiore et profundiore ocellata et macula nigra spinam ulti- mam inter et radium 2"; anali basi macuiis magnis rubro-violaceis, in= ferne guttulis violascentibus; caudali postice violascente; pectoralibus fla vis radio 1° rubro. 178 \ B. 6. D. 9/11 vel 9/12. P. 2/12. V. 1/5. A. 3/11 vel 3/12. C, 14 et lat. brev. Synon. Jkan Kawarin Timorens. Habit. Timor kupang, in mari. Longitudo speciminis unici 91”. Aanm. Deze soort is na verwant aan Julis miniatus K. v. H. doch er gemakkelijk van te onderkennen door hare enkele rugvinvlek, andere kleuren en grootere buikvinnen. In mijne verhandeling over de Gladschubbige Labroïden welke te Batavia voorkomen, beschreef ik 5 soorten van Ju- lis van den Indischen Archipel, dat is, alle soorten welke jk toen (1847) bezat. Sedert is mijn kabinet met talrijke soor- ten van Julis van deze gewesten verrijkt, zoodat ik er thans reeds niet minder dan 24 bezit, waarvan 22 behooren tot de afdeeling Halichoeres, datis: die soorten, welke vooruitsteken- de hoektanden in den bek hebben en de rug- en aarsvinnen aan de basis onbeschubt. In het geheel bezit ik thans reeds nagenoeg 60 soorten van Gladschubbige Lipvischen, terwijl mijne verzameling in 1847 slechts 25 soorten daarvan telde. Rd CLUPEOIDEL | Engraulis detehloides Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Haring. p. 97. Engraul. corpore elongato compresso, altitudine 5 ad 54 in ejus longi- tudine, latitudine 2} circiter in ejusaltitudine; capite convexo, acuto, 44 ad 5 in Tongitudine corporis; altitudine capitis 14 ad 14 in ejus longitu- dine; oculis totis velatis, diametro 34 ad 4 in longitudine capitis; rostro ante maxillas prominente; convexo, acuto, oculo breviore; maxilla supe- riore ante inferiorem prominente, postice acuta, ante aperturam branchia= lem desinente; dentibus maxillaribus, vomerinis palatinisque valde parvis, maxillis numerossimis vix conspicuis;s squamis transversim striatis, lateri- bus 30 ad 35 in serie longitudinalis axillis inguinibusque squamis elon- gatis; linea laterali inconspicua; pinna dorsali tota ante pinnam analem postice in anteriore dimidio corporis sita, acuta, corpore humiliore; pin- nis pectoralibus acutis, capite multo brevioribus, radio producto nullo; ventralibus pectoralibus paulo brevioribus; anali corpore duplo humiliore, HL Î9. 174 longitudine 54 circiter in longitudine corporis; caudali profunde incisa lobis acutis 5 ecirciter in longitudine corporis; colore dorso griseo-coeru- lescente, capite, lateribus, ventre pinnisque flavescente. B. 12. D. 3/12. P. 1/13. V. 1/6. A. 2/24 ad 2/26. C6 19ret lat. beer. Synon. Jkan Tri Mal. Batav. Habit. Timor kupang, Batavia, Surabaja, Kammal, in mari. Longitudo 14 speciminum 86” ad 120”. Aanm. Ik heb aan deze soort den naam gegeven naar hare verwantschap met de Ansjovis (Engraulis encrasicholis Cuv.), welke echter ranker van ligchaam is, eene aanmerkelijk kortere aarsvin heeft enz. | Scripst Batavia Calendis Januari mpocern. SCHEIKUNDIG ONDERZOEK VAN EENIGE OP JAVA VOORKOMENDE MINERALE WATEREN. DOOR P.J. MAEE R. De warme bronnen te Tjipannas, naby paal 64 in de Preanger Regentschappen. Op den oostnoordoostelijken voet van den Pangerango, ter hoogte van iets minder dan 3400 rijnl. voeten, in de nabijheid van het buitenverblijf van den gouverneur generaalte Tjipannas (Î), (1) Het buitenverblijf Tjipannas ligt gemiddeld 3404 rijnl. voeten boven de oppervlakte der zee, resulterende deze opgave uit 3 waarnemingen, waarvan de eerste plaats had den 26sten Oktober 1851 ’s morgens 91 uur, de 2de den 27sten Oktober ’s avonds 5 uur en de 3de den 28sten Oktober s morgens 6 uur. De barometer gedurende deze waarnemingen tot O graad en den standaard herleid wees: lste waarneming 2de waarneming 3de waarneming te Weltevreden 762.34 m.m. 760.3 m.m. 761, m. m. te Tjipannas 675.71 m. m. 673.17 m.m. 674 ‚ m. m. en de vrije thermometer te Weltevreden 28,6° C, 28,99 C. 230 C. te Tjipannas 24,1 21,39 C,. 190 C, Van de verkregene uitkomsten moesten 3 voeten worden afgetrokken, omdat de barometer te Tjipannas zoo veel voeten hooger geplaatst was; vervolgens moest de hoogte van Weltevreden boven zee er worden bijge- voegd; de Iste waarneming had te Weltevreden en te Tjipannas op het- 176 residentie Preanger Regentschappen, komen verscheidene war- me minerale brannen te voorschijn. Een dier bronnen ligt woordelijk van een in de onmiddelij- ke nabijheid daarvan opgerigt badhuis; zij vormt eene, met trachietachtige steenen belegde, ovale kom van 4,4 Ned. el. lengte, 2,8 el. breedte en 0,42 el. diepte. Met zeer geringe gasontwikkeling komt het water gedeeltelijk uit den bodem dezer kom, gedeeltelijk dient zij tot verzameling van het zuid- westelijk daarvan uit den grond komende water. De grond is daar week en aanmerkelijk verwarmd. Een thermometer, daar- in geplaatst, toont op verscheidene plaatsen 1089 F., 1120 F., 1200 F. Maakt men daar, waar men 1209 F. warmte waar- genomen heeft, eene kleine opening, zoo is deze spoedig met mineraalwater van 124,3° F. of 51,289 C. warmte aangevuld, waarbij men hier en daar ook sporen van aardolie waarneemt. De temperatuur van het in de vermelde ovale kom bevinden- de water was Î{3,5° F. en bij gevolg reeds aanmerkelijk ver- minderd. Het in de kom zich verzamelende water loopt in oostzuid- oostelijke rigting door eene tweede kleinere kom van onregel- matige gedaante en verliest zich, na eene genoegzame hoeveelheid water aan het badhuis te hebben afgegeven, in de omliggende rijstvelden. De hoeveelheid water, die deze kom oplevert, is aanmerke- lijk. Gemiddeld heb ik in 4 sekonden tijds Î Ned. kan water verkregen , dat is 21600 N. kannen ’s daags. zelfde tijdstip plaats. Bij de 2de en 3de waarneming moesten de barome- terstanden van Weltevreden, om reden deze ’s morgens 94 uur afgelezen waren, op hef uur van waarneming te Tjipannas worden overgebragt, waartoe mij de 3 jaarlijksche waarneming te Weltevreden, in den Istenen — 2den jaargang van dit tijdschrift voorkomende, gemiddelde cijfers hebben gegeven; de op deze wijze niet te ontwijken fouten zijn klein en kunnen naauwelijks meer dan 4 milimeter bedragen. de Iste waarneming gaf 3413,8 rijnl. voeten hoogte. de 2de Ne 55 3428,3 op ss d de 3de 3 … 3368,4 „ Nn 5 Dus gemiddeld 3404 rijn). voeten. 177 In de kom was het water tijdens mijn bezoek den 26sten Oktober 1851 in gezelschap der heeren Berrker en Van DEN Booaaarp, bijna geheel met wieren bedekt. Deze weggenomen zijnde, vertoonde het water, in de kom gezien, eenen witach- tigen tint. In eenglas gezien was het echter bijna geheel helder. Blijf het zoo eenigen tijd staan, dan vormt zich een gering praecipitaat. | De smaak van het water is flaauw, weinig zuurachtig, iets adstringerend ; reuk zeer flaauw naar zwavelwaterstofgas; soor- telijk gewigt 1,00322, bij 28° C. temp. Blaauw lakmoespapier kreeg in de wel eene roode kleur; buiten haar werd het we- der blaauw. De kwalitatieve analijse heeft de volgende stoffen aangetoond Koolzuur, Zwavelzuur, Jodium, Chlorium, Potassa, Soda, Kalkaarde, Bitteraärde, Yzerprotoxijde, Kiezelaarde, Aluinaar- de, Zwavelwaterstofgas, sporen van Org. zelfstandigheden en van Mangaanprotoxijde. Gekookt zijnde, werd het water onder ontwikkeling van kool- zuurgas troebel; er vormde zich een witachtig praecipitaat. Tot droogwordens toe uitgedampt en het zout met gedestilleerd water behandeld, bleek uit het onderzoek van het filtraat en van het onoplosbare gedeelte, dat de bitteraarde, het ijzerprot- oxijde en gedeeltelijk de kalkaarde als koolzure zouten in het water aanwezig zijn, waaruit de zamenstelling der overige be- standdeelen van zelf blijkt. Kwantitatieve analyse. Î. Bepaling der Vaste deelen. 195,651 grm. water uitgedampt, gaven na zacht gloeijen 0,715 erm. zout. 100 erm. water 0,36545 grm. 2. Bepaling van het Zwavelzuur. 195,651 grm. water gaven 0,192 grm. gegloeide zwavelzure barietaarde ; 178 100 grm. water 0,09813 grm., waarin 0,03372 grm. zwa- velzuur. 9. Bepaling van het Jodium. Ah2,A. germ. gaven 0,0015 grm. gedroogd joodpalladium, be- vattende 0,00105 grm. jodium ; 100 grm. water 0,000237 grm. jodium. A. Bepaling van het Chlorium. 195,651 grm. water gaven bij Î00° C. gedroogd chloorzil- ver wegende 1,114 grm; 109 grm. water 0,5694 grm. chloorzilver, waarin 0,00044 grm. joodzilver, hetwelk afgetrokken 0,56894 grm. chloorzil- ver geeft, waarin 0,14064 grm. chlorium. 5. Bepaling van het Potassium. 257,41 grm. water gaven bij 1009 C. gedroogd chloorplati- na-chloorpotassium , wegende 0,2385 grm. 100 grm. water 0,0927 grm., waarin 0,0283 grm. - chloor- potassium, bestaande uit 0,01345 grm. chlorium en 0,01485 „ potassium. 0,0283 grm. 6. Bepaling der Kiezelaarde. Het zout in de Îste bepaling verkregen, bevatte kiezelaarde, gegloeid 0,019 grm. wegende. _ 100 grm. water 0,009711 grm. 1. Bepaling der Aluinaarde. Het filtraat der kiezelaarde met chloorammonium en ammo- nia behandeld, gaf 0,006 grm. gegloeid praecipitaat; wederom opgelost, is het door potassa-oplossing ontleedbaar in 0,0042 _grm. aluinaarde en 0,0018 grm. ijzeroxijde. 100 grm. water bevatten dus 0,00215 grm. aluinaarde. 179 8. Bepaling van het Koolzuur gzerprotoxijde. 195,651 grm. water gaven volgens de 7de bepaling 0,0018 grm. iijzeroxijde, voor 100 grm water 0,00092 grm. bedra- gende en beantwoordende aan 0,001334 grm. koolzuur ijzer- protoxyde, waarin 0,000506 grm. koolzuur. 9. Bepaling der Kalkaarde. Het filtraat der aluinaarde gaf bij 1009 C. gedroogde oxalas calcis wegende 0,266 grm. 100 grm. water dus 0,13596 grm., waarin 0,05215 erm. kalk- aarde. 10. ‘Bepaling der Bitteraarde. Het filtraat der oxalas calcis gaf 0,0814 grm. gegloeide phos- phorzure bitteraarde. 100 grm. water 0,0416 grm. bevattende 0,01524 grm. bitteraarde, gevende met 0,01626 „koolzuur. 0,03150 koolzure bitteraarde. Af. Bepaling der Zwavelzure kalkaarde. (gìps). | 100 grm. water bevatten 0,03372 grm. zwavelzuur, gevende met 0,0236 „ _kalkaarde. en 0,01517 tewater. 0,07249 „ zwavelzuur kalkaar- dehydraat. 12. Bepaling der Koolzure kalkaarde. 100 grm. water bevatten 0,05215 grm. kalkaarde; aan het zwavelzuur is gebonden 0,0236 grm.; afgetrokken, blijft 0,02855 grm., gevende met 0,02243 „ koolzuur. 0,05098 … koolzure kalkaarde. 180 13. Bepaling van het Joodpotasstum. In 100 grm. water zijn 0,000237 grm. jodium. gevende met 0,000073 „ potassium. 0,00031 _„ joodpotassium. 14. Bepaling van het Chloorpotassium 100 grm. water bevatten 0,01485 grm. potassium; aan het jodium is gebonden 0,00007 grm.; afgetrokken, blijft 0,01478 grm., gevende met 0,01339 grm. chlorium 0,02817 grm. chloor- potasstum. 15. Bepaling van het Chloorsodium. In 100 grm. water zijn 0,14064 grm. chlorium; aan het po- tassium is gebonden 0,01339 grm.; afgetrokken blijft 0,12725 grm. chlorium, gevende met 0,08352 grm. sodium 0,21077 grm. chloorsodium. 16. Bepaling van het Koolzuurgas. 289,6 grm. water versch uit de bron genomen , met ammo- k nia en chloorcalcium behandeld, gaven 0,424 grm. bij 1009 C. — gedroogde koolzure aarde, bevattende 0,1643 grm. koolzuurgas; voor 100 grm. water 0,05673 grm. bedragende; hiervan is ge- bonden aan de kalkaarde 0,02243 grm. bitteraarde 0,01626 „ te zamen 0,03869 „ afgetrokken van de geheele hoeveelheid, blijft 0,01804 grm. =9,105 kub. c. bij 0° temp. 0,76 meter druk of 12,16 kub. c. bij 51,280 C. en 0,6757 meter druk, (druk en temp. waarin de — minerale bron verkeert.) 17. Bepaling van het Zwavelwaterstofgas. 3975 grm. uit de bron genomen water werden met amijlumpap ; en jodiumtinktuur behandeld; het benoodigde jodium woog 0,0612 _ _grm., beantwoordende aan 0,00826 grm. zwavelwaterstofgas. 181 100 grm. water dus aan 0,00021 grm. =0,136 kub. c. bij 0° temp. en 0,76 meter druk of=0,181 kub. c. bij den druk en temp. der bron. Resultaat. 100 grm. water bevatten grm. Koolzure kalkaarde : E 0,05098 …„ __bitteraarde 0,03150 „ _ iijzerpotoxijde Ö 0,001354 Zwavelzure kalkaarde (gips) 0,07249 Joodpotassium aA 0,00051 Chloorpotassium 8 0,02817 Chloorsodium 0,21077 Kiezelaarde ì 0,009711 Aluinaarde 0,00215 0,407415 Koolzuur (12,16 kub. c. … 0,01804 Zwavelwaterstofgas (0,18 kub. c.) . 6,00021 Totaal 0,425665 Koolzuur mangaanprotoxijde sporen. Org. zelfstandigheden (1) ’ (1) Toen het mij in het jaar 1844 toegestaan was, eenigen tijd tot her- stel van gezondheid te Tjipannas te vertoeven, heb ik gedurende dien tijd eenige aanteekeningen omtrent deze minerale bron gehouden en eenige flesschen water vergaderd, die kort daarna te Batavia tot een scheikun- dig onderzoek dienden en welk onderzoek opgenomen is in het Natuur- en geneeskundig archief voor N. I. 2den jaargang. Bij de berekening van het eind- resultaat daarvan zijn enkele fouten ingeslopen, namelijk wat aangaat de za- menstelling der zwavelzure zouten. Het zwavelzuur is met de kalkaarde en niet met de soda en potassa vereenigd. Alle bitteraarde is in het water als koolzure bitteraarde aanwezig, zoo als mij latere proeven geleerd hebben. Ik heb het daarom doelmatig beschouwd, de toen verkregen analijtische nitkomsten op nieuw te berekenen; zij waren de volgende. 1. Van 781,25 grm. water verkreeg men 2,830 grm. zout, 100 grm. wa- ter 0,36224 grm. 2. Van 347,22 grm. water, 0,002 grm. joodzilver; 100 grm. water 0,000576 grm., waarin 0,00031 erm. jodium. 182 Ongeveer 250 schreden zuidelijk van deze minerale bron, be- vindt zich eene tweede, westzuidwestelijk van hef landhuis, in de nabijheid eener kleine beek gelegen. De bodem van een boven haar opgerigt badhuis is met houten planken belegd, 3. Van 781,25 grm. water 4,26 grm. gesmolten chloor- en joodzilver; 100 grm. water 0.54528 grm.; afgetrokken het joodzilver, blijft 0,5447 grm., waarin 0,13438 grm. chlorium. 4, Van 781,25 grm. water 0,699 grm. gegloeide zwavelzure barietaarde; 100 grm. water 0,08947 grm., waarin 0,03075 grm. zwavelzuur. ‚ Van 781,25 grm. water Ì,==0,192 grm. koolzure kalkaarde. 2045085 | 0,6473 grm.; 100 grm. water dus 0,083 grm. waarin 0,0464 grm. kalkaarde. 6. In 100 grm. water zijn 0,03075 grm. zwavelzuur; gevende met 0,02153 „ kalkaarde en 0,01384 „ water. Lb) 0,06612 grm. gips. 7. In 100 grm. water zijn 0,0464 grm. kalkaarde; gebonden aan het @ zwavelzuur is 0,02153 „5; afgetrokken. . blijft 0,02487 grm. gevende met 0,01954 „ koolzuur. 0,04441 grm. koolzure kalkaarde. 8. Van 781,25 grm. water verkreeg men 0,786 grm. chloorplatina-chloor= — potassium; beantwoordende aan 0,24036 grm. chloorpotassium; 100 grm. water bevatten dus 0,03076 grm.; waarin 0,016137 grm. potassium. — 9. 100 grm. water bevatten 0,00081 grm. jodium , gevende met 0,00009 „ potassium. 0,0004 grm. joodpotassium. 10. 100 grm. water bevatten 0,016187 grm. potassium; aan het jodium is gebonden 0,00009 „, afgetrokken. blijft 0,01604 grm., gevende d met 0,01454 „ chlorium. Ä 0,03058 grm. chloorpotassium. 11. 100 grm. water bevatten 0,13438 grm. chlorium; gebonden aan het potassium is 0,01454 „ afgetrokken, ik nmmr blijft 0,11984 grm. gevende 0,1985 grm. chloors sodium. Mi 188 tusschen welker spleten het minerale water met eene warmte van {25,89 F. opkomt en zich in een verzamelingsbak ter grootte _van 2,7 Ned. el lengte, 2,4 el breedte verzamelt. De hoeveel- heid water, die daar verkregen werd, bedroeg in een half uur 1036 Ned. kannen of 49728 N. kannen ’s daags. Smaak en reuk van dit water zijn bijna evenzooals die van het water der bovengemelde bron. Het kwam mij voor, dat de smaak iets meer adstringerend en minder zuurachtig was. 12, Van 781,25 grm. water verkreeg men 0,520 grm. gegloeide phosphor- zure bitteraarde; 100 grm. water dus, 0,06656 grm., bevattende 0,01496 grm. magnium, beantwoordende aan 0,05052 grm. koolzure bitteraar- de, waarin 0,02608 grm. koolzuur. 13. Voor 100 grm. water verkreeg men 0,0005 grm. aluinaarde. 0,00142 „ koolzuur iijzerprotoxijde 0,01481 „ kiezelaarde. 14. Van 781,25 grm. water verkreeg men 2,100 grm. zwavelzure bariet- aarde, welke aan de geheele in het water aanwezige hoeveelheid koolzuur beantwoordt; voor 100 grm. water 0,2688 grm. bedragende en beantwoordende aan 0,0507 grm. koolzuur; na aftrekking van het- geen aan de kalkaarde, bitteraarde en het ijzerprotoxijde gebonden is , blijft 0,00455 grm. of 2,32 kub. c. bij 0° temp. en 0,76 meter druk. Resultaat. \ 100 grm. water van 1,00197 soortelijk gewigt bevatten. grm. Koolzure kalkaarde , é . 5 : Ô ; 0,04441 5 bitteraarde \ b 4 3 , / ; 0,05052 n ijzerprotoxijde n 5  5 5 0,00142 _ Zwavelzure kalkaarde (gips) N : - â 5 0,06612 Joodpotassium 7 6 ; : NE é 0,00040 Chloorpotassium - 2 à 5 RS s 0,03058 Chloorsodium ® jp k f ; , S 0,1985 Kiezelaarde ' Ee } : 3 8 ; 0,01431 Aluinaarde A 5 p - . 3 0,0005 0.40676 Koolzuur ö ° . : j ë 0,00455 Koolzaur mangaanprotoxijde sporen. Org. zelfstandigheden. ; é ' ni . ò 184 Voorts was het, in een glas gezien iets helderder, en hef praecipitaat, dat zich gedurende het staan aan de lucht vormde, scheen ’mij toe geringer in hoeveelheid te zijn. Scheikundig heb ik dit water niet onderzocht; de zamenstelling er van zal echter weinig van die der onderzochte bron verschillen. Eene derde, ongeveer 160 voeten oostelijk van de eerst ge- noemde welliggende, heb ik deze keer niet kunnen zien, ver- mits al de omliggende rijstvelden onder water stonden. Wan- delft men langs de dijken dezer velden, dan ontwaart men op « vele- plaatsen uitzijpelingen van mineraalwater, met sporen van _ aardolie bezwangerd. Deze bronnen zijn in het jaar 1744 ontdekt en door S. C._ Krier scheikundig onderzocht. Dit onderzoek gaf niet slechts — opheldering omtrent de soort, waartoe dit water behoort, maar — ook van de verhouding der in gedestilleerd water oplosbare E) en onoplosbare zouten der vaste bestanddeelen; zoo kwamen 5 op Î once, Î drachme en 6 grein oplosbare zouten, 3 drach- 5 men en Î2 grein onoplosbare, eene verhouding, die slechts \ weinig verschilt van de thans waargenomen resultaten en welk verschil meer of min afhankelijk zal zijn geweest van het niet behoorlijk droogen van het zout, alvorens het gewogen werd. Zie Verhandelingen van het Bat. Genootschap van kunsten en we- tenschappen Sste deel pag. 87. Warme minerale bronnen, voorkomende op de noordnoord- oostelgke helling van den Gedeh, ter hoogte van 6775 rijnl. voeten. Op de noordnoordoostelijke helling van den Gedeh, ter hoog- te van 6775 rijnl. voeten boven de zee, 4 palen beneden den top van den Pangerango, langs den weg, dien men volgt om van Tjipannas (het buitenverblijf van den gouverneur generaal) den top van genoemden berg te bereiken, komt men bij deze warme bronnen, die uit 19 rotsgaten van verschillende grootte te voorschijn komen, eene beduidende hoeveelheid mineraal 165 water opleveren, verscheiden kleine watervallen vormen en zich vervolgens in n. w. rigting in een diep, romanesk ravijn stor- ten, wolken van waterdamp verspreidende. Het mineraalwater komt daar uit eene poreuse, lavaächtige , echter harde trachietsoort, waarvan de buitenste korst zwart van kleur, gedeeltelijk dof is, gedeeltelijk metaalglans bezit, week is en met een mes gemakkelijk afgeschrapt kan worden. Bij het medegebragt exemplaar had de korst gemiddeld de dikte van een millimeter en bestond uit de door het minerale water af- gezette deelen, betrekkelijk weel mangaanorijdoryduul bevatten- de, zoodat zij op verscheidene plaatsen eenen zwarten potlood- achtigen metaalglans en voorts de volgende eigenschappen be- zit. Zij geeft een zwartachtig-bruin poeder, wordt na gloeijing meer zuiver bruin en bezit eene zuiver bruine streek. Met soda in de oxijdatievlam behandeld, werd eene blaauw groe- | ne, met phosphorzout eene amethistkleurige parel gevormd, de laatste in de herleidingsvlam de kleur verliezende. Het poe- der wordt door gekonecentreerd koud zwavelzuur gedeeltelijk met roode kleur opgelost; met gekoncentreerd zoutzuur werd het opgelost onder ontwikkeling van chlorium met bruine kleur, bij verwarming eene ongekleurde vloeistof gevende onder af- scheiding van kiezelaarde. De zoutzure oplossing met ammo- nia, chloorammonium en geel zwavelammonium behandeld, gaf een vleeschrood praecipitaat van zwavelmangaan, in overmaat van zwavelammonium onoplosbaar. Het mineraalwater zelf is zonder reuk, van flaauwen smaak en 1,0013 soortelijk gewigt bij 27° CG. warmte. De temperatuur heb ik wel aan de plaats zelve bepaald doch de aanteekening 8 daaromtrent heb ik na mijne terugkomst te Batavia niet meer kun- gf nen vinden. Volgens den heer HasskanL bedraagt zij 1249 F. = Pst,1e C. (1). De barometerstand tot 0® herleid bedroeg den W27sten Oktober ’s middags 2, uur 596,35 mm. terwijl de temp. Pder lucht 17,3° C. toonde. (1) Zie Tijdschrift voor N. Indië 3den jaargang 2de deel pag. 341. 186 In een platinaschoteltje verwarmd, ontwikkelden zich slechts _ enkele gasblazen van koolzuur. Het water bleef aanvankelijk helder. Tot de helft uitgedampt, werd het troebel, terwijl een wit praecipitaat zich vormde; tot droogwordens toe uitgedampt, verkreeg men een wit, hijgroskopisch zout, gedeeltelijk van ku- _ bieken vorm, gedeeltelijk uit naaldvormige kristalletjes bestaande. Door behandeling met gedestilleerd water zonderde men de _ daarin onoplosbare deelen af,‚ die uit Kiezelaarde en weinig aluinaarde met sporen van gzeroxyde en mangaanprotoxide bestonden. Het filtraat bevatte chlorium, zwavelzuur, potassa, soda, kalkaarde, bitteraarde en sporen van org. stoffen. Kwantitatieve analyse. 1. Bepaling van het Chlorium. | 195,276 grm. water gaven bij 100° C. gedroogd chloorzilver _ wegende 0,157 grm. j 100 grm. water 0,0804 grm; waarin 0,01987 grm. chien | 2. Bepaling van het Zwavelzuur. ' 130,184 grm. water gaven bij 1009 C. gedroogde zwavelzu- zure barietaarde , wegende 0,227 grm. | 100 grm. water dus 0,17437 grm., waarin 0,059913 grm. zwavelzuur. 3. Bepaling der Kiezelaarde. 130,184 grm. water met zoutzuur uitgedampt, het zout zwak gegloeid enz , gaf 0,016 grm. gegloeide kiezelaarde; 100 grm. water 0,01229 grm. 4, Bepaling der Aluinaarde. Uit het filtraat der kiezelaarde verkreeg men 0,00125 grim. gegloeide aluinaarde, een spoor ijzeroxijde bevattende. | 100 grm. water dus 0,00096 grm. 5. Bepaling der Kalkaarde. Het filtraat der aluinaarde gaf 0,112 grm. bij 100° C. Se droogden oxalas calcis. 187 100 grm. water 0,08603 grm, waarin 0,033 gem. kalkaarde. 6. Bepaling der Bitteraarde. Het filtraat van den oxalas calcis gaf 0,064 grm. bij 100° C. ge- _droogde phosphorzure bitteraarde-ammonia, na gloeijing 0,02976 grm. wegende; 100 grm. water 0,02286 grm, bevattende 0,00838 grm. bit- teraarde. | 1. Bepaling van het Koolzuur mangaanprotoxiyde. 259,5 erm. water met eenig salpeterzuur tot op een klein volumen uitgedampt, genoegzaam chloorammonium en koolzuur- vrije ammonia in overvloed bijgevoegd, onder afsluiting der lucht gefiltreerd, bij het filtraat geel zwavelammonium gevoegd, na eenige uren digestie op eene warme plaats gefiltreerd, het praecipitaat met zwavelammonium houdend water gewasschen, | vervolgens met zoutzuur en gedestilleerd water behandeld, eeni- gen tijd verwarmd, het filtraat met overmaat van koolzure so- da ontleed, gaf koolzuur mangaanprotoxijde, op een filtrum verzameld en gebrand 0,0023 grm. mangaanoxijdoxijduul ge- vende, bevattende 0,00166 grm. mangaan. 100 grm. water dus 0,00064 grm., gevende 0,001335 grm. koolzuur mangaanprotoxiyde. 8. Bepaling der Potassa. 260,368 grm. water op de behoorlijke wijze behandeld, gaf bij 1009 C. gedroogd chloorplatina-chloorpotassium, wegende 0,056 erm. k 100 grm. water dus 0,02151 grm, bevattende 0,00657 grm. elhoorpotassium, beantwoordende aan 0,00415 grm. potassa. 9. Bepaling der Zwavelzure kalkaarde. 100 erm. water bevatten 0,033 grm. kalkaarde, gevende met 0,04715 „ zwavelzuur. en 0,02121 „ water. 0,10136 grm. gips. 188 10. Bepaling der Zwavelzure potassa. In 100 grm. water zijn 0,00415 grm. potassa. gevende met 0,00352 „ zwavelzuur. 0,00767 grm. zwavelzure potassa. 11. Bepaling van de Zwavelzure soda. f00 grm. water bevatten 0,05991 grm. zwavelzuur; aan de kalkaarde is gebonden 0,0472 germ, > » Potassa „„ » 0,0035 „ En | 0,0507 grm.; afgetrokken van de geheele hoeveelheid, blijft 0,00924 grm , gevende 0,01647 grm. zwavelzure soda. | | 12. Bepaling van het Chloormagnium. 100 grm. water bevatten 0,00838 grm. bitteraarde, beantwoordende aan 0,00512 grm. magnium, gevende met 0,0144 _ „ _chlorium. 0,01952 erm. chloormagnuum. 13. Bepaling van het Chloorsodium. 100 grm. water bevatten 0,01987 grm. chlorium; aan het maguium is gebonden 0,0144 grm ; afgetrokken blijft 0,00547 _ srm, gevende 0,00906 grm. chloorsodium. Resultaat. 100 grm. water bevatten Zwavelzure potassa. s } e Gi soda - É 5 4 kalkaarde (gips) . : : : Chloorsodium s k $ Chloormagnium 8 : 5 : 8 Kiezelaarde / - Aluinaarde Koolzuur mangaanprotoxijde . 189 Koolzuurgas zeer geringe hoeveelheid Koolzuur ijzerprotoxijde- sporen. Org. zelfstandigheden pn Door het gehalte der mangaanverbinding is dit mineraalwater zeer belangrijk , voornamelijk door de vorming van het man- gaanoejdowijduul, hetwelk zich in eenen-meer aardachtigen vorm als eene korst op de steenen afzet waar bet water te voor- schijn komt en waar het er over heen loopt, De warme bronnen Tjipannas by Lembang in de Preanger- regentschappen. Om deze bronnen te bereiken, volgt men van het land- huis van den heer Paripprav te Lembang, 3963 rijnl. voeten boven zee gelegen, in gemiddeld noordoostelijke rigting eenen weg door weelderig groeijende koffijtuinen, vervolgens in ge- middeld zuidelijke rigting een voetpad van ongeveer een paal lengte in een wild romaneskravijn, passeert de rivieren Tjiki- warin en Tjikidang (f). Na 597 rijnl. voeten gedaald te zijn, bevindt men zich bij deze bronnen. De afstand dezer bronnen van het landhuis Lembang bedraagt ongeveer 3! palen. Een der bronnen ligt een el verwijderd van den noordelij- ken oeverrand der rivier Tjikidang, die, verscheidene water val- len vormende, zich eene bedding in de zuidelijke helling van den Tankoeban prahoe gegraven heeft, bestaande het terrein aldaar uit konglomeraatrotsen, trachietrotsen en uit lavaächti- gen trachiet, die allen de menigvuldigste ontledingsperioden doorloopende, een belangrijk geognostisch voorkomen hebben. Deze bron, door eenen steenen dam van de rivier geschei- den, en 3366 rijnl. voeten boven zee gelegen, is door de zorg (1) De rivier Tjikidang heeft verscheiden benamingen; daar waar zij in de nabijheid van Bandong den bekenden waterval vormt, is haar naam Tjikapoendoeng; meer naar haren oorsprong toe, heet zij Tjikoekoe. Hi. 14 190 van den heer kontroleur Van Raerpe van OupsnoorN met bamboe afgeschut, van een afdak voorzien en de bodem met houten planken belegd, tusschen welker spleten het mineraalwater onder ontwikkeling van eene groote hoeveelheid koolzuurgas met eene warmte van 114,69 F. —=45,9° C. opborrelt. | De wel stelt eene vierkante opening daar van 2,2 el lengte, 1,1 el breedte en 0,2 el diepte en levert eene zeer groote hoeveelheid water. Brengt men blaauw lakmoespapier in het water, dan wordt het onmiddellijk rood gekleurd; aan de lucht echter wederom blaauw. Rood lakmoespapier ondergaat, in de wel gehouden, geene verandering, doch wordt daarna buiten de wel blaauw. Het water is aan de bron zonder reuk en van prikkelend zuurachtigen eenigzins inktachtigen smaak. Bij 26,5° C. warmte is zijn soortelijk gewigt 1,00152. Tot droogwordens toe uitgedampt, ontwikkelt het rijkelijk koolzuurgas, wordt troebel, en einde- lijk verkrijgt men na drooging een wit een weinig geelachtig zout, gedeeltelijk van kristallijnen, gedeeltelijk van meer aard- achtigen vorm. Op platinadraad in de binnenste vlam gehou- den, kleurt het de buitenste geel; in gedestilleerd water is het zout gedeeltelijk oplosbaar; het filtraat reageert alkalisch , ont- wikkelt, met een zuur overgoten, weinig koolzuurgas en bevat voorts chlorium, soda en potassa in weegbare hoeveelheid, terwijl zwavelzuur en jodium slechtsals sporen daarin bevat zijn. Het in gedestilleerd water onoplosbare gedeelte is tot op kiezel aarde en organische zelfstandigheden na oplosbaar in zoutzuur. Het filtraat bevat in weegbare hoeveelheid gzeroxzijde, aluin aarde, kalkaarde en bitteraarde, en voorts nog sporen van man-- gaanprotozijde. à Kwantitative analijse. Bepaling van het Chloor. a. van 195,387 grm. water verkreeg men 0,045 grm. bij 100e 8 C. gedroogd chloorzilver, bevattende 0,011124 grm. chloor. ° b. van 130,258 grm. water 0,031 grm. chloorzilver, waarin _ 0,00766 grm. chloor. - 191 100 grm water bevatten volgens a =0,0057 grm. chloor. 4 b=0,00588 „ gemiddeld =0,00579 „ 2. Bepaling der Koolzure soda. 260,516 grm. water werden tot droogwordens toe uitgedampt, verhit, met gedestilleerd water behandeld, gefiltreerd, het filtraat naauwkeurig met zoutzuur verzadigd, uitgedampt, zwak ge- gloeid, met water opgenomen en met salpeterzuur zilveroxijde behandeld. Het gevormde chloorzilver bij 100° C. gedroogd, woog 0,250 grm. en beantwoordt aan 0,0618 grm. chloor, voor 100 grm. water 0,02372 grm. bedragende. 100 grm. water bevatten volgens de Íste bepaling 0,00579 grm. chloor; het verschil = 0,0f793 grm. chloor beant- woordt aan 0,011127 grm. koolzuur, gevende met 0,015816 „ soda. 0,026943 „ koolzure soda. 3. Bepaling van het Chloorpotasstum. 187,472 grm. water gaven bij 100° C. gedroogd chloorpla- tina-chloorpotassium , wegende , 0,042 grm , bevattende 0,61285 grm. chloorpotassium. 100 grm. water dus 0,00684 grm, waarin 0,60325 grm. chloor. A, Bepaling van het Chloorsodium. De geheele hoeveelheid chloor in 100 grm. water bedraagt 0,00579 grm; aan het potassium is gebonden 0,00325 grm; afgetrokken, blijft 0,00254 grm, gevende 0,00421í grm. chloor- soduum. | | 5. Bepaling der Miezelaarde. Van 325,645 grm. water verkreeg men 0,053 grm. gegloeide iezelaarde, voor 100 grm. water 0,01627 grm. bedragende. 6. Bepaling der Aluinaarde. Van 325,645 grm. water verkreeg men 0,0105 grm. gegloet- 192 de alwinaarde; voor 100 grm. water 0,00322 grm. bedragende. 7. Bepaling van het Koolzuur úzerprotoxide Van 325,645 grm. water verkreeg men 0,012 grm. gegloeid ijzeroxijde; beantwoordende voor 100 grm. water aan 0,003685 grm., gevende 0;00534 grm. koolzuur üzerprotozijde, waarin 0,00203 grm. koolzuur. | 8. Bepaling der Koolzure kalkaarde. Van 325,645 water verkreeg men bij 1009 C. gedroogden oxalas calcis wegende 0,189 grm. en beantwoordende aan 0,0725 grm. kalkaarde , voor 100 grm. water 0,02226 grm. bedragende en gevende met 0,01749 „ koolzuur. 0,03975 grm. koolzuren kalk. 9. Bepaling der Koolzure bitteraarde. Van 325,645 grm. water verkreeg men bij 1009 C. gedroog- de phosphorzure bitteraarde-ammonia, wegende 0.180 grm.; hiervan gaven 0,1585 grm. door gloeijen 0,125 grm. phosphor- zure bitteraarde; bij gevolg 0,180 grm. 0,14196 grm., waarin 0,05201 grm. bitteraarde. 100 grm. water beantwoorden dus aan 0,01597 grm. bitter- aarde. gevende met 0,01704 grm. koolzuur 0,03301 grm. koolzure bitteraarde. 10. Bepaling van het Koolzuurgas. 195,021 grm. versch uit de bron genomen mineraalwater onmiddellijk met ammonia en chloorcalcium behandeld, gaven 0,6825 grm. koolzure aarden; hiervan gaven 0,263 grm. met zoutzuur boven kwik in een cilinder glas behandeld, vochtig koolzuurgas, hetwelk herleid tot O° temp. en 0,76 meter B. na aftrek van den waterdamp 47,897 kub. c. bedroeg = 0,094 grm. koolzuurgas. 0,6825 grm. koolzure aarden bevatten dus 0,24628 grm. koolzuur, bedragende voor 100 grm. mineraal __ water 0,12629 grm. 195 In 100 grm. water is koolzuur gebonden. aan de soda =0,0l{13 grm. > S kalkaarde =0,01749 „ „ _»„ bitteraarde =0,01704 „ „ _iijjzerprotoxijde =0,00203 „ te zamen =0,04769 grm. en afgetrokken van de geheele hoeveelheid, blijft 0,0786 grm. =39,669 kub. c, bij O° temp. en 0,076 meter B.—of 52,224 kub. c. bij de temp. (45,90 C.) en druk (0,674 m. B.) waarin de bron verkeert. Pi Resultaat. 100 grm. water bevatten nj grm. Koolzure soda Ä } s 5 : : 0,02694 „ __kalkaarde ; ; 3 0,05975 „ _bitteraarde PE, k ® 0,03301_ „ __ iijzerprotoxijde 5 8 k d 0,00534 Chloor potassium 2 - À À / 0,00684 Chloorsodium ; À £ 2 0,00421 Kiezelaarde . 4 N : 0,01627 Aluinaarde 3 : : 0,00322 | Totaal der vaste deelen. _ 0,13558 Koolzuurgas (52,224 kub. c.) - 0,0786 en de volgende niet kwantitatief bepaalde stoffen: __ Koolzuur mangaanprotoxijde, Zwavelzure potassa, Joodpotassium , Zwavelwaterstofgas, Org. zelfstandigheden. Dampte men 195,387 grm. water tot droogwordens toe uit en gloeide men de vaste deelen eenigen tijd bij eene „matige hit- te, dan verkreeg men 0,19 grm. vaste deelen , voor 100 grm. water 0,009724 grm. bedragende; voegt men hierbij de aan de kalkaarde en bitteraarde beantwoordende hoeveelheid koolzuur en voorts het verschil der hoeveelheid ijzeroxijde en koolzuur ijzer- protoxijde, dan verkrijgt men 0,13343 grm.; — een resultaat , ” 194 hetwelk slechts 0,00215 grm. afwijkt van de bovenvermel- de cijters der vaste deelen. _Eenige schreden hooger in westelijke rigting van deze bron borrelt op verscheiden plaatsen warm mineraalwater uit den grond en vormt een halfrond bekken van 12 voeten leng- te en breedte, 3 voeten diep water bevattende. De rivier Tjiki- dang stroomt achter een gedeelte van dit bekken en is bij wij- ze van eenen dam door een konglomeraatachtige steenmassa er van gescheiden en valt met eenen kleinen waterval tegenover de boven beschreven warme bron in dit bekken en vermengt het mineraalwater met veel stroomend rivierwater. Daar ziet men in de rivierbedding ook groote konglomeraatrotsen die tijdens mijn bezoek (den 3Ôsten Oktober 1851 in gezelschap der heeren Patrepeau en BreekKer) met bloeijende melastoma- ceën en varens bedekt waren. De geheele, niet onbevallige, om- streken dezer plaats pronken met een weelderigen plantengroei, waaronder al dadelijk eenige vijgen, varens en aronskelken in het oog vallen en liefelijk afsteken bij het meer eentoonige groen | der dikke wouden van de omliggende bergruggen. Overal in dit bekken ziet men koolzuurgas zich in eene groote hoeveelheid ontwikkelen, voornamelijk op eene plaats, die door eenen steenen dam eenigzins afgescheiden is van het water des bekkens; hier borrelt in groote hoeveelheid mine- | raalwater op van dezelfde warmte, als reeds boven vermeld is. Zit men eenige oogenblikken op dezen steenen dam, om b. v. de warmte van het water te bepalen, dan wordt men spoedig bedwelmd. Eene brandende obor er over gehouden, blijft voort branden, hoezeer minder goed dan in de zuivere lucht. Dit mineraalwater is van dezelfde zamenstelling, als dat der onderzochte bron. Volgens opgave van den heer Van Raerepe van OupsHoorn bevin- den zich langs de rivier nog meerdere zulke warme bronnen, welke hier ter plaatse hunnen hoogsten graad van ontwikkeling schijnen bereikt te hebben. De inlanders maken met goed ge- volg gebruik van dit water, voornamelijk bij huid- en sijphili= tische ziekten. N 4 dh 5, k; dk kid ee PEES | wi id Me en k M ek, t de. E/ . $ Ep veh gene vri _ ï Br. 4 ph, Jer N & NH é ef bor ks 1 £ Zed 1 CES Jh _ dent! 4 7 f 7 Ae Ì ET | cn A En) & / ad Ld { EJ 4 5 d A Pe . ze / H rs r t Er Rd OA DA} Pat, _ ke ke » Agt Le r RAE Lo el Re % 7 d eN TE: kaai as, Dende. la en prs hi koe biert be ie r hi fade de ds & é ï Je je " 3 d k í E Y 1 b a | EÀ MOEN 7 _ ï } ï $ î id N a Ì En dl RE N ij vete pe Mei Vai: Sh Me Zj Gij: Eid gn | " 4 Fi DN ij Ei roc Sateh hdd se benaderd Biedlink dn doin EE zr y ) / | eme ie A £ Berg, Jetten) Gi 4 Ë FAT 4} t At ee 8 d Ee _ zij, pe id ke % ds | ek - =i és, Y il Dl à \ ER RRRS 6 ENT, 4 > hes k N pe ' bd we f diane éne * ; E, -… Es j ij j “is zek ra d D . \ en “ ke \ Bs: kds wi is , et al heil h N Jp ee Ì { id Á ° Kl 4 A Nr % is vi $ | p 5 t AV] 4 A N 4 n hike kde Ld En Dj) 7 En Red N ‘ í ’ 7 nat 5 ri] GO Ee Ee ir PS En, Rad gE, _ Hd ERE ADR eh 5 AR d “ p . % Wp ï iet dj ehs EEN ka) Hì ER nen: s 5 Ver al Nj pn Ei ef ‘ à 48, bi k EN | AOR îy deni ond ‚k Gts uk Bers ORE ik ts d ik AT tk ; Te ring jas Rn K. we) RE, ag ia MUG. TE Al rik / « d pt gef st Ù Ne sl | Ak dt ot, id a de. Sepia vids # Ie “ n4ake2 | atd ze id at: bent Hel DE I ef {n stent var:dnd wats! ade af, blend, breid mans ef Mt iik Ai dine afs . rh. lln dh dh EE TP, Tabel A. | “Chemische zamenstelling van eenige NAMEN DER Koffijgronden in de residentie TUINEN. KADOE. Poerwotjatjor Ketanon Tagalsahari HAS, ter diepte van ter diepte van ter diepte van DER S BESTANDDEELEN. E À 1e 1 voet. 2 voet. | 5 voet. | 1 voet. 9 voet, 5 voet. 1 voet. 2 voet. 5 voet. gemiddeld gemiddeld gemiddeld TTE NN TONEN, PN Humus, plantenoverblijfsels 6.19 7.58 4,42 enz. 5.56 pt. 5.68 pCt.) 7.54pCt.| 7.46 pCt.| 7.57 pCt. 7.90 pCt} 5.56 pCt.) 4.46 pCt} 5.45 pCt} 8 / / Dt Sn 0.023 » Ù oost» 0,026 » EE Soda $ 5 5 Kalkaarde niet on- | 0.006» | nieton- | nieton- | 0.019» | nieton- | nieton- | 0.050» | niet on- 5 | Gips derzocht. | 0.054 » | derzocht. | derzocht. | 0.015 » f derzocht. | derzocht. | 0.005 » { derzocht, ( | 5 & | Chloor 0.054 » 0.044 » 0.050» j | S\ Kiezelaarde 0.002 » 0.002 » ® | = / Kalkaarde IJ 0:85 pCt.) 0.52 » | 0.78pGt./ 0.44pCt.\ 0.55 » | 0.55 Ee 1.05 pCt.) 1.74 » | 1.01 pCt re] S| Gips 2 0.075 » ? 2 0.085 » ? 0.112» ® 8 Magnesia ? 0.15 » P 2 0:08 » ? 0.17 » ( lt 5 IE 5 Aluinaarde 5.25 7.59 » | 4.76 » | 7.04 » (10.01 »p | 6.14 » | 5.70 » | 5.65 »l | en 14.91 » z | =$ IJzer verzuursel 4,64 y 5.20 » / | zE 4.50 » 5.07 » | 582 » 5.55 5.92 » 5.21 »/ 5 | Phosphorzuur 0.107 » 0.055 » 0.020» | Z | Kiezelaarde 2.94 » | 201 » | 216 » | 256 » | 55 » 2.54 » | 5.57 » | 2.14 )) 5 2 5 | S “oss 0.67 » 0.54 » 5 0.62 » ( 0.25 » | 5 \ Soda k \ 80.92 » 175.78 » (77.06 » 80.64 » 175.91 » 270. 89 pCt.l85.19 » [82.87 » 82.56 » En oplosbaar delete, ain | zand, enz, | BEOO 100 100 100 100 100 100 100 100 Tijdens de analyse bevatten de gronden de nevenstaan- | de hoeveelheden water 5.67 plt.| 6.77 pGt.| 9.74 pCt.) 6.52pCt.| 8.50 Bee pCt.) 2.54pCt.| 4.80 pCt.) 4.77 pCt. mmm mmm mmm Het watergehalte is, bij de bovenstaande uitkomsten, niet in rekening gebragt, maar vooraf van het gewigt der 4 alleen voor twee voet diepte in de drie eerstgenoemde gronden bepaald geworden, omdat er voor een en drie voet diepte duiden mede aan: p niet onderzocht,” — De grond van Tagalsahari is, in meerdere opzigten, de schraalste van allen, Si- Selo= ; Sekarlingo. \ gedong P retah Kradjang. van 48/49 HE ir dlink ì Leer L vt. diepte. : D Pp Od Jonge tuin. 47 pCt. (18.75 pCt. | 10.78 pCt. | 9.76 pCt. [11.24 pCt, )06 » } 0.015 » 0.006 » | 0.026 » —= 0.008 » 0.028 » Í 0.012 » 0.011 » )52 » 0.022 » 0.037 » 0.010 » 0,015 » J02 » 0.017 » |_0.008 » 0.005 » sporen. —- — 0.052 » 7 7 IMEC 9) 0.77» 0:62 » 0.75 » 0.66 » [19 » 0.129 » 0.255 » 0.090 » 0.120 » 0» ( 0.08 » 0,52 » 0.20 » 10.20 » 5.08 » 4,86 » 586 » » | 7,54 » | 4,07 » 605 » | 651 » D) | ? ARS) 1750) | 2.66 » D) | 0.57 » 0.26 » | 0,55 » » 622 5» W725 » 17616 » |7257 »p Ë 100 100 100 100 | 9.5(pCt. 5.86 pCt. | 5.90 pCt. | 9.16 pCt, | 6.95 pCt, ron) afgetrokken. — De in water oplosbare zouten zijn niefveel verschil te verwachten was, — De vraagteekens | UITTREKSEL UIT EEN VERSLAG OVER DE OORZAKEN DER UITSTERVING VAN KOFFIJ- BOOMEN IN DE RESIDENTIE KADOE, } DOOR Dr. P.F. H. FROMBERG. (1) Zamenstelling der gronden. hd Deze blijkt uit de bijgevoegde tabel A. Op deze tabel komen ook voor de resultaten onzer onder- zoekingen van vijf andere koffijgronden van Kadoe, namelijk , uit de tuinen: Kradjan, sSelo-gretah, Si-gedong , Sekarlingo (oude en nieuwe aanplanting). Deze meerdere onderzoekingen heb ik gemeend te mogen ondernemen, zoowel om onze kennis van Kadoe-gronden eenig zins uit te breiden, als om ook eenig verband uit te vinden tusschen den staat van het gewas en de zamenstelling dier gronden. Lager, bij de aanduiding van de meest gewigtige der in tabel A. opgenoemde stoffen, zal ik tevens het gewas, 200 als het zich in het laatst van 1849 bevond, kor telijk be- er 8 kh Dit verslag is der Natuurkundige Vereeniging aangeboden door het Ô Souvernement ter plaatsing in dit Tijdschrift. Rep. 196 Bij het onderzoek der drie eerstgenoemde gronden is het gebleken, dat zij eene aafimerkelijke hoeveelheid trachietgruis bevatten. Dit is alleen reeds daarom een nadeel, dewijl het waterhoudend vermogen der gronden er zeer door verminderd Ì wordt. Andere nadeelen, van ankie aard , zal ik straks pogen aan te wijzen. De voornaamste bestanddeelen, op tabel A voorkomende, en waartoe ik de vrijheid neem de aandacht te bepalen, zijn: | | f. de oplosbare (alkalische) zouten. 2. het phosphorzuur. 3. het zwavelzuur. 4. de magnesia. 5. de kalk. ° 6. de organische stof (humus en plantenvezels). Vooraf een paar woorden over het nut en de werking der minerale stoffen in den bodem. | | Zaden, in eenen grond geplaatst, die geene minerale stoffen _ bevat, en met gedestilleerd water bevochtigd, spruiten slechts weinig uit, sterven spoedig, en de plantjes bevatten dan juist zoo veel en dezelfde zouten, als ue zaden, waaruit zij zijn opgegroeid. | Dit bleek uit de proeven van WircmanN en POLSTORFF (prijs schrift, Göttingen 1842), welke kers in fijngeknipt platinadraad zaaiden. ‚ Ook uit die van en (Erdmann’s Journal v. 1850, No. 10), welke gerstenzaad in koolpoeder legde, dat verkregen was van kandijsuiker. | Ook is de groei hoogst gebrekkig, wanneer er wel minera- le stoffen, maar niet van de vereischte soort, in den bode ì zijn. b De tabak, die de heeren Wri1ecmanN en Porsrorrr in goet uitgewasschen kwartszand zaaiden, bekwam slechts vier bla den, en de plant werd niet grooter dan vijf duim, zonde stengel gevormd te hebben. | Bij onderzoek bleek het, dat het zand volstrekt geen phoë FE ê . 197 ‚ phorzuur, zwavelzuur en chloor bevatte, welke stoffen allen in gewonen tabak voorkomen. | Het verband tusschen dit, weinig opgroeijen , spoedig uitster- ven en afwezig zijn van minerale stoffen, springt duidelijk in het oog. De oorspronkelijke vruchtbaarheid des bodems hangt gedeel telijk af van de minerale stoffen, die deze bevat; daarin be- staat haar nut. De wyze van werking dezer stoffen is minder zeker bekend; maar als de meest waarschijnlijke neem ik aan : dat de afwe- zigheid of hetgebrek dier stoffen in den bodem de plant doet kwijnen; dat deze daardoor hare normale funktiën, waaronder ‚het bloeijen en het voortbrengen van vruchtbaar zaad de hoogste of eindresultaten zijn, niet meer kan verrigten; de inhoud der cellen zet zich op andere wijze om dan bij de getonde plant, hij vervalt allengs in gewone chemische ontleding, waardoor de plant sterft. À Î. De oplosbare (alkalische) zouten. __ Het schijnt weinig meer te betwijfelen, dat deze zouten, welke iedere voor den plantengroei geschikte grond in op- losbaren toestand moet bevatten, ook in hunnen aard niet onverschillig zijn voor bepaalde plantensoorten. _ De zouten van potasch en soda komen hier het meest in aanmerking. Evenzeer nu, als verschillende planten dezelfde minerale of anorganische stoffen in verschillende verhoudingen opnemen, evenzeer schijnt het zeker, dat één dezer beide al- Bkaliën (potasch en soda) bij uitsluiting of bij voorkeur door be- paalde plantensoorten wordt opgenomen. Zoo vindt men in den aardappel enkel potasch, en geene soda; in de, tot heden nog zoo weinig onderzochte koff, is de potasch althans hef grootelijks overwegende, zoo niet het eenige vaste alkali: en volgens de leer der phijsiologie, dat de planten, in norma- Blen toestand, alleen datgene opnemen, wat zij opnemen moe- ten, om haar bepaald karakter te verkrijgen en te behouden, HI. 15 198 kan geene plant daar in volkomenen staat groeijen, waar zij Ì de haar benoodigde stoffen niet kan opnemen. De asch van zeewieren bevat 16 tot 22V, perct. potasch en toch is er slechts eene zeer geringe hoeveelheid potasch in zeewater aanwezig, en daarentegen zeer veel soda. Het chloor daarentegen, dat een der hoofdbestanddeelen van het zeewater is, vindt men in sommige zeewieren slechts in zeer geringe hoeveelheid. Ook is het bekend, dat de kustplanten _ niet tieren op gronden, die meer binnenwaarts gelegen zijn; | op gronden, die enkel potasch en geene soda bevatten. Zoo blijkt het, dat eene plant, in de mogelijkheid zijnde, om de haar eigene soort (en hoeveelheid?) van een alkali in hare cellen op te nemen, daaraan voldoet, ook bij de zeer o- verwegende hoeveelheid van een ander alkali, ten einde in. normalen teestand te kunnen voortgroeijen. Indien de grond fe veel oplosbare zouten bevat, dan kan dit voor den planten- groei nadeelig zijn. Zulks schijnt althans te volgen uit eene proef, genomen door Maanus (Erdmann’s Journal v. 1850 NO 10), reeds boven aangehaald. Hij heeft namelijk eene zekere hoeveelheid kool, verkregen van witte kandijsuiker (en die slechts een spoor van minerale stoffen bevatte), deels op zich zelve, deels met eene zekere hoeveelheid der gewoonlijk in vruchtbare aarde voorkomende zouten vermengd, tot kweek grond aangewend. De verhouding dier zouten tot de kool be= liep, in zeven verschillende proeven, van ff, tot 15!) pts waarbij 5 perct. zouten van potasch en soda. \ De zaden wilden hierin niet groeijen, dan nadat het mee rendeel der oplosbare zouten door water was uitgetrokken. Ook in grof gestooten veldspaath, met 10 perct. der gewon anorganische bodem-zouten gemengd, wilde geen zaad opkos men. | Het blijkt dus, dat eene te groote hoeveelheid dezer zoute schadelijk is voor den plantengroei; en inderdaad , ofschoon hun volslagen gemis dien groei onmogelijk maakt, is toch slechts weinig van noodig in direkt oplosbaren staat Maaenus zaaide gerst in enkel, deels zeer fijn gemalen, veld. hets Á | d E 199 „ Spaath, en verkreeg ontwikkelde gerstenplantjes, een van twin- tig duimen hoog en met vier rijpe zaden. De anders vrij aanzienlijke hoeveelheid potasch, die het veldspaath bevat, is in eenen bijna onoplosbaren toestand aan- wezig, en kon eerst bij zeer kleine gedeelten door den invloed der atmosfeer oplosbaar gemaakt worden. Eenige proeven van Worrr, mij eerst zeer Onlangs bekend geworden (Erd- ‘mann’s Journal 1850 No. 17 en 18), geven eenige aanduiding, hoeveel oplosbare alkalische zouten voor eenen bodem genoeg, en tevens het maximum is, om een zeer aanzienlijk produkt te bekomen. __ De uitkomsten waren als volgt: Van Keukenzout 1200 à 1800 kil. per hektare of 0,048 pCt. tot 0,072 „ _ „ Soda 860 Dn os ORO USA _ » Zwavelzure soda 1200 SNr, > of0,018 „ \ „ Potasch 2160 Vat > _0f0,086 „ A Salpeter _ 1200453800, „ „ of0,018 „ 8 Lob LG _» Zwavelzure magnesia 1000 RT > of0,040 „ B Kalk 900 41600, „ a TORO _ Dit is berekend voor zes duim diepte. De grond van een hektare (à 10000 o meters) bij een soortelijk gewigt van 1,5, ter diepte als boven, weegt ongeveer 21), millioen kilogrammen. | Terwijl hier, aan den eenen kant in aanmerking komt, dat elk der bovengenoemde zouten in meer dan de aangegevene hoeveelheden gebezigd, eene vermindering van produkt veroor- zaakte, zoo moet, aan de andere zijde, vermeld worden, dat de proefgrond gevormd was, door opbrenging van eene zeven duim dikke laag ijzerhoudend kies, terwijl de onder- grond zandig was. Op meer humus- en kleihoudenden bodem zou zeker eene veel grootere hoeveelheid dier zouten aanwend- baar en nuttig geweest zijn, en indien deze zouten allen te ge- dyk met den grond waren vermengd geworden, dan had hun- ne hoeveelheid zeker nog veranderingen kunnen ondergaan. “9. Het Phosphorzuur en 9. Het Zwavelzuur. Deze zijn mede geheel onmisbare bestanddeelen van eenen bouwgrond, en wel om redenen, overeenkomende met die, hier- boven voor de akaliën aangevoerd. De planten, door WreeMann en 1 Porsrorrr in zuiver kwartszand gezaaid, namelijk wikken, gerst, haver , boekweit, tabak en klaver , groeiden allen kommerlijk, ga- ven geen zaad en stierven spoedig. | De beide bovengenoemde zuren waren niet in het kwarts- zand aanwezig. Zij zijn in alle planten bevat, en deze moe- 5 ten ze dus in den bodem vinden, waarin ze zullen groeijen. De lager aan te voeren uitkomst van het onderzoek der kof- fij, in het laboratorium alhier uitgevoerd, zal het gezegde ook op deze plant toepasselijk maken. Wat hoeveelheid betreft, van het eerstgenoemde zuur kan een bouwgrond zeer veel bevatten, zonder nadeel voor het ge- j was, omdat het in den bodem steeds ín moeijelijk oplos-_ baren toestand voorkomt, hetzij met kalk of met ijzeroxijde en aluinaarde verbonden. Dit mag ook voor het zwavelzuur gelden, dat bijna enkel in de gedaante van gips (zwavelzuren kalk) in den bodem gevon- den wordt. Ik herhaal weder, dat dit enkel geldt, zoo er ge- ' noeg humus aanwezig is; want deze heeft eenen belangrijken_ invloed op de verbindingen en werking der minerale stoffen in den grond. 4 hi. De Magnesia en 5. De Kalkaarde | zijn mede onontbeerlijke grondbestanddeelen, doch in ee | tweeledig opzigt. | 1°. als onmiddelijk voedsel voor de planten, en 20, als dienende ter verbetering van den phijsischen toestand. des bodems. | Deze schijnt daarvan eene veel grootere hoeveelheid zonder nadeel voor de planten, ja met voordeel, te kunnen bevatten, dan van de eigenlijke alkalische (potasch- en soda-) zouten. 5 Dit geldt vooral van den kalk, doch weder alleen bij aan= wezigheid van genoegzamen humus. Ik heb eenen zeer vrucht- 201 £ baren grond uit Surreij (in Engeland) geanalijseerd, die At perct, en eenen anderen uit de vlakte van Athene, die 38 perct. kalk in verbinding met koolzuur bevatte. 6. De Humus eindelijk is voor den grond van zeer wezenlijk belang. De door praktijk gevestigde overtuiging hiervan bij de landbouwers is later, niettegenstaande de tijdelijke overstemmende tegen- spraak van een’ Duitschen scheikundige, ook door wetenschap- pelijke proeven en onderzoekingen bevestigd geworden. | Het nut en de werkingswyze dezer stof is veelsoortig, en hangt voornamelijk af van hare voortdurende ontleding, waar- door een deel in oplosbaren- toestand overgaat of in de be- kende bodemzuren veranderd wordt. Daardoor ontstaan verbindingen met de verschillende mine-_ rale stoffen in den grond en met de stikstof, die door middel van den humus in amvmondakverbindingen overgaat. Tevens is de humuseen krachtig middel tot openmaking van den grond, en tot vermeerdering van zijn waterhoudend, en water en zuurstof-opnemend vermogen; eindelijk tot afwe- ring der overmatige warmte. Eene korte opgave moge dit verduidelijken. ed ED ri te GANDA Ege ‚| Vermogen om water Ee © w Ke el o Ne SS Av op te nemen. De © 95 es eg Pz] == Dr Dv Ee L ie: ss rte Te EEEN ed oE ZES SS ISES ‚ Namen der stoffen. EN ORN 5 2e 8 a 2 A Se ed 5 5 H° laas) se le8S| 8 zi | LE dbsel® Ib Ë =r ê» | Kl Zl os d N= | | „je [&S w 1 | | ror 0 | 1,6 | 95,6 25 | 20 } drie à vier. Kalkzand. … 0; 5,6 100 29 20 uren. Thoon- of aluingrond.| 400 | 15,3, 66,7 | 70 | 80 | 20 24 uren Koolzure magnesia. 11,5 | 17,0 | 38 | 456 | umus, - 8,7 | 20,3 49 | 190 , 100 | 1 à 2 uren. at #l … De laatste kolom duidt aan, dat in den genoemden tijd de 202 opneming van water geeindigd, dus de stof met water verza- digd was. Deze getallen behoeven bijna geene verklaring. Men ziet er uit, dat humus slechts #/,, der vastheid heeft van thoon, ruim 12 maal zoo veel zuurstof. opneemt als zand , bij gelijke hitte van de lucht ongeveer de helft minder ver- warmd wordt dan zand, bijna 8 maal zoo veel water terug- houdt, en in de halve tijdsruimte 5 maal zoo veel water op- neemt. De belangrijkheid van eenigen dezer eigenschappen verdient nog eene korte uiteenzetting. Vermengd met thoon, eene in sommige opzigten en voor som- mige planten zoo voordeelige grondsoort, verbetert de humus _ het nadeel van te grooten zamenhang; aan zandgrond deelt hij k een grooter vermogen mede om zuurstof uit den dampkring Ä op te nemen, waarmede steeds eene geringe hoeveelheid | ammonia vermengd is, terwijl hij tevens de verwarming van den grond door de zonnehitte matigt, en zijne aantrekking van | het water verhoogt. Het is verder bewezen, dat die opneming van zuurstof ver- meerdert met den staat van vochtigheid des gronds en dat zij bij droogen grond geheel nul wordt; zoo ook toeneemt, met de vermeerdering van warmte en van licht, dat is, van \ de helderheid der lucht. fi De humus mag dus gezegd worden, zoo zij niet ten eene male door digten plantengroei overschaduwd is, in gelijkelijk klimmende mate geschikt te worden (en dus den grond geschikt te maken), voor twee, tot de goede ontwikkeling der wortels zoo noodige werkingen t.w. opneming van en chemische vers binding met zuurstof en vasthouding van water, het vereischte oplosmiddel voor het voedsel der planten. Deze twee eigen= schappen worden versterkt, door dat de humus betrekkelij weinig warm wordt, zoodat hij bijna enkel de gunstige werking der warmte, namelijk de bevordering der opneming van zuurs stof, ondervindt. | Een paar vergelijkende proeven zijn alhier gedaan, omtrent he „ water opnemend en terughoudend vermogen van twee koffij- gronden, namelijk uit tuin Tjikolle in Buitenzorg, die water- vrij 9f perct., en uit tuin Tagalsahari in Kadoe, die nog geene 4!/, perct. humus enz. bevat. De resultaten zijn deze. Tjikolle kan opnemen 77,3 perct. en Tagalsahari 36 perct. water. Hiervan was verloren: 205 door Fjikolle « Tagalsahari. na 48 uren 0,60 perct. 1,28 perct. OB dy, 1,80 »;, 1,84 „ ol) Ag de es, 3,29: Zoowel het water opnemend, als het waterhoudend vermo- gen is dus in Tjikolle veel sterker dan in Tagalsahari, en wel ten gevolge van het grootere humusgehalte. Doch van den humus is nog meer te zeggen. _ Eene zijner, niet het minst gewigtige, werkingen is het, die hij uitoefent in verband met de alkalische zouten en de, in den grond en in den dampkring aanwezige stikstof. Het is reeds herinnerd, dat bij een behoorlijk humusge- halte, de grond door eene groote hoeveelheid zouten van al- ‚kaliën en kalk minder schadelijk voor den plantengroei wordt. Naar de zeer aannemelijke verklaring van den hoogleeraar G. J. Murper, worden deze minerale zouten, in de plant overgaande, van hun phosphorzuur en zwavelzuur beroofd, welke zu- ren verder in phosphor en zwavel veranderd, het plantenei- wit en andere proteïne-ligchamen helpen vormen. _De daartoe noodige organische bestanddeelen worden door een deel ammonia houdenden humus geleverd, en een ander deel humus helpt (door middel van de vrij gewordene alka- liën, kalk en magnesia) de zuren en andere stoffen voortbren- gen, waardoor zich de verschillende plantengeslachten ken- merken; zij treden er zelfs mede in chemische verbindingen. |_De bouwstoffen tot die eigenaardige voortbrengsels worden dus mede voor een groot gedeelte door den humus geleverd. \_ Om de door sommigen vooronderstelde werking van den hu- ius, als bron van koolzuur, eenigzins te beoordeelen, heb ik 204 en den zoo humusriijjken grond een der gronden van Kadoe, uit tuin Tjikolle, drie dagen lang met gedestilleerd water zon- der en met koolzuur, afzonderlijk behandeld. rij De uitkomsten daarvan zijn in tabel B opgeteekend. het volgende uit . zien er PETE red on ero loogoo | 967 an 21100 06000 21000 18000 “annzjoavag 63400 | 94700 OTT00 09500 T8600 74000 EN 08500 08700 00500 T0600 “yoserod ua (4) epos st q ueA Surjoysuourez of 58700 | 00500 | S6500 } 07000 ai ee ed be, Ì 57000 85000 | “tmnzaoydsoyd uo josannzaoAzozprf T7500 | 66000 | TS500 | FOLOO “TEI 57000 66000 “IPIYBUD 67 T00 ZF TOO "Z[9ACAZ 89700 SST00 ‘opaegrozern stp ueA SuIjjorsuowez og : 08500 LvT00 | 'snwny oxeqsojdo uo mmnzrooy snq 08600 | 08600 |_80400 | 802400 "burfiooyb op vu uo"q 00TO | 09200 | O7STO | 06600 09910 | oTzTO | <80TO | 08800 “durssoydo ordurep —98jn Soorp Anoru do zap 191MaH) 0vzoo | 'sd:3 | 08500 08700 | “PIT | 88500 “(topy) uororge® Snaar «o “Jore ur Sulssojdo 1apaa (ig 00TO vcr0 vsTo £0T0 “uogojs ojetour mf £710 6800 9600 1809 |'snwny ue annzjooy :ymm opuveisog S850 5050 OT50 vSTO "uogors ojsojedo op ployrooAsop mmm “19}e AA “19JEA (raa amnzjooy | puopnoyamnziooy (tra mnnzrooy | puopaoysmnzjooy puot8 jow prepueueg your propueyog uajsop 0QL Ut uojsoppueisog EEE MME TT DE ri En oe ne Conert pj eet ATTONICL IAVHYVSTIV9V L “uajoospuodb aam zin warysyougobpn Loya (an-annzg0oy uo puopnoy-unnzjooy Joop ualfoys aop zons opuoyligobuar ‘dq 190e1 rr en ' Er. Tagalsahari. behandeld met koolzuur minder opgelost: dit mindere bestaat alleen in anorganische of minerale stof. Het mede doorvloeijijjen van klei werd belet; eerst bij het uitspoelen met koolzuurvrij water vloeide we- der klei door. De in deze klei aan- wezige kalk werd niet door het koolzuur uitgetrokken. In de opgeloste zouten was meer ‚ potasch en zwavelzuur, maar minder kalk. De kalk schijnt hier (door gebrek aan oplosbaren humus?) in een weinig oplosbaren toestand te zijn. Voor het chloor was geen verschil. _ niet aanwezig, dus ook hoogst zonder koolzuur Het meerder uitgetrokkene bestaat ten deele in mede doorgevloeide kleis Hierin is veel kalk. De hoeveelheid daarvan Ë was zeer groot; de drooge zoutmassa vervloeide; gips bijna weinig zwavelzuur. Tjikolle. dè met koolzuur _ minder opgelost, doch van het anor- p: ganische of minerale gedeelte alleen, smeer. Van potasch, en vooral kalk meer uitgetrokken, chloor insgelijks meer. { ek __Voor het gips geen verschil; gelijk. behandeld zonder koolzuur meer organische stof opgelost, geene klei mede doorgevloeid. dus ook het zwavelzuur bijna De potasch en kalk zijn dus beiden in eenen ligt ontleed- en _oplosbaren toestand. Het uitwerksel derzelfde behandeling van deze twee grond- soorten, zoo verschillend in humusgehalte, is dus zeer ver- Schillend geweest, en ten aanzien der gemakkelijk oplosbare zouten, leert de vergelijking: 206 Dat er in den grond van Tagalsahari meer chloor, doch minder zwavelzuur en gips en minder potasch is, dan in dien van Tjikolle. Het chloor ís van de hier genoemde zelfstandigheden de minst gewigtige voor den plantengroei. [ Het is van veel belang, de hoeveelheid en den toestand der ligt oplosbare zouten te kennen. Ten aanzien der hoe- veelheid op de tabel aangeteekend, vraagt men: Is er in den grond Tagalsahari te veel van, in betrekking tot het humusgehalte ? Of wel, is deze grond geheel uitgeput te noemen ? De alkalische zoutmassais in Tjikolle even groot, en ik ge- loof daarom, dat er in Tagalsahari betrekkelijk te veel is. Wij hebben boven gezien, dat hiervan niet zeer veel behoeft aan- wezig te zijn, maar in Tagalsahari zien wij tevens eene groote vermindering der meest noodige oplosbare zouten. Dit leidt tot het besluit: dat in den laatstgenoemden grond eene algeheele, dadelijke uitputting bestaat, waardoor hij langen tijd voor het kweeken van planten ongeschikt zal zijn, ten ware er doelma- tige bemesting worde aangewend. Voor de gronden Ketanon en Poerwotjatjor geldt hetzelfde ofschoon in mindere mate, gelijk lager zal blijken. De vraag naar de grenzen van de hoeveelheid humus in vruchtbare bouwgronden, is niet wel algemeen te beantwoor- den. | | Ik heb gronden geanalyseerd, die meer dan 80 perct. hu- mus bevatten, ja tot 90 perct. toe, —ware veengronden, geheel ongeschikt voor den landboaw ; maar beneden dit maximum js voor het eene gewas nog nuttig, wat voor het andere — reeds onvruchtbaarheid veroorzaakt. Nog duidelijker spreekt dit in de minima. Haver en boek- weit tieren welig in gronden, die voor tarwe en knollen, wegens gebrek aan humus, ongeschikt zijn. Ook schijnen klei- — en leemgronden zich, over het algemeen, het verst van de _ beide grenzen te verwijderen. Maar van meer belang is de hoedanigheid van den humus, de Pd 207 hoeveelheid van het oplosbare gedeelte, dat zich met de anor- ganische stoffen verbindt. Door de voortdurende inwerking der dampkringslucht namelijk, wordt hij, bij kleine gedeelten, in eenen oplosbaren toestand gebragt; en het is de hoeveelheid van dat oplosbare gedeelte, die zijne dadelijke vruchtbaarheid bepaalt. De uitkomsten, die ik hier omtrent verkregen heb, met die van andere vruchtbare gronden zamengesteld, en vereenigd met eenen vergelijkenden staat der vroeger behandelde hoofd bestanddeelen van gronden, zijn opgeteekend in tabel C1. Een blik op de vier laatstgenoemde zelfstandigheden (de stik- stof en het water niet gerekend) kan het gezegde verduidelij- ken. De werking van koolzure ammonia kan beschouwd worden als, in zekere mate, overeenkomstig met die der dampkrings- Jucht; zij ontbindt ook de humuszure kalkzouten. Nu, Tjikolle heeft van dit humuszuur eene fwintigmaal groo- fen hoeveelheid opgeleverd, dan Tagalsahari. En vergelijken wij de laatstgenoemde grondsoort met die van Selogretah en Sigedong, beiden ook uit Kadoe, ten aanzien der veel sterkere werking van de koolzure soda, dan zijn de verkregene hoe- veelheden uitde twee laatsten meer dan honderdvoudig van die uit Tagalsahari, waarvan bovendien het uitgetrokken humuszuur eene (gansch ongewone) graauwgele, in plaats van zwartbruine kleur had. Daar nu in Sigedong het geheel der organische stof slechts vierdubbel en in Selogretah slechts dubbel is van dat in Tagalsahari, zoo is het blijkbaar, dat de hoedanigheid veel spoediger dan de hoeveelheid het minimum van vruchtbaar- heid bereikt, hetwelk wij bij Tagalsahari zien uitgedrukt. Tjikolle leert dit nog duidelijker, daar de werking der kool- zure ammonia meer overeenkomt met de natuurlijke omstan- digheden, dan die der koolzure soda. Doch voordat ik overga tot verdere aanmerkingen op tabel CL. moet iets gezegd worden over de tien grondsoorten, die nevens de drie onderwerpelijke Kadoe-gronden, op de tabel voorkomen. bad Le] è id 056'S | 008'sr| 0966 | 09T'6 006:e o98e |oge:e |oosr | ooe'g | 0249 "oyjeyadaore AA 0660 0080 0550 0530 id ê CE Ed id ser 0 | OETO | 5400 JONS Oer 0858 |060'S 09608 OFGT T| 094'6 780'T OSL'8T\ 0473 [OSE TY | OEE L | 098'G “zuo_‘snur -ny “jojs ayostuedIo 1op 199yo5 * ë é ê ë è À c 0cs'9 | O88'SG | 4700 é ê F8 A « « « ë É é 0970 é é ê ê id 5500 ë ê B 5 « oM & & & è é ê ê ë c ê é è 400'0 ë é “1 (‘uowwe oP BA EN OE 0580 (0850 | O7O'T ‚ O97'O | 00T'O | OESO | 0460 | 5400 | OTE'O |938'O | 9T0'O | S40'0 | S7T'O « elsouse nf 0840 088'0 \085'G 00G'O |STL'O | O4L'O [OET'O | 869'0 | 0840 'Z6TO | OTG'T | 564'O | 08G-0 « e opreene 040°0 | O8T'O ë | 0670 é Ae é é ê d 050'0 | S50'0 | 4OT'O « % annziouydsoyg ( 9GT'O 10400 | E5O'O | STO'O | SEO'O | £S0'O |6F0'O | 9700 | SEO'O | TEO'O “IBEQSOT ë 0600 | OF5'O -do annzjnozooz u1 ‘pT PI | 500 | 800'0 [900'9 | S00'O | 500'0 6000 | 8TO'O { 500'O | 900'0 | 7TO'O “zeegsordo Joye ur “(sd19' sye) annzjoac ag 25 ê ë 10840 | 8400 fd ê ê ê 860'0 | 7ST'O | 6010 ‘epos uo yosezod 5 utA uojnoz odegsojdo 1ojeA uy 5) | EROTIC EDE EDEN TE EERE DEE ENE SEEN TE NELE FOREST EDE DIL TECE TVRL BET DECT DEE TAS CE GET KNS A OE PRN EDEN NELE RELOAD IE RN ARTE le SRE CEE ae | ‘uin} GS REN sene ai í 2 EP 8 5 5: 38 LR 5 2 ‘uojsoppueisog oLAUIAOIT pe Ze 5 8 5 Ae D 9 El ES cl ee 9 5 > e 9 WasOUuIo YPS I, ‘oSulpIejag sr e - = “wapwagoad ur wopsoospuorb oumqyyonda dooz sjoop ‘adopuw wpa ua “uopuoubd-aoppy atp op upa wopdoppumjsoqpfooy vop gomys opuoyliob.1o A ‚D Ieqel 209 Van No. 4 tot No. {0 zijn het alle Java-gronden, en wel met uitzondering van No. 10, allen uit Kadoe. In den regel zijn de in het wild groeijende planten net rijk aan stikstof en phosphorzure zouten. Kultuurgewassen, vooral die, welke tot voedsel dienen en op goed bemeste gronden groeijen, zijn daaraan veel rijker. Zij le- veren meer zaden, de hoofdzetels dezer gewigtige stoffen. Van daar dat de humus-rijke grond in de eeuwen-oude wouden verre is, van altyd tot voordeelige kultuur geschikt te zijn. Deze zoo genoemde geile gronden bevatten te veel water, le- veren te veel water aan de wortels, bevorderen te veel de snelheid van groei en den omvang van het gewas, ten koste van de hoeveelheid van zijne wezenlijkste of vruchtdeelen , dat is: van zijne hoedanigheid; en alleen door herhaalde be- planting met niet veel lommer gevende gewassen, kunnen zij eindelijk goede kultuur-gronden worden. De bovenlaag der gronden is niet alleen een woedend medium voor- maar ook een produkt van de daarop levende en sterwen- de planten. Uit het gezegde volgt dus daf, en blijkt de reden waarom, goed en met bemesting onderhoudene kultuurgronden, des te vruchtbaarder worden, naarmate zij langer worden bebouwd: en tevens, dat wefputting van den grond eene slechte kultuurwijze verraadt. | De humus der gronden verschilt in zijne zamenstelling naar den aard der planten, waaruit hij ontstaan is: sterven de plan- ten niet ter plaatse, waar zij gegroeid zijn, of verzuimt men een ekwivalent voor het in den oogst verwijderde gedeelte, als mest, aan den grond terug te geven, dan is witputting het nood- zakelijke gevolg. Over het nylslijk zal het, ter opheldering, voldoen te zeggen, dat dit bestaat uit de, van het Abijssinische gebergte afgespoelde en verweerde rotsfragmenten, bij het terugtreden der rivier ach- 210 tergelaten, en dat het groote vruchtbaarheid aan een gedeelte der delta van Neder-Egijpte geeft. De tschernosem of zwarte aarde, die in het zuiden en zuid- westen van Europeesch Rusland over eene verbazende uitgestrekt- heid tusschen 54° en 57° N.B. verspreid is, munt uit door haar produktief vermogen. Reeds bij zeer matige bewerking, brengt zij, zonder mest en vele jaren achtereen, 15 à 20 voudig zaad voort. De hennip en tabak van dezen grond zijn door al te weelderigen groei onbruikbaar en waar de grond bemest wordt, is alle landbouw onmogelijk; dáár groeijen enkel brandnetels van 10 à 15 voet hoogte. Slaan wij nu nog een vergelijkend oog op de overige stoffen in tabel C! genoemd, dan zien wij een algemeen nadeelig ver- schil tusschen hare hoeveelheid bij de drie Kadoegronden, Poerwotjatjor, Ketanon en Tagalsahari en die van Tjikolle, de tschernosem en het nylsljk. Vooral gewigtig is het groote gebrek aan zwavelzuur (als gips aanwezig), phosphorzuur en magnesia, in Tagalsahari en Ketanon. Van Kalk zou, zonder eene gelijktijdige toename van humus, eene belangrijke ver- meerdering niet raadzaam zijn, vooral met het oog op de straks te bespreken tabel E. Tabel E. Zamenstelling van het in verdund zeezoutzuur onoplosbare gedeette van de gronden. mn eee sore 8 8 in 55 s 5 . had emd dt tt Bestanddeelen in 100 deelen EE EE aken cs wr grond. E 5 23 58 | deo ge o | oe P- En P | aak hand , Í Kiezelaarde. 5533 4415 5545 Aluinaa de. 1720 1948 |metijzer- 3 2922 Kalkaarde. 582 729 [verzuursel. } 614 Magnesia. 097 111 085 Zie boven. Potasch , soda en verlies. 775 834 IJzerverzuursel. 1541 | 2022 { | 100 Bece dirscil 211 Tevens blijkt uit tabel C°, dat de reeds geringe hoeveelheid magnesia in eenen onoplosbaren toestand is. Eindelijk, ten aanzien der voor den plantengroei zoo noodi- ge stikstof in den grond, zijn de verschillen hoogst aanzienlijk, en wel ongeveer in de volgende verhoudingen. Tschernosem (maagd. grond). ° . : ; 100 Tjikolle (koffijtuin). 6 ; ë 8 ' 65 Fschernosem (lang bebouwd zonder bemesting). . 30 Nijlslijk. : : 7 Á Ù f 3 À 22 Ketanon. 8 : 8 - 6 ' 13 Tegalsahari. . . ‘ ë : 4 12 Poerwotjatjor. é : ; 8 Zonder deze stikstof, die door de wortelsponsjes in den vorm van ammoniak, en in verbinding met humuszuur wordt opge- zogen, kunnen de planten geen eiwit, enz., koffij bovendien geene caffeïne vormen, en zonder caffeïne geene koffij. Wij zien overigens uit deze tabel, en uit tabel C° zal dit nog verder blijken, dat van de drie onderwerpelijke gronden de een meer, de ander minder van zekere stoffen ontbloot is. Op tabel C? is de zamenstelling van het @n water oplosbare gedeelte der Kadoe-gronden en van Tjikolle opgegeven. Daar- uit blijkt onder anderen: dat Poerwotjatjor en Ketanon meer potasch en zwavelzuur bevatten, dan Tegalsahari, en daarin met Tjikolle kunnen wedijveren; welken zij echter, even als Tegal- __sahari, in chloorgehalte overtreffen. De geringe hoeveelheid, en vooral de toestand der organische stof in de twee eerstge- noemde gronden schijnt meer tot hunne onvruchtbaarheid bij te dragen, dan gebrek aan alkalische zouten. Het gips, door het zwavelzuur voorgesteld, is een voornaam bestanddeel; het is op zich zelf zeer weinig oplosbaar in water, meer bij tegenwoordigheid van humus (Î). Het chloorcalcium (ongeveer (1) Onder zijne bemiddeling is het voornamelijk, dat het gips door kool- zure ammonia ontleed wordt. Daarbij ontstaat de zeer oplosbare zwavel- zure ammonta; en deze is een der hoofdmaterialen ter vorming van de proteine- en andere stikstofhoudende ligchamen in de planten. 1 CONSIE ies Gors ss Tschernosem. RTS en > 5 Ss AS ==) hb | ian = ses Ss 28 E- 10 Al 10 © 19 Bees Fm an > ded Nijlslijk. 5 ie} mmm De Là el lj Nn el De © les 1 et Rejkn ae en Tjikolle. appie Ee S Co ==) 00264 Kaak 00331 00017 ? P 00498 01110 00224 Tagal-saharie, Zamenstelling van het in water oplosbare gedeelte der drie Kadoe- gronden, en van eemge andere. En! TED LD OD emd [1D DOD DeNENE TiS 18 Ketanon. 5 Sessa © SSS A AAA een | pretnet SS ‚Poerwotjatjor. © SSSssle | s SSS D s EE: KZ Lb . 0 2 ) vS =) 55 © 28 bh GE: Eh: Eh o >; A lie | 5 en k ka Eesveen a = ed u dj Ë BE 38 Pe] id NN 3 5 en == 7 TE DIE eg Ei) ® Dur rnoS sE | 2 & Sos ED ei oo TtEoOd © u 8 door het chloor voorgesteld), dat ik in Tegalsahari heb gevon- den, is wel hoogst oplosbaar, ook zonder de inwerking van hu- mus, maar het is niet voldoende ter vruchtbaarmaking, en kan eerder dan de andere stoffen nadeel doen, als het eenig-_ zins in hoeveelheid toeneemt. FP, Ik zou, op denzelfden voet voortgaande, ook vergelijkingen tusschen de drie onderwerpelijke en de overige, op de Cab voorkomende, gronden kunnen daarstelien. & 215 Doch kortheidshalve meen ik dit hier te mogen nalaten ; eene eenvoudige vergelijking der cijfers, vooral die tegen over de woorden phosphorzuur, zwavelzuur en stikstof geplaatst zijn, zal voldoen, om de armoede dezer gronden, ook in verge- lijking met andere, te erkennen. De gronden der tuinen Ketanon, Tegalbangle en Fjikolle, meer opzettelijk onder geheel dezelfde omstandigheden, en met ge- lijkelijk verdund zeezoutzuur analijtisch behandeld, hebben de uitkomsten opgeleverd, die opgeteekend zijn in tabel D. Tabel D. Vergelijkende staat van de zamenstelling der gronden Tjikolle, Tegalbangle en Ketanon, geheel onder dezelfde omstan- digheden behandeld. In 100 deelen. _Tjikolle. Tegal bangle. _ Onoplosbare Ben, zand, enz. 4791 7371 7876 _Oplosbare kiezelaarde. 398 187 222 _ Kalkaarde.. 047 043 083 Magnesia. 043 097 099 _Phosphorzuur ijzer. 144 038 012 IJzerverzuursel. 415 337 432 Aluinaarde. 301 454 263 Organische stof, humus, enz. 3115 1473 733 Potasch, soda en verlies. 146 280 100 | 100 [100 ik Wij zien hieruit overal het zeer opmerkelijke verschil, tus- schen de hoeveelheid oplosbare kiezel- en aluinaarde, alkalische zouten en het onoplosbare gedeelte, alles ten nadeele der gron- den uit Kadoe. Ô _ De in verdunde zuren oplosbare, alkalische zouten staan in HI 16 214 zekere verhouding tot de oplosbare kiezel- en aluinaarde, en beider oplosbare toestand is aan de inwerking van den humus toe te schrijven. Al deze stoffen werden uitgetrokken door zeer verdund zee- zoutzuur, van gelijke sterkte, en zij duiden eenigzins aan, hoe- veel voedsel na verbruik van het dadelijk oplosbare gedeelte, voor de planten spoedig bruikbaar zal zijn. Naarmate dus meer aluinaarde uit het onoplosbare deel der gronden uitgetrokken wordt, naar die mate vermeerdert ook hun waterhoudend vermogen en, ceteris paribus, de vruchtbaarheid. Ketanon bevat hiervan dê helft minder dan Te- galbangle, en slechts een vierde van Tjikolle. Boven heb ik gezegd, dat de drie hoofdzakelijk onderzochte | gronden van Kadoe voor langen tyd (niet voor altijd) onge- 4 schikt zullen zijn tot eene voordeelige kultuur, en inder- â daad bevatten zij nog stoffen genoeg, die de vruchtbaarheid ver- E oorzaken, maar in eenen onoplosbaren, als het ware opgesloten, dus niet ín eenen dadelijk bruikbaren staat. De uitkomsten \ op tabel E. bijeengesteld, duiden dit aan:zij toonen aan de za- í menstelling van het in verdund zeezoutzuur uiet oplosbare ge- 4 deelte dier gronden. De hoeveelheid kalk en alkaliën, daarin als weggelegd, is nog aanzienlijk, en ook van magnesia is er nog voorraad. Doch dit alles is voor de gewone inwerking der atmosferische invloeden slechts weinig toegankelijk, daar ' die werking niet geholpen wordt door eenen aanhoudenden plan= tengroei, de bron van den humus, en dus mag deze schat van } vruchtbaarmakende stoffen met regt als bijna geheel weggesloten aangemerkt worden. Dit is te meer waar, omdat de ontbin Ì ding dier vastgelegde zouten gedurig moeijelijker wordt. B sl de eerste ontleding van het veldspaath in den grond, wordt een zoogenaamd onderkiezelzuur alkali, hetwelk oplosbaa 4 is, door den regen uitgewasschen. Daar nu een onderkies zelzuur alkali eene verbinding is, waarin de verhouding vam het alkali die van het zuur overtreft, zoo moet die van het laatste in het overblijvende, niet opgeloste gedeelte, aanhoude 3 toenemen. Naarmate dan de verhouding van het kiezelzuur te ER gr kre 215 gen over het alkali grooter wordt, vermindert ook de oplos- baarheid van het kiezelzure alkali (dat dan het bijvoegsel over, in plaats van onder bekomt). Men ziet hieruit, dat een zekere grond, in wolstrekten zin vruchtbaar, maar betrekkelijk onvruchtbaar kan zijn voor hetzelf- de gewas. Die betrekkelijkheid wordt gegeven door den tijd, “welke verloopen moet, om de elementen van vruchtbaarheid in werkzamen staat te brengen. Het zij hier kortelijk herhaald: dat de humus in de drie on- derwerpelijke gronden de.noodige hoedanigheid miste en te ge- ring in hoeveelheid wk, om tot oplosbaarmaking van het nog in den grond opgeslotene plantenvoedsel te kunnen mede- werken. Zij kon daarbij ook geene genoegzame afkoeling be- werken en geen vocht genoeg in den grond terughouden,. waardoor de, te allen tijde noodige, voorraad van voedsel in opgelosten toestand moet gehouden worden. Eindelijk, de hoeveelheid minerale stoffen, in water oplosbaar ‚„ schoon zeker dn massa niet te weinig, tegen over de geringe hoeveelheid hu- mus, bevatte niet of verre van genoegzaam, die zelfstandighe- den, welke voor den plantengroei, voor het kweeken van koffij in het bijzonder, noodzakelijk zijn. _ Een enkel woord nog, over de medewerkende voorwaarden fot vruchtbaarheid der gronden. Immers de grond zelf is niet de eenige oorzaak daarvan, maar Klimaat, ligging, weersgesteld- heid zijn wezenlijke hulpmiddelen. _ Bij gebrek van licht en warmte, of bij te grooten overvloed van vocht in de lucht, kan de vruchtbaarheid grootelijks afne- men, ook al bevat de grond de vereischte stoffen in oplosba- ren toestand en al zijn er reeds bladen aan de plant aanwe- zig. Er is dan te weinig of geene capillaire opstijging in den grond, geene verwaseming van de oppervlakte, geene of zeer weinig opklimming van vochten in de planten, wier cellen in- oud dan te waterachtig is, en ook geen aanvoer van mine- tale zouten. Men heeft dan tydelijke of ook periodieke on- chtbaarheid. Door witmergeling van den grond ontstaat be- slendige of blijvende onvruchtbaarheid, die echter niet alleen AR NA BE Een | AAN vre ê a hi Dn 216 hare graden heeft, maar ook voor verschillende gewassen ver- schillend begrensd is. Thans zal het noodig zijn, tot staving van het bovengezegde E over de ongeschiktheid der drie gronden voor de koffijkultuur, een en ander over de zamenstelling der koffij zelve te zeggen. Alleen bij zoo veel mogelijk, normale zamenstelling, kan eene plant gezond opgroeijen en vrucht dragen; de daartoe benoodigde minerale stoffen kan zij enkel uit den grond be-_ „komen. Wat wij dus aan minerale stoffen in de gezonde plant vinden, moet de grond waarin zij groeijen kan, in toe- reikende hoeveelheid bevatten. ! Die minerale stoffen verschillen zeer in de verschillende dee- len eener plant, en daar die verschillen, over het algemeen | genomen, vrij bestendig zijn, zoo mag men de, in elk hoofd-® deel dier plant voorkomende stoffen beschouwen, als aan haar eigen te zijn. Planten van dezelfde soort, vooral de niet van nature opgroeijende, bevatten wel niet altijd juist dezelfde hoeveelhe- den van bijzondere minerale stoflen, — grond en vooral bemes= ting, kunnen daarin zekere veranderingen bewerken , die ech ter niet zonder invloed zijn op den toestand en de groeiwijze van het gewas; maar elk deel eener zekere plant bevat steeds zijne eigene hoofd- of meer wezenlijke, minerale stoffen, im tamelijk overeenkomstige verhoudingen. Na dit vooraf te hebben opgemerkt, kan ik thans verse wijzen naar tabel F, waarin zijn te zamengesteld de uitkom sten mijner analijsen van de bladen en vruchten der koffijs die eene ophelderende inleiding behoeven, namelijk: Magne zuur , schijnen de minerale of anorganische stoffen te zijn, zons der. welke er volstrekt geen plantengroei kan bestaan. Allé « 66° T le ezz | | ‘pSooupa8:pruc « « « 66°0 | « 640 “Yos19A | wopt ueA orregos zorg 78, OT: VAT 0 « gee « 186 « c6°6 “pöoorpas ggrdoe« « | 68:5 « FG'T « 95e K 158 “YosioA Wopt ueA orpeyoyosy Le 08 27 080 TS |o/0€9 VANTANE) "uargona | | | | _uo uoperd Jop opjeyodaore AA 68 & __'_ 00E | _F9EO' -0OT Tse T00k Sl 95E im OOI Ie 8 00E _ = |_510 5 | 5 | 5000 | 720 600 | 385 700 | SST | “Iooryg STO |_ S75 4500 | 674 ‚_5000 \ 850 A00 | AT5 €00 850 | ESPL 600 065 EE |_ 0900 | 37 810 | 596 TIO | 657 | “INnz[PAtAZ LO |__ FIT LTIO | 8158 | 0950 | ZS9T vI0 | 657 _ 810 TSG | “aanzioydsoyg s 600 Tor 7500 | C49 5000 \ 069 600 995 200 Oï5 | [esannzIoAdozff 650 SCET JSO | VAT GTEO | TIL A50 Scr _ 08 76 | “el-ouse ' ZAO | __ TS95 v500 | 799 S200 | 897 480 | 4695 920 GAST | zi à en 660 6578 9700 | 77 Os0r | 6099 Sv 1 0977 697 8908 | HRE “uorgYondA 1op Yosy "uoperg zoep yosy Pntaed Ee et En vn DE ED ek} : js) k=! 5 5 5 5 5 5 5 5 5) o Et 24 ee eel Ee == leon _ lenen (5) [2] » d D de u D EE) D En) Ea Sea |E edn ee: el EA 78 © 5 75 2 "5 5 5 53 5 SH SS Sn med Den 2 s 3 = 9 © Blap =_N a en A Den es r Da lev e =| ls) KS 8 a) el 5 e=) ke) ri) © ed Lm md ed an | N es 5 vn | ann uojsoppueyseg e= “prepueyog 1nuz | EE S „49jedjes Jou Je1OOA! 9UOAB UEA “uawoog opuo ueA | ‘uawoog 9Suof uea uo ee uea | __ssTaspoored Eee ideen Ee —\YonIA Jop U SV sv” Es ‘(puoyavaq annzjooy 1oy dopuoz) uajyonad ua 918 tot heden onderzochte zaden bevatten ze; en- wat het gezeg- de vooral bewijst, is de zamenstelling der gist; eene plant, die in de eenvoudigste natuurlijke omstandigheden verkeert. Immers zij groeit in een vocht, neemt daaruit alleen de voor haar noodige bestanddeelen op, en groeit niet in een vocht, dat die bestanddeelen mist. De zamenstelling van het minera- — le deel der biergist is, in 100 deelen. | bovengist _Ondergist. Phosphorzuur 52.72 59.21 Potasch 99.50 28.30 Magnesia 6.16 8.29 Kalk 1.02 4.30 Verlies 0.60 _— B 100.00 100.10 | De kalk is hier waarschijnlijk meer toevallig dan wezenlijk, als zijnde opgelost geweest in het vocht, waarmede de gist- plant doortrokken was. Uit tabel F blijkt nu het volgende: | 10, Er is verschil in de zamenstelling der asch of minerale bestanddeelen der vruchten en bladen van den koffijboom. De vruchten bevatten meer potasch en phosphorzuur (van het laatste het drie á viervoudige), minder magnesia en kalk (van het laatste slechts een vyfde gedeelte). | 4 _Phosphorzuur en magnesia, daarenboven potasch en zwar velzuur,- blijken dus de meer uitsluitend gewigtige bestands deelen der vrucht te zijn. Het zal straks blijken, dat dit vier=| tal nog voor splitsing vatbaar is. \ 20, Er is verschil tusschen de zamenstelling der asch van zeer jonge en zeer oude koffijbladen , ofschoon op denzelfden grond! gegroeid. | 219 tingen van oude en jonge bladen, dan van bladen en vruchten. Deze uitkomsten geven aanleiding tot het praktisch besluit, dat door het zoo veel mogelijk bevorderen (door toppen en snoeijen) van den groei van jonge takken en bladen, ook eene grootere hoeveelheid phosphorzuur en potasch-houdend sap door het bladstelsel verspreid en daardoor meer van deze bouwstoffen aangevoerd zal worden om, onder gunstigen invloed van ' grond en dampkring, in bloesem en vrucht te worden veran- derd. ; Dat daarvoor een humusrijke grond (als waterhoudend en warmte-matigend) en eene toereikende hoeveelheid der genoem- de minerale zouten in den bodem noodig zijn, behoeft naau- welijks herhaald te worden. De hoofdzaak is hier, dat de plantenorganen zelve in werk- zamen staat moeten gehouden worden. 30, In de inleiding tot deze afdeeling is reeds over de hoofd- Whestanddeelen van de asch der plantenzaden, in het algemeen, gehandeld geworden. Met het oog daarop, is de vergelijking van de zamenstelling der asch van gewone en van verkoolde, door eenig zuur geheel uitgetrokkene koflijzaden, gewigtig. Wat in de verkoolde massa aan de wer king van het zuur weer- stand biedt, moet wel door zeer sterke verwantschappen in de _Plantenkool terug gehouden worden. | k En welke zijn nu hier de door de khad zao zeer vastge- | houdene stoffen in de, op een negende verminderde verhou- {ding der asch? Het zijn magnesia, die meer dan de helft, en hosphorzuur, dat een vs jfde der oorspronkelijke hoeveelheid draagt. In de asch der kool zelve maken zij daardoor be- sin ruim 2 en bijna Y, van ‚het geheel uit. (Hierbij j ansemerkt, dat van het phosphorzuur een zeker gedeelte j de verkoling is verloren gegaan, zijnde tot phosphor her- leid en vervlugtigd. Dit moet ook met het zwavelzuur gebeurd zijn, hetwelk onmisbaar is, om zwavel te leveren voor het pianten-proteine, want zijne hoeveelheid in het aftreksel der Kool was slechts eene kleine fraktie van die in de onverkool- e vrucht.) Ethel, we 220 Voorts is de kalk tot /, en de potasch tot Hil der aan- vankelijke hoeveelheid gedaald. Het laatste schijnt in tegen- spraak te zijn met de groote rol, die aan de potasch in den plantengroei wordt toegeschreven (vergelijk ook het gezegde over de biergist); maar men bedenke, dat deze asch allêen die van het zaad is, dat de zoo overwegende potasch uit de roode schil en het vruchtvleesch, die de noodige bekleedsels van dit zaad zijn, kunnen zijn ingevoerd geworden, en vooral, dat de zuren (looi- en koffijzuur) waarmede de potasch in deze vrucht verbonden is, bij de verkoling in koolzuur veranderd zijn. Daardoor werd alle organische verbinding tusschen po- tasch en plantenvezels verstoord, en de zoo ligt oplosbare koolzure potasch gemakkelijk door het gebezigde zuur uitge- trokken. Uit dit alles zou dan volgen. a. Dat phosphorzuur en magnesia, te zamen minstens 2/a65 of 31, der geheele hoeveelheid asch uitmakende, de onmisbare minerale bestanddeelen zijn van de kern der koffijvrucht , waar- in het levensbeginsel der geheele plant schuilt. Op grond van het straks gezegde, moet zwavelzuur mede hiertoe gerekend worden. b. Dat potasch, die ruim de helft van de minerale bestanddeelen der koffijboon uitmaakt, wel hoofdzakelijk tot de vorming der zoo waterrijke vruchtbekleedselen onmisbaar is, maar even als welligt de kalk, daarom niet minder wezenlijk is tot het voort- brengen der geheele en gezonde koffijvrucht. Á Over de stikstof zal ik hier weinig aanmerken. Hare on- misbaarheid voor elke plant hoegenaamd is reeds vroeger aan gestipt en het verband tusschen de vorming van stikstof-hou— dende eiwitachtige stoffen en het ontstaan van zouten met een organisch (plantaardig) zuur in de planten, ontwikkeld gewor- den. Zij speelt, in verband met het phosphorzuur en zwavel= zuur van den bodem, eene eerste rol in de planten. ie In de bladen der koffij schijnt zij iets meer te bedragen dan in de vruchten, maar dit is, nadat zij in volkomen droogen toestand gebragt zijn. Doch daar de vruchten, in natuurlijken 221 toestand , minder water bevatten dan de bladen , zoo komt het plus aan de zijde der eersten. Dat het grootste gedeelte dier stikstof in de vruchten een ander plantenbestanddeel helpt vormen (namelijk het caffeïne} dan in de bladen (namelijk het 6 adgroen) is waarschijnlijk; maar het oorspronkelijke materi- ee js dezelfde stikstof, die, daar zij niet door de bladen schijnt | kunnen opgenomen worden, in de worteleinden moet bin- Rendringen. __ Daar zij voorts in water zeer weinig oplosbaar is, terwijl de wortels alleen vochten kunnen opnemen, moet zij vooraf met de ontledingsvoortbrengselen van den humus, in den grond oplos- bare verbindingen vormen. De aanvoer van stikstof voor de planten is dus eenigzins evenredig aan de hoeveelheid en den toestand van den humus, en dit herinnert ons weder, behalve de reeds genoemde, eene andere hoogst nuttige dienst van den iumus in den grond. ror eens: zonder aanvoer van stikstof kan eene plant geene iwitstof , de koffij dexrenboven, geene caffeïne vormen (want caffeïne bevat veel stikstof); zonder stikstof geene caffeine, zonder vaffeïne geene koflijvruchten , dus zonder veel stikstof-houdende rganische stoffen geen vruchtbare koffijgrond. Van dit alles komen wij ongedwongen terug tot een over- , van de betrekking der bovengenoemde hoofdbestanddeelen # de asch der koffij tot de zamenstelling van den grond. Dm dit eenigzins aanschouwelijk te maken, zal ik opgeven, peveel naar de boven medegedeelde uitkomsten van elk der inerale stoffen uit een bouw gronds door de koffijplant ordt weggevoerd, en hoeveel van die stoffen over deze uit- strektheid en tot een half voet diepte in den grond bevat is. Op een bouw gronds a 72000 @ voet staan, à 8. v: D, 125 koffijboomen ; Een koffijblad weegt gemiddeld ongeveer een Ned: wigtje. Stellen wij 1000 bladen per boom van 4 à 5 jaren en het ver- es op de helft (zeker niette veel), dan hebben wij (à 3,269, koolzuurhoudende asch). ko ho ksa 3.26 x 500 x 1125 100 minerale stoffen, die door de bladen des koffijbooms aan een bouw gronds ontnomen wordt. Nemen wij 2!/, katties, gelijk. ongeveer 14, N. pd. lucht- drooge koffij aan, als het prodakt van eenen goeden boom van — opgemelden leeftijd, dan vinden wij (a 3,36% koolzuurhoudende — 936 X 1,509 X 1125 asch), ak eh MUR a veelheid minerale stoffen, die door de vruchtkernen of de boo- — „nen des kofijbooms aan één bouw gronds ontnomen wordt. N Eindelijk, ten aanzien der vruchtbekleedselen (de zoogenaam- de roode schil) heb ik bevonden, dat 409 deelen versche koffij-  vruchten ongeveer bestaan uit: = 18,33 N, pd. asch, als de hoeveelheid & = 56.7 Nederl. pd. als de hoe- Kernen (Î) met de hoornschil 45 deelen. 3 93 Schil en vruchtvleesch .… d EET Daar nu luchtdrooge koffij minstens nog 8%, en geheel E versche koffij 54%, water bevat, zoo is 54 pond der eerste Á gelijk aan 100 pond der laatste. 100 pd. versche koffijzaden | zijn bekleed met 122 pd. roode schil (45 : 55 = 400 : 122), Î en daar 1.5 N. pd. luchtdrooge koffij (= 2.78 versche) als het produkt van één boom is aangenomen, zoo levert een boom d.4 N. pd. roode schil. Wij hebben dus (a 2.890/, koolzuur | 289 x 3,400 X 1125 Et houdende asch) TT 100 _ = 11054 N. pd. alsde hoeveelheid minerale stoffen, die door de vruchtbekleedsels (1) Hieruit blijkt, dat men in dwaling is, door aan te nemen, dat 6 pd. roode koffij slechts 1 pd. drooge kan uitleveren. Als 100 pd. der eerste 45 pd. versche koffij geven, die 548 water bevat, dan wordt dit, op luchtdrooge herleid (waarin nog minstens 88 water is teruggebleven) 24,3 pd. EE 8 en Sn == 24,3 6000 pikols roode koffij kunnen 1500 pikols luchtdrooge koffij in de hoornschil of 1200 pikols gepelde uitlevered, en men stelt het rendement slechts op 1000 pikols. 223 (de roode schil) der koffij aan Î bouw gronds ontnomen wordt. In de 18,33 N, pd. koolzuurhoudende asch der bladen zijn _ bevat: Potasch. Magnesia. Kalk, Zwavelzuur. Phosphorzuur. BREN.’ pd. 5,6 df Á 0,8 0,6 __In de 56,7 Ned. pd. koolzuur houdende asch der koffijkernen zijn bevat: iN. pd. 20,2 3,4 2 1,9 7,3 In de 110,54 N. pd. koolzuur houdende asch der roode schil | Jen zijn bevat: BEN: pd. 27,1 10,7 20,9 245 12,7 Totaal 61,9 15,8 26,9 5,0 20,6 _ Deze totalen stellen voor , hoeveel N. pd der, in hoofde dezes genoemde, minerale stoffen, er jaarlijks aan eene bouw grond ontnomen wordt door de bladeren en vruchten van Aà5 jarige _ koffijboomen. _ De kalk, ofschoon misschien geen wezenlijk deel der zäden, s hier in rekening gebragt, omdat de bladen en vruchtbe- leedsels er althans eene aanzienlijke hoeveelheid van uit den grond trekken, en deze dus aan dit, ook tot zijne physische ‘verbetering, onmisbare bestanddeel armer wordt. __ De minerale stoffen van stam, takken en wortels zijn hier niet jn aanmerking genomen: van dezen kan onmogelijk bepaald w orden, hoeveel zij elk jaar aan den grond ontnemen. — De afgevallene bladen en vruchten zouden de uitputting des € jronds vertragen, zoo zij op de plaats in humus overgingen. 3 Doch doot het, somtijds voorvallende, schoonmaken der tui- nen, waarbij tevens die bladen verwijderd worden, meer nog door de zware regens, gaat wel bijna het geheel dezer natuur- lijke meststof te loor. Stellen wij, tegenover dit jaarliijksch verlies van, en dus behoefte aan: iS: 62 N. pd. potasch, 16 „ „ magnesia, er EREN 1251 5 kt ke ‘ ; D: : 224 B zwavelzuur, 20V, „ phosphorzuur, — de hoeveelheid daarvan, in fÎ bouw gronds, van den tuin Ta- galsahari, tot 4 voet diepte genomen, bevat. 1 voet =:0,3048 meters. 1 kub. palm gronds van Î,77 soortelijk gewigt, weegt 1,77 kilogr.; dus weegt Î kub. voet gronds = 28,3168 kub. palm, 50 kilogr. De aarde van Î bouw grond à 72,000 vierkante voeten, en tot 1, voet diepte, weegt dus 1,800,000 kilogrammen. Daarin is bevat, in koolzuur houdend water oplosbaar, zie tabel Ct en C?2. 540 N. pd. potasch ’ G Ds jo magnesia 9 | gn | MB ak 5d voudig van de jaarlijksche 58 zwavelzuur 19 behoefte. Ps , phosphorzuur ? en, alleen oplosbaar in zeezoutzuur houdend water (dus niet À dadelijk bruikbaar). ; 9000 N. pd. alkalische zouten, ten deele potasch. 288 N. pd. magnesia {8 8 12,647 „ „ kalk 8000 { voudig van de jaarlijksche 828 „ „ zwavelzuur 4165 behoefte. j 360 „ „ phosphorzuur 18 Oppervlakkig moge het schijnen, dat de hoeveelheden van sommigen dezer stoffen, die veelvouden van de jaarlijksche behoefte voorstellen, voldoende zijn voor. minstens eenige jaren; doch: 5 1. Van twee, voor den plantengroei hoogst wezenlijke stoffen, het phosphorzuur en de magnesia, zijn slechts sporen in kool= zuurhoudend water oplosbaar. à 2. Wat daarvan in verdund zeezoutzuur oplosbaar is, al niet dadelijk voor de planten bereikbaar zijn, en bovendien. — J. Over welk eene oppervlakte zijn die, veelvouden voor stellende, hoeveelheden verspreid! Deelen wij 540 Ned. pd, potasch door 72.000, (0 voeten gronds) dan is het quotient, 225. 0.75 Ned. lood. Dit is voor U, voet diepte: — voor 3 vt. diep- te en 4 vt. DO zou het 72 Ned. lood bedragen. Deze Á vt. og zullen ongeveer de gemiddelde begrenzing zijn der schuinsche en horizontale wortels van eenen koffijboom, van bovengenoemden ouderdom. Doch met welk eene kleine fraktie van dien klomp aarde van vier voet zijde en drie voet dikte zijn die wortels in aanraking! Hoog stel ik het, door dit op een vijftigste te bepalen, en dan daalt die hoeveelheid van 72 Ned. lood potasch tot 1/, Ned. lood, dadelijk voor de wortels verkrijgbaar. | } Dit nu was de geheele, beschikbare voorraad, die wegens [het gering humusgehalte, en daarvan afhangend waterhou- dend vermogen des gronds, slechts hoogst langzaam kon wor- ‚den aangevuld, veel langzamer dan de wortelvezels van eenen gezonden , krachtigen boom, in dit insulair en tropisch klimaat, ze moeten kunnen opnemen. s De beschikbare som van voedsel was veel te gering; de noodige hoeveelheid dadelijk oplosbare potasch niet aanwezig; want naar. de bovenstaande, op mijne resultaten steunende, berekening, moet een gezonde, vruchtgevende koffijboom jaar- lijks minstens 5, Ned. lood potasch uit den grond kunnen | 62 Ned. pd. & 1125 boomen gi g van bladen en vruchten (ongerekend de houtige deelen) terwijl slechts Î'/, Ned. lood dadelijk kon geleverd worden. _ Het zal niet noodig zijn, deze berekening ook voor het wavelzuur , nog minder voor de magnesia en het phosphor- zuur, door te voeren. Het resultaat daarvan, ook voor de N, eide andere gronden berekend , leidt tot hetzelfde besluit na- melijk: dat van de vier voor de koffijplant meest wezenlijke, mine- Tr bestanddeelen, veel te weinig dadelijk beschikbare voor- trekken = 5.5 Ned. lood ‚alleen tot voortbren- Ei let stikstofgehalte der gewassen wordt door dierlijke be- ‚mesting niet altijd vermeerderd; en die vermeerdering heeft in 326 eene gezonde plant altijd hare grenzen. Dit is de uitkomst van vertrouwenswaardige proefnemingen, en wij besluiten er uit, dat er voor elke plantensoort een maximum van stikstof gehal- te is, welks overschrijding de plant ziek maakt. Wordt er, binnen zeker grenzen, meer stikstof in de mest aangevoerd, dan hoogstens voor dat maximum noodig is, dan werkt dit meerdere ten voordeele der hoeveelheid van het ge- was, of van deszelfs produkt, van de vrucht, bij gunstige uit- wendige invloeden van vocht, licht en warmte. Ter vergelijking met de karbouwenmest, volgt hier eene op- gave van het stikstofgehalte van eenige andere dierlijke mest- ä stoffen (in droogen staat berekend). Á Karbouwenmest (Buitenzorg) - - 3 pCt. Koemest (Europa) , . ; à 2,3 " Paardenmest idem 5 - : 8 2,2 en Varkensmest idem : ® 8 ‚TSN AS Schapenmest idem e . . : 3 if Bokkenmest idem REET TAI ATEN EERE d Duivenmest idem $ £ k ' 9,0 5 Guano idem - ! : ; 6 à 150), 5 Bloed idem 8 d : É 15,5 . Beenderen idem . . - . 7,6 À5 Beenzwart (uit de raffinaderijen) idem 2,0 5 Hieruit blijkt, dat de karbouwenmest lager staat, dan koemest. Ik stel mij voor, in het vervolg ook de koemest van Java te onderzoeken ΰ. om het praktische nut, zoo die welligt meer _ stikstof mogt bevatten dan de mest van karbouwen en 20. de- wijl in dat geval de meerdere gehardheid van het rundvee tegen langdurige vermoeijenissen zou kunnen verklaard worden, na melijk, uit het gebruik van meer stikstofhoudend voedsel. ï Tot heden is mij nog geene analijse van rundermest uit een tropisch land bekend. Dit geringere gehalte van stikstof, eene hoofdoorzaak der, bij de ontbinding voortgebragte, warmte, verwijdert alle denkbeeld van zoogenaamde verschroeijing der wortels door versche kars bouwenmest; te meer , zoo wij in het oog houden , dat de koë= Re új (n pe j j 227 mest een zevende meer, en de varkensmest, die men in Euro- pa koud noemt, drie vierden meer stikstof bevat, en ze ook in den gewonen, natten toestand daarin overtreft. Tevens zijn de beide laatstgenoemden minder water houdend, en wel in de- ze evenredigheden. stikstof in de natte mest. watergehalte. Karbouwenmest É \ 0,25 pCt. 87,3 Koemest … / N k 0,321: 85,9 Varkensmest à N É 0,635 „ 81,4 zoodat, in den natuurlijken toestand, de varkensmest (in Frank- rijk) fwee en een half maal zoo veel stikstof bevat, als de kar- bouwenmest (te Buitenzorg). Dat inderdaad het organische gdeelte van dierlijke mest krach- tig medewerkt tot de verbetering der gronden, leeren wij, zoo het nog noodig ware, op het overtuigendst uit de proeven van _Maenus (Erdmann’s Journal van 1850 No. 10). In een geschikt, met volkomen uitgebrande aarde voorzien, en met eene glazen klok hermetisch gesloten vat, werden acht “gerstkorrels gelegd. Eene hoeveelheid versch bemeste tuin- aarde was tevens onder de glazen klok geplaatst, doch afge- scheiden van de andere aarde. Dagelijks werd, door middel van eenen aspirator, een halve kubiek voet, geheel van ammoniak en koolzuur bevrijde, damp- _kringslucht, door de klok gevoerd, om de noodige zuurstof aan te brengen, en ook dagelijks besproeide men de planten met koolzuurvrij, gedestilleerd water , alles zonder de buiten- Jacht binnen de klok te laten. _ Twee andere, eveneens ingerigte toestellen, doch de een met onverbrande, de andere met verbrande bouwaarde gevuld, beiden zonder de bemeste twinaarde, werden nevens den vori- gen geplaatst. Veertien dagen lang bleef de groei in de drie glazen gelijk; doch daarna geraakte die in de beide laatstgenoemden ten ach- teren. De planten daarin hielden, na drie weken, op te groei- j hs zij waren 7 a Îf duim, enkelen 17 duim hoog, en Keten drie à vier blaadjes gekregen. Doch die onder de eerst- Pp EN 225 genoemde klok, groeiden voort; na acht weken begonnen zij in aar te schieten, ieder met twee tot acht zaadkorrels, die echter niet volkomen rijp werden, en de hoogste was 2 tot 28 duim, zoo dat zij zich zeer onder de klok moesten krommen. Ook bleek hare meerdere ontwikkeling uit het veel krachtis ger voorkomen en het verschijnen van een aantal witsprutsels of zhalmen; zelfs meer dan van gerst, die in dezelfde, nog onverbrande aarde, geheel onbedekt, dus in eene koolzuur en ammonia-bevattende lucht, doch niet met de bemeste tuin- aarde voorzien, gegroeid. waren. Eene dergelijke uitkomst was reeds voor vele jaren door De SaussurE van eene dergelijke proef verkregen geworden. | De organische stof der dierlijke mest bevordert dus, oo zonder dadelijke aanraking, den plantengroei zeer zigtbaar. À Buitenzorg den 13den Oktober 1851. Naschrift. Het verband tusschen den titel en den inhoud van dit stuk js onduidelijk, ten gevolge der weglating van sommige, ni at onwezenlijke gedeelten. Om die onduidelijkheid eenigzins weg te nemen, zij hier kortelijk aangemerkt, dat het chemisch on- derzoek, niet alleen van versche ‚ maar ook van de in der tijd | in Kadoe aangewende, karbouwenmest tot twee gevolgtret e kingen geleid heeft, namelijk : | 19, dat de laatstgenoemde hare meest werkzame pestanddee: , len bijna geheel verloren had. 4 Qo, dat zelfs de meest werkzame karbouwenmest de onder | zochte gronden niet weder geschikt had kunnen maken | Kd voor de koffijkultuur, en dat er dus- andere meststoffen 0 hall hadden moeten aangewend worden. & Zoowel het minerale als het organische gedeelte , beide k versche en van de gebezigde karbouwenmest , is chemisch ol LR derzocht en bepaald geworden. | * FROMBERG. BIJDRAGE ì TOT DE KENNIS DER ICHTHIJOLOGISCHE FAUNA VAN DE MOLUKSCHE EILANDEN, VISSCHEN VAN AMBOINA EN GERAM, DOOR ER Dr. P. BLEEKER. _ Niettegenstaande reeds meerdere schrijvers der 18de eeuw sgehandeld hebben over de visschen der Moluksche eilanden, is de kennis daarvan zelfs thans nog zeer gering en grootendeels je danken aan de ichthijologen der 40 laatste jaren. VarenriJN, de Molukken en zelfs niet in den Indischen Archipel waren gevangen, maar behoorden tot de fauna der verschillende stre- ken van de Indische zee, waar de Oost-indische Kompagnie zag had. Latere schrijvers, zooals Partas, Gronovius, SrBA, Boca, LacÉrèpe , hebben wel talrijke visschen dezer gewesten beschreven, maar de opgaven der woonplaatsen van de door hu beschrevene soorten ontbreken gedeeltelijk en verdienen vo r een ander groot gedeelte weinig of geen vertrouwen. In 17 250 meer zekere kennis verbreid over de visschen van de Molukken _ en Nieuw-Guinea, het voornaamste van welke kennis is neder- — gelegd in de groote Histoire naturelle des Poissons. In den jongsten tijd heeft de heer RicaarpsoN insgelijks nog eenige species van de Molukken en Nieuw-Guinea bekend gemaakt. Voor zoover ik heb kunnen nagaan was de stand der kennis ten dezen opzigte, tot op mijne nasporingen, ongeveer als volgt: Visschen van de Molukken, waarvan het eiland van voorkomen — niet opgegeven ús. | 4. Lates nobilis CV. 82. Caesio lunaris Ehr. 9. Serranus leucogrammicus Rwdt. 393. Gerres poeti CV. 9 » variolosus CV. 34. Aphareus coerulescens CV.  » argus CV. 35. » rutilans CV. 5. » boenack CV. 36. Chaetodon Meyeri Bl. 6. » punctulatus CV. Di » strigangulus Soland. 7. Plectropoma melanoleucum CV. 38. » dorsalis Rwdt. g. Mesoprion macolor Blkr.= Dia- 99. » melanotus Rwdt. cope macolor LMS 40. » spilopleura Rwdt. ; 9. » lutjanus CV. al. » setifer Bl. 10. Cirrhites arcatus CV. 42. » ephippium CV. 41. Priacanthus argenteus CV. 43. » principalis CV. | 12. Therapon servus CV. 4Â. » chrysozonus K. v. H._ 13. Percis cylindrica CV. 45. Zanclus cornutus CV. | 14. _» ocellata CV. 46. Scatophagus argus CV. 15. Upeneoïdes Vlamingit Blkr. = 47. Taurichthys varius CV. Upeneus Vlamingii OV. 43, Holacanthus bicolor CV. 16. Upeneus japonicus CV. 49. » mesoleucos CV. 17. » cinnabarinus CV. 50. » annularis CV. 18. Peristedion moluccense Blkr. 51. » imperator CV. 19. Dactylopterus orientalis CV. 52. » dux Lac. 20. Platycephalus insidiator Bl. 53. » trimaculatus Lac. 21. Scarpaena diabolus EN. 54, Platax guttulatus CV. 99, Sebastes minutus CV. 55. Pempheris moluca CV. 23. Pteroïs zebra CV. 56. Trichopus trichopterus CV. } 24. Synanceia horrida Bl. 57, Cybium lineolatum CV. 4 25. » bicapillata CV. 58. Histiophorus indicus CV. 96. Diagramma Sebae Blkr. 59. Elacate mottah CV. À ZS » poecilopterum CV. 60. Chorinemus Commersonianus JY. 98. Chrysophrys sarba GV. 61. » sancti Petri CV. ne 99, Dentex eynodon CV. 62. Trachinotus mookalee CV. Si 30, Pentapus vittatus GV. 63. Carangoïdes gallichthys Blkr. Be 31. Caesio coerulaureus Lacép. 64. » blepharis Blkr. # ef E. 4 be ee tk , nd j $ JN » 3. Ambassis Dussumierii CV. É _ 4, Serranus biguttatus CV. 65. Seriola cosmopolita CV. 66. Nauclerus compressus CV, 67. » brachycentrus CV. 68. Coryphaena chrysurus CV. __ 69. Equula filigera CV. 70. Mastacembelus maculatus Rwdt. 72. » fraterculus CV. lineatus Lac. striatus OG. » humeralis CV. » velifer Bl. . Naseus tripeltis CV. » brevirostris CV. » _ lituratus CV. » _ Vlamingiiì CV. „ Cepola abbreviata CV. ‚ Mugil cephalotus CV. » _cunnesius CV. AMBOINA. 3 1. Apogon roseipinnis CV. orbicularis K, v. H. 5. Mesoprion octolineatus Blkr. Ë 6. » unimaculatus QG. _ 7. Priacanthus macracanthus CV. | ES. Upeneus bilineatus CV. 9, Pterois volitans CV. » antennata CV. » _ fusco-virens QG. 13. Chrysophrys bifasciata CV, ik: 4, Chaetodon vittatus Bl, Schn. » vagabundus LL. 71. Amphacanthus vulpinus M. Sch. marmoratus CV. 73. Acanthurus glaucopareius Forst. ‚ Eleotris strigata CV, ‚ Julis Gaimardi QG. . Cheilinus fasciatus CV 5 Vo » Jacrymans CV. „ Novacula pentadactyla CV. $ Scarus fasciatus CV. » capitaneus CV. . Odax moluccanus CV, ‚ Amphiprion bifasciatus CV. » intermedius M. Schl. » trifasciatus CV. ‚ Pomacentrus pavo Lacép. Oe 100. 101. 102. 103. 104. 105. 106. 107. » littoralis K..v. H. » trilineatus Ebr. Glyphisodon coelestinus Soland. Hemiramphus lucens CV. Exocoetus poecilopterus CV. Chatoessus chacunda CV. Ophisurus colubrinus Richards. » versicolor Richards. Muraena lita Richards. Balistes conspicillum Bl. Schn. Molukken bekend geworden de volgende soorten: van „ Heniochus macrolepidotus CV. ‚ Scatophagus ornatus CV. ‚ Taurichthys viridis CV. ‚ Platax Blochii CV. ‚ Naucrates indicus CV. ‚ Chorinemus tol CV. ‚ Megalaspis Rottleri Blkr. ‚ Selar trachurus Blkr. = Caranx trachurus CV. » _boöps Blkr. z= Caranx boöps CV. . Caranx Peronii CV. . Temnodon saltator CV. . Amphacanthus margaritiferus CV. . Acanthurus hepatus Bl. . Atherina cylindrica CV. » lacunosa Forst. „ Gobius ecyprinoïdes Pall. . Periophthalmus Schlosseri Bl. Schu. . Callionymus sagitta Pall. » ocellatus Pall. . Antennarius hispidus Cant; Chironectes hispidus CV. . Amphisile velitaris Cuv. . Gomphosus Cepedianus QG. ‚ Epibulus insidiator CV. „ Dascyllus aruanus CV. . Glyphisodon rahti CV. » melas K. v. H. ‚ Heliases analis CV. BOEROE. 1. 2. Apogon trimaculatus CV. Mesoprion striatus Blkr. = Dia- ‚ cope striata OG. . Myripristis hexagonus CV. ‚ Mulloïdes flavolineatus Blkr. == Upeneus flavolineatus CV. . Platycep\:alus isacanthus CV. ‚ Lethrinus semicinctus CV. » mierodon CV. » olivaceus CV. ‚ Holacanthus semicirculatus CV. 10. Toxotes jaculator CV. MANIPA. 1. Acanthurus altivelis CV. BANDA. 1. Acanthurus scopas CV. ‚ Muraena eolubrina Richards. tS . Plotosus lineatus CV. ‚ Alausa melanurus CV. . Engraulis boelama CV. ‚ Saurus myops CV. . Tetragonopterus argenteus Less. . Solea trichodactyla Cuv. mt jam Muraenophis colubrina Lacép. ‚ Balistes ambonensis Gr. Hardw. ‚ Triodon bursarius Rwdt, . Syngnathus fasciatus Gr. Iardw. ‚ Solenostoma paradoxum Lac. . Pegasus draconis L. „ Carcharias (Prionodon) amboi— nensis MI. Pristis cuspidatus Lath. . Chorinemus tol CV. „ Caranx melampygus CV. . Amphacanthus concatenatus CV. » doliatus CV, „ Periop' thalmus Koelreuteri Bl, . Hemiramphus Lutkei CV. „ Exocoetus micropterus CV. ‚ Chirocentrus dorab CV. . Chanos lubina CV. . Megalops indicus CV, ‚ Sardinella lineolata CV. 2. Premnas trifasciatus CV. Telt men alle de boven opgesomde soorten te zamen, dan erlangt men een geheel van 186 soorten voor den Molukschen Archipel, waarvan 56 bekend waren van Amboina, 21 van Boe- roe, Î van Manipa en 2 van Banda. 238 __Het lijdt echter mijns inziens, geen twijfel of het cijfer 186 drukt nog niet uit het V, gedeelte der Moluksche visschen , en over weegt men, dat van verre weg de meeste Moluksche ei- Janden zelfs nog geene enkele species bekend is geworden, dan blijkt het, dat de bestaande kennis der Moluksche vischfauna tot nog toe als uiterst gering is te beschouwen. _ In het vorige jaar was ik reeds in de gelegenheid, ten dezen k Kete. omtrent de Banda-eilanden eenig licht te verspreiden en het aantal der van daar bekende soorten van 2 te brengen op É- 78, waaronder de meeste soorten nieuw voor de Molukken kk n meerderen nieuw voor de wetenschap (zie Bijdrage tot de ak ke ennis der ichthyologische fauna van de Banda-eilanden in Na- u turk. Tijdschr. N. Ind. II. pag. 225—26I). Niet minder dan 8 3 dier soorten waren toen nog niet van de Molukken in het | Ie gemeen bekend. De 78 thans bekende Bandasche soorten ijn de volgenden. 4. Serranus pardalis Blkr. 24. Chaetodon strigangulus Soland. 2. Mesoprion quadriguttatus Blkr. 25. » virescens CV. | p Í | fa | . Cirrhites pantherinus CV. 26, » dorsalis CV. be Priacanthus carolinus CV. var ld baronessa CV, Î : 5. Myripristis Violaceus Blkr. 28. nesogalllieus CV, | ) > pralinius CV. 29, unimaculatus Bl. , Holocentrum operculare CV. 30. » speculum K. v. H. „ Percis eylindrica CV. J Mene barberinus CV. k >» __ Brandesii Blkr. trifasciatus CV, Upeneoïdes variegatus Blkr. ‚ Dactylopterus orientalis CV. . Trigla Brandesii Blkr. Peristedion moluccense Blkr. j Scorpaena bandanensis Blkr. dl Pterois volitans CV. La hvpselopterus Blkr. ynanceia brachio CV. D Diagramma Sebae Blkr. id bilineatus CV, esio chrysozona K. v. H. A » ‚ Chaetodon punctato-fasciatus CV. 31. Chelmon longirostris CV. 32. Taurichthys varius CV. 33. Zanclus cornutus CV. 34. Holacanthus trimaculatus CV. 35. Pempheris oualensis CV. 36. Selar torvus Blkr. = Caranx tor— vus Jen. 37. Acanthurus scopas CV, 89. Atherina brachypterus Blkr. 99. Petroskirtes Temminckii Blkr. 90. » mitratus Rupp. 41. Gobius phalaena CV. 42. Amphisile scutata Cuv. 43. Premnas trifasciatus CV. 44, Pomacentrus pavo Lacép. 45. Dascyllus niger Blkr. 46. Daseyllus xanthosoma Blkr. G2. Cheilinus decacanthus Blkr. 47. » aruanus CV. 63. Scarus nuchipunctatus CV. 49. Glyphisodon bandanensis Blkr. 64. >» _ balinensis Blkr. 49, Weliases xanthochirus Blkr. 65. Callyodon vaigiensis CV.? 50. Julis (Halichoeres Hoevenii Blkr. 66. Saurus synodus CV. 51. » (__» ) melanurus Blkr. 67. Oxybeles Brandesii Blkr. 52» (_» )strigiventerBenn. 68. Rhombus sumatranus Blkr. 53. » (__» } spilurus Blkr. 69. Ophisurus maculosus Cuv. 54. » (_» ) interruptusBlkr. 70. Syngnathus haematopterus Blkr. 55. » (_» ) Renardi Blkr. 71. Syngnathoïdes Blochii Blkr. E 6 (__» ) balteatus QG. 72. Diodon punctatus Cuv. 57 AND, (__» ) bandanensis Blkr. 75. Triodon bursarius Reinw. 58. Labroïdes paradiseus Blkr. 5 74, Balistes aculeatus Bl. Cossyphus dimidiatus GV. 75. » _ lineatus Bl. Schn. 59. Crenilabrus nematopterus Blkr. 76. Alutar'us prionurus Blkr. 60. Novacula julioïdes Blkr. 77. Ostracion cornutus L. 61. Cheilio hemichrysos CV. 78. » Sebae Blkr. Door deze Bandasche soorten werd heft aantal der van de Molukken bekende visschen gebragt op 219. Ï Aan de welwillendheid mijner ambtgenooten en vrienden, de” heeren G.J. van Tuinen en Dr.J. Hanrzeerp heb ik te danken een paar verzamelingen van visschen van Amboina, welke een groot gedeelte van het onderwerp dezer bijdrage uitmaken, em waardoor ik op nieuw iets heb kunnen bijbrengen tot uitbrei ding der ten dezen opzigte nog ZOO onvolledige kennis. Deze n beide verzamelingen, waaronder vooral die van denheer HartzreLD staan achter de namen uitgedrukt. 1. Apogon Hartzfeldii Blkr. 7. Serranus crapao CV. ibid. 2 » _ roseipinnis CV 8. » amboinensis Blkr. 3. Ambassis urotaenia Blkr. 9. Mesoprion octolineatus Blkr. V. 4. Cheilodipterus quinquelinea- Bat. Gen. XXII. Perc. tus CV. 10. _ __»- _ amboinensis Blkr. A 5. Serranus cyanostigma K. v. H. 14. Therapon theraps GV. Verh. B. Verh. Bat. Gen. XXII Perc. G. XXII Percoïd. | 6. » _ leucogcammicus Rwdt. 12. » servus CV. ibid. - Zi ibidem. 13. Priacanthus japonicus CV. Jm HED 14. Myripristis parvidens CV. 46. Keris amboinensis Blkr. A0. » microphthalmus Bl. 47. Petroskirtes anema Blkr. 16. Holocentrum sammara CV. Verh. 48. Gobius caninoïdes Blkr. Bat. Gen. XXII Percoïd. / 49. Callionymus filamentosus CV. pr 17. » diadema GV. 50. Amphiprion bifasciatus Bl. Schn. 18. Sphyraena obtusata CV. Verh. 51. Pomacentrus nematopterus Blkr. | Bat. Gen. XXII Percoïd. 52. » prosopotaenioïdes ‚ 20. Upeneoïdes variegatus Blkr. ibid. Blkr. ‚21. » bivittatus Blkr. ibid. 53. Glyphisodon rahti CV. 22. Dactylopterus orientalis CV, 54. Julis (Halichoeres, kalosoma Blkr. 23. Pteroïs vofitans CV. Verh. Bat. 55. Fistularia immaculata Commers. | Gen. XXII Scleropar. 56. Amphisile scutata Cuv. Nat. Tijd- | 24. Apistus fusco-virens QG. schr. Ned. Ind. II pag. 245 ib. 25. Diagramma punctatum CV. Verh. 57. Belone cylindrica Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIII Sciaen. Bat. Gen. XXIV Snoek. k 26. Scolopsides Iycogenis CV. ibid. 58, Saurus trachinus T. Schl. ‚ Emmelichthys leucogrammicus 59. Saurida nebulosa CV. Blkr. ibid. Maenoid. 60. Rhombus sumatranus Blkr. Ver- ‚ Chaetodon virescens CV. ib. Chaet. hand. Bat. Gen. XXIV Pleuron. » vittatus B). Schn. ibid. 61. » poecilurus Blkr. » princeps CV. ibid, 62. Plagusia Kopsii Blkr. Nat. Tijd- » oligacanthus Blkr. ib. schrift N. Ind. II. p. 494, » vagabundus Bl. ibid, 63. Ostracion cornutus L. Verh. Bat. » strigangulus Sol. ibid. Gen. XXIV Balist. Heniochus macrolepidotus CV. 64. » eubieus Bl. ibid. ibidem. 65. Monacanthus tomentosus Cuv. ib. „ Scatophagus argus CV. ibid. 66. Tetraödon laterna Richards. „ Platax Blochii CV. ibid, 67, » virgatus Richards. ‚ Pempheris mangula CV. ibid. 68. » kappa Russ. Verh. „ Toxotes jaculator CV. ibid. B. G. XXIV Blootk. Vissch. ‚ Scomber loo CV. ibid. XXIV Ma- 69. » hypselogeneion Blkr. kreelacht. visschen. 70. » margaritatus Rupp. ‚ Chorinemus tol. CV. ibid. “71. Syngnathus haematopterus Blkr. « Caranx Forsteri CV. ibid. Nat. T. Ned. Tad. II. p. 259. » ekala CV. ibid. 72. Syngnathoïdes Blochii Blkr. ibid. Carangoïdes ophthalmotaenia Blkr. p. 259. ,, blepharis Blkr. Verh. 73. Hippocampus taeniopterus Blkr. 5 Bat. Gen. XXIV Makr. Vissch. 74. » moluccensis Blkr. 85. Amphacanthus dorsalis GV. ibid. XXII Teuthid. \ Vergelijkt men deze lijst met de hierboven reeds gegevene, van de van Amboina zelf bekende species, dan blijkt het, dat 256 niet minder dan 62 soorten der verzamelingen van de heeren d HartzreuD en Van TareneN als nieuw zijn te beschouwen voor de stellige kennis van Amboina, en dat daardoor het aantal ” bekende vischspecies van Amboina op f{7 wordt gebragt. On- € der de hier opgesomde 74 soorten zijn er voorts 2, welke reeds van Boeroe, 9 welke reeds van Banda en 4, welke van de Molukken in het algemeen bekend waren. Telt men na aftrek dezer 18 soorten de overigen bijeen, dan erlangt men een cij- — fer van 310. 5 Eenigen tijd geleden gelukte het mij, in het bezit te gera- í ken van eenige platen, onder de leiding van Forsten te Ter- $ nate vervaardigd en betrekking hebbende tot Ternataansche vis- kl schen. Die afbeeldingen zijn zeer gebrekkig, doch laten vol-_ doende eenige species herkennen, zooals: 1. Mesoprion chrysotaenta Blkr. 8. Scolopsides monogramma K. v. H._ Nat. T. N. Ind. IL. p. 170. ibid. XXII Sciaen. | 2. » decussatus CV, Verh. 9, Caesio coerulaureus Lacép. ibid. B.G. XXII Perc. Maen. De » amboinensis Blkr. 10. Chaetodon Kleinii CV. ibid. Chaet ‚ Serranus horridus K.v. H. Verh. 11. » princeps CV. ibid. # B. Gen. XXII Perc. 12. » vittatus Bl. Schn. ibid. Ris 5. Dactylopterus orientalis CV. 13. Amphacanthus vulpinus M. Schl. 6. Pterois volitans CV. Verh. B. G. 14. Gnathanodon speciosus Blkr. V. XXII Sclerop. B.G. XXIV. Makr. 7: Synanceia brachio CV. ibid. boven opgegeven, edt” ie wordt 315. An In de maand Maart dezes jaars werd mijne verzameling an= dermaal verrijkt met Moluksche visschen en wel met niet min- der dan 92 soorten, afkomstig van Wahai, aan Cerams noord- kust, en met uitzondering slechts van eene enkele soort, ald a in zee gevangen. Deze Ceramsche visschen heb ik te danken aan den heer D. Prraum, die ze mij met welwillendheid heeft afgestaan. Ze bestaan uit de volgende species: 237 1. Apogon orbicularis K. v. H. 2 » ceramensis Blkr. 3. » melanorhynchos Blkr. Á, » chrysosoma Blkr. 5. Ambassis urotaenia Blkr. 6. Mesoprion octolineatus Blkr. V, B. Gen. XXII Percoïd. R-7. » madras CV. ibid. 8. » striatus Blkr. ib. 9. » bottonensis Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. II. p. 170. . Therapon servus CV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. Sphyraena obtusata CV, ibid. „ Upeneus barberinus CV. Nat. T, N. Ind. II. p. 172. 13. » barberinoïdes Blkr. Upeneoïdes variegatus Blkr. Ver- hand. B. Gen. XXII Percoïd. „ Dactylopterus orientalis CV. ‚ Pteroïs volitans CV. Verh. Bat. Gen. XXII Sclerop. » brachypterus CV. » zebra CV. „ Apistus fusco-virens QG. > dermacanthus Blkr. es maeracanthus Blkr. ‚ Scorpaena diabolus CV. ‚ Synanceia horrida CV. Verhand. Bat. Gen. XXII Sclerop. » brachio CV. ibid, ‚ Lethrinus latifrons Rúpp. Nat. REN. sInd. II p. 220. » xanthotaenia Blkr. ib. II. p. 176. 27. Caesio coerulaureus Lacép. Verh. Bat. Gen. XXIII Maen. 28. Gerres abbreviatus Blkr. B ON. T. N.Ind. I p. 103. 29. Chaetodon virescens CV. Verh. Bat. Gen. XXII Chaet. _3C » baronessa CV. Nat. T. N. Ind. II. p. 239. ibid. 46. 59. 60. ‚ Chorinemus sancti ‚ Platax Blochii CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Chaet. Petri ibid. XXIV Makreel. CV. ‚ Trachinotus Baillonii CV. ibid. „ Carangoïdes blepharis Bkr. ib. ‚ Equula ensifera CV. ibid, ‚ Amphacanthus dorsalis GV. ibid. XXII Teuth. . Acanthurustriostegus Bl. Schn.ib. » melanurus CV. . Keris amboinensis Blkr. ‚ Petroskirtes rhinorhynchos Blkr. „. Gobius phalaena CV. Nat. T. N. Ind. II p. 244. » _ interstinctus Richards. „ PeriophthalmusargentilineatusCV. . Eleotris muralis QG. „ Ántennarius hispidus Cant. Batrachus diemensis Richards. N. T.N. Ind. III p. 168. ‚ Halieutea stellata CV. . Fistularia immaculata Comrmers. . Amphiprion bifasciatus Bl. Schn. » percula CV. E Pomacentrus pavo Lacép. Nat. EN: Ind HI p.247. » chrysopoecilus K. v. H. » taeniometopon Blkr. . Dascyllus niger Blkr. Verh. Bat. Gen. XXI Kamsch. Labr. » aruanus CV. Nat. N. Ind. II. p. 247. 1: . Cheilio hemichrysos CV. ib. II p. 255. . Novacula pentadactyla CV. ibid. II p. 222. » __julioïdes Elkr. ibid. II p. 254. | Julis (Halichoeres) elegans K. v. H. » (__» _) interruptus Blkr. N T.N.Ind.Il p. 252. 18 61. 62. 63. 64. 65. 66. 67. 68. 69. 70. 71. 72. 73. 74. Deze soorten zijn allen nieuw voor de kennis der fauna van Ceram, van welke nog geene enkele in de wetenschap bekend Van deze 91 species zijn 52 vermeld in de hiervoren- gaande opgaven, zoodat niet minder dan 39 er van nieuw zijt Hierdoor stijgt het aantal mij. was. 238 Julis (Halichoeres) strigiventer Benn. ibid. p. 251. » Cn Cheilinus ceramensis Blkr. Callyodon waigiensis CV. N. T. N. Ind. II p. 256. Plotosus lineatus CV. Verh. Bat. Gen. XXI Silur. Sardinella leiogaster CV, Verh. Bat. Gen. XXIV Har. Alausa melanurus CV. ibidem. Engraulis encrasicholoïdes Blkr. ibid. N. T.N. Ind. III p. 173. Saurus trachinus T. Schl. Rhombus sumatranus Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Pleur. N. T. N. Ind. I p. 409. Achirus pavoninus Lacép. Verh. Bat. Gen. ibid. Oxybeles Brandesii Blkr. Nat. T. N. Ind. IT p. 276. àl Muraena lita Richards. » Richardsonii Blkr. voor de fauna der Molukken. thans bekende Moluksche species tot reeds niet minder dan 354, dat is 168 meer dan door de schrijvers met eenige zekerheid ) kalosoma Blkr. 75. 76. did, 78. 79. 80. 81. als zoodanig bekend gemaakt zijn. zameling bevinden zich eenige nieuwe soorten, welke mij noch van Banda noch van Amboina onder de oogen gekomen zijn, caf wel ten getale van 12. In het volgende overzigt van de geographische verbreiding der visschen in de Molukken, heb ik tevens vermeld de tot nutoêë (1) Behalve deze 91 species bevat. deze verzameling eenige specia 13 van-eene monstrositeit van Carassius auratus Nilss., welke echter niet v Ceram afkomstig zijn. . Ostracion cornutus L. ibid. Ba- . Syngnathus haematopterus Blkr. . Syngnathoïdes Blochii Blkr. ibid. . Hippocampus taeniopterus Blkr. . Pegasus volans L. | . Solenostoma paradoxum Lacép. . Chimaera monstrosa L. (1). Muraena ceramensis Blkr. » micropterus Blkr. » variegata Richards. Tetraödon hypselogeneion Blkr. > kappa Russ. Diodon punctatus Cuv. Verhand. Bat. Gen. XXII Blootk. Balistes praslinus Lacép. ibid. Balistin. Ostrac. » flavomarginatus Rüpp. . Alutarius laevis Cuv. Verh. Bat. Gen. XXIV Balist. Ostr. list. Ostr. » _tesserula Cant. Nat. T. N. Ind. IT p. 259. II p. 259. ‘wij Ook in de Ceramsche vers Ì el 3 ad n Kl a 0 4 H 259 bekend gewordene vischspecies van de eilanden Waigioe, Ra- wak, Nieuw-Guinea en Timor. In deze bijdrage zijn beschreven meer dan 60 soorten. f Meerderen dezer soorten waren vroeger niet in mijne ver- A _ zameling, doch zijn door andere schrijvers reeds meer of min ; bekend gemaakt, t. w.: Cheilodipterus quinquelineatus CV., Apogon roseipinnis CV., Apogon orbicularis K. v. H., Holocen- | En diadema CV., Myripristis parvidens CV., Pteroïs brachy- EEn: CV., Pteroïs zebra CV., Scorpaena diabolus CV, Apistus a virens QG., Acanthurus melanurus CV, Gobius insterstinc- tus Richards. , Periophthalmus Beekes ene CV., Eleotris mu- ralis QG., Callionymus filamentosus CV., Antennarius hispidus 7 ant., Halieutea stellata CV., Fistularia immaculata Comm., | mphiprion bifasciatus Bl. Schn., Amphiprion percula CV., jen chrysopoecilus K. v. H., lvphisadon rahtiC Ve, Tetraödon kappa Russ., Tetraödon margaritatus 8 Rüpp. ‚ Balistes flavimarginatus Rüpp., Ostracion tesserula Cant., ‘ Pegasus volans L., Solenostoma paradoxum Lacép., Chimaera monstrosa L. Ô b eschreven zijn: Apogon Hartzfeldii Blkr., Apogon melanorhyn- hos Blkr., Apogon chrysosoma Blkr., Apogon ceramensis Blkr., Ambassis urotaenia Blkr., Serranus amboinensis Blkr., Meso- d béneus BrBeiniïndes Blk. ‚ Apistus macracanthus Blkr., Apis- tus dermacanthus Blkr., Carangoïdes ophthalmotaenia Blkr., Keris mboinensis Blkr., Petroskirtes rhinorhynchos Blkr., Petroskirtes | iik \ Blkr., Gobius caninoïdes Blkr., Pomacentrus tacniometopon pc aenioïdes Blkr., Julis (Halichoeres) welden. oe ‚ Chei- dinus ceramensis Blkr., Rhombus poecilurus Blkr., Muraena Richardsonii Blkr., Muraena ceramenis Blkr., Muraena micro- pterus Bìkr., Tetraödon hypselogeneion Bikr., Hippocampus moluccensis Blkr., Hippocampus taeniopterus Blkr., en alzoo 28 soorten. Geographasch overzigt der thans bekende vischsoorten jm) | ONE 55 |, | IE 5 e ADN ele, ND : Dll .|®v EsAjajölSlelSigie else lAlS © {Ol & © | esse 1 SOORTEN. RAE EN ER BA ee ERP MS aZlalelflSlelsië le deBlajeles iel miilals is laser VIE, : = Sale 5 | 2E Ver NRA | pe je: MIRT | : Re Me: | RENE TER AIEE EED ET ESE ON IRIS DEE TTE SHEARER NE AE OA PEET LAT RL OENE EES ME 240 van de Moluksche eilanden. Lates nobilis CV. Labrax waigiensis CV. Apogon trimaculatus CV. novemfascìatus CV. : >» » roseipinnis CV. ceramensis Blkr. orbicularis K. v. H. melanorhynchos Bl. Hartzfeldii Blkr. chrysosoma Blkr. Ambassis Dussumierii CV. » urotaenia Blkr. Cheilodipterus quinqueli- neatus CV. Serranus cyanostigma K. v. H. » leucogrammicus Rwdt. » » marginalis CV, erapao CV. amboinensis Blkr. horridus K. v. H. pardalis Blkr. biguttatus CV. variolosus CV. argus CV. boenack CV. punctulatus CV. boelang CV. Ouoyanus CV. Gaimardi CV. vìtta QG. merra CV. guttatus CV. Plectropoma melanoleucum GV. Mesoprion chrysotaenia Blkr. amboinensis Blkr. octolineatus Blkr. quadriguttatus Blkr. » » Di » striatus Blkr. Transport. 1 1 1 | 1 | 1 | B | | 1 if 1 k 1 1 1 Bit Pi Ne dp hd [4 Ni it A 1 1 1 1 1 1 1 1 1 | | Ì 3 2 7. al 1 SOORTEN. Molukken. Eiland van voorkomen 241 niet juist bekend. Amboina. Boeroe. Ternate. Ba midea. Manipa. Ceram. TE amtor. Solor. fel hd zlëls[à KN eN Sle{s|s Kol den RRA a: 2 B, Per transport. __Mesoprion unimaculatus QG. » macolor Blkr. » lutjanus CV. k » Sebae Blkr. » olivaceus CV. . » semicinctus CV. 3 » __rufolineatus Blkr. » deeussatus CV. Á » bottonensis Blkr. » madras CV. » Calveti Blkr. Cirrhites pantherinus CV. » arcatus CV. » aprinus CV. Barnev. Therapon theraps CV, » __ servus CV. _ Priacanthus japonicus CV? > carolinus CV. » macracanthus GV. BE» argenteus CV, __Myripristis parvidens GV. » microphthalmus Blkr. » violaceus Blkr. » Bn CV.? » exagonus CV. Holocentrum sammara CV. » diadema CV. » operculare GV, » leo CV. Ee \Percis eylindrica CV, » ocellata CV. _ Sphyraena obtusata CV. À: » jello CV. illago acuta CV. __ Polynemus plebejus Brouss. Upeneoïdes variegatus Blkr, » bivittatus Blkr. » Vlamingii Blkr. hi Upeneus barberihus GV. E Transport. Myriodon scorpaenoïdes Bris. argenteum CV. ed je jh De Bie 1 1 1 4 1 1 1 1 11| 2} 8 1 | 1 1 1 vara 1 1 aaa | 13 25| al al4ol 1312 1! SOORTEN. Per transport. Upeneus barberinoïdes Blkr. » Brandesii Bikr. » trifasciatus CV. » zeylonicus CV. » _ ecrassilabris CV. » Russellii CV. » japonicus CV. cinnabarinus CV. Mulloïdes flavolineatus Blkr. Dactylopterfus orientalis CV. Peristedion moluccense Blkr. Trigla Brandesii Blkr. Pteroïs volitans CV. » brachypterus CV. » zebra CV. » antennata CV. Platycephalus isacanthus CV. » insidiator Bl. » pristiger GV. » timoriensìs CV Sebastes minutus CV. Scorpaena bandanensis Blkr. » diabolus CV. » Novae Guineae CV. » papuensis CV. ap fusco-virens QG. maecracanthus Blkr. » hypselopterus Blkr. » dermacanthus Bikr. » _ longispinis CV, » marmoratus CV. Pelor maculatum CV. Synanceia brachio GV. » asteroblepa Rich. » horrida Bl. » bicapillata GV. Diagramma Sebae Blkr. » Lessoniì CV. » poecilopterum CV » punctatum CV, Seolopsides monogramma K. v. H. » lycogenis GV. Transport. SMS ee jef Ì : ie | | | re) «| Ef s48lsl el .lel.lel. le I8 ox | Ni (oen A= ee MAAAR en 3 Eslejels Als ale die ielk made sief s 5E a É ie | 13 las) 2} 4 10 13 12| 4) |14l 2 3 1 | 1 1 1 1 { 1 | 1 Í 1 1 1 AA 1Ì Ia 1 REN al Hr 1 il 4 - | 1 1 1 | | E 1 1 ! 1 1 1 1 1 4! 1 | 1 1 1 á 1 1 1 , 1 1 1 1 1 1 1 19 |32{ al sieol |oaliel 1, |17 2 SOORTEN. é Eman Kk “Per transport. Scolopsides bilineatus CV. 3 » temporalis GV. 3 » margaritifer CV » cancellatus CV. | __Heterognathodon bifasciatus Re Blkr. _ _Malacanthus taeniatus CV. __ Dentex ruber CV. » _tolu CV. » _hexodon QG. B » ‘cynodon CV, _ EChrysophys sarba CV. b te nd bifasciata CV. K iras semicinctus CV. » anatarius Rich. > mierodon CV. » olivaceus CV. , » xanthotaenia Bl, » opercularis CV. » _wailgiensis CV. » reticulatus CV. » sordidus CV. h » latidens CV. Pentapus vittatus CV. Caesio chrysozona K. v. H. _» _côerulaureus Lacép. » _lunaris Ehr. E mmelichthys leucogrammi- Gerres poeti CV. __» abbreviatus Blkr. _» _ filamentosus CV. ZE argyreus CV. Kn kapas Blkr, Aphareus coerulescens CV. … RA rutilans CV. Chaetodon Kleinii CV. » princeps CV. vittatus Bl. Schn. virescens CV, oligacanthus Blkr. vagabundus Bl, » _ latifrons Rupp. YE YY Transport. Pt = o | | 8 rd . . e= Ei fe Ë aes rd ee . KE . A= 4 ke . > oe hae] ® [| erm , 5 | . her ede Ee sela dels |Ble ls GPA le) Sad | REE lasd AK kt Hsen s Ir ES rele (A Le Ee 5 Pe Beessie: ED 5 oC IAS Sid | | A zi al EN | | EERDER ONE ENECO NDE MET RET ETE Je atheae 24161 1) [17 2117 1 | | 1 1 | 1 | 1 1 | 1 1 | 1 | 1 | | 1 1 | 1 1 1 à 1 1 1 | | 1 1 | 1 | zeke É 1 1 id 1 1 1 1 | d | | | 1 1 | 1 1 1 : | 1 | 1 m if 1 | 1 1 1 | 1 1 1 |A dd 1 1 | 26 \39j 712 23, [2921) 4} |23| 3,28 SOORTEN. Per transp. Ohadtodor strigangulus Sol. punctato- —fasciatus GN baronessa CV, dorsalis CV. nesogallicus CV. unimaculatus CV. » speculum K. v. H. sebanus CV. » Meyerì Bl. melanotus Rwdt. spilopleura Rwdt. setifer Bl. ephippium CV. p principalis CV. » chrysozonus K. v. H Chelmon longirostris CV. Heniochus macrolepidotus CV Taurichthys varius CV. » viridis CV. Zanclus cornutus CV. Scatophagus argus CV. » ornatus CV. Drepane longimana CV. Holacanthus tendensen La- cép. semicireulatus CV. dux Lacép. bicolor CV. mesoleucos CV. annularis CV. imperator CV. Plats Blochii CV. » guttulatus CV. » punctulatus CV, » Gaimardi CV. » teira CV. Pimelepterus altipinnis CV. » marciae QG. Pempheris mangula CV. » oualensis CV. » moluca CV. Toxotes jaculatór CV. Transport. : . Molukken. Eiland van voorkome 12 ds de n Boeroe. Ternate. Banda. niet juist bekend. Amboina. 26 (39| 711223 1 | ES eed jd eh Je jd jd jb il 1 mm mn | mn mame | 40 |47| 9, 12135! Manipa. Jb de jd jede jd je Solor. 29/21) 4 31 24 5 Aroë-eilanden. RKawak. Nieuw Guinea. Waigoe. ho kj (ed _ 25 313 nen en dee ho lef SOORTEN. , Per transport. Trichopus trichopterus CV. _ Secomber loo CV. __ Auxis taso CV. _ Cybium lineolatum CV. Histiophorus indicus CV. _ Blacate mottah CV. Chorinemus Commersonia- nus CV, » sancti Petri CV. J » tol CV. _ Trachinotus mookalee CV. p\ » Baillonii CV. ‚ Megalaspis Rottleri Blkr. Selar trachurus Blkr. __» boöps Blkr. __» torvus Blkr, __» Hasseltii Blkr. EE >» Novae Guineae Blkr. Caranx Forsteri CV. } > ekala CV. __» _melampygus CV. Bes Peron CV. 8 Carangoïdes blepharis Blkr. \ | Î 8 Es citula Blkr. d » coeruleopinna— a : tus Blkr. E nb, gallichthys Blkr.! __» ophthalmotaenia Blkr. Gnathanodon speciosus Blkr.' Femnodon saltator CV. Beriola cosmopolita CV. Nauclerus compressus CV. A) brachyeentrus CV. _Coryphaena chrysurus CV. _Equula filigera CV. ik» ensifera CV. 0e» oblonga CV. kastacembelus maculatus CV. Amphacanthus vulpinus M. & Schl. >» dorsalis CV. NE » concatenatus CV. » doliatus CV. ‚ Transport. „ 3, ’ | SE. dd SBA s We lslalale|. eid .Id ENE AEEA Bea slEjSalslE ng 3 Pie Saal sis mmites sk EE |, 5 es EMAS Redd aa et EI FF =| 5 | | | 40 47| 9/12/35 lala 5 25) 3)36 1 d 1 1 1 1 1 1 1 1 #4 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 ij 1 | 14 1 | 1 1 4} 1 1 1 1 Ate 1 1 hi | 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 vd 1 1 1 En a || erven) A enn ade ee ee A PE 53 |59/13]14136, |3630| 5| |29| 4l43 19 | ô | | 5 | le | Ld 88e 8 eS&leldiëlelelsle|.|e|s 2eZjelelsieitlElels|E|S 7 ed Ô | A ei SOORTEN. San alsiäjslalslëre ss [5 ES 2 |© lea ln ole 2e =| © (FA De) d Fo Ts & 2 dl | zl Per teansp. |: 53 [59 Ise 36/30) 5| |29/ 4143 Amphacanthus margaritife- | rus CV. 5 Ô » marmoratus CV. 1 » vermiculatus CV. » lineatus CV. » nebulosus QG. 1 Acanthurus matoïdes CV. 1 » _triostegus Bl. Schn. | 1 » hepatus Bl. Í 1 » melanurus CV. 1 » doreënsis CV. » etenodon CV. » strigosus Benn. » scopas CV. 1 1 » lineatus Lacép. 1 | » nummifer CV. 1 » glaucopareius Forsk. 1 » fraterculus CV. 1 | » striolatus QG. 1 » humeralis CV. p | » velifer Bl. ai » altivelis CV. 1 Naseus tripeltis CV. 1 » brevirostris CV. î » lituratus CV. | 1 » Vlamingii CV. s| » fronticornis Comm. | 1 » brachycentron CV. | 1 Axinurus thynnoïdes CV. | Prionodon annularis CV. | 1 Keris amboinensis Bìkr. 1d 1 Cepola abbreviata CV. | 1 | Mugil cephalotus CV. 1 | » cunnesius CV. 1 Ni » melanochir K. v. H. | 1 10 » axillaris CV. | Ib » _parsia Buch. Ham.? dà Atherina brachypterus Blkr. | Ì ô » endrachtensis CV, | en » eylindrica CV. 1 1 4e » lacunosa CV. 1 KD: Petroskirtes anema Blkr. 1 | nn mn | man | ann | en | mn en | mn | en | | | Transport. … 67 (65/13 14138! 1139 34) 6) |36 247 mm Nieuw Guinea, SOORTEN. Molukken. Eiland van voorkomen Boeroe. Ternate. Banda. Manipa. Ceram. Timor. Solor. Aroë — eilanden, niet juist bekend. Amboina. Waigioe. 67 ps Per transport. 05 15 ala 1 bd 6 36 __ Petroskirtes Temminckii en Blkr. | » rhinorhynchos Blkr. ij » mitratus Rupp. ik » _ filamentosus Rupp. _ Salarias quadripinnis CV. _ Gobius phalaena CV. ___» interstinctus Richards. Î 1 1 EE » Goldmannii Blkr. Ki» elegans K. v. H. EE >» eriniger CV, EE » sphijnx CV. » papuensis CV. » eyprinoïdes Pall, OR» caninoïdes Blkr. _ Periophthalmus Koelreuteri De eh ph ee beb eh N » Schlosseri Bl. Schn. bl » Freycineti CV. ie » argentilineatus CV, B oleophthalmus Boddaerti CV Bleotris strigata CV. » _ _muralis QG. BS nigra OG. aallionymus filamentosus CV, B» sagitta Pall, F/ » ocellatus Pall, atrachus diemensis Richards. _Ántennarius raninus Cant. Jed jd jah BE >» hispidus Comm. lalieutea stellata CV, Istularia immaculata Comm. mphisile scutata Cuv. > velitaris Cuv. Femnas trifasciatus CV, mphiprion bifasciatus Bl, Zu chn. E» laticlavius CV, __» intermedius M. Schl. AR percula CV. ED trifasciatus CV. macentrus pavo Lacép. _» chysopoecilus K.v. H. Ee? littoralis K. v‚ H, nne Enne Transport. ek jd joh ad ed pn Transport. . . ee) Paal °o = Ì | En Ep . S É asalhnt de 5 | 5 | ze 5 BEELEN sl ala ËlelB es 5d SOORTEN. Pd Pee kiel ale Siglais Sl SE2elsjejele =P alat d sofa re rige EZ 3 Ben) Sa | ij 5 A | Per transport. 72 rolt ale dns 6 99| 565 Pomacentrus taeniometopon el (Blkr. > trilineatus Ehr. | » katunko Blkr. | 1 » emarginatus CV. 1 » nematopterus Blkr. 1 » prosopotaenioides Blkr. 1 | Glyphisodon bandanensis 1 Blkr. 1 unimaculatus CV. La | » azureus QG. ik » uniocellatus QG. 1 ik | » rahti CV. | | » biocellatus CV. » zonatus CV. » waigiensis CV. 1 » coelestinus Sol. 1 » melas K. v. H. 4 | 1 Heliases analis CV. 1 | » lepisurus CV. » _ coeruleus CV. » _xanthochirus Blkr. 4 | Dascyllus niger Blkr. 4 1 » aruanus CV. 4 4 RS | 1 » xanthosoma Blikr. 4 Plesiops melas Blkr. ak | Julis (Halichoeres) kaloso- | (ma Blkr. 4 1, » (_» JelegansK. v. H. | 1 » (_» ) Hoevenii Blkr. 4 | » (__» ) melanurus Blkr. 1 | suk Pi) strigiven— [ter Benn. 4 1 » (__» ) spilurus Blkr. 1 » (__» ) interruptus Blkr. 4 1i'4 » ( >» ) Renardi Blkr. 1 | » (__» ) balteatus QG. 1 » 5 » ) bandanensis Blkr. 1 » ( » ) miniatus K. v. H. | Ì » » ) Schwarzii Blkr. 4 » ( _» ) binotopsis Blkr. B | » (__» ) kawarin Blkr. | 1 » ( » ) timorensis Blkr, he à » Gaimardi OG. | | nm | | fm 75 182/15,14)58| 1159 50| 7 1/42 EE SOORTEN. Molukken. Eiland van voorkomen nietf&ist bekend. Amboina. Boeroe. Ternate. Banda. Manipa. Ceram. Timor. ‘Solor. Aroë-eilanden. | | | Rawak. Nieuw Guinea, : Ê xr De me, % k Per transport. Labroïdes paradiseus Blkr. Crenilabrus nematopterus | | | Blkr. Novacula julioïdes Blkr. » pentadactyla CV. Cheilio hemichrysos CV. Gomphosus Cepedianus QG. Xyrichthys macrolepidotus CV Cheilinus decacanthus Blkr. ceramensis Blkr. diagrammus CV. fasciatus CV. lacrymans CV, insidiator CV. » > Epibalus Scarus nuchipunctatus CV, » » » » balinensis Blkr. fasciatus CV. capitaneus CV. vaigiensis CV. » _ longiceps CV. Odax moluccanus CV. rh waigiensis CV. __Plotosus macrocephalus CV. » lineatus CV. 4 Hemiramphus Quoyi CV. lueens CV. Lutkei CV. Dussumierii CV. _ Belone cylindrica Blkr. _ Exocoetus micropterus CV. Ù E myops CV. 1 As » poecilopterus CV. irocentrus dorab CV. _ Albula neoguinaica CV. » seminuda CV. hanos lubina CV. egalops indicus CV. ardinella lineolata CV. » leiogaster CV. lausa melanurus CV. ngraulis encrasicholoïdes Blkr. atoessus chacunda CV. Transport. iv ennen Kens Man 75 an annd ed eb Jed jade lend pede ni aen and | (82/15 14 58) 1 59 1 eh ek jk pek eh Jek joeb Hip ij: / | so! 7 Laa 6 70 Dek jd jad mm Jen Jen Jm | nn | nn | mn | men | mam 83 89,21)14 66! 1168/52! 71 1146) 7 77 250 [el 1 K. 5 5 . | … Ld js 4 Had BIS 3 amal 2 lesie es do o 4 |-s F- e eg art © sIS|jË le © BREN SOORTEN. zeas|slalafal selle Pele 8 285 o bie e on Ì s|e = AN > E r 0 je stakes se ESL Eh <5 Z mame 5 | | ; Per transport. 83 | 8921114166 1 6852 7| 1/46) 7177 Saurus trachinus T. Echt. 1 1 { » synodus CV. 1 in Saurida nebulosa CV. 1 1 1n » tombil CV. k | 1 Tetragonopterus argenteus Less. 1 Rn Oxybelus Homei Richards. be » Brandesii Blkr. 1 1 ‚Leptocephalus taenia Less. Muraena siderea Richards. » micropterus Blkr. 1 » canina QG. UK: » Richardsonii Blkr. 1 » marmorata QG. ETE il 1 » lita Richards. 1, » ceramensis Blkr. 1 » colubrina Richards. 1 Ophiurus maculosus Cuv. 1 » colubrinus Richards. 1 | » versicolor Richards. 1 Rhombus sumatranus Blkr. 1 | 1 » poecilurus Blkr. zp ' Solea trichodactyla Cuv. 1 _Achirus pavoninus Lac. 1 Plagusia Kopsii Blkr. 1 Ostracion cornutus L. 1 | 1 » tesserula Cant. 1 » eubicus Bl. 1 » Sebae Blkr. 1 Balistes conspicillum Bl. Schn. 1 » _ lineatus Bl. Schn. 1 | » _ azureus Less. » aculeatus Bl. 1 » medinilla QG. » _ flavomarginatus Rüpp. 1 » praslinus Lacep. 1 » ambonensis Gr. Hw. IJ | Monacanthus tomentosus Cuv. de Alutarius prionurus Blkr. 1 | PS laevis Cuv. U » personatus Less. | » Berardìi Less. | Tetraödon mappa Less. 3 » laterna Richards. 1 | Transport. 86 |102|21:14|75| 1181 54) 7| 11511 9} P SOORTEN. Molukken. Eiland van voorkomen niet juist bekend. Amboina. Boeroe. Ternate. ral Guinea. Banda. Timor. Ároë —eilanden. Rawak. _ Nieuw Per transport. ‚ Tetraödon virgatus Rich. » kappa Russ. » _hypselogeneion Blkr. » margaritatus Rüpp. Diodon punctatus Cuv. » coeruleus QG. Triodon bursarius Reinw. Syngnathus haematopterus Blkr. fasciatus Gr. H. B ehauhotdes Blochii Blkr. Hippocampus taeniopterus Blkr. LM en dd » moluccensis Blkr. Solenostoma paradoxum Lac. Pegasus volans L. » draconis L. » natans Bl. _ Scyllium ferrugineum Less. Chiloscyllium plagiosum MH. » malayanum MH. Carcharias (Prionodon) me- lanopterus QG. (_» _) am- boinensis MI. (Hypoprion ; Ma- eloti MH. Meistis euspidatus Lath. Trygon Kuhlii MH. » >» _ Taeniura lymma MI, Chimaera monstrosa L. Totaal. 86 |102 21 ee 86 1116/2114 70 14 jee joh beb oh mmm | en | mn E Van alle bovengenoemde eilanden te zamen reeds bekend 47% soorten, & in welk cijfer geveer l,, Ceram en Nieuw Guinea elk voor bijkans Ws, anda voor 'l,, Timor en Waigioe elk voor U, tot U, enz. 75 Hej 7 151 9 87 | | | | 1 KN | | | | nn 1 90, zijn alzoo thans Ambotna deelt voor ON ADT AREN is d DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE. PERCOÏDEL Cheilodipterus qiinguelineatus CV. Poiss. IL p. 124. Less. Zoöl. Voy. Duperr. II p. 237. Cheilodipt. corpore oblongo compresso, altitudine 44 circiter in ejus longitudine, latitudine 2 fere in ejus altitudine; capite acuto, 34 circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 12 circiter in ejus longitudine; oculis diametro 3 in longitudine capitis; linea rostro-frontali leviter con- vexa; maxilla inferiore superiore paulo breviore; dentibus maxillis pluri- seriatis parvis, maxilla superiore antice caninis 4, maxilla inferiore an- Ì tice lateribusque caninis 6 vel 8; praeoperculo rotundato margine posteri- ore denticulato; squamis deciduis, lateribus 25 p. m. in serie longitudi- nali; dorso humilis pinna dorsali spinosa dorsali radiosa paulo humiliore, spinis 2* et 3* ceteris longioribus; dorsali radiosa acuta, corpore paulo humiliore; peectoralibus rotundatis et ventralibus acutis longitudine subae- qualibus, capite minus duplo brevioribus; anali angulata dorsali radiosa paulo humiliore; caudali emarginata, angulis acuta, 44 eirciter in longitu- dine corporis; colore corpore hyalino-flavo vittis 10 nigricantibus, vittig dorsali et ventrali mediis imparibus, ceteris utroque latere 4 cephalo- caudalibus; cauda macula magna flava medio macula rotunda nigra no- tata; pinnis dorsali radiosa caudalique viridescente-hyalinis; pectoralibus, ventralibus analique flavis; dorsali spinosa antice nigra. B. 7. D. 6-1/9 vel 1/10. P. 2/10, V. 1/5. A. 2/8 vel 2/9. C. 17e lat. brev. Synon. Apogon novemstriatus Rüpp. N. Wirbelth. Faun. Abyss. F.R. M p. 85 tab. 22 fig. 1. \ Chéilodiptère à cinq raies CV. Poiss. II p. 124. Habit. Amboina, in mari. Longitudo speciminis unici 82, jj Aanm. Deze soort werd door de heeren Lesson en GARNO bij Bolabola ontdekt. De heer Rürperr beschreef haar later, onde den naam van Apogon novemstriatus, welke soort alzoo behoor te vervallen. Het exemplaar naar hetwelk de heer Rürrerr haat beschreef, had slechts de halve lengte van het mijne. De heer _ RüreerL schijnt haar tandenstelsel niet onderzocht te hebben, althans maakt hij daarvan geene melding. De staartvin is ook merkbaar uitgerand en niet afgeknot, zooals de afbeelding van den heer RürrerL aangeeft. Overigens zijn de evenredigheden _des ligchaams en der vinnen, de verdeeling der banden, de ge- tallen der vinstralen enz. volkomen dezelfde en laat zich de _ identiteit van de soort van Bolabola, van de Roode zee en van _Amboina niet betwijfelen. Apogon roseipinnis CV. Poiss. III p. 861. Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 84 ad 34 in ejus longitu- dine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite 81 ad 32 in lonegitu- ’ 3 bl Pp Z 3 o dine corporis, vix longiore quam alto; linea rostro-frontali declivi recti-- _uscula; oculis diametro 3 circiter in tongitudine capitis; maxilla inferiore Superiore vix longiore; praeoperculo rotundato, margine posteriore denti- _eulato; linea laterali subarborescente; squamis lateribus 25 p. m. in serie ee 9 vel 10 in serie transversali; dorso elevato; pinna dorsali | spinosa radiosa humiliore, spinis 8% et 4° ceteris longioribus; dorsali ra- oe KA s DE . . . . diosa acuta, corpore humiliore; pectoralibus obtusis ventralibus acutis paulo ES 7. D. 7-1/9 vel 1/10. P. 9/12, V. 1/5. A. 2/8 vel 9/9. C. 17 et NE lat. brev. _ Synon. Centropomus aureus Lacép. Poiss. IV p. 253 et 273, f Centropome doré Lacép. ibid. Ostorhinchus Fleurieu Lacép. ibid. p. 24. Ostorhinque Fleurieu Lacép. ibid. p. 24 et III tab. 32 fig. 2. Apogon à nageoïres roses CV. Poiss. III p. 361. at Amboina, in mari. bed | Longitudo 2 speciminum 94” et 100”. Aanm. ReyNaup nam deze soort waar op Ceylon. Het schijnt, L zij ook is waargenomen bij Waigioe en Rawak door de naturalisten, welke Frrisciner op zijne ontdekkingsreis hebben vergezeld. Ik aarzel niet, haar terug te brengen tot de aange- haalde soorten van Lactrkpr, te meer daar de overeenkomst 254 van den habitus met dien der afbeelding van Ostorhingue Fleu- | rieu van LacÉrkpe zeer groot is. Apogon Hartzfeldvi Blkr. Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 44 circiter in ejus longi- tudine, latitudine 2 fere in ejus altitudine; capite 81 circiter in longitu- dine corporis; altitudine capitis 12 in ejus longitudine; linea rostro-fron- tali declivi rectiuscula; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis; maxilla inferiore superiore paulo breviore; praeoperculo rotundato margine “posteriore denticulato; linea laterali non vel vix arborescente; squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinali, 7 vel 8 in serie transversali; dorso subelevato; piuna dorsali spinosa dorsali radiosa humiliore, spina — 3* eeteris longiore et crassiore; dorsali radiosa acuta corpore paulo hu- miliore; pectoralibus obtusis ventralibus obtusis paulo longioribus, 54 eirciter in longitudine corporis; anali angulata , dorsali radiosa humiliore; > caudali paulo emarginata lobis obtusis 44 circiter in longitudine corporis; 4 eolore corpore flavescente-roseo, pinnis rosco; cauda ad basinpinnae caudalis’ macula rotunda nigra; pinna caudali membrana maenlis fuscis. — B. 7. D.7-1/9 vel 1/10. B.-2/11.- Vs 1/5. "A. 2/3hvelf 2/90 GEL NEN lat. brev. Habit. Amboina, in mari. Longitudo speciminis unici 77°”, Aanm. Deze soort schijnt groote overeenkomst te hebben met Apogon thermalis CV., doch heeft | rugdoorn meer. Daar de beschrijving van Apogon thermalis CV. overigens zeer on- voldoende is , laat zich daarnaar niet over mogelijk. andere soortelijke verschillen oordeelen. Tot andere bekende soorten laat zij zich nog minder terugbrengen. d Ik noem deze soort ter eere van mijnen ambtgenoot en vriend Dr. J. HartzreLDp, aan wiens verzamelingen de we- tenschap eene betere kennis der vischfauna van Amboina te, danken heeft. corporis, aeque alto ecirciterac longo; linea rostro-dorsali vertice concavs 255 rostro recfiuscula; oculis diametro 2% in longitudine capitis; maxilla in- feriore superiore Jongiore; praeoperculo rotundato, margine posteriore den- ticulato; linea laterali non arborescente; squamis lateribus 22 p. m. in serie longitudinali, 9 vel 10 in serie transversali; dorso elevato; pinna dorsali spinosa radiosa vix humiliore, spina 2* ceteris longiore et crassi- ore; dorsali radiosa angulata, corpore humiliore; peectoralibus obtusis et ventralibus acutis longitudine aequalibus, 44 circiter in longitudine cor- poris; anali angulata dorsali radiosa vix humiliore; caudali emarginata, angulis acuta, 84 circiter in longitudine corporis; colore corpore virides- cente inferne dilutiore; fascia dorso-ventrali nigra spinas dorsales 2* et 3” inter et medium ventrem; cauda medio fascia longitudinali nigra; squamis corpore caudaque pluribus gutta nigra; pinnis viridescentibus, ventralibus apice nigris. BIRB 67-1/9. vel 6-1/10. P. 2/10: V..1/5.- A. -2/B vel 2/9. GC. 17-et Jat. brev. Synon. Apogon orbiculaire CV. Poiss. II p. 115, VI p. 372. Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. Longitudo speciminis unici 61°”, Aanm. Volgens Quoy en Garmarp zouden bij de versche specimina, kop, eerste rugvin en buikvinnen rood gevlekt zijn, de 2de rugvin geelachtig met bleekrooden rand, de staartvin roodachtig en de aarsvin blaauwachtig met een’ breeden roo- den rand. Hoezeer mijn specimen in goeden toestand van be- waring verkeert, kan er ik van deze kleuren niets waarnemen. Apogon melanorhijnchos Blkr. Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 4 circiter in ejus longitu- dine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite 34 ad 34 ín longitu- dine corporis, longiore quam alto; linea rostro-frontali declivi convexius- eula; oculis diametro 22 ad 3 in longitudine capitis; praeoperculo rotun- dato, margine posteriore denticulato; linea laterali non arborescente; squa- mis lateribus 23 p. m. in serie longitudinali, 8 p. m. in serie transversali; dorso humili; pinna dorsali spinosa radiosa multo humiliore, spinis 3* et 4° ceteris longioribus ; dorsali radiosa et anali convexis, corpore humilio- ribus; pectoralibus obtusis ventralibus acutis longioribus, 5 in longitudine corporis; caudali emarginata 4 circiter in longitudine corporis; colore cor= pore rubro; fascia rostro-oculo-caudali nigricante antice coerulescente mar- Sinata; cauda ad basin pinnae caudalis macula rotunda nigra; pinnis ru- bris; dorsali spinosa amtice nigra; dorsali radiosa analique basi fascia lon- gitudinali nigra. 256 But: Dire 14E veln7 s,1,/B. Bk iden Vel nye LAS EN a et lat. brev. Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. Longitudo 3 speciminum 47” ad 65°” Aanm. Bij mijn kleinste specimen, hetwelk in den besten toe- stand van bewaring verkeert, gaat de overlangsche band van den staart tot aan den snuit, waar hij zich met dien der tegenover- gestelde zijde vereenigt, en waardoor de snuit zwart gekleurd is. Bij de 2 grootere specimina reikt de overlangsche band niet verder dan van den snuit tot aan het voorste gedeelte der zijden. In band- en vlekteekening heeft deze soort veel van Apo- | gon ceramensts Blkr., doch zij is langwerpiger van ligchaam, heeft Î rugdoorn meer en ligchaam en vinnen zijn rood gekleurd, ter- | wijl zij bij Apogon ceramensis groenachtig en geelachtig zijn. Apogon chrijsosoma Blkr. Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 3% ad 4 in ejus longitu- # dine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite 34 ad 84 in longicu- dine corporis, longiore quam alto; linea rostro-frontali declivi rectiascula; oculis diametro 24 ad 83 in longitudine capitis ; maxilla inferiore superiore Ì longiore; praeoperculo rotundato, margine posteriore denticulato ; linea late- 8 rali non arborescente ; squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinali, 8 p. m. ; inserie transversali; dorso humili; pinna dorsalí spinosa dorsali radiosa humi- liore, spinis 3* et 4° ceteris iongioribus; dorsali radiosa et anali angulatis, acutis, corpore humilioribus; pectoralibus obtusis ventralibus acutis longiori-s bus, 5 circiter in longitudine corporis; caudali emarginata angulis subrotunda= tis, 44 circiter in longitudine corporis; colore toto corpore aureo, pinnis rubro; vittis vel maculis nullis. B. 7. D. 7-1/9 vel 7-1/10, P. 2/12. V. 1/5. A. 2/8 vel 2/9. C. TW ef lat. brev. Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 5 23 Longitudo 3 speciminum 52” ad 55 Aanm. Deze soort is zeer na verwant aan Apogon melano- rhynchos Blìkr. doch mist alle band- of vlekteekening. Apogon ceramensis Blkr. Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 34 ad 34 in ejus longitu- dine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite 34 circiter in longi- tudine corporis, longiore quam alto; linea rostro-frontali deelivi rectius- cula; oculis diametro 834 ad 834 in fd hide capitis; maxilla inferiore superiore vix breviore; pracoperculo rotundato, margine posteriore den- ticulato; linea laterali non arborescente; squamis lateribus 25 p. m. in se- rie longitudinali, 8 p. m. in serie transversalis dorso elevato; pinna dorsali spinosa dorsaliradiosa humiliore, spinis 2*et 3s subaequalibus, ceteris longi= oribus, corpore duplo humilioribus; dorsali radiosa acuta, altitudine 14 in altitudine corporis; pectoralibus obtusis ventralibus acutis longioribus, 5 eirciter in longitudine corporis; anali acuta dorsali radiosa paulo humiliore; caudali emarginata, angulis acuta, 44 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne viridescente inferne argenteo; capite fusco arenato; vitta thoraco-caudali gracili fusca; cauda postice gutta nigra; pinnis flavescente- hyalinis; dorsalí spinosa radium 2e inter et 8, nigra. ERD vel 61/10. P. 2/12, Vs 1/5. AL'9/R vel 2/9. Cs 17 et lat. brev. Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. Longitudo 2 speciminum 80” et 82” Aanm. Deze soort nadert in verwantschap tot Apogon ro- seipinnis CV. doch is hiervan, alsmede van de overige bekende soorten te onderkennen door hare kleurteekening enz. _ Ambassis urotaenia Blkr. Ambass. corpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus lon- \ gitudine, latitudine 2% circiter in ejus altitudine; capite acuto 4 circiter in f longitudine corporis, vix longiore quam alte ; linea rostro-frontali concavius- eula; oculis diametro 24 ad 3 in longitudine capitis; orbitis inferne denticulatis; maxilla superiore inferiore breviore, sub oculi parte anteriore desinente; _dentibus maxillaribus vis conspicuis; osse suborbitali et praeoperculo mar- _gine interno denticulatis; suboperculo interoperculoque margine glabris; _ dorso subelevato; linea dorsali rotundata linea ventrali paulo convexiore; _squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinali; linea laterali singulis sqüamis tubulo simplice notata, sub pinna dorsali radiosa valde curvata; pinnis dorsalibus basi unitis, spinosa radiosa altiore, spinis validis, 2a ce- teris altiore 5 ad 54 in longitudine corporis; dorsalí radiosa angulata; pec- toralibus acutiusculis ventralibus acutis paulo longioribus, capite brevio- ribus; anali angulata, spinis 3 validis 8° 1* et 2* longiore sed spina dor- Sali 2s breviore; caudali profunde incisa, lobis acutis, 34 ad 32 in lon- gitudine corporis; corpore flavescente-hyalino, fascia cephalo-caudali ar- gentea; pinnis flavescente-hyalinis, dorsali spinosa spinam 2" inter et 3" migricante; caudali utroque lobo fascia lata longitudinali violaceo-nigri- “Cante. rd P, niet uitgerande staartvin, Îf rugdoornen en overlangs gestreept 258 B-6.D.7-1/9 vel 7,/1/10. 5 2/12 vel 2/18. V. 1/5. A: 3/9 vel 3/10. C. 17 et lat. brev. Habit. Amboina et Wahai, in mari. Longitudo 6 speciminum 74” ad 88. Aanme Deze soort heeft groote verwantschap met Ambas- sis Commersonii CV , doch is wat ranker van ligchaam , heeft den voorsten liggenden rugdoorn stomp en onder de huid ver- borgen en is bij den eersten oogopslag herkenbaar aan hare overlangsche zwartachtige staartvinbanden. Serranus amboinensis Blkr. Serran. corpore oblongo compresso, altitudine 32 ecirciter in ejus longi- tudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite 3 circiter in longitu- dine corporis; altitudine capitis 1# circiter in ejus longitudine; oculis dia- metro 44 circiter in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi rectius- eula; rostro alepidoto; osse maxillari superiore squamulis parcis, sub oculi kmbo posteriore desinente ; maxilla superiore inferiore breviore, dentibus pluriseriatis, serie externa conicis, seriebus internis setaceis, antice cani- nis 2 medioeribus; maxilla inferiore valde adscendente, dentibus plurise- riatis, antice caninis 2 vel 4 parvis; praeoperculo rectangulo, margine posteriore denticulis valde conspicuis, angulo dentibus 5 majoribus; suboper- culo interoperculoque denticulis parcis; operculo spinis 8 planis, spina media — ceteris majore; dorso humilis lineis dorsali et ventrali convexitate subae- 8 qualibus; squamis lateribus ciliatis, 100 p. m. in serie longitudinali; pin- nis dorsali et anali postice rotundatis, dorsali spinosa dorsali radiosa non vel vix altiore, spinis 38*, 4* et 52 ceteris longioribus corpore plus duplo humilioribus; pectoralibus rotundatis, ventralibus acutiusculis et caudali leviter cenvexa 5 ad 58 in longitudine corporis; spina anali media capite plus triplo breviore; corpore umbrino inferne dilutiore; capite punctis fuseis numerosis; dorso lateribusque vittis longitudinalibus plus minusve serpentinis 10 ad 12 profunde fuscis; pinnis fuscis, immaculatis. B. 7. D. 11/18 vel 11/19. P. 2/17. V. 1/5. A. 3/8 vel 2/9. C. 15 veld 17 et lat. brev. Habit. Amboina, in mari. Longitudo speciminis unici 108” Aanm. Deze soort behoort tot degroep van Serranus met ligchaam, en schijnt na verwant te zijn aan Serranus lineatus CV. van Pondicherij, van welke soort echter gezegd wordt, dat zij slechts 4 of 5 strepen op den rug heeft, welke bij versche visschen blaauw zijn, terwijl de borstvin slechts 16 stralen zou hebben. Mesoprion amboinensis Blkr. Mesopr. corpore oblongo compresso, altitudine 84 circiter in ejus lon- gitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; linea rostro-frontali le- viter convexa; capite 34 ad 34 in longitudine corporis, longiore quam al- to; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis, rostro acuto vix longi- oribus; dentibus maxilla conicis; maxilla superiore antice caninis 4 cur- vatis mediocribus, externis internis majoribus; maxilla inferiore lateribus dentibus aliquot rectis ceteris majoribus; maxilla superiore inferiore paulo Jongiore sub oculi parte anteriore desinente; osse suborbitali angulo oris oeulo duplo circiter humiliore; pracopereulo subrectangulo, angulo rotun- dato, margine libero toto denticulato, denticulis angulo majoribus, mar- gine posteriore incisura profunda; opereulo spina unica plana; dorso ele- _vato; linea dorsali linea ventrali multo convexiores squamis lateribus 55 p. m. in serie longitudinali; pinna dorsali parte spinosa parte radiosa al- tiore, rotundata, spinis mediis ceteris longioribus, 1* ultima breviore, parte radiosa rotundata; pinnis pectoralibus acutis 4 circiter, ventralibus acutis 5 et paulo in longitudine corporis; anali spina media ceteris ma- jore et parte radiosa altiore, parte radiosa rotundata; caudali leviter emar- _ginata, angulis acuta, 42 cireiter in longitudine corporis; colore corpore superne roseo, inferne flaveseente ; dorso vittis obliquis aurantiaco-rufis; Jateribus vittis 5 vel 6 horizontalibus flavis'; pinnis flavis. 7 De 11/13 vel 11/14. P. 2/15. V. 1/5. A. 3/8 vel 2/9. C. 17 et Jat. brev. Habit. Amboina, in mari. k Longitudo 2 speciminum 76” et 110” Aanm. Het sterk uitgesneden zijn des praeoperkels zou deze soort doen behooren tot Diacope CV., indien Driacope CV. en Mesoprion CV. als twee verschillende geslachten aan te nemen waren. Hare herkenning wordt voorts gemakkelijk gemaakt door hare Îf rugdoornen en kleuren. Holocentrum diadema GV. Poiss. UI p. 159. Less. ì Loöl. Voy. Duperr. IL. Ip. 220 tab. 25 fig. 2. e _ Holocentr, corpore oblongo compresso , altitudine 88 in ejus longitudine, Jatitudine 2 et paulo in ejus altitudine; linea rostro-frontali leviter convexa; 260 capite acuto, 4 fere in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus longitudine; oeculis diametro 23 circiter in longitudine capitis; ros- tro acuto oculo breviore; osse suborbitali valde emarginato dentibus bene conspicuis postrorsum spectantibus; maxillis aequalibus, superiore valde protractili, sub oculi parte anteriore desinente; dentibus orbitalibus et opercularibus numerosis; spina praeoperculari limbum opercularem supe- rante; operculo spinis 2 validis superiore longiore; vertice lateribus striis 9 vel 10 divergentibus; lineis dorsali et ventrali convexis, dorsali ventrali multo convexiore; squamis lateribus 48 p. m. in serie longitudinali; pin- na dorsali usque ad basin incisa, spinis mediis ceteris longioribus, ultima prima breviore, parte radiosa obtusa rotundata parte spinosa vix vel non altiore; pinnis pectoralibus ventralibus paulo brevioribus 5 et paulo in lon- gitudine corporis; anali spina 3 maxima parte radiosa angulata altiore; caudali profunde incisa, lobis acutiusculis rotundatis 54 ad 6 in longi- tudine corporis; corpore rubro vittis 8 ad 11 longitudinalibus argenteis; pinna dorsali spinosa nigra, vitta longitudinali alba vel rosea (media pinna interdum interrupta); pinnis ceteris roseis; membrana spinas anales 3@ in- ter et 4, nigricante. . B. 8. D. 11. 1/12 vel 1/13. P. 2/12. V. 1/7. A. 4/9 vel 4/10 C. 4.19. 4. Synon. Molocentrus diadema Lacép. Poiss. IV p. 372 et 374 Rüpp. Atl. RN. Afr, FE. Be Mp. 84 tabe 22-fig 8, Holocentre diadème Lacép. ibid. et III tab. 32 fig. 3. CV. Poiss. IEI p. 159. Jess: Zool. Voy. Duperr. JE po: Sciaena vittata Parkins. Perca pulchella Benn. Zoöl. Journ. III p. 377 tab. 9. fig. 5. Fi-eï Indig. Bolabola. Habit. Amboina, in mari, Longitudo speciminis unici 128” Aanm. De witte banden der zijden bij mijn specimen heb- ben bruinachtige streepjes naast zich. De witte band der doorn- achtige rugvin is bij den zesden doorn afgebroken en begint weder, doch hooger bij den achtsten rugdoorn. Myripristis parvidens GV. Poiss. III, p. 129 et VIL, p. 969? \ Myriprist. corpore oblongo compresso, altitudine 34 ad 3 in ejus longi- — tudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; dorso elevato convexo; lis nea rostro-frontali convexa; capite obtuso 82 circiter in longitudine cor-_ poris, aeque alto circiter ac longo; ocuiis diametro 2 circiter in longitus dine capitis; distantia interoculari 84 circiter in longitudine eapitis; vertice _ utroque latere carinis 5 vel 6; maxillis antice caninoïdeis nullis, superiore sub oculi dimidio posteriore desinente; osse supramaxillari nullibi dentie 4 Ve Ad TTA A SN sE eha kersen EN » à 261 ato; fossa rostrali trigona; praeoperculo rotundato; operculo rotundato, atitudine 3 in ejus altitudine, spina brevi; osse scapulari non denticulato; amis lateribus 30 p. m. in serie longitudinali, longitudinaliter valde jatis; pinnis dorsalibus yix /unitis, spinosa radiosa humiliore, radiosa acuta; pectoralibus acutis 5, ventralibus acutis 54, caudali profunde in- Bisa lobis acutiuscule rotundatis 44 circiter in longitudine corporis; anali rs colore corpore violaceo-rubro, lateribus argenteo nitido intermixto; s roseis vel rubris, caudali radijs externis violascente; membrana grculari axillisgue macula nigerrima. 8e D. 10. 1/14 vel. 1/15. P. 2/14. V. 1/7. A. 4/18 vel 4/14..C. 4. 4 Synon. Myripristis à petites dents CV. Poiss. IIL p. 129. VII p. 369? ‚Habit. Amboina, in mari, : Longitudo 2 speciminum 98” et 105” _Aanm. Ik houd de bovenbeschrevene soort voor dezelfde als Mjripristis parvidens CV. van Port Praslin. De bepaling der soor- n van Myripristis is niet gemakkelijk, eensdeels door de groote vereenkomst der soorten onderling, en ten andere door het on- ldoende der meeste beschrijvingen. De afbeelding van Russerr an Sullaneroo kuntee beantwoordt vrij wel aan mijne spe- u na, doch behoort volgens Cuvier tot eene eigene soort, elke hij Myripristis kuntee noemt. | yripristis microphthalmus Blkr. Myriprist. corpore oblongo compresso, altitudine 2% in ejuslongitudine, itudine 2 et paulo in ejus altitudine; dorso elevato convexo; linea ros- -frontali convexaj; capite obtuso, 4 in longitudine corporis, aeque alto ac oeulis diametro 24 circiter in longitudine eapitis; distantia inter- 4 fere in longitudine capitis; vertice utroque latere carinis p. m. 65 s antiee dentibus aliquot conicis obtusis ceteris majoribus alde EE Superiore sub oeulí dimidio posteriore desinente; osse supramaxil- _postice dentieulato; fossa rostrali trigona;s praeoperculo rotundato; rculo rotundato, latitudine 3 fere in ejus altitudine, spina brevis osse : ri non denticulato; squamis lateribus 30 p. m. in serie longitudinali, it udinaliter valde striatis; pinnis dorsalibus vix unitis, spinosa radiosa loro, hae acutiuscula plee srad pied ri heee intermixto ; Ven dorsalibus marginibus rubro- AEN macula, de Ì nigra; pinnis roseis. 20 262 Habit. Amboina, in mari. Longitudo speciminis unici 152” B | B. 1.D. 10. 1/15 vel 1/16 P. 2/13. V. 1/1. A. 4/13 vel 4/14. C. 4. 19. 3. — | | Î Aanm. Ik breng deze soort slechts aarzelende op als eene nieuwe. De oogen zijn aanmerkelijk kleiner dan bij mijne overige soorten, t. w. Myripristis hezagonus CV., Myripristis pralinius CV. , Myripristis violaceus Blkr. en Myripristis par-_ videns CV. In dit opzigt is zij verwant aan Myripristis axil- laris GV., doch deze zou langwerpiger zijn van ligchaam dan ij Myripristis pralinius CV. terwijl Myripristis microphthalmus betrekkelijk het hoogste ligchaam heeft van de 5 soorten mijner — verzameling. Deze 5 soorten laten zich naar volgehd-schema 8 gemakkelijk van elkander onderscheiden. N JL. Os supramaxillare edentulum. Macula nigra opercularis et — axillaris. Myripristis parvidens CV.? HM. Os supramaxillare angulo denticulatum. A. Squamae 40 p. m. in serie longitudinati.. Operculum latitudine 34 circiter in ejus altitudine. Myriprestis pralinius CV.? B. Squamae lateribus 30 p. m. in serie longitudinalis Operculum latitudine minus quam 9 in ejus altitu= dine. a. Corpus altitudine 3 vel plus quam 3 in ejus longitudine. Macula axillaris nigra. | Myripristis violaceus Blkr. jj Macula axillaris nulla. Myripristis hezagonus CV.? b. Corpus altitudine minus quam 3 in ejus longitudine. Macula axillaris nigra. Myripristis microphthalmus Blkr. 265 _MULLOIDEI. Upeneus barberinoïdes Blkr. Upen. corpore oblongo compresso, altitudine 44 ad 44 in ejus longitu- dine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite 4 circiter in longitu- dine corporis; linea rostro-frontali convexa; oculis diametro 34 ad 5 in __Jongitudine capitis; osse suborbitali oculo junioribus paulo, aetate pro- K vectioribus multo altiore ; rostro oculo junioribus minus duplo, aetate provec- __ nullis; praeoperculo subrectangulo rotundato ; operculo spina acuta; cirris in- __framaxillaribus operculum attingentibus; linea laterali arborescente; squa- k: mis lateribus 30 p. m. in serie longitudinali; pinna dorsali spinosa dorsali _ radiosa duplo circiter altiore; pinnis ventralibus pinnis pectoralibus paulo _ longioribus et capite paulo brevioribus; caudali profunde excisa, lobis acu- _ tis 44 ad 5 in longitudine corporis; colore corpore superne rubro inferne _ roseo; squamis dorso singulis medio gutta nitente rubro-violacea; fascia d rostro-dorsali media et fascia rostro-oculo-dorsali lata*fusco-nigricantibus ad initium pinnae dorsalis radiosae desinentibus; opereulis lateribusque C° antice macula maxima fusco-nigricante postice eum fascia rostro-oculo-dor- ‘sali unita; cauda antice linea laterali et ad finem pinnae dorsalis ra- diosae macula nigricante; cirris carmosinis; pinna dorsali spinosa antice ‘flavescente-rubra postice violascente-rubra; dorsali radiosa basi violaceo- nigricante, dimidio superiore fasciis longitudinalibus flavis et coeruleis alter- nantibus ; pectoralibus roseis basi fuscis; ventralibus rubris apice violascen- tibus; anali fasciis pluribus longitudinalibus rubris et flavis alternantibus; eaudali aureo-flava, (adultis) margine inferiore violascente. BRB: 3. D.8-1/8 vel 1/3. P. 2/13. V. 1/5. As 2/6 vel 2/7. .C. 15 et lat. brev. n _ Habit. Wahai ‚ Ceram septentrionalis, in mari. _ Longitudo 8 speciminum 67°” ad 155.” Á __Aanm. Deze soort is verwant aan Upeneus barberinus CV., minder in de borstvin, kortere voeldraden enz. De zwarte vlek, welke zich bij verwante soorten bij de staartvin bevindt , ds hier op het voorste gedeelte van den staart, nagenoeg onder den laatsten rugvinstraal. Pel SCLEROPAREL. Dactylopterus orientalis CV. Poiss. IV. p. 98. Richards. Rep. Ichth. Chin. Jap. in Rep. 15° meet. Brit. assoc. p. 218. T. Schl. Faun. Jap. Poiss. p. 87. Dactylopt. corpore elongato prismatico, altitudine 6 ad 6% in ejus lon- — gitudine, latiore quam alto; eapite quadrangulari, toto scabro, obtuso, absque processubus osseis 5 fere ad 54 in longitudine corporis, latiore quam alto; fronte inter oculos concava; rostro obtuso ante os prominen- te; oculis diametro 24 ad 3 et paulo in longitudine capitis (absque pro= cessubus); maxilla superiore inferiore longiore, sub pupilla desinente; scuto capitis utroque latere in spinam pinnam dorsalem spinosam attingen- tem producto, incisura supra praeoperculum desinente; spina praeoperculari longissima, insertionem pinnarum ventralium superante; squamis scabris cgrinatis, lateribus 45 p. m. serie longitudinali; lateribus inferne et pos- tice carinis squamarum in laminas horizontales dentieulatas productis; ra- — dio dorsali antico filiformi supra praeoperculum inserto, capite longiore; pinna dorsali spinosa proprie sic dicta pinna dorsali radiosa non vel vix humiliore; pectoralibus latissimis caudalem attingentibus vel supe- rantibus; ventralibus acutis capite brevioribus; anali corpore vix humili-® ore; caudali truncata vel vix emarginata, 5 circiter in longitudine corpo ris; colore corpore superne fuscescente-viridi inferne flavescente; dorso la- | teribusque fusco nebulatis vel maculatis; filo dorsali antico ejusque membrana / nigris; dorsali spinosa viridescente; dorsali radiosa caudalique flavescen- tibus radijs füsco variegatis; pectoralibus violaceo-nigricantibus maculis nigris et luteis; ventralibus aurantiacis; anali flavescente. | B. 7. D. 1—-1—6—8. P. 4/26 vel Den ad 5/31 V. 1/4. A. 6. Cl 9 et lat. brev. Synon. Beudjou terpang et Vliegende zeeaap De Vlam. Rec. É Ikan Terbang warna roepanja Valent. Ind. Amb. II p. fig. 35. | Terbang Boudjou Ren. Poiss. Mol. I tab. 10 fig. 66. Cyanoptère Commers. fig. citat. in CV. Poiss IV p. 99. Dactyloptère Bes Indes CV. Poiss. IV tab 76. Dactyloptère tacheté de la mer des Indes. Habit. Amboina, Wahai, Banda Neira, Macassar, in mari. Longitudo 4 speciminum 74” ad 520,” | Aanm. Het grootste mijner 4 specimina ontving ik zeer on- langs van Celebes (van Makassar), van welk eiland deze soo t tot nog toe nief bekend was. 265 \Pterois brachypterus CV. Poiss. IV p. 270. Per. corpore oblongo compresso, altitudine 84 circiter in ejus lon- bl « í gitudine, latitudine 2 in ejus altitudine; capite 4 circiter in longitudine corporis; oculis diametro 8 circiter in longitudine capitis, diametro £ cir- citer a se invicem distantibus; vertice postice et antice, temporibus, or- bita rostroque spinis vel spinulis armatis; spinulis orbitalibus pluribus, rostralibus minimis; cirris vel fimbriis cutaneis supraorbitalibus brevissimis vix conspicuis, rostralibus, suborbitalibus et praeopercularibus oculo bre- Svioribus; crista suborbitali antice oculo contigua, spinulis numerosis; praeoperculo obtusangulo rotundato spinis 3 acutiusculis; operculo spina nulla; squamis lateribus 40 p. m. in serie longitudinali; pinna dorsali spi- nosa corpore multo humiliore, spinis mediis ceteris longioribus, membra- na inferne tantum unitis; dorsali radiosa et anali rotundatis dorsali spi- nosa altioribus; pectoralibus rotundatis integris, rctundatis, initium caudae attingentibus ; ventralibus analem subattingentibus; caudali rotundata 4 longitudine corporis; colore corpore fuscescente-rubro, fusco profundi-. re nebulato vel subfasciato;s pinnis dorsali spinosa fuscescente, membra- 8 nigro marginata; dorsali radiosa, anali caudaliqgue flavis radiis nigro a jegatis; pectoralibus superne fuscescente-viridibus fasciis 6 p. m. trans- ersis latis fuscescente-nigris, inferne nigro, flavo et fusco marmoratis; ED 2/10 vel 12/1/10. P. 17. V. 1/5. A. 3/5 vel 3/6. C, 18 Met 5 spin. later. brev. Aanm. In de beschrijving dezer soort in de groote Histoire u elle. des Poissons is de plaats van haar voorkomen niet gegeven. Ik kan bij mijn specimen geene bandteekening op | ligchaam waarnemen, maar het achtergedeelte des ligchaams beschadigd, zoodat de kleuren er niet meer duidelijk uitge- ikt zijn. In habitus heeft deze soort veel van eene Scorpaena. brois zebra CV. Pois. IV, p. 269. Règn. anim. éd. d. luxe Poiss. er. corpore oblongo compresso, altitudine 34 ad 82 in ejus longitudine, dine 14 circiter in ejus altitudine; capite 34 ad 34 in longitudine ris; oculis diametro 3 ad 34 in longitudine capitis, minus diametro 266 1 a se invicem distantibus; rostro oculo junioribus breviore, aetate pro , eulum longitudine aequante; vertice postice et antice, tem- vectioribus 0 nis orbitis pluri- orbita rostroque spinis vel spinulis armatis; spi poribus, s oculo longioribus ramo= cirris vel fimbriis cutaneis supraorbitalibu bus; ularibus oculo brevioribus; ossibus sis, nasalibus , rostralibus et praeoperc guborbitalibus crista spinosa horizontal oculo approximata; praeoperculo rotundato, spinis 3 acutis; opereulo spina unica plana; squamis lateribus — 50 p. m. in serie longitudinali; pinna dorsali spinosa corpore altiore spi- nis mediis ceteris longioribus , membrana parte inferiore tantum unitiss . . . . .. . e == dorsali radiosa et anali rotundatis, corpore humilioribus; pectoralibus cau- dam, ventralibus analem attingentibus; caudali rotundata 4 ad 44 in lon- gitudine corporis; colore corpore rubro inferne dilutiore; genis maculis { fuscis; operculis fascia transversa fusca; corpore fasciis latis transversis fuscis p. m. 6; pinnis verticalibus Aavescentibus, spinis et radiis fusco vel nigro variegatis; pectoralibus antice flavo, nigro et fusco variegatis, pOs- tice basi nigricantibus flavo maculatis; ventralibus nigricantibus favo gut- tatis; cirris orbitalibus favo et fusco variegatis. B 1. D: 12/1/10 vel 12/1 /MTE MB. V. 1/5. A. 3/ö vel 3/7. C. He et spin. lat. brev. 5 vel 6. Louw Renard Poiss. Mol. I tab. 6 fig. 41. Ptéroïs zèbre CV. L. c. Habit. Amboina et Wahai, in mari. Longitudo 3 speciminum 86” ad 158”. | Aanm. Tot deze soort heeft blijkbaar betrekking de uiterst gebrekkige afbeelding van: Renarp, boven aangehaald. Ä Scorpaena diabolus CV. Poiss. IV, p. 999. Richards. Ichth. Voy. Sulph. p- 76, tab. 40. 4 Synon. Scorpaen. corpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus Jon- gitudine, latitudine capite 1 et paulo; lateribus 14 fere in ejus altitudine; capite acuto 8 circiter in longitudine corporis, postice latiore quam alto, temporibus operculisque superne tantum squamato, inter orbitas verticeque valde depresso; linea rostro-frontali rostro valde convexa, fronte valde concavaj oculis diametro 6'circiter in longitudine capitis, plus diametro Ì fossa suborbitali magna; rostro oculo longiore; a se invicem distantibus; paulo post oculum desinente ; maxilla superiore inferiore breviore, valde obliquo; spinis utroque latere fronte et vertice p. m. 10, orbitis 5 vel 6, rostro 3, suborbitalibus fasciculatis plus quam 10, praeopercu'o 3 superiore daplice ; operculo cristis 2 superiore dentibus 4 vel 5, inferi- ore dentibus 2; fimbriis cutaneis utroque latere supraorbitali ocalo n n longiore, nasali 1 lata ramosa, rostrali 1 brevi, suborbitali lata 06 2671 vix breviore, inframaxillaribus pluribus, praeoperenlaribus 3, operculari 1, lateribus et linea laterali pluribus; dorso elevató, gibboso; squamis _ Jateribus 40 p. m. in serie longitudinalis; pinna dorsali spinosa radiosa Af rotundata humiliore, spinis anticis curvatis, mediis ceteris longioribus et _ eorpore plus duplo humilioribus, 1“ et 11° ceteris brevioribus; pectoralibus 14 fere, ventralibus 5 fere, caudali convexa 5 in longitudine corporis ; _ amali rotundata spina 2* radio le vix breviore; colore corpore rubro fusco _ parce nebulato et margaritaceo-coeruleo marmorato; pinnis ventralibus _ fuscis margine libero rubris; pinnis eceteris rubris margaritaceo-coeruleo _ et fusco variegatis et marmoratis; pectoralibus postice nigro maculatis; k caudali basi et apicem versus fascia transversa diffusa fusca. B. 7. D. 12/9 vel 12/10. P. 1 simpl. + 4 vel 5 fiss. 4 12 vel 11 simpl. WV. 1/5. A. 3/5 vel 3/6. C. 12 vel 14 et lat. brev. 4 __ Synon. Jkan Sowanggi bezar Valent. Ind. Amb. III p. 399 fig. 170. 4 Ikan Satan Renard Poiss. Mol. II tab. 8 fig. 35. | Crapaud de mer du Croisic ou Diable Duham. Pêches II sect. % 5 p. 92 tab. 3 fig. 1. | \ Scorpaena marmorata Parkins. | k Scorpaena multicolor K. v. H. fig. inedit. Scorpène diable de mer CV. Poiss. IV, p. 229. Habit. Wabhai, Ceram septentrionalis, in mari. __Longitudo speciminis unici 143”. __Aanm. Deze soort heeft groote verwantschap met Scorpaena gibbosa Bl. Schn. Syst. posth. (Scorpaena bufo GV.?) doch ver- schilt er van, door rankerligchaam, spitseren kop, meer bog- chelachtigen rug, gemis der dwarsche bruine borstvinbanden enz. Apistus macracanthus Blkr. pist. corpore subelongato compresso, altitudine 44 circiter in ejus pngitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite obtuso 5 in mgitudine corporis, aeque alto circiter ac longo; linea rostro-frontali alde concava; oculis diametro 4 in longitudine capitis, minus diametro | approximatis; rostro vix ante frontem prominente; spinis suborbitalibus „ superiore inferiore majore sub pupilla desinente; rictu parvo; maxillis | equalibus, superiore sub oculo desinente, inferiore cirris nullis; dentibus qa xillaribus, vomerinis et palatinis minimis; praeoperculo spinis 5 obtu- siusculis, brevibus, superiore tamen ceteris majore; linea laterali ad basin inr ae caudalis desinente; squamis corpore minimis, sparsis, non conti- guis; pinna dorsali integra fronte ante oculum incipiente, spina ls oculo | Ë majore, spina 2* longissima corpore altiore, spinis 11 posticis subae- quilongis corpore duplo circiter humilioribus, membrana spinas anticas TTE rg AP LEDSE EAR AL te - tundata corpore duplo humiliore; pectoralibus rotundatis, radio libero nul: inter margine libero convexa; pinna dorsali radiosa postice angulata, corpore paulo humiliore, cum basi pinnae caudalis unitas; pectoralibus radio libero — nullo, rotundatis 34 fere, ventralibus acutis 54 circiter, ecaudali rotundata 4 in longitudine corporis; anali spina 3* ceteris longiore, corpore duplo \ humiliore, parte radiosa acutangula; colore corpore pinnisque fusco; ca- pite antice nigricante, inferne punctis flavis; dorsali antice et postice ní- gro, medio flavo marginata; anali antiee flavo postice nigro marginata; caudali postice nigra, lateribus postice flavo marginatis.- B. 7. D, 15/2, Ps IL Verl/ä., A, 3/8.G: 19 efnlats em Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. Longitudo speciminis unici 86°”, Aanm. Deze soort is verwant aan Apistus taendanotus GV., doch aanmerkelijk ranker van ligchaam, heeft een meer uit-_ puilend voorhoofd, kortere praeoperkeldoornen, nog verder > voorwaarts beginnende rugvin, andere getallen der vinstralen, grootere borstvinnen enz. Mijn specimen verschilt van de af-_ beelding, voorkomende met den naam van Apistes taenianotus inde zoölogie der reis van het schip Samarang (Fish. tab. 4 fig. f) door hoogeren 22 rugdoorn, meer uitpuilend voorhoofd, an- dere kleurteekening enz. Ápistus dermacanthus Blkr. Apist. corpore oblongo compresso, altitudine 34 in ejus longitudine, latitudine 2 ecirciter in ejus altitudine; capite obtusiusculo, 34 circiter in longitudine corporis, longiore quam alto; linea rostro-frontali declivi rec- tiuscula; orbitis glabris; oculis diametro 5 circiter in longitudine capitis diametro 1 circiter a se invicem distantibus; rostro oculo longiore; spinis suborbitalibus 2 obtusis superiore majore sub oculi parte anteriore desi- nente; rietu parvo; maxillis subaequalibus, superiore ante oculum desi- nente, inferiore cirris nullis; dentibus maxillaribus, vomerinis et palatinis minimis; praeoperculo spinis 5 obtusis superìore ceteris majore, ocule breviore; linea laterali ad basin pinnae caudalis desinente; cute toto cors pore pinnisque dorsali et pectoralibus maxima parte spinulis parvis cont cis scabriuscula;s pinna dorsali integra, supra medium oculum incipiente, postice basi eaudalis contigua, spinis 1° et 2* ceteris longioribus, subaes qualibus, altitudine corporis duplo circiter brevicribus; dorsali radiosa ro lo 44, ventralibus acutis 8 fere, caudali rotundata 5 in longitudine cots poris; anali rotundata, corpore plus duplo humiliore, spinis parvis; colore 269 __corpore griseogoseo punctis et guttulis sparsis fuseis; pinnis, caudali ex- cepta, griseo=roseis, dorsali superne, anali inferne fuscescentibus; caudali A _ fusceScente nebulata. Mo. D. 12,/9.-P. ll vel 12. v. 1/3, A 3/7. vel. 2/8. C. 18, et lat brev. Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 0 Longitudo speciminis unici 55”. ___Aanm. Deze merkwaardige soort is zeer kenbaar aan hare _ grijs roode kleur, met tallooze kleine doorntjes bedekte huúid, _ onverdeelde rugvin, stompe onderoogkuils- en praecoperkel- __ doornen enz. _Apistus fusco-virens QG. GV. Poiss. IV. p. 801? 8 Apist. corpore oblongo compresso , alfitudine 32 ad 4 in ejus longitu- _ dine; latitudine 12 ad 12 in ejus altitudine; capite obtus® 34 ad 832 in Ì longitudine corporis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; oeculis dia- metro 34 ad 34 in longitudine capitis; orbitis superne cirro unico simplice oculo breviore; spinis orbitis et rostro nullis, suborbitalibus 2, superiore inferiore plus duplo longiore oculi marginem posteriorem attingente; spi- nis praeopercularibus 5, superiore elongata, acuta, aperturam branchialem Subattingente, ceteris parvis obtusis; maxillis aequalibus, superiore sub oculi dimidio anteriore desinente; rictu parum obliquo; cirris maxillaribus pullis; squamis vertice nullis, lateribus parvis sed bene conspicuis; lineu | laterali vix curvata, ad basin pinnae caudalis desinente; pinna dorsali ; unica, membrana inter singulas spinas valde emarginata, supra oculum incipiento, cum pinna caudali non unita, spinis 2? et 8° verticé insertis spinis ceteris et parte radiosa altioribus, corpore vix humilioribus; pinnis peetoralibus rotundatis et ventralibus acutiusculis rotundatis longituding caput aequantibus, pectoralibus radio libero nullo, ventralibus analem at! attingentibus; anali spina postica spinis ceteris longiore; caudali convexa 4} eirciter in longitudine corporis; colore corpore fuscescente maculis onfortis fuscis rotundis et subrotundis; pinnis fusco vel rubro et nigro ar moratis et variegatis; dorsali vittis obliquis rufis et spinam 5” inter t t gm vulgo macula magna nigra. BB 7: D. 14/7 vel 14/8. P. 1/9. V. 1/4. A. 3/4 vel 3/5. C. 12 et lat. Bebrev. _Synon. Apiste brun-verdatre CV. Poiss. IV p. 301? Habit, Amboina, Wahai, in mari. _Longitudo 26 speciminum 65°” ad 102”. 2 Aanm. in habitus heeft deze soort zeer groote overeenkomst 21 270 met Apistus multicolor Richards. {Zoöl. of the Safmarang, Fish. p. 3. tab. 4 fig. 3, A), zoowel wat kop en ligchaam als vinnen betreft, doch deze heeft eene andere kleurteekening, ® é ‘heeft den laagsten borstvinstraa onverdeeld, en als vinstralen B. 6. D. 15/6. A. 3/4. P. 14. V. 1/4 C. 102, (op de af= beelding zijn evenwel die cijfers uitgedrukt = D. Î4f7. V. 1/5. A. 9/5). Kvenzoo heeft de boven beschrevene soort groote over- eenkomst met Aptstus hypselopterus Blkr. en Apistus melas Bkr. doch onderscheidt zich daarvan door hare kleuren enz. Ik ver moed, dat de boven beschrevene specimina te brengen zijn tot Apistus fusco-virens QG. CV. Poiss. IV p. 301, hoezeer {de vinstralen daarvan opgegeven zijn = D. 15/7. V. 1/5. Het overige der beschrijving in de groote Histoire naturelle des Poissons beantwoordt vrij wel aan mijne exemplaren. Ook Apiüstus cottoïdes CV. Poiss. IV p. 302 moet er groote over eenkomst mede hebben. SCOMBEROÏIDEL Carangoïdes ophthalmotaenia Blkr. Carang. corpore oblongo compresso, altitndine 24 ad 22 in ejus lon gitudine, latitudine 84 ad 32 in ejus altitudines capite 4 circiter in lons gitudine corporis, paulo altiore quam longo, vertice elevato obliquog linea rostro-frontali valde declivi rectiuscula; oculis in medio capite sitis diametro 3 ad 834 in longitudine capitis, plus diametro 4 a linea frontali remotis; osse suborbitali angulo oris oculi diametro duplo circiter hus miliore; rostro oculo non vel vix longiore; maxillis dentibus bene con spicuis; maxilla superiore inferiore breviore, valde protractili, sub ocul limbo anteriore desinente; dorso elevato ventre multo convexiore; genis operculis superne et triangulis pectoralibus lateralibus superne squamosis triangulis pectoralibus lateralibus inferne et triangulo inferiore alepidotis linea laterali usque sub 2° tertia parte pinnae dorsalis radiosae curvat (curvatura lata aperta), postice scutis armatis p. m. 35, latissimis 16 q m. in altitudine corporis; pinnis acutis; dorsali spinosa 34 circiter in al titudine corporis; dorsali radiosa radio ̰ producto corpore paulo humt liore; pectoralibus falcatis capite vix vel non brevioribus; ventralibus capite duplo fere brevioribus; anali antice corpore plus duplo vel dupk fere humiliore, spinis parvis subaequalibus; caudali lobis aequalibus & ad 42 in lopgitudine corporis; colore corpore superne coerulescente infern argenteo; fascia oculo-dorsali fusca; pinnis flavis. a7i ió Baete Dl procumb., +31 427 vel. 8 — 1/28, PB. 2/19. .V. 1/5. A; 21/23. C, 17 et lat. brev. __ Habit. Amboina, in mari. Longitudo 2 speciminum 86” et 126'”. Jm __Aanm. Deze soort staat in verwantschap nabij Carangoïdes chrysophrys (Caranx chrysophrijs CV Jen Carangoïdes talampara | (Caranx malabaricus CV.), maar onderscheidt zich daar- van, alsmede van andere verwante soorten, door hoogere 2de rug- vin, talrijker rug- en aarsvinstralen, bruinen oog-rugband enz. jb TEUTHIDES. Acanthurus melanurus CV. Poiss. X p. 177. _ Acanth. k in ejus altitudine; capite obtuso, 34 circiter in longitudine corporis, corpore orbiculari, altitudine 2 in ejus longitudine, latitudine - altiore quam longo; orbitis et cristis rostro-frontalibus denticulis pinimis obsitis; oculis diametro 3 fere in longitudine capitis; linea ros- ro-frontali valde convexa; rostro obtuso convexo, oculo vix breviore; entibus maxillis denticulatis; limbo praeoperculari obtusangulo; squamis 01 pore linearibus transversim dispositis; posticis spinulis minimis scabrins- lis; cauda spina valida; ventre dorso vix humiliore ; pinna dorsali spinosa orsali radiosa altiore, spina 2* ceteris longiore corporis altitudine plus triplo Me: dorsali radiosa corpore plus quadruplo humiliore; pectoralibus utiusculis 4 fere, ventralibus acutis plus'quam 8, caudali truncata 5 reiter in longitudine corporis; anali spina 2° ceteris longiore, parte ra- 0sa corpore plus quadruplo humiliore; colore corpore viridi-fascescente, entre argenteo, pinnis dorsali et anali nigris, caudali viridi-nigricante, al B 57 D. 1 proeumb. + 8/25. B. 2/AD. Ve AAA A2 ere Aal GL lake Acanthure à queue noire CV. Poiss. X p. 177. _Karoupou-mine Tamul. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari, x. wat de eigenaardige schubvorming betreft en de algemeene men des ligchaams, doch verschilt er van door meerdere merken, minder vinstralen, bruinachtig ongevlekt ligchaam, 272 zwarte vertikale vinnen enz. Acanthurus argenteus QG. is eene E nog meer verwante soort doch is langwerpiger, heeft eene gevorkte staartvin, D. 9/27. A. 3/26. P. 18. Acanthurus melas E CV. schijnt zich van Acanthurus melanurus CV. slechts te on-_ derscheiden door een weinig ranker ligchaam. | Keris ambomensis Blkr. t Ker. corpore ovali, altitudine 2 ad 24 in ejus longitudine, latitudine 4 fere in ejus altítudine; capite obtuso 4 in longitudine corporis, altiore quam longo; linea rostro-frontali convexa; oculis diametro 24 ad 22 in _longitudine capitis; rictu parvo, longe ante oculum desinente; dentibus maxillis conicis, acutis, confertis, parvis; operculo et praeoperculo obtusan- gulis; dorso et ventre sabearinatis; ventre valde prominente dorso convexi= ore; cute toto corpore granulis subspinulatis et spinulatis scabra; squamis lateribus 100 cireiter ín serie longitudinali; pinna dorsali non emarginata, acuta, spina anteriore spinis ceteris etradiis longiore, corpore triplo cir= citer humiliore; pectoralibus acutiusculis oculo duplo fere longioribus ventralibus ante pectorales insertis, oculo paulo longioribus, acutis, spina serrulata; anali acuta dorsali humiliore, spina 1* serrulata; caudali subs truncata 6 circiter in longitudine corporis; colore corpore fusco, ventre dilutiore; pinna dorsali spinosa fusco maculata, dorsali radiosa et anali fuscis vitta longitudinali media grisea; pectoralibus ventralibusque viridie bus; caudali flava basi fusca. B. 3 vel.4. D. 6/29. P.,2/13. Verl/8. A.,2/30.09 16 s0tplat: brevs Habit. Amboina, Wahai, in mari. La) Longitudo 5 speciminum 44” ad 52”, Aanm. Tot nog toe is slechts eene enkele soort van Keris in de wetenschap bekend geworden en wel Keris anginosu; CV. (Poiss. X. p. 225 tab. 295), waarvan de woonplaats ni opgegeven is. Volgens de beschrijving heeft Keris anginosts als formule der vinstralen, D. 7/26. P. 13. V. 1/5 A. 5/28 C. 17., welke alzoo vrij aanmerkelijk van de bovenstâande for mule afwijkt. Voorts zou bij Keris anginosus de kop eve hoog als lang wezen, volgens de afbeelding de rugvin uitgeraû zijn en de buik minder naar voren uitpuilen dan die mijne soort, welke overigens in habitus er zeer veel op gelijkt. Voorts nog zou bij Keris anginosus CV. de diameter van oog slechts tweemaal gaan in de lengte van den kop. bf ’ E 278 „deze verschillen in aanmerking nemende, meen ik de boven- ’ beschrevene soort als eene afzonderlijke te moeten beschouwen. új EE BLENNIOÏDEL 5 f, il _ Petroskirtes rhinorhijnchos Blkr. led Petrosk. corpore elongato compresso, altitudine 7 circiter in ejus lon- _ gitudine; capite convexo, acutiusculo, 54 ad 54 in longitudine corporis, À _ multo longiore quam alto et altiore quam lato; linea rostro-frontali con- hik s rostro conico ante os prominente; crista occipitali et cirris supra- _ orbitalibus nullis; oculis diametro 4 circiter in longitudine capitis, dia- __metro l ecirciter a se invicem distantibus; rictu sub oculo desinente; maxillis antice tantum dentatis, dentibus eonfertissimis p. m. 30; maxilla citer in longitudine corporis; ventralibus pectoralibus brevioribus; anali (altitudine dorsali aequali, margine inferiore convexo; caudali emarginata, Aanm. Van alle mij bekende soorten van Petroskirtes heeft de boven beschrevene de talrijkste rugvinstralen. Hierdoor, len snuit, uitgerande staartvin, eigenaardige kleurteekening enz. Ss zij gemakkelijk te onderkennen. setroskartes anema Blkr. Petrosk. corpore elongato compresso, altitudine 7 circiter in ejus lon- tudine ; capite obtuso convexo, 54 circiter in longitudine corporis, lon- bus; rictu sub oculi margine anteriore desinente; maxillis antice tantum dentatis, dentibus confertis p. m. 20; maxilla superiore utroque latere zr 274 dente canino parvo, maxilla inferiore utroque latere dente canino elon- gato curvato; apertura branchiali rimaeformi; cute laevis pinnis radiis omnibus simplicibus, dorsali integra vertice incipiente, corpore vix hu- miliore, radio producto nullo, prope basin pinnae caudalis desinente; # pectoralibus obtusis 94 circiter, ventralibus 7 eirciter in longitudine corporis; anali convexa corpore minus duplo humiliore; caudali acute rotundata 5 ecirciter in longitudine corporis; corpore aureo-favo, fasciis 3 longitudinalibus nigris, superiore dorso-caudali, media oculo-caudali pinna caudali cum fascia dorso-caudali unita, inferiore thoracico-caudali; capite, 5 punctulis coeruleis obsito; pinnis flavis, dorsali basi fascia nigra et ra- dium 3" inter et 10” nigricante, marginem superiorem versus violascente et striis obliquis coeruleis; anali basi fascia violascente, marginem inferi- ® orem versus fascia longitudinali nigra. ; B 73 D: 80 Pi TAVV. B ‘vel 3. Ás 19, GC, 11 et Tanvarem: Habit. Amboina, in mari. . Longitudo speciminis unici 62”, Aanm. Deze soort is herkenbaar, niet alleen aan hare sterk — uitgedrukte kleuren maar ook aan hare. nergens verlengde rug- | vin, rank ligchaam, kleinen kop, ronde staartvin en afwezig- heid van draden of cirri aan den kop, aan welk laatste ka- rakter ik haren naam heb ontleend. GOBIOÏDEL Gobrvus canvnoïdes Blkr. Gobius corpore elongato compresso, altitudine 54 ad 6 in ejus longitu-s dine, latitudine 14 ad 14 in ejus altitudine; eapite obtuso convexo, 44 cire citer in longitudine corporis; altitudine capitis 14, latitudine 2 ad 12 in ejus longitudine; oculis diametro 3 ad 834 in longitudine capitis, valde aps proxìmatis, maxima parte in anteriore dimidio capitis sitis; vertice squa: moso; rostro obtuso convexo, venlo breviore; rictu obliquo sub ocult margine anteriore desinente; maxillis aequalibus, dentibus pluriseriatis parvis, serie externa majoribus, maxilla inferiore caninis 2 parvis curvas tis; sulco oculo-operculari valde conspicuo; squamis magnis, lateribus nullo; dorsali 1° rotundata, spinis mediis ceteris longioribus; dorsali 2° a gulata; pectoralibus, ventralibus et caudali-rotundatis 54 ad 6 in longitue dine corporis; colore corpore viridis squamis dorso lateribusque plurimis guttula nigricante; dorso lateribusque insuper maculis nigricantibus ma ribus, lateribus in seriem longitudinalem dispositis; pinnis favescentibuss/ 375 | _anali tantum violascente; pinnis dorsalibus et caudali guttulis nigricanti- _ bus, dorsali 1* in series 2 longitudinales, dorsali 2 in series 3 longitndi- 7 males, caudali in series 4 vel, 5 transversas dispositis ; 5 posteriore violascente. MBL D. 61/10 vel 1/1. P. 1/17. V. 1/5. A. 1/10 vel 1/11. C oi (lat. brev. inclus.). } _ Habit. Amboina, in mari. ie ongitudo 9 speciminum 55” ad 80” caudali margine Aanm. Deze soort is verwant aan Gobius caninus CV., Gob. resim Blkr. enz. behoorende zij tot de groep van dit gjeeslacht met 2 hondstanden in de onderkaak, stompen kop en staartvin en groote schubben. De hondstanden zijn er ech- ter klein, zoodat zij der waarneming ligtelijk ontglippen. ( Gobius unterstinctus Richards. Voy. Ereb. Terr. Fish, ol p. 9 tab. 5 fig. 96. id EK Gob. corpore elongato, antice cylindraceo, postice compresso, altitudine 6 circiter in ejus longitudine; capite obtuso convexo, 44 circiter in lon- gitudine corporis; altitudine capitis 12, latitudine 1} circiter in ejus lon- g gitudine ; oculis diametro 34 cireiter in longitudine capitis, valde approxi- matis, maxima parte in anteriore dimidio capitis sitis; wertice squamoso; rostro obtuso, convexo, laevi, oeulo non longiore; rictu vix obliquo vix te oculum desinente; maxillis subaequalibus dentibus pluriseriatis parvis albus, caninis nullis; sulco oculo-operculari conspicuo; squamis mag- is, 26 p. m. in serie longitudinali; appendice anali conica obtusa; pinnis e: tiealibus altitudine subaeqnalibus, corpore paulo Kk foducto nullo; dorsali 1* obtusa spinis 3 antici radio Is spinis ceteris longiori- ; dorsalí radiosa analique angulatis; pectoralibus et caudali rotundatis Benbransbs 5 circiter in longitudine corporis; colore corpore viridi ac lis fuscis numerosis in series longitudinales vel irregulariter disposi- s cspite corporêque insuper punetis numerosis flavis vel viridibus; pin- js flavescente-viridibus et, ventrali excepta, maculis numerosis pluriseria- Knigris. B. 4. D. 6—1/10 vel 6—1/11. P. 18 (4 superior. filos.). V. 1/5. A 8 vel 1/9. C. 13 et lat. brev. labit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. | zo ngitudo speciminis unici 65,” NE Aanin. Deze Gobius was tot nog toe slechts van de noord- Westkust van Nieuw-Holland bekend. De afbeelding boven 276 aangehaald, is zeer naauwkeurig. Slechts is er de buikvineen _ weinig te lang afgebeeld. Mijn specimen heeft dezelfde lengte, als het door den heer Rricmarpson afgebeelde. ij bee en  KE a pe Periophthalmus argentilineatus GV. Poiss. XII p. 144. D Periophth. corpore elongato, antice subtetragono postice compresso, al- Ü titudine 7 circiter in ejus longitudine; capite obtuso convexo, 5 in longi- tudine corporis; altitudine et latitudine capitis 14 circiter in ejus longitu-- dine; fronte angulata; oculis diametro 4 eirciter in longitudine capitis, * palpebris magnis; dentibus maxillaribus conicis mediocribus, maxilla infe- É riore serie externa ceteris majoribus, caninis nullis; rictu subhorizontali d sub anteriore oculi parte desinente;labio superiore lato mobili; squamis parvis b lateribus 70 p. m. in serie longitudinali; pinna dorsali 1* dorsali 2* multo altiore, corpore vix altiore, longiore quam alta, spinis 2 anticis spinis ceteris — dine corporis; appendice anali oblonga obtusa; colore corpore superne coeruleo inferne flavescente; lateribus inferne vittis transversis marga- ritaceis vel ecoeruleis; capite punctis numerosis coeruleis; pinna dorsali 1: fusca margine superiore et medio fascia longitudinali flava vel rus N bra, spinam 1” inter et 3" macuia nigra; dorsali 2a basi fusca, medio vite ta longitudinali nigra, superne et iaferne flavo vel rubro marginata, mars gine superiore fusco-rubra; pectoralibus rubro-fuscis; ventralibus et anal aurantiacis; caudali radiis rufis fusco variegatis, membrana postice viola= cea. 8 B. 5. D. 15—1/11 vel 16—1/12 P. 12. V. 1/5. A. 1/10. C. 106 lat. brev. X Synon. Périophthalme rayé d'argent CV. Poiss. XII p. 144, Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. Longitudo 2 speciminum 58” et 66,” Aanm. Ik houd de bovenbeschrevene soort voor dezelfde als, Periophthalmus argentilineatus CV., voornamelijk op grond der overeenstemming in de kleurverdeeling, waartoe zich de be nagenoeg bepaalt. Eleotris nvuralis OG. GV. Poiss. XII p. 190, tab. 357 Eleotr. corpore elongato, antice cylindraceo postice compresso, altitú el 247 tudine et altitudine capitis 2 circiter in ejus longitudine; oculis diametro fl eireiter in longitudine capitis, in 2* quarta ejus partesitis, diametro 4 vix a se invicem distantibus; orbitis glabris; dentibus maxilla superiore curvatis caninoïdeis 6 anticis, maxilla inferiore curvatis caninis 2 latera- libus; rietu obliquo, sub oculi margine anteriore desinente; squamis par- ‚ lateribus 80 p. m. in serie longitudinali; appendice anali brevi conica; Á pna dorsali 1* acuta corpore altiore, dorsali 2: et anali postice acutis dorsali 1* humilioribus; pectoralibus capite brevioribus sed ventralibus lo ngioribus; caudali convexa 4 circiter in longitudine corporis; colore yrpore rufescente-viridi inferne dilutiore ; capite corporeque vittis longi- tudinalibus rubris; vittis corpore maculis oblongis transversis profundiori- bus aliquot unitis; pinnis dorsalibus analique flavis longitudinaliter rubro vit atis, dorsali 1* apice macula nigra; pinnis ceteris aurantiacis; caudali h ma ulis oblongis rubris et fuscis. B. 5 „D. 6—1/12 vel 6—1/13. P. 19. V. 1/5. A. 1/12 vel 1/13. CG. 13 vel 15 et lat. brev. s ynon. Eléotris muraille QG. CV. 1 c. Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 1 ongitudo speciminis unici 72”, A anm. De kleuren van mijn specimen zijn gedeeltelijk ver- a wd en veranderd, maar zij hebben dezelfde rangschikking s die, afgebeeld van Mleofris muralis QG., met welke soort ijn specimen vrij stellig identisch is. Vroeger (Nat. Tijdschr. ‚ Ind. Ip. 254) heb ik als mijn vermoeden opgegeven , dat eotris seaxguttata CV. slechts eene varieteit van Zleotris wralis QG. zou zijn. Dit vermoeden wordt allezins ver- ik nu ik beide soorten met elkander heb kunnen verge- en , daar zij, wat de meer wezenlijke kenteekenen betreft, komen met elkander overeenkomen. Van Bleotris sexguttata f. echter slechts 2 en van Zleotris murahs QG. slechts een el specimen bezittende, specimina, welke zich bovendien jn den besten toestand van bewaring bevinden, zou mijne lissing hieromtrent slechts van betrekkelijke waarde kunnen | en zal het beter wezen, de genoemde soorten nog geschei- } te laten, totdat nadere waarnemingen hierover uitspraak len hebben gedaan. Ee 23 zi 278 CALLIONIJMOIDEL. Callionymus filamentosus CV. Pois. XII p. 227 tab. 359. | Callion. corpore elongato depresso , altitudine 11 ad 12, latitudine maxi= ma 5 circiter in ejus longitudine absque filis caudalibusg capite acuto depresso, 4 ad 44 in longitudine corporis absque filis caudalibus , paulo longiore quam lato; oculis fere contiguis, diametro 4 circiter in longitu= dine capitis; orbitis glabris ; rostro acuto, oculo non vel vix longiores ‚ operculo non producto; processu praeoperculari oculo paulo longiore , ba-_ si externa dente unico, postice dentibus 5 ad 8 armato; foramine bran- chiali supra ad nucham; appendice anali connica acuta; lineis lateralibus bene conspicuis, nucha linea transversa unitis et inde opercula versus | descendentibus; pinna dorsali spinosa, masculis radio anteriore filiformi lie bero capite longiore, dorsali spinosa propria corpore paulo altiore, femi- nis radio libero filiformi nullo; dorsali radiosa corpore paulo altiore, emar- ginata, angulata; pinnis pectoralibus rotundatis ventralibus paulo brevioris bus; ventralibuslatis, postice angulatis, capite paulo brevioribus; anali poss tice angulata, corpore non vel vix altiore; caudali rotundata 4 ad 44 in longitudine corporis, radiis 2 mediis in fila productis; colore corpore su- perne olivaceo-viridi guttulis et punetis numerosis pulchre coeruleis, in- ferne antice albicante postice roseo; lateribus masculis fusco et nigro pune tulatis; pinna dorsali spinosa antice fuscescente marmorata et nigro macus lata, postice nigra oblique flavo vittata; dorsali radiosa margaritacea fusco coeruleoque nitido punctata et striata; pectoralibus et ventralibus virides- centibus nigro punetulatis; anali basi hyalina marginem inferiorem versus violascente, margine alba; caudali viridescente, dimidio superiore fusct ocellata et flavo rivulata. 4 B. 6. D. 4—10 (ult. 2 tantum fiss.) P. 1/18 ad 1/20. V. 1/5. A 1 (penultim. fiss.). C. 14. À Synon. Callionyme à filamens CV. Poiss. XII p. 227. Habit. Amboina, in mari. Longitudo 2 speciminum 109” et ir a pee ‘Aanm. Van deze fraaije soort, die reeds van Celebes beke js, bezit ik een mannetje en een wijfje. In de groote Histoire naturelle des Poissons is slechts het mannetje beschreven en afgebeeld. De afbeelding laat, vooral wat de kleuren betreft, veel te wenschen over. De kleuren van het wijfje zijn der fraai en helder dan die van het mannetje. Voorts het wijfje den eersten rugvinstraal en de middelste staartvin 279 stralen nief draadvormig verlengd en het anaalaanhangsel kor- _ ter dan het mannetje. _ PEDICGULATI, Me cutaea stellata GV. Poiss. XII p. 340 tab. 366. | _T.Schl. Faun. Jap. Poiss. p. 160 tab. 72 8 Halieut. corpore maxime depresso; capite orbiculari, latiore quam longo, cirenlariter rotundato; oculis diametro 6 ad 74 in longitudine capitis us- hi ad aperturam branchialem, diametro 1 a margine capitis anteriore semotis, diametro lj circiter a se invicem distantibus; rostro a capite non distineto, medio fossa profunda pedunculo valde protractili apice tri- Jobo; maxilla supericre valde protractili maxilla inferiore longiore; maxil- Ja inferiore spinis cincta; rictu latitudine 3 fere in latitudine capitis; denti- | bus maxillis pluriseriatis parvis aequalibus; corporis parte postbranchiali t riangulari, minus duplo longiore quam basi lata; capite corporeque super- - Es e marginibusque spinis simplicibus, bifidis et trifidis scaberrimo, inferne slabro; pinna dorsali obtusa, humili; pectoralibus oblique rotundatis 2E 3 et paulo in latitudine disci capitis; ventralibus oblique truncatis onge ante pectorales insertis pectoralibus brevioribus; anali trigona; cau- lali Ren convexa; colore corpore pinnisque rubro vel fuscescente. B. 6. D, 4 simpl. P. 13 simpl. V. 6 simpl. A. 4 simpl. C, 1 simpl. + divis. + 3 simpl. prnon. Lophius stellatus Wahl. Act. soc. hist. nat. Hafn. IV, I p. 2ì4 tab. 3 fig. 3, 4. Bl. Schn. Syst posth. p. 142. _Lophie Faujas Lacép. Poiss. I p. 318. : Lophtus muricatus Shaw, Gen. Zoöl. V, p. 382, tab. 162. Diable de mer rouge du Japon Tiles. Voy. Krusenst. tab. 61. fig. 3, 4. Halieutée étoilée CV. Poiss. XII p. 340, tab. 366. i. Akaankoo Japonens. Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. — Japonia prope insu- j Kaminoseki, Murotso et Mitarai , in mari. 7 E Edo 8 speciminum 40” ad 115.” Aanm. Twee der drie specimina ontving ik van Japan van den heer Dr. Monnike, het derde van Ceram van den heer Dr. 1 AUM. Een mijner specimina is misvormd en heeft de reg- rhelft van den schijf veel smaller dan de liúker en alle vin- ì naar het vrije einde toe zwartachtig. De afbeelding der Fauna japonica is beter dan die van de groote Histoire natu- LEEK 280 relle des Poissons. Bij mijne exemplaren kon ik de volgende _ anatomische bijzonderheden waarnemen. | De ruime buikholte ligt geheel tusschen de kieuwholte en loopt spits naar voren uit. Buikvlies zwart. Het darmkanaal ligt grootendeels in de regterhelft der buikholte , de lever groo tendeels in de linkerhelft. Lever oranjekleurig, tweekwabbig , de regterkwab veel kleiner dan de linker. Maag cylindervor- mig met een zeer kleinen blinden zak. Buitenste maagrok ge heel zwart. Geene pylorusaanhangsels. Darmkanaal veel lan- ger dan het geheele ligchaam, resten van molluskenschalen be- vattende. Kieuwholte zeer ruim. De Ä kieuwbogen reiken nog niet tot aan het midden dezer holte doch de. kieuwvlies- stralen strekken zich tot nabij de borstvin uit. | Antennarius hispidus Cant. Cat. Mal. Fish. p. 208. Antenn. corpore oblongo compresso, altitudine 24 ad 24 circiter in ci longitudine ; oculis diametro 4 circiter in longitudine maxillae superiorisg rictu subverticali postrorsum descendente; dentibus intermaxillaribus et im framaxillaribus pluriseriatis, conicis, subaequalibus; vomerinis nulliss palatinis conicis aequalibus in thurmas 2 parvas oblongas collocatis; aper- tura branchiali oculo vix majore; cute toto corpore radiisque Pin spinulis parvis conspicuis scabra, spinulis plurimis furcatis; fimbriis capite corporeque inconspicuis; radio rostro libero tubereulo scabro apice aal inserto, 5 circiter in longitudine corporis, apice clavato fimbriato; pinm nö dorsali spinosa spina 1* libera, obtusa, horizontaliter antrorsum flexili spina 2* 1* paulo altiore, obtusa, maxilla superiore vix vel non breviore, membrana scabra cum basì pinnae dorsalis radiosae unita; dorsali radiosa et anali rotundatis, dorsali anali paulo altiore et duplo longiore; caudali rotundata 4 et paulo in longitudine corporis; ventralibus parvis maxi superiore duplo brevioribus; colore corpore pinnisque aurantiaco- flavo; capite, corpore supeme pinnaque dorsali radiosa inferne maculis oblon et vittaeformibus oblique transversim ordinatis, parcis, nigris; pinnis m ginem liberum vel apicem versus maculis rotundis parvis nigris; ra rostrali libero flavo fusco annulato. hA B. 6. D. 2—12 (3 poster. fissi). P. 10 (simplic.) V. 5 (poster. geadd A. 7 (post. fiss.) C. 9 (7 inf. fiss.) il Syuon. Bend ius "BT Commers? Lophius OEP Bl. Schn. Syst. eh p- 148 No. 6. Kappa mura moia Russ. Cor. Fish. I fig. 19. 281 ij Lophius striatus Shaw. Nat. Misc. V tab. 175. Chironectes lophotes Cuv. Mém. Mus. H. Nat. III tab 17 fig. 2- Chironectes hispidus CV. Poiss. XII p. 303. Chironecte apre CV. ibid. 4 Para mine Incol. Pontic. ___ Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. br Longitudo speciminis unici 76”. Aanm. Bij mijn specimen kan ik geene huiddraden en hade zijlijn slechts zeer onduidelijk waarnemen. FISTULARES. ‚Fistularia immaculata Comm. Cuv. Règn. anim. Ri- chards. Rep. Ichth. Chin. Jap. in 15° Meet. Brit. Assoc. ___Fistular. corpore maxime elongato, altitudine plus quam 30 in ejus longitudine absque filo caudali, aetate provectiore latiore quam alto; apite minus quam 3 in longitudine corporis absque filo caudali; rostro Bt ad 32 in longitudine corporis absque filo caudali, utroque latere den- tibus numerosis serrato;s oculis diametro 7 ad 94 in longitudine rostri; s maxilla inferiore superiore longiore; dentibus maxillis conspicuis, conicis, acutis; orbita et temporibus serratis; squamis inconspicuis; linea laterali postice praesertim spinulis armata ; pinnis dorsali et anali totis oppositis, peutis, eorpore multo altioribus; pectoralibus rotundatis capitis parte post- peulari brevioribus; ventralibus pectoralibus multo brevioribus; caudali bh a] jiloba, lobis acutis, filo medio capite longiore; colore corpore viridescente- hyalino, pinnis flavescente-hyalino. MB 7. D: 13 ad 16. P.15 vel 16, V. 1/5. A. 14 ad 16. C. 17 +Ffil. | med. + rad. lat. brev. Goorum Russ. Corom. Fish. II p. 58 fig. 178. Fistularia tabaccarta White Voy. Bot. Bay p. 296 fig. 2. Histularia Commersonit Rüpp. N. Wirb. F. Abyss. EF. R. M. p. 142 ? Cannorhynchus immaculatus Cant. Cat. Mal. Fish. p. 211. Kurbatsch Arab. Ma peen yu vel Ma pin Chinens. _Synon. Habit. Amboina, Wahai, Batavia, in mari. Japonia, prope insulas Kaminoseki, Murotso et Mitarai, in mari. Longitudo 46 speciminum 160” ad 520”. | Aanm. Mijne specimina dezer soort zijn afkomstig van Am- boina, Wahai, Batavia en Japan. De Japansche hebben den 282 snuit betrekkelijk een weinig langer dan de Bataviasche, doch komen er overigens volkomen mede overeen. De jongste spe- cimina hebben donkere vlekjes op den rug, doch bij de ou- deren verdwijnen die allengskens. De soort is thans reeds bekend behalve van de genoemde plaatsen, van Pinang, de — kust van Coromandel, Nieuw-Holland, de Roode zee en China. LABROÏDEI CTENOÏIDEL Amphiprion bifasciatus Bl. Schn. Syst. posth. p. 204 GV. Poiss. V p. 294. Schleg. Mull. Overz. Am- phipr. Premn. in Verh. Ned. overz. Bezitt. p. 18. Amphipr. corpore oblongo compresso, altitudine 3 circiter in ejus lon- gitudine, latitudine 2 ad 24 in ejus altitudine; capite obtuso convexo 4 in longitudine corporis, paulo altiore quam longo; linea rostro-frontali val- de convexa; oculis diametro 3 ecirciter in longitudine capitis; fronte alepi- dota; osse suborbitali sub oculo oeulo plus duplo humiliore, denticulis nullis — sed spina parva deorsum spectante armato; maxillis aequalibus, dentibus conicis valde conspicuis; maxilla superiore sub oculi parte anteriore desis nente; rictu curvato; praeoperculo rectangulo angulo rotundato, leviter den-_ tato; ossibus opercularibus ceteris spinoso- dentatis spinis gracilibus; squamis lateribus 50 p. m. in serie longitudinalis linea laterali simplice sub postica 4 parte pinnae dorsalis radiosae interrupta; pinna dorsali partem spinosam inter et radiosam valde incisa, parte spinosa radiosa humiliore spinis mes diis ceteris longioribus, parte radiosa obtusa rotundata; pectoralibus ro= tundatis et ventralibus obtusis 5 circiter in longitudine corporis; anali ros tundata dorsali radiosa vix humiliore; caudali obtusa rotundata 5 circiter in longitudine corporis; colore corpore fusco; capite antice pectoreque | rubris; fascia dorso-operculari lata margaritaceo-coerulea nigro limbatag fascia dorso-anali lata margaritacea coerulea apicem pinnae dorsalis radios saë inter et anum; PN dorsali A fusca, hee we et k anali nigra albo marginata; caudali maxima parte nigra, superne, inf et postice late albo limbata. f B. 5. D. 10/14 vel 10/15 vel "11/14 vel 11/15 P. 2/17. V. TZ 2/12 vel 2/13. C. 15 vel 17 et lat. brev. Ee Synon. Anthias bifasciatus Bl. Aus). Fisch. tab. 316 fig. 2, atol Doppelband Bl. ibid. Jan Jourdin Bl. ibid. ie ' Lutjanus jourdin Lacép. Poiss. IV p. 191 et 235. Ek: 285 | Eutzan jourdin Lacép. ibid. Holocentrus bifasciatus Bl. Schn. Syst. posth. p. 567. Koelreut. Nov. Comm. Petrop. X p. 340 tab. 8 fig. 4. Amphiprion deur bandes CV. Poiss. V p. 294. Amphiprion laticlavius CV. Poiss. V p. 296 tab. 132 fig. 1. Amphiprion à larges bandes CV. ibid. Habit. Amboina, Wahai, in mari. Longitudo 3 speciminum 56” ad 65.” ___Aanm. Brocn’s afbeeldiug dezer soort laat te wensshen over. De doornachtige rugvin is er te hoog, en van den onderoog- _kuilsdoorn ziet men er niets. Voorts ontbreekt er de witte rand der aarsvin en zijn er de borstvin, buikvin, aarsvin. en staartvin allen bruin gekleurd. + Bij een mijner drie specimina omvat de achterste witte band niet het onderste gedeelte des _ligchaams. Bij dit specimen bevindt zich tevens eene groote zwarte vlek op de basis der borstvin en telt de rugvin 1Î doornen, terwijl mijne andere specimina slechts 10 rugdoor- nen hebben. Overigens echter beantwoorden mijne drie spe- eimina volkomen aan elkander. Het specimen met het ligchaam niet geheel omringenden tweeden witten band zou behooren tot | Amphiprion laticlavius GV., doch deze soort behoort met Amphi- | prion bifasciatus CV. zamengetrokken te worden. Bij mijn grootste specimen, bij hetwelk de 2de rugband het ligchaam geheel omringt, zijn beide witte banden betrekkelijk nog bree- der, dan zij volgens de groote Histoire des Poissons bij Am- j hiprion laticlavius zouden zijn. Fomacentrus taemometopon Blkr. Eomac. corpore oblongo, compresso, altitudine 3 in ejus longitudine, datitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite obtuso, leviter convexo, 4 @E paulo in longitudine corporis, aeque alto circiter ac longo; oculis dia- metro 8 et paulo in longitudine capitis; linea rostro-frontali obligua vix onvexiuscula; osse suborbitali oculi diametro humiliore, postice emargi- nato, denticulato; dentibus utraque maxilla p. m. 28; praecoperculo obtu- angulo, margine posteriore dentibus valde conspicuis; opereulo postice pa unica plana brevi; dorso ventre multo altiore et convexiore; squamis ateribus 28 p. m, in serie longitudinalis linea laterali sub initio pinnae GOrsalis radiosae interrupta; pinnis dorsali et anali radiosis rotundatis , 284 dorsali spinosa spina postica ceterislongiore; ventralibus acutis, longitudi- ne caput aequantibus et pectoralibus obtusis paulo longioribus; caudali emarginata lobis rotundatis, superiore longiore 4 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne violascente-viridi, inferne viridi-flavescen- te; capite vittis 2 oculo-maxillaribus coeruleis; praeoperculo operculoque maeculis, fronte punctulis coeruleis; capite antice vittulis 2 maxillo-dorsa- libus coeruleis rostro unitis, inter oculos divergentibus; pinnis aurantia- co-viridibus, dorsali spinosa nigro marginata. B. 5. D. 18/14 vel 13/15. P. 2/14, V. 1/5. A. 2/14 vel 2/15. C. 15 vel 17 et lat. brev. Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. Longitudo speciminis unici 67,” Aanm. Deze soort, verwant aan Pomacentrus prosopotae- — nia Blkr., Pomacentrus katunko Blkr. en Pomacentrus emargi- natus CV., is voornamelijk herkenbaar aan de twee smalle blaauwe bandjes, welke van den snuit, over het voorhoofd, | naar den rug loopen en bij de rugvin eindigen. Pomacentrus chrysopoecilusK.v. H. Müll. Schleg. Overz. Amphipr. Premn. in Verh. Ned. Overz. Bez. p… 21 tab 5 fig. 8. | Pomac. corpore oblongo, compresso, altitudine 22 ad 34 in ejus longi- tudine, 24 ad 2 et paulo inejus altitudine; capite obtuso, convexo, 41 ad, ad 44 in longitudine corporis, aeque alto ac longo; oculis diametro 35 ad 4 in longitudine capitis; linea rostro-frontali obliqua, ante oculos cô het vexiuscula; osse suborbitali junioribus oculi diametro humiliore, adultis ocalo non vel vix humiliore, dentibus valde conspicuis; dentibus utraque maxilla p. m. 40; praeoperculo obtusangulo rotundato, margine vo dentibus valde conspicuis; operculo postice spinulis 2 planis; dorso ventre altiore et convexiore; squamis lateribus 30 p. m. in serie longitutaaii linea laterali sub anteriore parte pinnae dorsalis radiosae interrupta; pi =| nis dorsali et anali radiosis angulatis angulo rotundatis; dorsali MEN spina postica ceteris longiore; pectoralibus obtusis capite et ventralib acutis paulo brevioribus; caudali emarginata, lobis rotundatis, superiore longiore; colore corpore violaceo-fuscescente; operculo superne macule nigra; dorso ad mediam basin dorsalis spinosae macula magna alba; sq mis junioribus capite coeruleo maculatis, lateribus vitta transversa subsê= milunari coerulea; pinnis viridi-fuscescentibus vel nigricantibus; dorsalt spinosa aurantiaca nigro marginata. t h5-D. 18/14. B: 2/16,-V. 1/55 A 2/135,C. tkAi VBN vebali. brevs, 285 Wahai, Batavia, in mari. Habit. Longitudo 2 speciminum 72” et 125,” __Aanm. De beschrijving in aangehaald prachtwerk heeft slechts _ betrekking tot de kleuren, welke echter niet geheel beantwoor-= L den aan de boven opgegevene, welke naar een versch speci- _ men zijn genomen. De soort wordt met toenemenden leef- KE ú tijd aanmerkelijk ranker van ligchaam en de blaauwe vlektee- & ening verdwijnt daarbij allengskens. _Pomacentrus nematopterus Blkr. _Pomacentr. corpore oblongo compresso, altitudine 34 in ejus longitudine absque filo caudali, latitudine 23 circiter in ejus altitudine; capite obtuso 41 circiter in longitudine corporis absque filo caudali, aeque alto ac longo; linea rostro-dorsali vertice convexa, fronte et rostro declivi-rectiuscula; oculis diametro 3 et paulo in longitudine ecapitis; rostro oeulo breviore; @sse suborbitali angulo oris oculi diametro plus duplo humiliore, non | denticulato; praeoperculo subrectangulo angulo rotundato, denticulis vix conspicuis; operculo spinis 2 planis brevibus; squamis lateribus 30 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali radiosis angulatis; dorsali radio 6°, anali radio 8° in filum productis; dorsali spinis crassis , mediis gubaequalibus, postica ceteris longiore; pinnis pectoralibus obtusis capite jaulo brevioribus; ventralibus radio primo producto capite multo longiore; audali leviter emarginata radijs lateribus 1 vel pluribus in filum pro- luctis ; colore corpore viridi- “Havescente; fasciis 8 transversis latis fusces- ente-violaceis, 1* oculari, 2* dorso- -pectorali trigona ad basin pinnae getoralis desinente, 3* dorso-analí mediis lateribus desinente; squamis teribus plurimis gutta margaritaceo-coerulea; pinnis dorsali spinosa fus- 1 nigvo marginata, dorsali radiosa aurantiaco-viridi guttulis numerosis peruleis; pectoralibus et ventralibus flavescentibus; anali aurantiaco-flava; Ja 8 viridescente guttis transversim seriatis violaceis et rufis. BD: 13/11 vel 13/12. P. 2/15. V. 1/5. A. 2/12 vel 2/13, C 15 117 et lat. brev. | Habit. Amboina, in mari. zin speciminis unici 97” Aanm. Deze sierlijke soort is kenbaar aan haar langwerpig zcl aam, ongewapende onderoogkuilsbeenderen, eigene kleuren voornamelijk door de draadvormige verlenging der stralen a de vertikale en buikvinnen, aan welk laatste kenmerk ik ren naam ontleend heb. HI 23 286 Pomacentrus prosopotaenioïdes Blkr. Pomacentr. corpore oblongo compresso, altitudine 24 circiter in ejus longitudine, latitudine 2} circiter in ejus altitudine; capite obtuso 4 fere — in longitudine corporis, paulo altiore quam longo; linea rostro-dorsali 4 vertice et fronte convexa, rostro declivi rectiuscula; oculis diametro 4 > circiter in longitudine capitis; rostro oculo vix longiore; osse suborbitali © angulo oris altitudine oculi diametro aequali, postice valde dentato; prae- operculo rectangulo angulo rotundato, denticulis bene conspicuis ; operculo — spina vix conspicua; squamis lateribus 28 p. m. in serie longitudinali, pinnis dorsali et anali postice rotundatis, dorsali spinis medioeribus pos- tica spinis ceteris longiore; pinnis pectoralibus obtusis capite paulo, ven= tralibus acutis capite non vel vix brevioribus; caudali emarginata lobis obtusis rotundatis 44 ad 44 in longitudine corporis; ‘colore corpore fus-_ cescente-viridi; squamis plurimis capite, corpore pinnisque dorsali et anali gutta dilute coerulea; pinnis verticalibus viridi-fuscescentibus, dorsali spinosa nigro marginata; axillis regioneque anali immaculatis; pinnis pec- toralibus aurantiacis, ventralibus fuscescentibus. B. 5. D. 12/15 vel 12/16. P. 2/16. V. 1/5. A. 2/13 vel 2/14. C, Tag vel 17 et lat. brev. Habit. Amboina, in mari. Longitudo 2 speciminum 92” et 97,” Aanm. Deze soort heeft zeer groote verwantschap met Po- macentrus prosopotaenia Blkr. (1) en heeft ongeveer dezelfde kleuren, met dit verschil, dat het blaauwe der schubben vam kop en ligchaam vlekjes en geene strepen of bandjes zijn. Voorts heeft de rugvin Î doorn minder, is het profiel konvekser, het onderoogkuilsbeen betrekkelijk hooger, evenals het ligchaa , ontbreken de groote blaauwe oksel- en aarsvlek enz. In habí- tus heeft zij insgelijks veel overeenkomst met Pomacentrus no- tostigmus Richards. ( Zoöl. of the voyage of the Sulphur p. Sg tab. 4Á fig. Â.), welke echter eene groote bleeke vlek op den rug heeft, bij het midden der basis van de doornachtige rug- vin en voorts als vinstralen D. 13/13. A. 2/12. P. 16. (1) Beschreven in mijne Bijdrage tot de kennis der ichthyologis fauna van Singapore (Nat. Tijdsch. v. Ned. Ind. III p. 67)- In Ma 1852 nam ik te Batavia een tweede specimen van Pomacentrus piosopot nia waar, welks kleur donkerder is dan die van het Singapoersche s eimen en hetwelk 175” lang isen alzoo 35” langer dan dat van Singapore: ko 287 Amphiprion percula CV. Poiss. V p. 298. Amphipr. corpore oblongo compresso, altitudine 3 ferc in ejus longitu- dine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite obtuso, convexo, 4 cir= 4 iter in longitudine corporis, vix altiore quam longo; linea rostro-front: _convexa; oculis diametro 4 circiter in longitudine capitis; fronte alepidota; Hf osse suborbitali sub oculo oculo paulo humiliore, dentibus valde conspi- cuis armato, dentibus 2 üfferioribus ceteris majoribus; ali maxillis aequali- bus, dentibus conicis valde conspicuis; maxilla superiore sub oculi limbo _anteriore desinente; rictu leviter curvato; praeoperculo rotundato den- _ticulato; ossibus opercularibus ceteris spinoso-dentatis, spinis gracilibus; ats lateribus 55 p. m. in serie longitudinali; linea laterali simplice, sub media parte pinnae dorsalis radiosae interrupta; pinna dorsali partem _ spinosam inter et radiosam valde incisa, parte spinosa radiosa humiliore, __spinis mediis ceteris longioribus, parte radiosa obtusa rotnndata; pectora- libus rotundatis 44, venfralibus rotundatis 6, caudali rotundata 4L ad 42 n longitudine corporis; anali radiosa rotundata dorsali radiosa paulo hu- miliore; colore corpore fuscescente- rubro; corpore fasciis 3 latis margarita- ceo- coeruleis corpus totum cingentibus, latis, nigro limbatis, 1% cephalica _operculari, 2° dorso-anali trigona angulo anteriore caput versus spectante , B caudali; pinnis dorsali et caudali rubro-fuscis nigro et roseo margi= Bi: pinnis ceteris carmosinis nigro et roseo marginatis. EB. 5. D. 11/15 vel 11/16. P. 1/15 vel 1/16. V. 1/5. A. OWARE ND Bel vel 17. et lat. brev. B Klein Miss, IV. tab. 11 fig. 8. Tyson, Transact. Philosoph. LXI tab. 8 p. 245. Anthias polymna Bl. Ausl. Fish. tab. 316 fig. 5. Perchot de la Nouvelle Bretagne Commers. ap. Liacép. Poiss. IV p-. 239. Lutjanus percula Lacép. Poiss. IV p. 239. Lutjan perchot Lacép. ib. p. 239 et 248. Lutjanus polymnus var. Lacép. ib. p. 224. Amphiprion perchot CV. Poiss. V p. 298. Tjene Papuens. H. abit. Wahai, Ceram septentrionalis, et Sibogha, Sumatrae occiden- Á talis, in mari. | Longitudo 2 speciminum 54” et 56”. Ek kr … | k | | lijphisodon rahti CV. Poiss. V p. 341. IX. p. 375, E M. Schleg. Overz. Premn. Amphipr. ete. in _Verh. Nat. Gesch. Ov. Bez. p. 22. lyphisod. Corpore oblongo-ovali compresso, altitudine 24 ad 22 in ejus 288 longitudine, latitudine 3 ad 34 in ejus altitudine; capite 44 ad 43 in longi- ì tudine corporis, vix altiore quam longo; linea rostro-frontali declivi conca- — viuscula; oculis diametro 3 circiter in longitudine ecapitis; osse suborbi- _tali humili rotundato; praeopereulo subrectangulo angulo rotundato; squa- mis lateribus 30 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali radiosis angulatis acutis; dorsali spinosa radiosa multo humiliore, spina ultima E spina penultima longiore; peectoralibus et ventralibus longitudine subaequa- libus, capite vix vel non longioribus; ventralibus radio 1° filiforme pro- dueto; caudali profunde incisa lobis acutis superiore longiore 32 circiter, À in longitudine corporis; colore corpore superne flavescente-viridi inferne favescente-margaritaceo; corpore fasciis transversis coeruleo-nigricantibus 5, 1* spinam dorsalem 1" inter et basin pinnae pectoralis, 2* spinas dor-_ sales 5", 7" et 6" inter et medium ventrem, 8* spinas dorsales 3 vel 4 posticas inter et initium pinnae analis, 4° inter partes posteriores dorsalis radiosae et analis, 5* prope basin pinnae caudalis; pinnis verticalibus viridi-violascentibus; dorsali spinosa nigro marginata; pectoralibus et ventralibus dilute viridibus, peetoralibus superne basi et axilla macula nigricante. É | B. 5. D. 18/12 vel 13/13. P. 2/17. V. 1/5. A. 2/12. C. 15 ct lat brev. $ Synon. Chaetodon saxatilis Bl. Ausl. Fish. tab. 206 fig. 2. Gabelschwantz Bl. ibid. . Moucharra Bl. ibid. Rahti Potah Russ. Corom. Fish. I p. 67 fig. 86. Chaetodon Tyrwhittt Benn. Ceyl. Fish. p. 25 tab. 25. Glyphisodon saxatilis Rüpp. Atl. R. N. Afr. F.R.M. p. 35. Get Arab. Radeya Cingalens. q ï Ikan Bonang bonang Mal. Batav. Habit. Amboina, Batavia, Sibogha, in mari. Longitudo 3 speciminum 110” ad 152”, Aanm. Glyphisodon rahti is zoo na verwant aan Glyphisodon waigiensis, dat men ze ligtelijk als eene enkele soort zouk n- nen beschouwen. Bij naauwkeurige vergelijking blijkt het echte dat het profiel van Glyphisodon waïgiensis boller is en de kj betrekkelijk korter en hooger, terwijl ik bij beide mijne spe- cimina f straal meer tel in de borstvin. | 289 f LABROÏDEI CYCLOÏDEL. DN À __Julis (Halichoeres) kalosoma Blkr. $ Julis (Halichoer.) corpore subelongato compresso, altitudine 42 circiter $ __ in ejus longitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acuto, __ 4 circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 12 circiter in cjus he longitudine; oculis diametro 5 eirciter in longitudine capitis; linea rostro- ij frontali declivi convexiuscula; dentibus maxillaribus mediocribus; maxilla _ Superiore antice caninis 2 mediocribus, postice angularibus magnis rectis; E Jabiis carnosis; linea laterali singulis squamis tubulo simplice vel dichotomo notata; squamis lateribus longitudinaliter valde striatis, 26 p. m. in serie _ longitudinali; pinnis dorsali et anali basi glabris postice angulatis; caudali integra postiee convexa; pectoralibus capite multo minus duplo, ventrali- _bus capite duplo brevioribus; colore corpore superne viridescente-rufo, _inferne margaritaceo, mediis lateribus aurantiaco vel flavo; capite vitta __maxillo-infraoculo-operculari flava; lateribus antice vittis 2 vel 3 longitu- _ dinalibus fuscis flavo marginatis; capite superne dorsoque flavo dense „punectulatis; lateribus flavo reticulatis; ventre postice caudaque inferne _fasco punctulatis ct substriatis; pinna dorsali tota flavo et violaceo punc- e - . « « « . . tata vel subreticulata; caudali aurantiaca; pinnis ceteris aurantiaco-flavcs- eentibus. _ B. 6. D. 9/11 vel 9/12. P. 2/1. V. 1/5. C. 3/11 vel 3/12. C. 12 K vel 14 et lat. brev. Ö Habit. Ambaina, Wahai, in mari. Longitudo 5 speciminum 60” ad 95”. | Aanm. Deze sierlijke soort vind ik in geene der mij bekende beschrijvingen terug, noch ook in de talrijke afbeeldingen van J ls van VarentuN en Renann. Zij is zeer kenbaar door de sierlijke rangschikking der kleuren op het ligchaam en hare ongevlekte gele en oranjekleurige staart-, borst-, buik- en aars- Julis (Halichoeres) elegans K. v. H. CV. Poiss. XIII | p. 942. ekeren insnet = 8 Me ME - we ul. (Halich.) corpore oblongo compresso, altitudine 43 ad 4 in ejus longitudine, latitudine 27 ad 24 in ejus altitudine; capite acuto 4 eirciter in longitudine corporis; altitudine capitis 14 ad Jt in ejus longitudine; lis diametro 5 ad 65 in longitudine capitis; linea rostro-frontali decli- k, ectiuscula vel concaviuscula; labiis earnosis; dentibus maxillaribus me- 230 dioeribus, eaninis magnis, maxilla superiore 4 mediis prominentibus la- teralibus valde eurvatis, inframaxillaribus 2 prominentibus; dentibus angula- — ribus parvis; linea laterali singulis squamis indivisa; squamis lateribus 28 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali basi glabris postice angula- tis; pectoralibus 124 ad 18, ventralibus radio 1° producto 14 ad 14 in longi- ä tudine capitis; caudali integra convexa 6 ad 7 in longitudine corporis; Ì corpore Superne viridi rubro-violaceo maculato, inferne margaritaceo; dorso ad pinnam dorsalem flavo; fascia oculo-maxillari et praeoperculari — rubro-violacea; operculo maculis rubro-violaceis; lateribus sub linea late- rali fascia longitudinali lata diffusa violacea; squamis lateribus ventreque singulis stria semilunari flava; pinnis dorsali et anali dilute roseis, fasciis 3 longitudinalibus, superiore et inferiore rubris, media viridi; pectorali- bus margaritaceis; ventralibus roseis; caudali pulchre flava, dimidio basa- k li maculis rubro-violaceis in series transversas dispositis. 4 B. 6. D. 9/11 vel 9/12 vel 9/13. P. 2/12. V. 1/5, A. 3/11 vel 3/12. @ C. 14 et lat. brev. Á Synon. Girelle Elégante CV. Poiss. XIII p. 342. Habit. Wahai, Batavia, in mari. Longitudo 3 speciminum 119” ad 172.” Aanm. De beschrijving dezer soort in de groote Histoire na-_ turelle des Poissons bepaalt zich slechts tot die harer kleuren. De kleuren, hierboven opgeteekend, zijn naar 2 geheel ver- sche specimina van Batavia genomen. , ; Cheilinus ceramensis Blkr. Cheilin. corpore oblongo compresso, altitudine 44 ad 44 in ejus longi= tudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite acutiusculo 4 ot paulo in longitudine eorporis, longiore quam alto; oculis diametro 44 ad 5 in longitudine capitis, longiore quam alto; oculis diametro 44 ad 5 in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula vel con vexiuscula; maxillis dentibus medioecribus, caninis curvatis anticis maxilla superiore 4, maxilla inferiore 2; mento non prominente; praeoperculo su rectangulo angulo paulo rotundato; linea laterali singulis squamis indivi sa, squamis anterioribus curvata; squamis lateribus 22 p. m. in serie lof gitudinali; pinnis basi squamosis; dorsali et anali radiosis postice acutan- F7 gulis; ventralibus acutis pectoralibus obtusis longioribus, capite minus é us plo brevioribus; caudali rhomboidea radio diviso superiore eb un de tota pinna biloba; corpore superne violaceo-viridi, diffuse fusco nebu: lato, inferne viridis capite vittis et maculis rubris, circa oculum si radiatim dispositis; pinna dorsali spinosa violacea rubro marginata, radi osa antice violacea, postiee rubra flavo ocellata; pectoralibus roseis bas / A! hl 291 f is; ventralibus flavescentibus margine anteriore violascente; anali auran- tiaca margine inferiore rubra nigricante maculata; caudali rubro ocellata eoetice violascente. __B. 6. D. 9/10 vel 9/11. P. 2/10. V. 1/5. A. 3/8 vel 3/9. C. 14 et $ t. brev. Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. Longitudo 2 speciminum 93” et 100.” _Aanm. Deze soort is verwant aan Cheilinus trilobatus Lacép. doeh aanmerkelijk ranker van ligchaam, heeft anders gekleur- de vertikale vinnen, ongetakte zijlijn, mist de onderste staart- vinkwab enz. PL, MA , _____ SALMONES. Saurus trachinus Temm. Schleg. Faun. Jap. Poiss. p. 982 tab. 106 fig. Saur. corpore elongato compresso, altitudine 54 ad 6 in ejus longitu- ine, latitadine 14 ad 14 in ejus altitudine; capite 4 et paulo in longi- udine corporis; altitudine capitis 1% ad 12 in ejus longitudine, vertice epr esso sulcato-rugoso; linea rostro-frontali valde convexa; linea intero- dari concava; oculis diametro 6 ad 64 in longitudine capitis, minus jametro 1 a se invicem distantibus; orbitis valde prominentibus denticu- tis; rostro oculo breviore, 8 in longitudine capitis; rictu obliquo; maxillis baequalibus dimidio eapitis longioribus, dentibus gracilibus acutis antice =, lateribus biseriatis, serie interna majoribus; dentibus palatinis maxil- bus et lingualibus brevioribus ; lingualibus valde conspicuis curvatis; ge- totis squamosis; operculis maxima parte alepidotis; linea laterali non mata; squamis cycloïdeis, lateribus 55 p. m.in serie longitudinali; pinna sa 1 radiosa postice in anteriore dimidio corporis sita, angulata, non rginata, corpore humiliore; dorsali adiposa parva, angulata, radiis ana- Be opposita;s pectoralibus obtusis capite plus duplo brevioribus; libus acutisradiis posticis radijs anticis plus duplo longioribus capite 0 Beerts; anali corpore plus duplo humiliore, radiis omnibus fere licibus; caudali profunde incisa lobis acutis 6 circiter in longitudine 0’ ris; corpore dorso aurantiaco, fusco et coeruleo marmorato; lateribus jrne vittis longitudinalibus aurantiacis et coeruleis, striis fuscis alter- bus ornatis, inferne aurantiaco tantum vittatis;, ventre margaritaceo; aurantiacis; macula humerali nigra; pinna dorsali hyalina radijs scentibus fusco punctatis; pectoralibus flavescentibus; ventralibus et ZM An 292 anali Havescente-aurantiaciss caudali viridi-flavescente. B. 15. D. 2/10 vel 2/11. P. 2/10. WVE 1/7 AF TA Vel IEM C HI et Ta brev. Synon. Okijezo Japonens. Habit. Amboina, Wahai, Banka, in mari. Longitudo 8 speciminum 95” ad 160,” Aanm. Ik houd boven beschrevene soort voor dezelfde als Saurus trachinus T.Schl. niettegenstaande zij in eenige opzig- Í ten afwijkt van de beschrijving en afbeelding der Fauna ja- 4 ponica, afwijkingen, die mij echter toeschijnen geen regt te Á geven om haar als eene eigene soort op te stellen. Zoo is op de afbeelding, in gezegd werk voorkomende, de bovenkaak korter dan de helft van den kop, vertoont de oogkas geene tandjes, de schouder geene zwarte vlek en de zijden niet die regelmatige teekening met overlangsche bruine strepen. Voorts zouden volgens de heeren Temminck en ScurraerL de getallen der stralen bij Saurus trachinus zijn: B. 12. V. 7. en de hoog- te des ligchaams Î0 maal in zijne lengte gaan. Een en ande 4 kan op onnaauwkeurige waarneming en het laatste op eene drukfout berusten. Saurus trachinus moet uiterst verwant zijn aan Saurus myops CV., en daarvan voornamelijk verschil= len door betrekkelijk korter ligchaam en minder talrijke schub- ben op eene overlangsche rei. Daar echter Saurus myops C à) eene groote verbreiding heeft en tot bij de oostkust van Amê- rika leeft, laat zich vermoeden, dat deze soort in meerdere va- rieteiten vervalt en komt het mij voor, dat de verschillen tus- schen haar en Saurus trachinus nog nader behooren vastgesteld te worden. De heer Canror beschouwt Saurus frachinus [. Schl. als een’ jeugdigen toestand van Saurus myops CV. bi Eh Saurida nebulosa CV. Poiss. XXII p. 374. tab. 648. bt, Saurid. corpore elongato subeylindrieo, altitudine 7 ad 9 in ejus longt. tudine, paulo latiore quam alto; capite pyramidali quadrilatero 42 ad 5 mi longitudine corporis, duplo longiore quam alto; linea rostro-frontali com vexiuscula; oculis diametro 5 ad 5t in longitudine capitis; rostro (adul es tis) oculo paulo longiore; maxillis aequalibus 2 fere capitis longitudint ed Te 5 td e - 8 8 sie eld efficiente; rictu amplissimo; dentibus maxillaribus, vomerinis, palatimis 293 pterygoïdeis lingualibusque bi- ad pluriseriatis acutis; maxillaribus serie interna majoribus; palatinis accessoriis in thurmam parvam gracilem col- locatis; palatinis anticis aliquot elongatis; operculis inferne alepidotis; lie nea laterali carinata; squamis basi vulgo quadrilobis, lateribus 50 p. m. in serie longitudinali; axillis inguinibusque squumis elongatis; pinna dor- sali radiosa antice in 2* tertia corporis parte sita, corpore altiore, acuta; pinna adiposa oblonga rotundata; pectoralibus capite duplo fere breviori- bus; ventralibus ante pinnam dorsalem sitis, pectoralibus longioribus sed k capite brevioribus, oblique rotundatis, radiis subposticis ceteris longiori- | bus; anali dorsali multo humiliore et breviore; caudali profunde incisa Jobis acutis 6} ad 7 in longitudine corporis; colore corpore superne fus- 4 cescente-viridi; inferne argenteo; capite fusco punctato et maculato; late- ribus fusco variegatis, junioribus fasciis 10 p.m. transversis diffusis fuscis; pinnis hyalinis viridi-flavescentibus, dorsali, peetoralibus et caudali fusco variegatis. SB. 12 vel 13. D. 2/8 vel 2/9 P. 1/11. V. 1/8. A. 2/7 vel 2/8. C. 19 let lat. brev. _Synon. Denter nebulosus Soland. apud CV. Poiss. XXII p. 375, di Saurus gracilis QG. Zoölog. de la Voyag. de Y Uranie p. 224, d Sauride nuageur CV. Poiss. XXII p. 374. Karhei a alhai ëutataheina Otaitens. ‚Habit. Amboina, in mari. 4 „ongitudo 7 speciminum 90” ad 151,” _Aanm. Alle mijne specimina zijn meer gevlekt en balk an de afbeelding in de groote Histoire naturelle des Poissons n hebben dan snuit niet bol. De wang- en bovenoperkelschub- zijn op die afbeelding niet uitgedrukt. De dwarsche band- eekening des ligchaams is bij de jongeren specimina zeer dui- elijk doch verdwijnt allengskens bij toenemenden leeftijd. ____PLEURONECTEOÏDEL thom bus poecilurus Blkr. Rhomb. corpore ovali, altitudine 24 in ejus longitudine; capite non ajore 34 circiter in longitudine capitis, inferiore paulo ante superiorem dore 3 in longitudine capitis, sub oculi limbo anteriore desinente ; den- ps maxillaribus uniseriatis, conicis, aequalibus, parvis; praeoperculo 4 IH. , ulis sinistris, diametro 2 ecirciter a se invicem distantibus, superiore , ominente ; linea rostro-frontali declivi recta; rictu curvato; maxilla su=! 5 | ij ä rnuto , 4x circiter in longitudine corporis, paulo altiore quam longo; 234 obtusangulo rotundato; squamis lateribus 40? p. m. in serie fogitadniatisn linea laterali antice curvatura valde convexa; pinnis, caudali excepta, radiis omnibus simplieibus; dorsali et anali rotundatis, altitudine 4 in al- títudine corporis, dorsali rostro incipiente; pectoralibks acutis capite bre- vioribus; ventralibus pectoralibus brevioribus;, caudali obtusa convexa, 5 circiter in fongitudine corporis; corpore pinnisque latere oculari griseo- E fuscescentibus fasco arenatis, latere anophthalmo albescentibus; pinna cau= 4 "dali marginibus snperiore et inferiore medio macula nigra. B6 De Sl RO We ANSI rn Habit. Amboina, in mari. Longitudo speciminis unici 83”, Aanm. Deze soort staat in verwantschap tusschen Rhombus aspilos Bìkr., Rhombus lentiginosus Richards. en Rhombus gran-_ desquama Te Schl. doch is genoegzaam van die allen onderschei- den en bij den eersten oogopslag herkenbaar door hare twee zwarte staartvinvlekken. MURAENOIDEI Muraena lita Richards. Zoöì. Voy. Ereb. Terr. Fish. p. 84. Muraen. corpore elongato compresso, altitudine 16 circiter in ejus lon= d gitudine; capite acuto 72 in longitudine corporis, duplo longiore quam alto; oeulis diametro 10 circiter in longitudine capitis; naribus anteriori= bus tubulatis, posterioribus non tubulatis; rostro acuto, convexo, oculo minus duplo longiore, vix ante maxillam infertorem prominente; rictu post oenlos producto 8 eirciter in longitudine eapitis; dentibus palatinis nasas Jibusque uniseriatis, vomerinis biseriatis, inframaxillaribus sympbysi tan= tum sabbiseriatis dentibus caninis elongatis nullis; dentibus palatinis utroquê latere p. m. 10 eonicis acutiusculiss nasalibus palatinis majoribus acutisy periphericis 10 vel 12, antiee medio dente unico majore; inframaxillaribus conicis acutis utroque latere p. mm. 15 anticis posticis majoribus; vomerinis conicis obtusis plus quam 20, dentibus nasalibus non contiguis; apertura branchiali in media altitudine corporis sita, oculo vix majore; cute laevi squamis inconspicuis; linea laterali inconspicua; pinna dorsali ante apertus | ram branchialem incipiente corpore plus duplo humiliore; anali antice im posteriore dimidio corporis incipiente corpore plus triplo humiliore; corp@ e superne lateribusque et pinna dorsali rufo-fuscis; toto corpore fusco var riegato, dorso , lateribus pinnisque maculis numerosis subhexagonis, pros funde fuscis, corpore quadri-vel triseriatis. ig 295 BRB. 7D: 370 p: m. A. 210-ps m. Cp: 10m. E_ Svnon. Muraena variegata Mus. Britt. (sec. Richards.) Tabit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. Longitudo speciminis unici 355”. ____Aanm. De dentitie dezer soort doet haar gemakkelijk van de bekende soorten van Muraena onderkennen even als hare eigenaardige meestal zeshoekigeligchaams- en vinvlekken. Deze zeshoekige vlekken, welke hier en daar afgerond zijn, bestaan uit de het geheele ligchaam bedekkende speldenknopgroote zwartachtig-bruine vlekjes, en vormen over het ligchaam 3 of 4 overlangsche onregelmatige reijen. De ruimten tusschen deze hoekige grootere vlekken ziju insgelijks dn met min- der donkere speldenknop roote vlekjes. De getallen der vinstralen zijn door den heer Rrcrarn-. SON niet opgegeven. Die der kieuwstralen heb ik niet naauw- keurig kunnen tellen, wegens hunne uitstekende dunheid, wat voor de meeste der door mij waargenomen Muraenen geldt. | | | Muraena variegata J. R. Forst. variet. Richards. Zool. 4 Ereb. Terr. Fish. p. 94 tab. 47 fig. 11 —16. \Muraen. eorpore elongato compresso, altitudine 18 circiter in ejus longi- dine; capite acuto, Qt circiter in longitudine corporis, duplo fere longiore nam alto; linea rostro-dorsali fronte concava; oculis diametro 11 circiter: longitudine capitis; naribus anticis tubulatis, posticis non tubulatis; rostro pnvexo oculo minus ‚duplo longiore, ante maxillam inferiorem prominente; etu post oculum producto 8 in longitudine capitis; dentibus conicis obtu- usculis; palatinis uniseriatis utroque latere p. m. 8; dentibus unasalibus ntibus palatinis et vomerinis majoribus, peripheria uniseriatis 11, medio guper 2 crassioribus; vomere maxillaque inferiore dentibus biseriatis, vo- erinis p-m. 20, antieis dentesnasales subattingentibus; dentibus inframaxil- ri bus serie interna serie externa et anticis posticis majoribus, utrogue la- e Pp. m. 52; cute maxillis poris pluribus valde conspicuis annulo albo ctis; apertura branchiali oeulo majore in media corporis altitudine sita: elaevi squamis inconspicuis;linea laterali inconspicua; pinnadorsali ante rturam branchialem incipiente, corpore duplo circiter humiliore; caudali mdata; anali antice-in posteriore corporis dimidio incipiente, corpore druplo vel quintuplo humiliore; gonpore pinnisque nigro et flavescerte- 1e » 4 296 rufo marmoratis et variegatis, nigro insuper fascias diffusas latas transver- E sas 24 p. m, similante. | Boe D:4360 p. mm. As*220L pt mr GEIN Dm Synon. Seba Thesaur. II tab. 69 fig. 1. Muraena geographica Bks. Soland Mss. da variegata Icon. ined. G. Forst. J.R. Foist: Enchirid. 1, gen. 5 Anim, cura Lichtenst. p. 181. dag nebulosa Thunb. Dissert. p. 7 tab. 1, fig. 2. Gymnothorax nebulosus Bl. Schn. Syst. posth. p. 528. Gymnothorax echtdna Bl. Schn. ibid. p. 526. Pipirho, Pipiro vel Pipirha Insul. Societat. Boohee Otait. Habit. Wahai, Ceram septentrionalis , in mari. Longitudo speciminis unici 420,” Ld Aanm. Mijn eenig specimen dezer fraaije soort behoort tot de varieteit, afgebeeld ter boven aangehaalde plaatse in het werk van den heer Rrcuarpson. De groote zwarte vlekken loo pen er slechts wat meer in een, zoodat zij min of meer dui- delijke dwarsche banden vormen, welke echter zelve nog met geelachtig roode vlekjes geteekend zijn. Muraena ophis Rüpp. en Muraena minor T.Schl. zijn zeer na aan Muraena vartega- ta verwant. Muraena Richardsoniis Blkr. Muraen. corpore elongato compresso, altitudine 17 ad 20 in ejus longië tudine; capite acuto 74 ad 74 in longitudine corporis, plus duplo longios re quam alto; oculis diametro 8 circiter in longitudine capitis; naribus anterioribus tubulatis, posterioribus non tubulatis; rostro acuto, convexo oculo minus duplo longiore, paulo ante maxillam inferiorem prominen 05 rietu post oculos producto 24 circiter in longitudine ecapitis; dentibus acùf tis; palatinis uniseriatis compressis utroque latere p. m. 8; disco na peripheria dentibus uniseriatis p. m. 8, medio dentibus 2 vel 3 longi bus subulatis; vomere deutibus conicis brevibus 8 ad 12 in seriem s duplicem dentes nasales non attingentem dispositis; maxilla inferiore d tibus uniseriatis compressis utroque latere p. m. 12; apertura branch oculo paulo majore, in media altitudine corporis sita; cute laevi squamis conspicuis; linea laterali inconspicua; pinna dorsali supra aperturam br chialem incipiente, corpore duplo circiter humiliore; anali postice in ams teriore dimidio corporis incipiente, corpore triplo circiter humiliore; € pore fusco nigricante-fusco dense transversim substriato vel vittato; pi 297 fuscescente-flavis fusco maculatis, maculis pinna dorsali plurimis fascias vel _vittulas transversas subsimilantibus. B. ? D. 310 ad 350 A. 220 ad 240 C. 10 p. m. Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, et Padang, Sumatrae occidenta- lis, in mari. 8 Longitudo 2 speciminum 188” et 230,” \, É Aanm. Deze soort is zeer na verwant aan Muraena scoli- _odon Blkr. (beschreven in mijne Bijdrage tot de kennis der Ik noem haar ter eere van den heer Dr. J. Rrcmarmson, die veel heeft bijgedragen tot eene betere kennis der Muraenoïden. K laten geene juiste vergelijking toe. Mwraena ceramensis Blkr. ‚Mur. corpore elongato compresso, altitudine 18 circiter in ejus longi- j fudine; capite acuto, 7 ad 8 in longitudine corporis, plus duplo longiore j juam alto; oculis diametro 9 ecirciter in longitudine capitis; naribus ante- rioribus tubulatis, posterioribus non tubulatis; rostro acuto, convexo, oculo minus duplo longiore, paulo ante maxillam inferiorem prominente; rictu post y geulos producto 24 circiter in longitudine capitis; dentibus palatinis et vo- merinis biseriatis; palatinis acutis serie interna utroque latere 2ad 6, serie externa 12 ad 14; vomerinis obtusis p.m. 16, dentes nasales non attingenti- bus; nasalibus periphericis uniseriatis acutis dentibus palatinis majoribus; ribus uniseriatis, utroque latere p. m. 24; apertura branchiali oculo paulo majore, in media altitudine corporis sita; cute laevi squamis ineonspicuis; nente, corpore duplo humiliore; anali in media corporis longitudine ìn- Piente, corpore plus triplo humiliore; corpore fusco, fusco profundiore ebulato; pinnis fuscescentibus fusco profundiore nebulatis. 298 B, P-D.-340 p.:m. A, 240 pj m..,C. VOrpgem. Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. Longitudo 3 speciminum 180” ad 212”, Aanm. Deze soort behoort tot de groep van Muraena thyr- soïdea en Muraena sathete H. Buch. van welke beiden zij ech ter verschilt door minder talrijke tanden op de binnenste ge- hemelte rei, andere kleuren enz. Muraena micropterus Blkr. Mur. eorpore elongato compresso, altitudine 22 ecirciter in ejus longi= tudine; capite aento 10 fere in longitudine corporis, paulo plus duplo longiore quam alto; oculis diametro 10 circiter in longitudine capitiss naribus posterioribus non tubulatis, anterioribus tubulatis; rostro acuto convexo, oculo minus duplo longiore, non ante maxillam inferiorem pro } minente; rietu post oculos producto 3 fere in longitudine capitis; dentibuss palatinis, nasalibuset inframaxillaribus biseriatis, serie interna serie externas majoribus; palatinis utroque latere p. m. 30; disco nasali peripheria dentibuss plus quam 20, medio dentibus 2 vel 3 longioribus , mobilibus; dentibus infra maxillaribus utroque latere plus quam 30; dentibus vomerinis p. m. 8 serie unica dentes nasaïes non attingente dispositis; apertura branchiali in media altitudine corporis sita, oculo vix majore; cute laevi squamis incouspicuiss Jinealaterali inconspicua; pinnis dorsali, anali caudalique rudimentariis humillimis cute ablata radiis ad apicem caudac tantum leviter conspicuis® ano in media corporis longitudine sito; corpore pinnisque fuscescentibug nigro pulcherrime et dense reticulatis; mento ventreque flavescentibus B. ? D. A. (ad apicem caudae aliquot tantum conspicui). C. 14 vel 168 Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 8 Liongitudo 2 speciminum 265” et 270”. Aanm. De rug- en aarsvin dezer soort zijn wel door eenêf verdubbeling der huid aangeduid , doch onder de huid vind ik slechts eene vleesachtige strook, in welke slechts in de nabije heid der staartvin eenige stralen herkenbaar zijn. Deze soort vormt alzoo een’ overgang van Muraena tot Uropterygius! Rüpp. en Muraenoblenna Lacép. a Wat hare dentitie betreft, behoort zij tot eene eigene groep van Muraena, met scherpe tweereijige gehemelte-, neus- el onderkaakstanden en eenreijige ploegbeenstanden. Haren naam heb ik ontleend van hare lage, nagenoeg straallooze vinnen. GIJMNODONTES. Mradon laterna Richards. Voy. of the Sulphur. Zool. p. 124 tab. 61 fig. Petraöd. corpore oblongo, antice aeque alto circiter ac lato, altitudine 1 41 ad 5 fere in ejus longitudine; capite 82 circiter in longitudine corpo- ris; linea rostro-dorsali ante oculos concavas oculis superis, diametro 5 ad B in longitudine capitis, diametris 2 ad 3 a se invicem distantibus; pa- pillis nasalibus utroque latere 2 conicis oblongis; maxilla superiore ante inferiorem prominente; capite corporeque spinulis scabris;s rostro, labiis, basibus pinnarum caudaqve maxima parte glabris; linea lateralí inconspi- Eua; pinnis dorsali et anali subflabelliformibus rotundatis; caudali convexa circiter in longitudine corporis; colore corpore superne pulchre pro- ande viridi inferne albo; capite (superne et rostro), dorso, lateribus et jauda maculis numerosis margaritaceo-coeruleis; ventre vittis curvatis vi- jdibus subparallelis; axillis nigris; pinnis viridibus, pectoralibus basi ni-_ rieantibas; caudali dimidio anteriore guttis numerosis margaritaceo-coeru- gis, postice violascente. B IN/5 vel 2/16. A. 1/9 vel 1/10. C.- 9 et lat. brev. E abit. Amboina et Sibogha, Sumatrae occidentalis, in mari. edn 8 speciminum 104” ad 215,” Aanm. Deze soort verschilt van Zetraödon testudineus door- en er de vlekken kleiner, de wangen zonder bandteekening 4 en de staartvin slechts aan de grondhelft geteekend is met upvormige vlekjes; voorts door de zwarte okselstreek, aijere breedere staartvin en grootendeels gladden staart. ogelijk is de bovenbeschrevene soort slechts eene varieteit n Zetraödon testudineus Bl. doch stellig is zij dezelfde als traödon laterna Richards. De: boven aangehaalde figuur is geveer van dezelfde grootte als mijn grootste specimen en antwoordt er geheel aan, behalve dat er het voorhoofd at meer uitpuilt, de ruwheid: van rug, zijden en buik niet gedrukt is en het oog te groot is afgebeeld. ti aödon virgatus Richards. Zoöl. Ereb. Terror, Fish. Bp. O2 tab. 99 fig, 8, 9. etraöd. copore elongato, antice aeque lato circiter ac alto, altitudine weiter in ejus longitudine; capite 4 circiter in longitudine corporis; RK 500 linea rostro-dorsali ante oculos concava; oculis superis, diametro 44 ad 5 in longitudine capitis, diametris 24 ad 24 a se invicem distantibus; pa- pillis nasalibus utroque latere 2 oblongis basi unitis; maxilla superiore ante inferiorem prominente; capite corporeque spinulis secabris; rostro, labiis, basibus pinnarum caudaque postice glabris; linea laterali incon- spicua; pinnis dorsali et anali subfiabelliformibus rotundatis; caudali con- vexa, 4 ad 43 in longitudine corporis; colore corpore superne griseo- vel coerulescente-viridi, inferne albescente vel flavescente;5 capite, dorso lateri- busque vittis pluribus longitudinalibus pulchre profunde et dilute viridi- bus; pinnis viridibus, caudali marginibus nigricante, D. 2/7, vel 2/8. B. 1/15.,A. 2/7 vel 2/8. C.,9 et lat.sbrev. Synon. Tetrodon virgatus Richards. 1. cit. Habit. Amboina, in mari. Longitudo 2 speciminum 168” et 220.” Aanm. Deze soort, behoorende tot Arothron J. Müll., heeft groote verwantschap met Zetraödon testudineus Bl. en Tetraodon laterna Richards., doch is zeer kenbaar aan het geheel getee- kend zijn van kop en ligchaam met fraaije groene overlangsche banden, waarvan er op elke zijde des ligchaams ongeveer 10 tot 12 gaan. De beschrijving van den heer Rrcmarpson is kort en de kleuren zijn door hem opgegeven naar lang in wijngeest bewaarde specimina. Tot nog toe was Zetraodon virgatus slechts van Port Jackson bekend. Fetraödon hypselogeneion Blkr. Tetraöd. corpore elongato, aeque lato circiter ac alto, altitudine 5 eirci- ter in ejus longitudine; capite 84 ad 84 in longitudine corporis; linea ros= tro-dorsali ante -oculos declivi rectiuscula; oculis superis, diametro 3 ad 34 in longitudine capitis, minus diametro 1 a se invicem distantibus; pa- pilla nasali utroque latere simplice indivisa, oblonga; maxilla superiore — ante inferiorem prominente; mento elevato prominulo; capite, dorso, la- teribus ventreque spinulis scabris; labiis, basibus pinnarum eaudaque gla- bris; linea laterali conspicua utroque latere duplice; pinnis dorsali et ana- hi altioribus quam longis, rotundatis; caudali truncata vel convexiuscula- 44 ad 54 in longitudine corporis; colore corpore superne nigricante-viridi, inferne albo vel flavescente; capite lateribus fasciis 3 vel 4 latis transver- sis viridi-nigricantibus; vertice, dorso, caudaque superne ocellis maculis- que confertis pulchre coeruleis; pinnis flavescentibus vel rubris. De 2/6 velr2/14, Pin 1/1 Zi vels 5/43, Ar2/6:-Cr8ret lát. beer de rt ig Ee DR, Eid ES ihk Eelen ie 801 — Habit. Amboina, Wahai, in mari. __Longitudo 12 speciminum 44” ad 71”. _Aanm. Deze soort is het naaste verwant aan 7efraodon Ha- miltondi Richards. (Zoölog. of the Voy. Ereb. Terr. Fish. p. 63 tab. 32 fig. 10, 11), doch onderscheidt zich daarvan door ge- heel gladden staart, hooge min of meer vooruitstekende kin , digter bijeenstaande oogen, afwezigheid der groote zwarte zij- vlekken ‘enz. Tetraödon kappa Russ. Corom. Fish. Ip. 18 fig. 25, k Verh. Bat. Gen. XXIV. Blootk. Vissch. p 16. ke Tetraöd. corpore oblongo antice cylindraceo postice compresso, altitu- dine 41 ad 5 in ejus longitudine; capite obtuso 34 ad 34 in longitudine corporis; linea rostro-frontali convexa; oculis superis: diametro 34 ad 42 in longitudine capitis, diametro 1 ad 2 a se invicem distantibus; papillis nasalibus oblongis utroque latere 2 depressionem infundibuliformem amplec- fentibus; maxilla superiore prominente; vertice, dorso antice ventreque spinulis scabris; capite antice, lateribus maxima parte caudaque glabris; linea laterali vix conspicua, utroque latere duplice (speeiminibus pluribus inconspicua); pinnis dorsali et anali altioribus quam latis, apice rotunda- tis; eaudali convexa; corpore superne viridi inferne argenteo vel flaves- cen 8, superne fasciis 2 ad 4 diffusis transversis viridi-nigricantibus ocel- lis sque numerosis rotundis et oblongis dilutioribus et margaritaceis; macula r zin pulcherrime flava sub pinna pectoralis; pinnis viridescentibus, cau= dali dimidio posteriore nigra. Me: vel 2/8. P. 2/14 vel 2/15. A. 2/6. C. 8 vel 10 et lat. brev. Synon. Kappa Russ. Corom. Fish. I p. 18 fig. 25. er: | Tetrodon dissutidens Cant. Mal. Fish. p. 582. Jkan Buntak barik Mal. Batav. ‚Habit. Amboina, Wahai, Sumatra occidentalis, Batavia, in mari. Bied "21 speciminum 40” ad 120”. Ede _Aanm. Sedert ik deze soort beschreef, in mijne Bijdrage tot le kennis der Blootkakige visschen van den Indischen Archipel, Bitving ik nog een aantal specimina van Sumatra, Amboina en ei zoodat ik de toen gestelde diagnose heb kunnen her- zien en het ontbrekende der vroegere beschrijving aanvullen. zijlijn is gewoonlijk niet zigtbaar, doch waar zij zigt- paar is, gaat de bovenste van den snuit over de wangen tus- UI. 25 A Nl: „Mi _ AD ne Ak 502 schen oog- en borstvin naar den rug en daalt vervolgens naar den staart. De tweede zijlijn gaat van het onderste gedeelte van den staart naar den buik. Tetraödon margaritatus Rupp. Atl. R.N. Afr. F. R. M. p. 66. Tetraöd. corpore irregulari oblongo compresso, altitudine 3 circiter in ejus longitudine, latitudine 2 ecirciter in ejus altitudine; capite acuto, rostrato, 34 circiter in longitudine corporis; linea rostro-frontali concavíi- uscula; oculis superis, diametro 4 circiter in longitudine capitis, diametro l a se invicem distantibus; naribus in cute praeorbitali perforatis fere in= conspicuis, utroque latere 1; capite totoque corpore spinulis scabris, spinulis supra pinnam anaïem parcioribus; dorso carinato, angulato; linea laterali inconspicua; pinnis dorsali et anali altioribus quam longis, dorsali angulata, anali rotundata; caudali truncata vel convexiuscula, 5 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne griseo-fuscescente inferne griseo flavescente; oculis et labiis radiis coeruleis et rubris cinctis; genis totoque corpore guttulis numerosis coeruleis; vitta mento-anali recta coe- rulea;s dorso vittulis 2 vel 3 coeruleis ad basin pinnae dorsalis; pinnis flavescente-viridibus. DZB Bere ALS: An AAT as Sera bres. Synon. Jkan ad vel Gesterde visch Valent. nee Amb. III p. 358 fig. 2 Jkan akk, matanja Valent. ibid. p. 427 fig. 269? Verkenskop Valent. ib. p. 502 fig. 498, Casu casu Ren. Poiss. Mol. I. tab. 59 fig. 200. Ikan Ticus Ren. ibid. I tab. 25 fig. 138. Carcasse Ren. ib. II tab. 25 fig. 124. Habit. Amboina, in mari, Pi Longitudo speeiminis unici 62 Aanm. Deze soort behoort tot de groep van Zetraödon ros- tratus Bl. en TFetraödon papua Blkr., en heeft vooral met de laatstgenoemde groote verwantschap, verschillende zij voorna- melijk slechts daarvan door het gemis der zwarte vlek aan de basis der rugvin (f), door wat korteren kop, enz. — De Car- (1) In mijne beschrijving van Zetraödon papua (Verh. Bat. Gen. XXIV Blootkak. Vissch. p. 13) komt als drukfout voor, dat de zwarte vlek aan de basis der staartvin zou zijn. Im plaats van caudalis leze men daar dors salis. 503 casse van Renarp of MKaskasse van VALENTIJN (Renard, Poíiss. Mol. I tab. 39 en II tab. 6 fig. 29; Valent. Ind. Amb. III p. _ 353 fig. 19) is almede eene zeer verwante soort met breede zwarte of bruine banden over het ligchaam. | BALISTINL. _Balistes flavimarginatus Rupp N. W.F. Ab. F. R. À M. p. 54 tab. 15 fig. 1 (adult), fig. 2 (juvenis). Balist. corpore oblongo compresso, altitudine 2 circiter in ejus longitu- { dine, latitudine 8 circiter in cjus altitudine; capite 34 circiter in longi- tudine corporis, altiore quam longo; oeulis diametro 4 fere in longitudine capitis, 24 circiter in longitudine rostrij vertice convexo; linea rostro- __frontali ante oculos et apice rostri convexiuscula; rostro ante oculos sulco _friangulari; labiis carnosis; dentibus utraque maxilla 8, mediis ceteris __majoribus; apertura branchiali ante basin pinnae pectoralis desinente; scu- tis lateribus 36 p. m. in serie longitudinali usque ad aperturam branchia- ‚ Jem; cauda compressa, spinulis pluriseriatis scabriuscula, medio multo __altiore quam lata; pinna dorsali spinosa spina 1* rostro breviore, crassa, __obtusa, scabra, membrana pinnam dorsalem radiosam non attingente; dorsali radiosa et anali rotundatis, subaequialtis, multo longioribus quam altis, corpore plus triplo humilioribus; pectoralibus obtusis rotunda- _ tis; pinna ventrali spina crassa brevi dentata, radijs gracilibus p. m. _ 14; caudali convexa 6 et paulo in longitudine corporis; colore corpore superne viridi-favo inferne „aurantiaco-flavo; capite superne corporeque __maculis sparsis rotundis nigris; pinna dorsali spinosa viridi-flava ni- gro marginata; dorsali radiosa, caudali et anali media violaceis ceterum __aurantiacis, peectoralibus aurantiacis. TD. 3—2/25. P. 1/14, A. 2/23. C. 12, Synon. Balistes castaneus Richards. Voy. Sulph. Zoöl. Fish. p. 126 tab. Ki 59 fg. 9— 12? kt Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. ___Longitudo speciminis unici 125.” KE Ai __Aanm. Ik houd mijn specimen voor dezelfde soort als Balis- fes flavimarginatus Rüpp., alhoewel, volgens de afbeelding daarvan van den heer Rürperu te oordeelen, het profiel bij laatst- genoemde species boller zou zijn. De bovenstaande beschrij- ’ ing is genomen naar een uitmuntend bewaard specimen van nog jeugdigen leeftijd, daar de soort, volgens den heer Rürreur 304 tot. meer dan Î%5, voet lang wordt. Bij de oudere specimina wordt de ligchaamskleur bruinachtig en verdwijnt de vlek- teekening. Het verdient mijns inziens nog nader bepaald te worden, in hoeverre Balistes castaneus Richards (Zoöl. Voij. Sulph. Fish. p. 126 tab. 59 fig. 5), naar een lang in spiritus bewaard specimen beschreven en afgebeeld, als species van Balistes flavumarginatus zou kunnen verschillen. Pe habitus dier afbeelding beantwoordt geheel aan mijn specimen, doch de tweede rug- en aarsvin zijn er gevlekt, wat noch bij mijn specimen, noch bij de Rüppellsche afbeeldingen het geval is. Alutarius laevis CGuv. Cant. Mal. Fish. p. 355. Verh. Bat. Gen. XXIV, Balist. p. 21. Alutar. corpore oblongo compresso, altitudine 44 ad 4 in ejus longitu- dine, latitudine 34 ad 84 in ejus altitudine; capite acuto 42 ad 44 in lon- gitudine corporis, junioribus longiore quam alto, adultis aeque alto circi- ter ac longo; oculis diametro 5 ad 64 in longitudine capitis, diametro 4 ad l a linea rostro-frontali remotis; linea rostro-frontali concava; rostro acuto oculo quadruplo ad quintuplo longiore; dentibus maxilla superiore 6, mediis 4 acutis, angularibus obtusis; maxilla inferiore dentibus 4 acu- tis emarginatis; apertura branchiali ante basin pinnae pectoralis inferio- rem desinente; cute coriacea squamis inconspicuis; càuda nee setosa nec spinosa; spina dorsali 1* supra oculum sita, gracili, non dentata, rostro plus duplo breviore, 2° subocculta minima; pinnis dorsali radiosa et anali corpore plus quadruplo humilioribus, rotundatis, radiis simplicibus; pec- toralibus obtusis radiis simplicibus; caudalí obtusa 32 ad 4 in longitudine corporis; colore corpore luride viridi; capite, dorso lateribusque vittis numerosis irregularibus plus minusve curvatis, brevibus, coeruleis et ma- culis rotundis vel ovalibus coeruleis et fuscis; pinnis aurantiacis vel flavis, caudali viridi vel fuscescente. D. 2—44 ad 2-47. P. 14 vel 15. A. 47 ad 49. C. 12. Synon. JZkan Panggontor wel Donderaar Valent. Ind, Amb, III p. 508 fig. 523. Fwauwe Pangay ou Luey Ren. Poiss. Mol. I tab. 11 fig. 69. Balistes scriptus Osbeck Voy. L p. 174? Balistes laevis Bl. Ausl. Fisch. tab. 414. Platte Hornfisch Bl. ibid. Baliste lisse Bl. ibid. d Smooth old wife Bl. ibid. Balustes monoceros Soland. 05 Alutera laevis Cuv. Règn. anim. Swains. Nat. Hist. Fish. II p. 327, Aleuteres laevis Richards. Ichth. Voy. Sulph. p. 131 tab. 61 fig. 3. Report. 15th meet. Brit. Assoc. 1845 p. 202, Mornati Indigen. Malabar. Jkan Hajam Mal. Batav. Habit. Wahai, Bima, Batavia, in mari. „_Longitudo 5 speciminum 167” ad 430”, ____OSTRACIONES. Ostracion tesserula Cant. Mal, Fish. p. 867. tab. 8. É OE Ostrac. pyxide tetragona, altitudine maxima 24 circiter in corporis lon- ir ‚_gitudine, aeque alta circiter ac lata; dorso et ventre convexis, lateribus ‚concavis; ventre dorso latiore; capite 34 circiter in longitudine corporis, altiore quam longo; linea rostro-frontati et linea interoculari concavis; oculis diametro 2 et paulo in longitudine capitis; rostro oculo altiore; ore ante rostrum prominente; apertura pyxidis anteriore ovali oculo non ma- jore; pyxide spinis nullis scutis hexagonis radiatim carinatis; pinnis ob- tusis rotundatis; colore corpore pinnisque flavo, capite corporeque guttis sparsis profaunde coeruleis. s CD. 1/8. P. 2/10 vel 2/11. A. 1/8. C. 1/8/1. __ Habit. Wabai, Ceram septentrionalis, in mari. B _Longitudo speciminis unici 82.” _Aanm. Deer Cantor ontdekte deze soort op Pinang en gaf er eene beschrijving en afbeelding van ia zijn werk over de Maleische visschen. Mijn specimen behoort tot den zeer jeug- digen leeftijd en is nog aanmerkelijk kleiner dan de afbeelding van den heer Cantor. Aan dezen jeugdigen leeftijdstoestand is waarschijnlijk toe te schrijven, dat de rug van mijn specimen niet gekield is. _LOPHOBRANCHIL. Hippocampus moluccensis Blkr. E: ippocamp. corpore heptagono, altitudine maxima 64 in totjus piscis 0 ongitudino, latitudine 2 fere in ejus altitudine; cauda tetragona; capite 4 ad 42 in longitudine corporis ab occipite usque ad apicem caudae; ros- rc ) longitudine capitis partem postocularem aequante, altiore quam lato, 506 ante oculum tubereculo parvo, non fimbriato; oeulis diametro 8 circiter in longitudine capitis; orbita superne tuberculo unico conico brevi non cla- vato; occipite in processum obtusum quinquetuberculatum non fimbriatum exeunte; operculis radiatim striatis; pyxide corporis ex annulis 11 for- mata, cristis longitudinalibus tuberculatis, tuberculis humilibus nec ramo- sis nec fimbriatis; cauda annulis 35 vel 36, cristis longitudinalibus tuber- culis humilibus non fimbriatis; pinnis -dorsali et pectoralibus rotundatis; colore corpore fuscescente; operculis striis albidis; pinnis viridibus. D. 16. vel 17 P. 16. A. 4 Synon. JZkan Kuda Malaic. Habit. Amboina, in mari. Hongitudo 2 speciminum 130” et 150,” Hippocampus taentopterus Blkr. Hippocamp. corpore heptagono, altitudine maxima 64 circiter in totius piscis longitudine, latitudine 2 in ejus altitudine; cauda tetragona; capite 32 ad 44 in longitudine corporis ab occipite usque ad apicem caudae; rostro 24 ad 2% in longitudine capitis, altiore quam lato, ante oculum tu- berculo parvo, non fimbriato; oculis diametro 6 ad 7 in longitudine ca- pitis;s orbita superne tuberculo conico non clavato; occipitije in processum 5 vel 6 tuberculatum non fimbriatum exeunte; operculis radiatim striatis; pyxide corporis ex annulis 11 formata, cristis longitudinalibus tuberculis humilibus non fimbriatis; cauda annulis 85 vel 56, cristis longitudinalibus tuberculis humilibus non fimbriatis; pinnis dorsali et pectoralibus rotunda- tis; corpore fusco, toto fere flavo et nigro punctulato; pinnis hyalinis, dorsali vitta longitudinali nigra. De VBeriBiott vel didi, Arnd. Habit. Amboina, Wahai, in mari. Longitudo 3 speciminum 80°” ad 110,7 Aanm. Mijne verzameling bevat thans 4 soorten van Hip- pocampus, welke na aan elkander verwant zijn. Een dier soor- ten, afkomstig van Japan en Hippocampus Mohniket genoemd heb ik beschreven en afgebeeld in eene kleine Bijdrage tot de kennis der Ichthyologische fauna van Japan, welke aangeboden isaan de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amster- dam. De overige drie soorten behooren tot den Indischen Ár-_ chipel en wel Hippocampus kuda Blkr. tot de fauna van Singapore (Nat. Tijdschr. v. Ned. Ind.Illp. 82)en de beide hier beschre- _ vene tot die van Amboina. Hippocampus Mohnikei is kenbaar 307 aan de breede dwarsche witte banden over den staart; Hip- _pocampus kuda aan de achterhoofds- en kindraden en langen snuit; Hippocampus taeniopterus en Hippocampus moluccensis aan de afwezihheid van witte staartbanden en kopdraden en de eerste bovendien aan’ den zwarten overlangschen rugvinband | en de laatste aan het gemis daarvan en aan den langen snuit, die even lang is als het achteroogkuilsgedeelte van den kop, terwijl hij bij Hippocampus taeniopterus 2, tot 23/, maal gaat jn de lengte des kops. $ Pegasus volans L. Syst. nat. ed. Gmel. I p. 1459. | Lacép. Poiss. IÌ p. 83. l ke _ Pegas. corpore depresso, altitudine 5 circiter, latitudine maxima 22 cir- _ eiter in ejus longitudine; capite prismatico quadrilatero, acuto, 8 et paulo jn longitudine corporis, longiore quam alto et dupio circiter latiore À quam alto; vertice utroque latere taberculo conico; orbitis elevatis; ocu- lis diametro 5 fere in longitudine capitis, 2 et paulo in longitudine ros- Bir, diametris 2 ecirciter a se invicem distantibus; rostro supra os utroque _Jatere tuberculo osseo, ante os in processum phylloïdeum producto, pro- gessu antice rotundato, margine denticulato, transversim sulcato, superne _bicarinato , carinis denticulatis; ore infero maxillis protractilibus; mento _regioneque suboculari tuberculatis; apertura branchiali oeulo minore; cor- pore e@ pyxide tetragona formato, pyxide ubique rugosa, superne sulco ei zephalo-caudali profunda lata bipartita; cauda tetragona ex scutis 7 com- _posita, scutis angulis carinatis; scutis 4° et 5° lateribus carina elevata brevi; _pinnis radiis omnibus simplicibus, dorsali angulata scutis caudalibus 2° et 83° inserta; peetoralibus flabelliformibus radiis longissimis capite paulo bre- et dorsali vix humiliore; caudali vix convexa, 54 fere in longitudine cor- _ poris; colore capite superne et dorso roseo, rostro nigricante-fusco; pinnis flavescentibus, pectoralibus caudalique fusco variegatis. BRD: 2. B. Il vel 12. V.2. A. 5. C. 8, S Synon. Pégase volant Lacép. Poiss. II p. 83. __ Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. p: _Longitudo speciminis unici 90”, nd __Aanm. Het komt mij voor, dat de soorten van Pegasus 5 nog onvoldoende bepaald zijn. De bovenbeschrevene soort is vrij zeker de Pégase volant van Lackrùpr. Ik bezit nog eene 508 soort van Pegasus van Sumatra, bij welke de breedte des lig- chaams 6 maal in zijne lengte gaat en welke blijkbaar dezelfde is als de Cataphractus rostro spatuliformi truncato Gronov. Zoö- phijl. N. 357 p. {15 tab. {1 fig. 2, 3. Andere species echter zijn mij niet beschikbaar , zoodat ik tot hare betere karakteristiek niet kan bijdragen. Ik heb de synonijmen van Pegasus volans L, zooals deze species boven aangeduid is, niet willen vermeer- deren, door daartoe afbeeldingen te brengen, “welke er wellisk niet identisch mede zijn. Solenostoma paradorum Lacép. Rafin, Solenost. corpore elongato compresso, altitudine 6 et paulo in ejus longitudine, latitudine 84 circiter in ejus altitudine; capite 3 circiter in longitudine corporis; oculis diametro 8 circiter in longitudine capitis; orbita antice spinula brevij rostro acuto oculo plus quintuplo longiore, altiore quam lato, superne antice in 3° tertia parte tuberculo conico; rictu terminali obliquo parvo; scutis corpore 23 p. m. in serie longitudinali, pluricarinatis posticis anticis minoribus; dorso postice ventreque post anum gibbosis; pinna dorsali 1° postice in anteriore dimidio corporis. sita, altitudine corporis altitudinem aequante, basi oculo non longiore, acuta, radio medio ceteris longiore; pinnis dorsali 2* et anali pinnae cau- dali approximatis, corpore quadruplo circiter humilioribus, longioribus quam altis, rotundatis; pectoralibus oculo duplo latioribus sed non lon- gioribus, obtusis; ventralibus rostro non brevioribus, obtusis; eaudali rhomboidea acuta, 34 circiter in longitudine corporis, radiis membranam superantibus; corpore roseo toto nigro punectato; pinnis roseis; dorsali 1* radium 1” inter et 3” macula magna pulchre coerulea, ceterum maculis pluribus fuscis; ventralibus caudalique postice violaceis; caudali tota ni- gricante punctata et maculata. Db 19..P, 223 Melt A. LO Synon. Solenostomus varws, rostro serrato, pinnis dorsali et ventralibus praelongis Seb. Thes. III p. 106 tab. 34 fig. 4. Bonte Solenostomus ete. Seb. ibid. Trompette solénostome Bonnat. Planch. Eneyclop. méth. Fistularta paradoxa Pall. Spicil. zoöl. 8 p. 32 tab. 4 fig. 6. L. Syst. nat. ed. Gmel. I p. 1338. Bl. Schn. Syst. posth. tab. 30 fig. Ll. Solenostomus paradorus Lacép. Poiss. V p. 36, Cuv. Richards Rep. ichth. Chin. in Rep. 15th meet. Brit. Assoc. p. 2083. Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, ín mari. Longitudo 3 speciminum 85°” ad 111” hes MLA) 509 â __Aanm. Niettegenstaande deze soort reeds aan Srra en Parras bekend was, bestaat er nog geenegoede afbeelding van en zijn de kleuren nergens goed opgegeven. Mijne specimina hebben hunne kleuren nog goed bewaard en zooals boven beschreven is. ‚ Voorts is bij mijne specimina de rugvin lager dan op de af beel- _ dingen van Parras, Srpa en Brocu Scanmiper is uitgedrukt, ter- Ì wijl ik er ook volstrekt geene kindraden kan waarnemen. Boven- dien zijn ook de vinstralen door genoemde schrijvers eenigzins anders opgegeven. Door deze verschillen, welke deels aan het | minder goed bewaard zijn der in Europa gebragte specimina, deels aan minder naauwkeurige waarneming kunnen toe te schrijven zijn, achf ik mij niet geregtigd, boven beschrevene specimina te beschouwen als tot eene eigene soort te behoo- ren. CHIMAEROÏDEL Chimaera monstrosa L. Bl. Lacep. Cuv. T. Schl. Ji k Habit. Wahai, Ceram septentrionalis, in mari. 92 Longitudo speciminis unici 900. __Aanm. Mijn eenig specimen is in zeer gebrekkigen toestand van bewaring, zoodat ik mij van de beschrijving er van onthoud. Mijn specimen is het eerste, wat, voor zoover mij bekend is, n den Indischen Archipel is aangetroffen. Scripsi Batavia Calendis Aprilis upeceLu. WAARNEMINGEN VOOR DE ASTRONOMISCHE PLAATSBEPALING VAN BAT AVI A, DOOR SS. HH. DE LANGE, Geographisch Ingenieur. Ik deel hier een gedeelte mijner waarnemingen mede-ter be- paling der breedte. Het gemiddelde resultaat uit alle waarne- mingen verschilt genoegzaam niets met dat uit de hieronder- volgende afgeleid. | Breedte waarnemingen. 26 Augustus 1851. 15 September 1851. 20 September 1851. « Lijrae. « Paromis. « Paromis. waarnem. afwijk. waarnem. afwijk. waarnem. afwijk. 6°9/'60,”65 — 4,”33 6°9'58,63 —1,'%6 6°9' 54,97 +1,’ 42 56, 07 +0, 25 54, 83 +2, 04 5%, 99 — 1, 60 58, 5 42, 37 56, 83 —0, 04 57, 85 — 1, 46 54, 93 +1, 39 56, 93 +0, 16 54, 69 + 1, 70 52, 19 +4, 15 56, 93 +0, 16 56, 30 + 0, 09 s11 55, 25 +0, 0% 53, ser 3,00 56, 91 — 0, 32 60, 93 —4, GI 58,2% + 1, 40 58, 42 — 2, 03 5%, 83 —1, 51 He va ee a0 53, 57 + 2, 82 54, 5% +1, %5 5%, 3% +0, 50 56, 99 — 0, 60 BR 03 +3, 29 58, 47 + 1, 60 6°9' 56,”39 w. f. 0,37 58, 99 —2, 67 60: Je 3, 50 56, 93 —0, 61 _6°9'56,”87 w.f. 0,”44 BRA 42 50, 86 +5, 46 B 59, 88 —3, 56 6°9' 56,” 32 w. f. 0,” 52 20 Septemb. 1851. 20 Septemb. 1851. 20 Septemb. 1851. | a Cijgni. y Cijgni. y Cruces. waarnem. afwijk. waarnem. afwijk. __waarnem. afwijk. 6° 9’ 54,”80 + 1,703 6°9’59,”31 —1,/”62 6°958,’38 — 0,’ 49 55, 44 + 0, 39 55, 66 + 2, 03 58, 51 —0, 36 58, 70 —2, S7 59, 44 — 1, %5 58, 51 —0, 36 OG 1, 23 55, 82 +1, 87 60, Sl +1, 94 52, 15 +3, 68 58, 24 —0, 55 60, 76 + 1, 89 55, 9 —0, 08 6°9'57,'69 w. f. 0,'55 56, 98 — 1, 89 | 56, 71 — 0, 88 58, 24 —0, 63 6°9 55”, 83 w. f. 0,51 60, 90 +1, 22 59, 24 +0, 37 lend ek 58, 24 —0, 63 58, 47 —0, 40 58, 37 —0, 50 in het oog houdende, zoo verkrijgt men tot eindresultaat: 6° 9 57,73 _ De heer G. A. pr Lanae, luit. ter zee der 2de kl., als ad- sistent aan mij toegevoegd, heeft in de maand December de volgende waarnemingen gedaan. Zijne waarnemingsplaats lag s12 9 December 1851. 2 December 1851. h? Geminor. h Argus. h2 Geminor. 6° 9’ 56,” 02 be 9505 6° 9’ 57,” 81 58, 52 55, 62 58, 06 59, 4l 51, 03 57, #3 57, 46 56, SI 59, 79 56, 34 6°9' 56,”65 w. f. 0,” 23 57, 69 54, 37 54, 22 58, 95 54, 98 61, 13 58, S8 55, 14 56, 23 6° 9’ 57,” 56 w.f. 0,” 65 58, 16 56, 97 60, 59 53, 97 55, 87 58,26 57, Ol 6° 9’ 57,”26 w.f. 0,”47 26 December 1851. h? Geminor. h Argus. 6° 9’ 56,” 55 6° 9’ 50,” 89 57, 49 55, 26 54, 25 60, 71 58, SI 54, 51 57, 04 5%, 39 51, 67 53, 53 57, 02 59, 26 5%, 09 58, 43 56, 64 53, 25 55, 37 53, #9 55, 66 6° 9’ 55,” 75 w.f. 0,” 97 60, 14 56, 97 52, 67 6° 9’ 56,” 25 w. f. 0,’ 59 Gevende, de betrekkelijke waarden der uitkomsten in aan- merking nemende, Z. Breedte 69 9’ 56,” 72. 915 _Klaagt men in Europa bij astronomische waarnemingen her- haaldelijk over ongunstig weder, hier is het aantal dagen, waar- op men heldere lucht heeft, zeker nog geringer. Van het laatst van Junij, toen ik mijne waarnemingen kon beginnen, tot den 1öden Oktober, heb ik slechts f8 maansdoorgangen kunnen waarnemen; zes daarvan zijn onder zulke onvoordeelige om- standigheden waargenomen, dat ik die heb moeten verwerpen; de overigen volgen hieronder. Ik vlei mij, uit Europa korres- ponderende waarnemingen te ontvangen, waardoor de resul- taten voor de fouten der maanstafelen kunnen worden gekorri- geerd. Na den f5den Oktober heb ik geen’ enkelen doorgang kunnen waarnemen. Waarnemingen ter bepaling der lengte. Maansmeridiaans waarnemingen. 8 September © I (%) 9 September © I (4) A. R. € =ò Capr. + 11"26:,10 (4) A. R. C= 7? Aquar.— 3" 6:, 965 (6) | u „ + 5e 4,47(6) D „18° 9:,578(5) C uurbew. 118. 72 DP » _ 28-1°,547(6) LL" 7e 40°, 16 EC uurbew. 114. 77 | L — 7" 4m 58:, 82 __ 10 September € II (6) __1 September © MH (6) € À. R.=D Aquar. +18" 51:,448(6) A. R. @€=33Pisc. + 13" 32°, 612 À We „ +14" 155, 238(5) 20 Ceti — 34" 8:, 709 33 Pisc. — 32" 14°, 582 4) e Pisc. —49= 26°, 778 E uurbew. 111, 88 @ uurbew. 110, 44 B Le ve 35'-81 L 4" 7" 38.94 __ 12 September © IH (6) 13 September © HI (6) ARE Cetit1l"16:,76(5) A-R. E=gPisc.+20" 2,463 (2) ePisc.— 4" 1:,50(3) _ y „ + 8" 445, 853(5) ik n — 25" 42°,66(4) E1 Ceti — 34" 49°, 007 (7) ET O0 teste 0',53(6) 845 ASC — 54" 29°,957 (7) « Euurbew. 110,63 Euurbew. 112,595 L— "4" 29°, 12 L— 4e 4e 41°, 51 ® 11 Julij Bedekking („* Sagittarii Ingang. 15" 7» 8°,20M. Ts sl4 3 Oktober © 1 (7) 4 Oktober © I (7) CA.R.=h? Sagitt. —22" 40°,335(7) CA.R.=BCapr.+30" 45°, 25(7) e2 „ — 16e 18°, 935 (2) - EP „ + 6* #5,213(7) B Capr. +22 19°, 775 (8) D „ —55* 25°,713(6) @ uurbew. 130, 09 € uurbew. 125,0 | L—7" 4" 46°, 45 per! L 7e 44e, 24 9 Oktober £ I 11 Oktober € II (7) CA. R.=20 Ceti — 3" 42, 51 CA.R.=E!Cetit 9e 3:,413(4) pz Pisc. — 40" 41°, 62 E: „ — 6r 4°,607(6) yv „ —5l* 59,52 845 ASC —22n 43°, 617 (4) EC uurbew. 110, 71 7 Arietis — 26" 49°, 19% (4) Le 57,88 Euurbew. 115, 57 L— 4" 4m 45°, 438 12 Oktober © II (7) 13 Oktober € HI (3) CA.R.=845 ASC +25" 33:,789(5) CA-R-=2,Tauri+ 0" 33°, 09(6) cTauri — 37” 38:, 633 (5) Un 34" 23,47 „ Tauri — 49" 58°, 110 (7) o* Orionis —51" 7°21 G uurbew. 120, 34 € uurbew. 126, 33 L— 7" 7e 42°, 59 L—7"7" 30°, 66 De cijfers achter de waarnemingen geplaatst, hebben betrek- king op het aantal draden waaraan de maan en sterren zijn waargenomen. Vereenigen wij nu de uitkomsten, afgeleid uit den oostelijken rand en die uit den westelijken, daarbij de betrekkelijke waar- den der uitkomsten in het oog houdende, zoo vindt men voor resultaat W.R.— 7u. 7m. Bis, 81 dn O.R. — 7u. Zm. 9/s., 71 Gevende voor L. — 7u. 7m. Aás., 76 = 1069 56’ 11,” 40 Slechts vijf sterbedekkingen heb ik mogen waarnemen, waar- van ik één heb moeten verwerpen. Sterbedekkingen 1851. 1% April Bedekking 9 Librae Ingang. 16’ 53" 27°, 89 M. T.; L—7"7" 32, 09 / L— 7" ge 32°, 44 515 1 September Bedekking 4 _ Librae Ingang. 19" 2% 34, 728. T.; ke gi L— 4" 4e 37 96 _28 December Bedekking #* Aquarii Ingang. 8" 43m 53°, 85 M. T.; L 7" 7» 38°, 80 _De sterbedekkingen in rekening brengende bij het resultaat der waarnemingen van de maansdoorgangen, wordt voor de Reste verkregen 1060 54’ 18,” 15 O. Greenw. __Volgens de topographische kaart van Batavia en ommelanden, opgenomen op last van Z. H. den hertog van Saxen Weimar Er- iik op de schaal Î: 10000, ligt de plaats der waarneming 4232. 0 Ned. El. bezuiden den uitkijk | UO vore bepesten or ns hiermede herleidende komt de uitkijk: Breedte 69 7’ 40,” 2 Z. Lengte 1069 54’ 2,” 4 O. Greenw. _Op de resultaten, verkregen uit een groot aantal waarne- mingen van gelijke hoogten der maan en de en hoop ik later terug te komen. DE DIAMANTGRONDEN VAN KOENAN, DOOR Dr.J. KH. CROOCKEWIT Hz. Op vele plaatsen schijnen in het landschap Koesan diaman- ten gevonden te worden, of wel vooronderstelt men, dat men ze zou bekomen, als de grond bewerkt werd. De gronden, wanneer zij bewerkt worden, maken een deel uit der in- komsten van den regerenden pangerang. Iedereen toch heeft de vergunning, diamantgronden te bewerken (diamantputten te graven of wel diamanten te wasschen) tegen betaling eener schatting van Î gulden (120 duiten) ’s maands per hoofd aan dem pangerang. Alsdan zijn alle diamanten, die minder dan 9 kdraat wegen (een karaat is een gewigt van 0,212 gram) de eigendom van den vinder: allen die hij vindt van dit ge- wigt of die dit te boven gaan, is hij verpligt aan den pange- rang op te brengen, die hem dan f 20 voor elk karaat gewigt daarvoor betaalt. Onvolkomener wijze om eene schat- ting of liever pacht van landerijen te heffen (want geheel het landschap behoort den pangerang toe) is niet wel denkbaar, zoude men meenen, om de vele verleiding en gemakkelijke ontduiking: dit is hier echter minder het geval, zelfs zonder eenig toezigt. Daar ieder voor zich wascht, en meestal in eens anders onmiddellijke nabijheid, valt het ongemerkt verstoppen van eenen steen van bijzondere grootte al bezwaar- 517 lijk, en nog veel moeijelijker is het, om dien ongemerkt aan den man te brengen: meestal komen zulke ontvreemdingen aan den dag. Tijdens mijn verblijf in Koesan was er eene derge- lijke zaak hangende: een diamant van 30 karaten was voor een paar jaren door eenen Banjarmasinschen opkooper op het grondgebied van den pangerang van Koesan ingekocht en op Java voor f 13,000, naar ik vermeen, verkocht; men had toen den dader reeds gevat op Java, en de koopprijs was, ‚naar men mij zeide, in ’slands kas te Banjarmasin voorhan- den, waar de pangerang hem toen ging ontvangen. Ik acht deze Wijze van pachtinning ook niet zoo onregtvaardig. Het is toch in deze zaak anders gelegen, dan met landerijen, die aan landbouwers verpacht worden; gewoonlijk wordt hiervan in deze gewesten een gedeelte der opbrengst als schatting be- taald, en al is dan een vastgestelde jaarlijksche huurprijs, bij het mislukken van den oogst bezwaarlijker dan in een voordeelig Jaar, het behoort tot de zeldzaamheden, als meerdere jaren achtereen het eerste geval plaats heeft, zoodat meestal een slechte oogst door eenen ruimeren daaropvolgenden vergoed wordt. Bij het diamantwasschen bestaat deze omstandigheid niet, en ik geloof niet, dat één inboorling zich tot dit werk zoude willen leenen, wanneer hij maandelijks daartoe zooveel moest opbrengen, als zoude opwegen tegen de kans, om soms eens een’ steen van eene grootere waarde dan gewoonlijk voorkomt te vinden, terwijl nu toch hij, wien dit geluk te beurt valt, in zijne omstandigheden, daarvoor nog eene ruime winst geniet. Dat het bedrag dezer schatting het eene jaar met het andere zeer verschilt en niet te bepalen valt, ligt in den aard der zaak; eene plaats is het ééne jaar zeer bezocht, om soms het volgende, wanneer ze slechte resultaten heeft gege- ven, geheel verlaten te zijn: — de eene werkman is gelukkig, en werkt daardoor met onvermoeiden iijver, de andere loopt het “tegen en het werk verdriet hem: genoegzame redenen om met het wisselvallig aantreffen van groote diamanten, dit be- drag ook zeer wisselvallig te maken. Het kan wel niet bevreemden, dat de bijgeloovige inwoners Re II. 26 918 dezer woeste gewesten, hetzij zij zich volgelingen van Moham- med’s leer noemen of dat, zooals bij de Dajah’s, het door dezen verspreide licht of de voorgeschreven leefregels ook nog niet tot hen zija doorgedrongen, ook aan het wisselvallig aantreffen van diamanten den invloed van goede of kwade geesten meent te_ onderkennen. De in zoo vele. opzigten veel meer verlichte Chinesche tinmijnwerkers doen dit wel, wat den tinerts aangaat, zooals ik in mijne vroegere rapporten aan het gouvernement van mijne reizen door Banka en Malakka heb medegedeeld. Zoo werd mij uitdrukkelijk verzocht, om in de nabijheid der diamantputten niet te schieten of te laten schieten, opdat de booze bosch- en bergduivels niet opgewekt zouden worden, die dan het vinden van diamanten geheel beletten. Ook het zoeken naar nieuwe, nog nief bewerkte, diamantgron- den gaat bij hen, die het islamisme toegedaan zijn, met eenig bijgeloof vergezeld. Zij meenen, dat er menschen zijn, die daar- toe eene bijzondere ingeving hebben gekregen, en even als de priesters door de godheid daartoe uitverkoren zijn. Zulke lie- den reizen rond en toonen dan, op het verzoek van sommige diamantlustigen, niet zonder de noodige kwakzalverij, plaat- sen aan, waar men dan met het volste vertrouwen het werk aanvangt. Zij ontvangen daarvoor eene kleine belooning, of soms wel van den eigenaar der landstreek, die er steeds be- lang bij heeft, dat er veel naar diamanten gezocht wordt, verlof, om met eenige manschappen, zonder hem maandgeld te beta- len, diamantputten te bewerken, blijvende hun het tweede gedeelte der schatting opgelegd. Valt soms eene door hen aangetoonde plaats tegen, dan is de sejtan (boschduivel) er tus- schenbeiden gekomen, en niets van het in hun gestelde ver- trouwen verloren. Aan het vinden van zekere soorten van steentjes (men zegt dat er 7 soorten zijn), welke steentjes blijk baar zeer silicahoudende zijn, en meestal een zwart amijgda- loïedachtig voorkomen hebben, erkent men bij de proefneming het aanzijn van diamanten. Vindt men deze steentjes niet, men behoeft ook niet, volgens hun oordeel, naar diamanten te zoe= ken, maar omgekeerd, zoo lang als men ze vindt, moeten er 519 óok diamanten aanwezig zijn. Niet daf zij meenen, dat de día- _manten uit deze steentjes ontstaan, maar, zeide de pangeran zelf mij, zoo als een vorst noodzakelijk onderdanen moet hebben, zoo moet ook de diamant, die den vorst voorstelt, van deze zwarte steentjes (de onderdanen) vergezeld zijn: zich onder- _danen zonder eenen vorst voor te stellen is, volgens zijn oor- deel, eene ongerijmdheid. Ik zal niet uitmaken, wat hiervan aan te nemen is, maar kan echter geen verband tusschen de diamant- en kiezelhoudende steen- tjes vinden. Zoo lang als niet in andere landen, waar diamant- gronden bewerkt worden, iets dergelijks waargenomen wordt (ik ‘heb het nog nergens vermeld gevonden), ben ik geneigd, ook dit onder hunne bijgeloovigheden te rangschikken, met hoeveel zelfvertrouwen en overreding zij het aangehaalde ook mede- deelen. De eerste door mij bezochte diamantputten, waar gewerkt v erd, waren die van Soengei Danau (Ì). k Volgens mijne opname liggen deze in eene vooronderstelde regte lijn 5000 m. van het door mij betrokken huis in de kampong Praboekarta in de rigting w. 90° n. verwijderd. Om van daar tot ze te komen, moet men eerst de rivier op in eene vooronderstelde regte lijn over eene lengte van 5500 m. in de rigting n. 38° w., wanneer men overland wederom in eene vooronderstelde regte lijn 2000 m. in de rigting z. 280 w. moet afleggen. De weg hierheen leidt door bosch, is een weinig rijzende en voert langs twee plaatsen, waar men eenige putten bewerkt maar ook even spoedig verlaten had, daar ze geene resultaten gaven. ‚Bij mijne komst aan de eigenlijke diamantputten was daar slechts een 20tal menschen werkzaam. De pangerang, die mij ' (1) Bij het opnemen met de kommissie voor de grensscheiding tusschen de rijken Koesan en Pagatan, was ik op twee plaatsen, tusschen de vroe- gere kampong Koempa en de kampong Soengei Doewa, vroeger bewerk- te diamantputten, alsmede de thans bswerkt wordende van Langanan ke- tjil gepasseerd, maar heb toen meer het doel dier reize, dan aan bijko- m ende omstandigheden mijne opmerkzaamheid geschonken. Be ER € 920 vergezelde verzekerde mij echter, dat voor die plaats ín die maand door 50 man de schatting betaald was, en dat deze in andere maanden soms f 70 bedroeg. Het riviertje, waaraan de plaats haren naam ontleent, is hoogst ondiep, met zeer weinig stroom: het loopt van n. n. w. waar het zijn’ oorsprong heeft, naar n. n. 0., waar het in de Soengei Bakarangan uitkomt; het water was rood-melkachtig door de er in afgespoelde lee« maarde. Het terrein, waarin de diamantputten bewerkt worden , is al- Juviaal; het bestaat uit eene donkerroode leemaarde, waarin zich vele stukjes roode zandsteen (de leemaarde is blijkbaar door den invloed van het water daaruit ontstaan) en enkele stukjes kwarts bevinden, naar mijn oordeel in niets te onderscheiden, van de straks vermelde verlaten plaatsen. De putten zijn & 4 à 5 voet in ’t vierkant en soms tot 10 à 12 voet diep. Zij zijn een Î2 tal voeten van elkander verwijderd, en hebben dan onder den grond gemeenschap met elkander , zoodat men dan voor dit eind alleen de aarde, die de diamanten bevat, behoeft te verwerken. (f) Alzoo worden fÎ á 2 voeten van den bovengrond niet ge- wasschen, en eindigt men met uitgraven, wanneer de bodem ophoudt minder roode steentjes te bevatten. De wijze van uitgra- ving dezer putten is zeer gebrekkig, daar de Koesansche inboor- lingen geene patjols of spaden weten te gebruiken, en alzoo zich met gevlochten mandjes, eene soort van breekijzers en parangs behelpen. De uitgegraven aarde ‘wordt verzameld in eene in het water geplaatste hoogst fijngevlochten teenen mand, die 11, à 2 voet diepte heeft, en welker openingen fijn genoeg zijn, om bijna het kleinste zandkorreltje terug te houden, en het water toch doorlaten, dat dan onder het aanhoudend omroeren dezer aarde de fijne deelen wegspoelt, en alzoo de steentjes | alleen, van aanhangende leemaarde gezuiverd, terug laat. Deze steentjes worden vervolgens, altijd boven dezelfde mand, door (1) Op gelijke wijze werd vroeger, onder de regering van den sulthan van Palembang, door de Inlanders de tinerts op Banka verzameld. 521 een ander mandje, welks openingen fÎ Ned. duim D groot zullen zijn, gezift, en die er op blijven liggen verwijderd, echter niet dan nadat ze opmerkzaam zijn gadeslagen. Het in de mand terugblijvende wordt nu, & Ws, klapperdop vol te gelijk, ‚_in eenen langanan nader gewasschen. De langanan is een ronde _ houten bak, gemaakt uit een gedeelte van den wortel van ze- kere boomen, langs de lengte afgesneden, zoodanig, dat de houtvezel langs de oppervlakte loopt: ze heeft gewoonlijk 7 _ palmen diameter, en loopt in het midden in eene puntige holte 4 uit, terwijl de grootste diepte niet meer dan 12 Ned. duim be- draagt. Door aan deze houten bak eene bijzondere beweging te geven, worden de grooiste ligtste steenen, na eerst nog onderzocht te zijn, met het water weggespoeld; het over- blijvende, na het water te hebben laten wegloopen, wordt nu met de hand langs de geheele oppervlakte dun uitgestre- | ken, en alsdan wordt elke glinsterende oppervlakte met de grootste inspanning en verwachting met een scherpziend oog # onderkend, onderzocht en nog eens onderzocht, en deze be- ‚ handeling zoo dikwijls herhaald, tot genoegzaam alles weg- _ gespoeldis, als wanneer men eene nieuwe hoeveelheid bijvoegt; voorzeker een werk, waar het grootste geduld toe behoort, en ‚ daarom zeer geschikt voor eenen inlander, terwijl de meeste _ Europeanen het spoedig zouden laten steken. In mijne te- _genwoordigheid werd een steentje van misschien %,, karaat gevonden, waarvan ik door het betalen van f 1 eigenaar E. werd. Door elkander gerekend kan iemand, hier wasschen- de, wanneer hij redelijk slaagt (het geluk behoeft hem dan slechts weinig te dienen), fl à f 1, daags verdienen. KWIKERTS EN KWIK VAN SUMATRA (1), SCHEIKUNDIG ONDERZOCHT DOOR A. SCHARLEE. Op uitnoodiging van den heer G. Wassink, dirigerenden officier van gez. f kl, alhier, die mij bovengenoemde stoffen ter hand heeft gesteld, met verzoek ze te onderzoeken en de resultaten daarvan door dit tijdschrift bekend te maken, laat ik hier- onder de uitkomsten van dat onderzoek volgen. Wanneer ertsen eener te ontginnen mijn zullen worden on- derzocht, gebiedt de voorzigtigheid, dat men zich de vraag ter beantwoording stelle, of daarin eene genoegzame hoeveelheid der hoofdstoffen voorkomt, om met voordeel te kunnen worden verwerkt. Dat dit bij den aan mij gegeven’ erts het geval iss kan aan geenen twijfel onderhevig zijn, daar er volgens de berig- ten, op eene geheel onpraktische wijze, door de Maleijers zelven, 80%, zuiver kwik uit wordt verkregen. De kennis van de juis- te hoeveelheid kwik, in den erts bevat, was dus hier volstrekt noodig, om de mogelijke opbrengst bij eene goede praktische bewerking te kunnen bepalen. Bovendien was het doelmatig, te weten of soms als bijprodukt konde worden verkregen eene of andere stof, welke met voor- deel tot eenig ander doel zoude kunnen worden aangewend. (1) Zie Nat. Tijdschr. voor N. I. 3den jaargang 1 afl. bladz. 108-112, 925 Hierbij zijn echter negatieve resultaten verkregen, daar wel is j waar magneetijzer bij den erts gemengd is, doch in te geringe hoeveelheid (1,542 à 1,626 procent) om na verwerking winst- gevend te zijn. Het zal derhalve onnoodig wezen, de hoeveelheid der overige stoffen te vermelden, te meer daar dit uit een we- tenschappelijk oogpunt slechts weinig waarde heeft. ___Het scheikundig onderzoek hoofdzakelijk eene juiste bepa- ling van het kwik ten doel hebbende, is ter verkrijging van | zeer naauwkeurige uitkomsten aan den zoogenoemden natten weg de voorkeur gegeven. De erts werd hiertoe, nadat het magneetijzer was afgezon- derd, ter volkomene oxijdatie van de zwavel, met koningswa- ‚ ter behandeld, het onoplosbare gedeelte afgefiltreerd en uit de oplossing, na verwijdering vanhet overtollige zuur enz., volgens bekende regelen het kwik als zwavelkwik bepaald. __ Kortelijk deel ik hier eenige eigenschappen van den erts me- de. Hij bestaat uit onregelmatige stukken van verschillende grootte. Aan sommige stukken was duidelijk de kristalvorm (rhom- boëder) te onderkennen. Zij waren gemengd met zwarte sterk glin- sterende , zeer magnetische kristallen van magneetijzer, bene- vens die stoffen, welke veelal in den grond worden aangetroffen. Breuk. Oneffen tot schelpachtig, daarbij glinsterend, doch ook somtijds dof. Kleur. Kochenillerood, loodgraauw tot vuilgeel. In een kolfje verhit, sublimeert, onder ontwijking van zwavel- waterstofgas, zwavelkwik en kwik, met achterlating van een weinig asch, die onder toetreding der lucht op platinablik ge- gloeid, door ijzeroxijde rood gekleurd wordt. Het specifiek ge- wigt is naar 6 proeven bij 27° C. = 7,535—7,820. _ Uit de hiergenoemde eigenschappen, vooral wat het sp. gew. betreft, blijkt, dat de erts moet geplaatst worden tusschen Cin- naberaarde (sp. gew. 8,0-—8,1) en Levererts (sp. gew. 7,1—7,3), beide Cinnabersoorten, welke tot het winnen van kwik gebezigd worden. 924 Kwantitatieve Analijse. Bepaling van het Water. 17,317 grm. verloren bij 100° C. gedroogd 0,017 grm.= 0,098°/, en 12,130 grm. verloren 0,013 grm. =0,1089/,. Gemiddeld 0,1030/0. Bepaling van het Magneetyzer. Drie hoeveelheden elk van 50 grm. werden met eenen magneet behandeld en hieruit als gemiddeld getal verkregen 1,55°/,. Bepaling der in zuren onoplosbare stoffen Dit onoplosbare gedeelte bestond uit kiezelzuur, kiezelzure zouten en eene geringe hoeveelheid kool, misschien gedeel- telijk als carburetum ferri aanwezig zijnde. 1,938 grm. van magneetijzer bevrijden erts (gelijk 5,014 grm. oorspronkelijk) gaven 0,070 grm. aan onoplosbare stoffen; dat is 1,3940/, terwijl 5,549 grm. (of 5,635 grm. zooals het voor- komt) gaven 0,080 = 1,419, Gemiddeld 1,40560%. Bepaling van het Kwik. Na afzondering van de hier boven vermelde stoffen gaf de oplossing van 5,014 grm. aan zwavelkwik 4,84 grm.= 96,5299/,, waarin 83,2176 grm. kwik:- 5,635 grm. gaven 5,45 gr. = 96,716°/, zwavelkwik waarin 89,3788 kwik. Gemiddeld aan zwavelkwik 96,624°/, of aan zuiver kwik 85.298°/, e Bepaling der overige in zuren oplosbare stoffen. Naar verschillende bepalingen bedroeg de gezamenlijke hoe- veelheid gemiddeld 0,654°%, en bestond uit Mangaan, Yzeroxij- ‚ de, Aluinaarde, Kalk, Magnesia, Potasch, Soda, Kiezelzuur , Phosphorzuur en Chloor. Resultaat. 100 deelen erts bevatten aan Kwik 4 } É À 4 d k 83,298 925 _ Zwavel ; k \ î 13,326 ____Magneetijzer p j E E 8 1,550 In zuren onoplosbare stoffen _. : É Ë 1,405 In zuren oplosbare stoffen J ; £ é 0,654 Water ae, É : ; } y jk 0,105 en | Totaal 100,336 Een enkel woord aangaande een onderzoek van het op in- landsche wijze uit meergenoemden erts afgezonderde kwik moge Á hier nog volgen. Nadat het kwik door wasschen met zuiver water en filtrering van het op de oppervlakte aanwezige stof en een weinig oxijde bevrijd was, had het eenen helderen spie- ‚ gelglans, was bijna zilverwit, met eenen grijzen tint, vloeide p gemakkelijk zonder staart en loste volkomen in salpeterzuur _ bij de gewone temperatuur op, vervlugtigde volkomen bij ‚ verhitting, en had kortom alle eigenschappen van zuiver kwik. _ Tot bevestiging dienen eindelijk de specifieke gewigtsbepalin- gen, welke bij 26° C. hebben gegeven 13,58 — 13,59, waar- uit volgt, dat het kwik zoo zuiver is als men het met moge- lijkheid in den handel verlangen kan. Weltevreden 19 Mei 1852. NIEUWE PLANTENSOORTEN IN 'SLANDS PLANTENTUIN TE BUITENZORG, J. E. TEIJSMANN en S. BINNENDIJK. Ordo MOREE. Endl. Gen. Pl. 1859. Ficus Tournef. F. asperrima. Caule alte scandente radicante, foliis ovatis oblongis acutis basi ingequa- liter rotundatis vel emarginatis supra strigosis utrinque asperrimis margi- nibis ciliatis subtus reticulato-nervosis, receptaculis ovatis asperrimis ru- bro-coloratis pedicellatis. De bladen van deze soort zijn scherper dan die van F. Ampelas Brown en #F. poltoria Lam, doch de stijve haren zijn langer dan van de twee genoemde, om welke reden dezen dan ook niet tot dezelfde doeleinden kunnen gebruikt worden. Zij zijn 23 —5 duim lang, 12—2; breed, de bladsteel 3—Á& lijnen. Het receptaculum 2 duim lang, in doorsnede Î3 breed. Groeiplaats Gebergte van Buitenzorg. Naam (Mal) Aroy Kongal. Bloeitijd Bijna altijd. 927 { _Ordo RUBIACE Z. Endl. Gen. Pl. 3160. Pavetta L. _P. subulata. __ Fruticosa, ramis erectis junioribus compressis, foliis petiolatis elliptico- oblongis acuminatis basi attenuatis vel obovato-oblongis basi acutis utrin- ‚que glabris supra lucidis, stipulis basi connatis apicibus lateraliter com- ‚pressis subulatis petiolo longioribus, corymbis terminalibus erectis tricho- ij tomis magis minusve pubescentibus, calycis dentibus acutis, corolla alba tubo brevissimo gracili lobis oblongis sagittatis, stylo exserto, stigmate bipartito segmentis linearibus recurvatis. Een heester, welke reeds eene hoogte bereikt heeft van on- geveer 8 rijnl. voeten. De regtstandige takken en takjes zijn met veel bladen bezet, die naar hun einde toe steeds klei- ner. worden en van eene ligtgroene kleur zijn. Zij zijn 25E duim lang en 1—14 breed, de bladsteel 3—4 lijnen Jang. | j Om dezelfde reden, die opgegeven wordt in het Ned. Kruidk. Arch. 2 dl. bladz. 257 hebben wij de geslachten Pavetta en Ixora vereenigd, daar de vroeger opgegeven onderscheidings- teekenen zoodanig ineenloopen, dat het onmogelijk is, daarnaar de geslachten van elkander te onderscheiden. __Groeiplaats Gebergte van Buitenzorg. __ Naam (Mal) Sokka poetie. _ Bloeitijd Bijna altijd. Gardenia Ell. Endl. Gen. Pl. 3305. G. Schömannii. _ Caule arboreo excelso, ramis patentibus inermibus, foliis ternis vel oppo- Sitis lanceolatis breve-acuminatis integerrimis basi angustatis in petiolos magis minusve decurrentibus supra lucidis subtus subflavescentibus utrin- que glabris; corymbis axillaribus trifidis breve-pedicellatis, calycis tubo brevi 5 dentato, tubo corolle inflato intus purpureo-punctato, limbo 5 partito, lobis ovatis acuminatis reflexis inodoris, antheris sessilibus, stigmate clavato bifido. Bacca subglobosa brevissima coronata basi angusta- ja 1—2 locularis multis seminibus. 328 Deze boom heeft reeds eene hoogte bereikt van ongeveer 40 Rijnl. voeten, is met dunne takken bezet, bloeit zeer mild en draagt overvloedig vruchten. Ofschoon reeds verscheidene jaren in den plantentuin aanwezig, heeft hij in 1851 het eerst bloemen voortgebragt. | De bladen hebben de lengte van 23—8f duim en zijn 1—13 breed, de bladsteel 2—2} lijn; de bloemkroon 13—2 duim; de doorsnede der vrucht is 1Η1£ duim, min of meer kort peervormig en grooter dan van G. Blumeana DC. De soortnaam is gegeven naar den heer C. Scnöman Phil. Dr., als plantenliefhebber en bevorderaar der wetenschappen. Groeiplaats Residentie Bantam. Bloeitijd Mei , Junij. Rijping der vruchten Maart. G. curvata. Caule scandente, spinis ad bases ramulorum refiexis, petiolum aequanti- bus, foliis oppositis elliptico-oblongis acuminatis basi rotundatis vel acutis glabris subtus in axillis nervorum glanduliferis, floribus terminalibus subso- litariis hypocrateriformibus odoratis, calycis tubo quinquedentato, corolla tubo eurvato limbo inaequaliter 5- fido ad faucem pilosiusculo, stigmate bifido recurvato. Bacca globosa magnitudine cerasi majoris. Slechts aan de achtereinden der takken vindt men twee te- ruggeslagen doornen van 4—5 lijnen lengte. De nerven zijn aan den voet des blads tegenovergesteld, de middennerf geelach- tig wit. De klieren in de oksels der nerven bevinden zich somtijds tot in de bovenste paren. De bladen zijn 4—64 duim lang, 22—3Z breed. De kelk 5 lijnen, de buis der bloem 19%, duim lang. Bij hare eerste ontwikkeling zijn de bloemen melk- wit, doch twee dagen later zwavelgeel en van een’ aange- namen reuk. De vruchten zijn £ duim in doorsnede. Groeiplaats Residentie Bantam. Bloeitijd Bijna altijd. 929 Ordo OLEACE. Linoctera Swartz. Endl., Gen. Pl. 3347. _L. rostrata. __Caule fruticoso, ramis ramulisque verrucibus minutissimis, foliis ellip- _ tico-oblongis longe-rostratis basi acutis integerrimis vel undulatis coriaceis | glabris nervis lateralibus vix perspicuis subtus flavo-virescentibus breviter __petiolatis, racemis axillaribus ramulis apice trifloris, petalis fornicatis al- bidis, fructibus oblohgis coeruleo-nigricantibus. Een middelmatige heester met min of meer regtstandige Á takken. De bladen zijn 3—44 duim lang en 14—1Z breed, de bladsteel 2—3 lijnen lang. De blaauwzwartachtige vruch- 8 ten hebben onder de opperhuid eene reukelooze en zeer vette olie. _Groeiplaats Gebergte van Buitenzorg. Bloeitijd September , Oktober. Rijping der vruchten Twee maanden later. Ordo APOCYNACEZ. Rauwolfia Plum. Endl. Gen. Pl. 3391. R. reflexa. __Arbuscul. ramulis trigonis interdum tetragonis, foliis ternatis vel ver- ticillatis elliptico-oblongis superne latioribus acuminatis basi angustatis in petiolum decurrentibus utrinque glabris longe-petiolatis, pedunculis 3—4 um- bellatis et apice umbelliferis, floribus 3—4 reflexis, tubo corollae calyce duplo longiore albo odorato ad faucem pilosiusculo, baccis cerasiformibus pendulis, seminibus compressis. E Dit boompje heeft eenige overeenkomst met A. sumatrana Jack doch is evenwel genoeg onderscheiden , vooral door de teruggeslagen groeiwijze der bloemsteelfjes en de lengte van den algemeenen bloemsteel, welke tot aan de verdeeling 2 duim lang is. De bladen zijn 3—6 duim lang en 2-27 breed, de bladsteel Î# duim. De hangende vruchten aan lange steeltjes zijn in oprijpen staat grijsachtig wit, de rijpe donker paars. Ook zijn deze veel grooter dan van de genoemde AR. suma- ce kn dd EO Ii el A 4 Zie „ 350 trana. Het witachtige vocht, door insnijding uit de vrucht ver- kregen, is in verschen toestand rekbaar en sterk, doch koud geworden zijnde zeer broos. Groeiplaats Bloeitijd Bijna altijd. Ordo EBENACEE. Diospyros L. Endl. Gen. Pl. 4249. D. aurea. Caule arboreo, ramis fastigiatis ramulis petiolis pedicellisque junioribus ferrugineo-puberulis, foliis bifariis alternis elliptico-oblongis breviter acu- minatis basi acutis angustatis in petiolos decurrentibus supra glabris nitidis, petiolis crassiusculis, floribus hermaphroditis axillaribus solitariis, calyce 45 fido lobis acutis extus revolutis glabris, corolla 4—5 fida apice con- stricta calyce vix duplo longiore, staminibus 10—1l1l, stigmate profunde 3 fido. Bacca globosa aurantiaca. Geene der ons bekende soorten brengt zulke goudgele bloe- men voort. De stam heeft zich op eene hoogte van 4 voeten in takken verdeeld, welke zeer digt en door elkander geplaatst en met vele bladen bezet zijn, zoodat zij eene zeer digte kroon vormen. _De bladen zijn 4 — Af duim lang en Î5 — 14 breed, de bladsteel 4 —S5 lijnen lang. De vrucht is van eene oranje- gele kleur. De zaden zijn meest onvruchtbaar. Groeiplaats Residentie Bantam. Ö Bloeitijd Mei en Junij. Rijping der vruchten September. D. laxa. Caule arboreo, ramis laxis, foliis bifariis alternis oblongis breviter ob- tuse-acuminatis coriaceis glabris basi acutis marginibus revolutis subtus nervis subcarinatis flavo-virescentibus breve-petiolatis magis minusve canali- culatis, floribus hermaphroditis axillaribus solitariis, calyce 4-fido lobis la- tissimis retusis rcflexis glabris, corolla calyce duplo longiore 4-fida lobis- acutis patentibus gilvis basi albidis, staminibus 8-10, stijlis 4 basi adnatis. Bacca magnitudine cerasi minoris 8-locularis glabra. 51 Even als de vorige is zijne stam verdeeld. De takken- zijn 4 slap en wijd uitgestrekt en vormen door hunne talrijkheid eene mierlijke kroon. De bladen zijn 44—6 duimlang, 13-—2 breed, de bladsteel 2—J3 lijnen lang; de bloemen hebben de lengte der bladstelen. Het is nog niet bekend of deze beiden eenige soort van eb- benhout zullen opleveren. \ Men zou ze kunnen rangschikken in de sectio II $ f der Prodr. Dec. VIII, 224. | Groeiplaats De berg Sallak. Bloeitijd Mei, Junij. Rijping der vruchten September. Ordo ANONACEZE. Uvaria L. Endl. Gen. Pl. 4717. U. concava. ‚__Sarmentosa, foliis alternis elliptico-oblongis acuminatis basi angustatis | subrotundatis integerrimis hyalino-marginatis supra nitidis utrinque glabris, _petiolis medioeribus basi articulatis supra canaliculatis interdum subglauces- eentibus, pedunculis oppositifoliis solitariis petiolo duplo longioribus 1 brac- teolatis caducis, floribus concavis petalis 6 aequilongis connatis apicibus ro- tundatis inflexis atropurpureis scabriusculis, calyce sepalis 3- basi cbalitis, lobis extus furfuraceis intus puberulis, carpellis oblongis acutis longe pedicellatis sanguineis. Een rankengevende heester met donkerbruine of zwarte tak- ken, die zich in zeer hooge boomen verwarren. De bladen zijn 4—9 duim lang en 2-23 breed, de bladsteel 3 —4 lijnen Jang. De bloembladen f duim lang en aan de punt 3 duim breed. De middellijn der geheele bloem is 12 duim. De vruchten {3—3 duim lang, waarvan de grootsten meestal twee, zelden drie zaden bevatten, # Hoewel er eenige overeenkomst bestaat tusschen deze soort en U. purpurea. Bl. ‚Fl. Jav., Anon. Tab. 1, moet zij. ge- rangschikt worden in de afdeeling petalts inflexis. Daar de bloembladen min of meer te zamen gegroeid en de afgeronde punten binnenwaarts geslagen zijn, ontstaat hierdoor een ver- diept geheel. Groeiplaats Sumatra. Bloeitijd September en Oktober. Rijping der vruchten Twee maanden later. Ordo TERNSTROEMIACEZE. Ternstroemia Vent. Endl. Gen. PI. 5409. T. gedehensis. Arborea, ramis strictis innovando-brachiatis vel ternatis, foliis biennibus cujusvis anni ternatis vel subverticillatis approximatis oblongis acuminatis vel subretusis basi acutis in petiolos decurrentibus coriaceis integerrimis _ supra lucidis subtus nitidis interdum subquintuplinervibus, petiolis pedicel- lisque basi articulatis, floribus inter foliorum fasciculos solitariis flavis odoratis, pedicellis floribus pluries longioribus, calycibus bibractcolatis mi- nutissimis, petalis reflexis. Een kleine boom met breede kroon, wiens stam zich op 9 tot 4 voet in eene menigte niet zeer dikke takkeu verdeelt, welke boven den grond met heldergroene lichtende bladen bezet zijn. Aan het einde van elken tak ontspruiten drie takjes, die aan het einde elk drie of vier kransvormig geplaatste bladen hebben. Deze takjes zijn ongelijk van lengte, zoodat men altijd twee vindt van 23% tot 34 en de kortste van 1—13 duim. De afstanden der bladkransen zijn veel grooter dan în T. japonica S. & Z. Fl. Jap. Tab. 80, tusschen welke 7—1{ alleenstaande bloempjes zich bevinden. De bladen zijn 25—3 duim lang en Η13 breed, de bladsteel 4tot 6 lijnen lang. Hoewel deze boom zeer mild bloeit heeft men er echter nog geene vruchten van verkregen. Groeiplaats De berg Gedeh. Bloeitijd Bijna altijd. Buitenzorg, Februarij 1852. NOTULEN VAN DE GEWONE VERGADERING DER NATUURKUNDIGE VEREENIGING, perd GEHOUDEN DEN SDEN MEI 1852 TEN HUIZE VAN DEN HEER BLEEKER, De vergadering heeft plaats des avonds 8 uur. Tegenwoordig zijn de Dirigerende leden: de HH. P. Brreker, President. … J.H. Croockewir. hed: GROLL. es Je -MAIER. „… _D. W. Rosr van ToNNINGEN. … H.D. A. Smrrs, Sekretaris. zijnde de heer P. Baron MervirL vaN CannBee verhinderd de vergadering bij te wonen en de overige dirigerende leden van Batavia afwezig. _ Voorts nemen deel aan de vergadering de Gewone leden : ú HH. A. G. Brouwer. ___… A. SCHARLÉE. > A.J. D. Srrensrra Toussarnt. „ C.H. G. SreuerwaLD. __„ _D. L. Worrson. _ en als Gasten ; de HH. D. Dourn. ‚… _E. Nerscarr. ii Tesa Be SPOELSTRA. Re IL. di ri + 5459/ De President, de vergadering geopend hebbende, deelt mede, dat het gewone lid, de heer J. GrorrL, in de vergadering der direktie van den 2isten April j. 1. tot lid des bestuurs is ver- kozen, en verwelkomt den heer J. (irorL als zoodanig. Op eene gemotiveerde voordragt van het bestuur worden benoemd tot Gewone leden: de HH. P. Drarp, honorair inspekteur der kultures, R.O.N. L. te Batavia. E. Nerscuer, 2de kommies ter algemeene sekretarie , te Batavia. Mr. A. Prins, algemeene sekretaris, te Batavia. _H. A. Scureuper, praktiserend geneesheer, te Batavia. J. A. Vriesman, resident van Tagal, te Tagal. Ed 29 De heer E. Nerscurer, in de vergadering aanwezig, wordt # door den President geluk gewenscht met de hem te beurt gevallene onderscheiding. De President doet voorts mededeeling, dat de 2de en 3de afleveringen van den derden jaargang van het tijdschrift gelijk tijdig zullen worden uitgegeven, zijnde de uitgave van de 2de aflevering vertraagd geworden door het lithographiëren en druk- ken van de kaarten en platen, behoorende bij de verhandeling van het besturend lid Corns. pe Groor over Blitong (Biliton). De heer Rosr van TONNINGEN spreekt over het platina. Hij geeft een kort overzigt van de geschiedenis van dit metaal, deelt mede op welke plaatsen het vooral wordt aangetroffen en verzameld, spreekt over de groote produktie van Rusland van platina en de voordeelen, welke dit land daarvan trekt. Voorts handelt hij over de eigenschappen van dit metaal en de toepassing daarvan in het gewone leven, in de wetenschap en de industrie en eindigt met eenige mededeelingen omtrent het voorkomen van platina op Borneo, waarbij hij wijst op de overeenkomst tusschen het voorkomen er van in Rus- Jand en op Borneo. In Rusland toch wordt het meeste pla- tina gevonden, daar waar chroomijzererts aanwezig is en het 355 voorkomen van chroomijzererts op Borneo nabij de plaatsen waar men platina vindt, is insgelijks thans reeds voldoende aangetoond. De heer Rosr van TonninceNn vermoedt op dien grond, dat Borneo eene voorname rol in de platina-produktie zal kunnen spelen. De heer Croockewir noodigt de vergadering uit tot bezigti- ging der vogels en zoogdieren welke hij, voornamelijk op Bor- _ neo, in Koesan, heeft verzameld. Deze kollektie bestaande uit _ niet minder dan 554 vogels en eenige zoogdieren is bestemd voor ’s Rijks Museum van Natuurlijke historie te Leiden. On- der de vogels zijn waarschijnlijk meerdere nog onbekende soorten, welker bepaling echter, wegens de onvolledigheid _ der te Batavia aanwezige hulpmiddelen hier niet doenlijk is. Evenwel zijn van de Borneosche vogels de volgende soorten bepaald herkend geworden. Falco ptilonorhijnchus, Falco jchthyaetus, Falco coerulescens, Picus pulverulentus, Picus _puniceus, Picumnus abnormis, Psittacus philippensis, Phoeni- cophaeus javanicus, Bueco mystacophanes , Bucco chrysopogon, Bucco multicolor, Cuculus orientalis, Cuculus canorus, Melias calorhijnchus, Trogon fasciatus, Frogon oreskios, Alcedo so- litaris, Alcedo meninting, Alcedo hispida, Buceros plicatus, Rupicola viridis, Eurijlaimus cucullatus, Eurijlaimus nasutus, Eurijlaimus Horsfieldii, Podargus javanensis, Cypselus longipen- nis, Cypselus cornutus , Cinnyris lepidus, Cynniris sperata, Nectarinia inornata, Gracula religiosa, Phyllornis cyanopogon, Pitta Baudii, Turdus ochrocephalus , Lamprotornis cantor, E- dolius remifer, Edolius puella, Oriolus xanthonotus, Muscicapa miniata, Muscicapa flammea, Muscicapa indigo, Columba ca- pella, Columba perspicillata, Merops badia, Malurus gracilis, Ibis falcinellus, Scolopax gallinago, Anhinga Levaillantii, Ardea goliath. Alle voorwerpen dezer verzameling bevinden zich in eenen uitmuntenden toestand van bewaring. _ De heer Brreker brengt ter tafel de reeds vervaardigde af- _ beeldingen voor een groot ichthyologisch plaatwerk over den Andischen Archipel, met welks uitgave een begin zal worden gemaakt, wanneer zulks door de ondersteuning der regering 536 mogelijk zal zijn geworden , waartoe trouwens gegronde hoop bestaat. Deze afbeeldingen, reeds meer dan 200 in getal, vertegenwoordigen voor verre weg het grootste gedeelte door den heer Breeker ontdekte soorten, munten uit door naauwkeu- righeid en hebben betrekkingtot 33 Percoïden, 9 Scleroparei, 5 Sciaenoïden, Î Scomberoïed, 4 Blennioïden, 4 Gobioïden, 2 Nandoïden, 4 Kamschubbige Labroïden , 4 Gladschubbige Labroïden, 37 Siluroïden, 72 Cyprinoïden , 1 Luciocephaloïed, 1 Clupeoïed, 2 Salmones, 26 Muraenoïden, 7 Gymnognathen en 7 Lophobranchiën. Zij maken echter nog slechts een ge= ring gedeelte uit der teekeningen, welke de heer BrrekKer plan heeft te doen vervaardigen, zullende hij zoo mogelijk, alle Nederlandsch-Indische visschsoorten van zijn kabinet, ten be- drage van meer dan 1100, doen afbeelden. Na bezistiging dezer platen, waarbij de heer BrrekKer op- lettend maakt op talrijke zeer merkwaardige vormen en eenige bijzonderheden mededeelt omtrent de geographische verbreiding der visschen in den Indischen Archipel, vertoont de heer Surrs zijne Kaart van Straat Makassar, welke thans voltooid en afgedrukt is. Niemand verder het woord verlangende of iets voor te stel- len hebbende, sluit de President de vergadering. Batavia, 5 Mei 1852. Mij bekend: De Sekretaris, H. D. A. Sars. | BERIGTEN VAN VERSCHILLENDEN AARD. Aardbeving vn de residentie Cheribon. In de Javasche Courant van den fíAden April 1852, komt _ volgend berigt voor: „Den 22sten Maart, des avonds ten half tien ure, zijn in de „rigting van o. naar w. drie elkander snel volgende vrij he- „vige schokken eener aardbeving te Tjiamies, in de residentie ‚‚„Cheribon, gevoeld, welke echter geene ongelukken of schade „hebben veroorzaakt.” | Uitbarsting van den Gedeh. In de Javasche Courant van 9den Junij 1852 blijkt, dat eene vrij aanmerkelijke eruptie van den Gedeh heeft plaats gegrepen. Volgend berigt is aan deze Courant ontleend. „Van Tjandjoer wordt gemeld, dat bij de uitbarsting van „den vulkaan Gedeh, in den morgen van den 28sten Mei j. 1. „eene groote hoeveelheid steenen van 2 tot 12 voeten diame- „ter, en asch zijn uitgeworpen, die den groententuin te Ke- „dongbadak hebben beschadigd en genoegzaam overdekt. „De tuinjongens, dien ten gevolge gevlugt zijnde, bleef het „huis te Kedongbadak verlaten; het dak is door de vallende „steenen ingeworpen en nedergekomen op een vuur, op het- „welk men rijst gekookt had, waardoor het huis geheel ver- „ brandde.” De redaktie is in de gelegenheid, omtrent deze uitbarsting og de volgende bijzonderheden mede te deelen, welke zij te 356 danken heeft aan den heer Frirprricn, wiens berigt hier in zijn geheel volgt: „Ik beklom in gezelschap van den heer E. Harpouin op den „2östen Mei 1852 den Pangerango, en bezocht den 24sten, op de „terugreis, den krater van den Gedeh. Op dien dag, slechts 4 dagen ‚„voor de laatste eruptie, vertoonde de krater geene buitenge- ‚‚ wone verschijnselen; de zwaveldampen drongen wel is waar „uit meer dan 20 gaten omhoog, maar er was geene grootere ‚„rookkolom. Den 28sten zagen wij te Toegoe aan den voet van ‚de Megamendoeng, alwaar de krater van den Gedeh door den ‚‚ Pangerango aan het gezigt onttrokken is, eene prachtige en ‚„breede rookkolom achter den Pangerango oprijzen. Onze Ja- ‚vanen hadden ook een drie keeren kort achter elkander her- „‚taald dof geluid gehoord, op donder in de verte gelijkende, „doch wij namen dit niet waar. De eruptie duurde tusschen „5 en 1Î0 minuten, na welken tijd de kolom zich als in krul- sslen verdeelde en met de uit de gebergte oprijzende wolken of „nevels versmolt. Voor en gedurende de eruptie was de lucht ‚„helder en zonder eenige wolken. Gedurende de volgende dagen ‚was het weder nevelachtiger dan gewoonlijk. De vallende ‚steenen konden wij wegens de distantie niet zien. — Om- ‚trent 48 uren na de eruptie was er eene vrij hevige aard- „beving, die den heer Harpovin en mij ontwaken deed. Deze „aardbeving is ook op het land Pondok Gedeh van den heer ‚Van DEN Boscn bespeurd, doch schijnt te Buitenzorg niet …… waargenomen te zijn. Eenige zwakkere trillingen geloofde ‚‚de heer Harpouin gedurende de eruptie waar te nemen, en „ook ik meende in die dagen verscheidene keeren, dat de ‚‚ moederaarde uit hare gewone traagheid opgewekt was. — Op „,Pontjak, het hoogste punt van den weg over den Megamen- ‚,doeng , hoorde ik nog van de inlanders, dat bij de eruptie „een breede zoom van vuur op den krater der bergs gezien ‚werd. Hij was niet hoog genoeg, om ons te Toegoe zigtbaar ‚te kunnen worden.” Nog iets over de aardheving op Bali van 17 February 1848. Bij het boven gegeven berigt voegt de heer Frrieperten nog het volgende over eene vroeger door hem waargenomen aard- beving te Kassiman in Badong (zuidelijk Bali): „Van andere aardbevingen, die ik in Indië waargenomen „heb, verdient die van 17 Februarij 1848 nog opmerking. ‚‚ Daarover is gehandeld in het Tijdschrift voor Nederlandsch Indië „,jaarg. X bladz. 161, en zij is volgens het daar gegeven be- „rigt ook te Boleling op de noordkust van Bali gevoeld. Ik „was in dien tijd juist op het tegenoverliggend zuidelijke einde „van Bali in mijn huis te Kassiman in Badong. Er waren „toevallig twee vreemden bij mij, de heer Herms van Koetta „en mijn oude huisvriend Gorsri K'roer Wancasa. Toen wij „bijna op het punt stonden van het ontbijt te nuttigen, begon ‚ „de lamp boven onze hoofden te slingeren, en wij voelden. „herhaalde hevige schokken, die ons zeer spoedig uit het huis Á „deden vlugten. De schokken duurden omtrent 3 minuten, | „en ik geloof later nog trillingen waargenomen te hebben. ’ „Deze aardbeving, op de twee uiterste punten van Bali ge- „voeld zijnde, zal wel door het geheele eiland waargenomen B zijn. ‘Baoquskorw °m ‘oe8r Geonuop ‘ONVANIG OEL tieef zoq ur uodvpuadar PI) essemuodor uojjeaad rop o1doog ‘PIG Og Uopureu FYoe oIsteer op 1oA0 piopuoy ua _uopuerw 3Yoe ojsjeej op 1oA0o wroadwep ut zyoujsdurijydwep zop oyjegosrazea pjopprueg ‘Iorom ZQpL'g :uspueem g orseer op ur proyêuyooa oyftrayyomeg opjepptweg "uowwerd gez DELE tINnyezodwor opjopprwed oyosylijzeer EEE ENE RT RAD ENE RE EE EEE EE EEE EI DENDE BEDE DTE DE IE TENDRGE TER ADEN EEE NEEN | A 61 oL'88 | _« eeze'oj seen | « Loep es | oeeeI te « 09198 «& |opre | 88 |" * 1oqwooog ‘MAN N| ST « 9gpr‘oleieifs | « GeEEO' ee | e8IGS'LE 0638 « vEG Eg « Pe 88 | * * 1YWAON ‘0 9 « _Sorol euerL | « 1108 | vege gg | 868 LC COLE € 83 DEBS" ie 2PHOO E ‘0 0 « 0 ELS'GL | « GELPGSI | ol69LE WOE GE C oG08 € |pee veeg |* * woqmordog ‘0 6 & EPLOSOIPFOR RL | « 687008 | oBLOELS | BRE C oCL'G3 € 0988 | CP IE “__*__snjsnêny 0 g « S8e20°0| IP‘O8 | « 88208 NYEI LE (CCI 8E € GGE « 19/8 08 18 Ee Ee Beek zo Li | © p180f0 E18/08 E € maqarles (GROOT MALE Coe ARE oP OB oe uaf - zawoÂy 0. Or jew poeo'of Sorg j'wrid egt Ie | oEGILLE | op'BE LC oGRIE € [BES | oh IE Tog en) ua 1933Wolgd 'ONUL'MZ | EL Ds E= en B LE | 0988 C 89E 4 | 08 LE [09 1E | ° °° mdy „{sd uoo3 sem Ak dd _— — — ot°98 06 LE € 068 € | PPZ Hol Te en, ueapueeut Jarl “MAN UO A ez — — — oP “9e c6 LE & oP € ob'a8 | 88E nd renaqer ozs1oa op UI A Kad _— — — oL3 ol 88104 oQqZ ULA| B8'ee | oee | © * Gacnuep fi if 4 EE Re an @ en _— _— _—= ES ee el Ae Er Ser Eriin EE Ee El le) AFS 5 © | ad ER ee ee 6 a 4 sE ä 2 os ie md ES | 4 Sa) vR ER a 5 e el Er En © p= | 5 a 4) he ==, Se pS \ J ie . suadunmaweey) (AA [PSE B a IS Smi RRel ‘NAANV VI B EE Ss 8 a oprepptwoë | uowouodrera ‚ Es a ee nt 3 ES B Ea BEARS NAA VHUOLING =R S 5e EEK IN49 NI YONLVUAdNAL efegeroog Lg Suedurg 97 wovpob ‘agr dool zy opuaanpal ‘soyowofiy wa dojowiomyofisd ‘wozowoworyr uap gou NAONINENUVVAA EET NAISMONLIN Le Ka pe pel Ee mb $ Ki „À Kl … weil hee aa Mk AL We Js iN Li iu { } sn Ek fans El Tfle ‚ 1 a tt 1 CEN 4 Ld Ee he en De mor indjla car Mee 9 wms \ meneere nt mare Mi Kat we rg eres = EEE je | = f. ir N ha » Kef Tk E 4 hand à- en , Ì zg es KD E en % Ô 5 | SEE nent A RS mn Ren es: TURA PE a sMhjrt 4 B Rt en d : k at, at Se s Ì | hd „ _ 3 ® v In NE eenn tn ed en ï WiPe é nn! wr ee Bd q vond d vem fn Mh ds OA ch to mn Mt wet B nn brak de WE st En SE dab on, KE; 4 nm de % Bret en km in nn. Sinosian- Bn (Men is voor elke soort 6 uren ond er stoom geweest). IJF NUMMERS VAN STEENKOLEN UIT DE N IJN ORANJE-NASSAU EN MET ENGELSCHE. PROEVEN MET V puts ap ueA 1YorI yyonjuormg Ie Jap nag (7 “ronjuorng Jop annjvaodwoy, “s[a1a 5 op ur ynapmoos | apjopplwag LE “uoy dad uapoor “pony EL S[A Jop JAL 1 uajoopynog "proymoz uopnoy uooros uo -uootyos 10} joo “oytaour ap zow yljed uopuoy —Woojs JOOA “sar "ayosjadug op Ga oep zorftengewen | “Jap1oAmmz ost ap oop ‘oyosjadug op (iq s1v p208 saputur uapnog Anad uapuoy “yaus uopuvigio “ualtoo3do yap 99 La WV U | | | | | | Ì | | | Ì Ì | | Ì | € g, BOTS EEO tua qoIp B 5 100A RCN [ auosladoar op AABsIV, puepuogaee uoyoslota4, El =) | 19 el 5] | ES van Jod (A s & a F5) E= F3 5 E 8 5 ES I 8 5 | YIIGtoAUDJO E 5 | | | “uoduaig a} Yorp 5 =| co 5) ) el 5) EE] 5 @ “are 101 waors vop 5 e | 5 | 8 8 5 5 wo YinITtoAUOY |Z ind Sn uosin1d Io U Jaaa uosinid —19A ua uly zooz ulig ap uep Joputw uas =d JoA uo * prey ulig UoJAIY LJ UO uep JojstA uo Jo ulig D Seer —Uojoy ULA olp STV “sin19 zoow sjol uoAod | , Ey uepaossoig Say {° En) ) ea E) E) EN E) = | bel Er) EN A G] El BE Se Mie KA Oi SER 10} 1eoAoor hal hal hal hal hal hal [ hal hal Ì hal hal [ hal hal OloAAA “oyosjadug | “SICAD 19A0 | | | oan UastnadIoA a ua py Seep ucA olp uep zauly uo aossorg “AYUINL "ANIG fet GEUS rod yljoroog voy ljzorin kl EEL u Duralirgosag “Juynorq-yara =ny “sinad jaaa soa | pieg (aa ‘poop | ‘puapuoy-or£d Sroroa | ‘Siynarqdjyos S2rg “puopnog =purz ‘Draapeyg ‘sorg “puapnoq-oyaÂd ‘uoojs —=putz ua lay 99109 Jeep uo Joly ‘JaAmgz Í „1oosuoTor “ayosjadug 5) | & ma "Ia ‘qny [ Ta ‘qni TA ‘qnT “a SIv | : SIV ST Ul PA'PANPIOE | SEFE UIP PON VIOE | Teer Ul ‘Pd ‘PAN FEOF | SS6°E Ut ‘PA “PAN PEOT | > 15 1 2) | zi He <3 5 I 5 I EE I en | Ed Sal I a Ì el Ì al Ì el Ì el | “opauls ap J00A 3rgoso8 1ajaq ‘sOIJ ee Ee ij | 5 ë 5 = | 5 JI zodwog, = kel = hal Ì = = E 5 I | | 8 | ‘Plemnoz 5) 5) - [ - | = = EE Re) e | 1e e | eo Ee) 1e 8 |-y ‘zodmoy, 5 5 5 | 5 Sel 5 Ì l l | L | | “as “puopnoy “1901 JAA PLU | onrenet saan mmm | (ee OEE (sean | —rooyos op 11m werA sje “901 uo zooy =1901 [PA toor Sgozuee Bruro ooo | A jee fj *n_ne Alp s[v Rs Ee KE ik Bupjan opaoî kqrwor | oavAz “ozliadsonaog | olp *HOOrven-d SOA) OE T u eers: HT “OO1 pere [224 ij (in | | Yaarz “ozliadroyuogf E [ 5 [ E E “on Jop uoreuiin (es 8 Ì 8 I 8 Ea) 2 I 5 on la 5 [ | I uurs Pa | | | | El Le} | ca | ke) | en Ld id “BuroAtmz-uosy. en el 3 | 2 El 8 5 afro 5 | | z Ì | Ü “ayosjodul | ó “u00)s “uoInA Jop "uopnom, morte WOOS | | | PROEVEN VAN STEENKOLEN UIT DE MIJN VAN KANTISSAN EN MET ENGELSCHE. (Men is voor elke soort 2 uren onder stoom geweest). ed | al ee S = E E @ | 5 NEE INES es) Za ha ol ù Ei Ei | tk rm NEN EN mt 1 Re ie ei oel ol | hal 19 RE kel = - e | € ) | ca co Co | 19d0JA STV | “Bunog | “Bruto 1997, | “Jruros 1007, Ì I 5 id al FA 8 5 | als | E “oyosjodug op iq uep yaoAt Jaa 1yosto JurpuvrgioA Jap. uadapioAeg Jay ANU Bruto uojayylauo "1adao1A sIV | Ned. Pd Ned. pd “10901A STV. [A AOT EERE A7 geor ut “pd ‘pan vrOE “JodaorA STV | | “1aies J0Op |_ gesae ae voral Eken A7 | sE aq vou “puapnoy | -nusd ‘Brynoagdynyag | vayosjodug Í “uesstiue 5 841 Verslag van proeven met Indische steenkolen, geno- men in April 1852 aan boord Z. M. stoomschip Vesuvius door den heer Gorns. pe Groor, Jnge- meur voor de mynen in Nederlandsch Indië, in kommissie vereenigd met de heeren P. A. Marrur- SEN, bevelhebber, en L. EF. Koorman, eersten officier van dien hodem. Deze proeven, genomen met kolen der mijn Oranje Nas- sau op Borneo en uit de mijn van Kantissan op de west- kust van Celebes, strekten ter bepaling van de algemeene waar- de der brandstof en die voor het stoomwezen in het bijzon- der. Tot dat einde zijn zij ook vergeleken met de Engelsche soort, zoo als die in Indië wordt verstrekt. Zij hadden in zee _plaats. Uit de mijn Oranje-Nassau te Pengaron zijn 5 verschillende ‚soorten of lagen gebezigd, en voor de volledigheid der waar- | nemingen voor elke soort een afzonderlijke dag genomen. Uit _ de proeven, welker uitvoerige resultaten in de hiernevens ge- ‚ voegde staten zijn vereenigd, blijkt, dat de soorten A, Cen D zeer gunstige resultaten opleverden, vooral tegenover de Engel- _ sche, welke te Onrust waren geladen. De berigtgevers beve- Jen ze dan ook aan, immers voor gewone ketels met vlamgan- gen gelijk de Vesuvius heeft, in het midden latende of zij te veel roet zouden geven om op den duur ín tubulaire (vlam- Pijp —) ketels te worden gestookt. Ook isop te merken, dat deze steenkolen regtstreeks uit de mijn aan boord zijn gezon- den, terwijl de Engelsche door herhaald verschepen en lang liggen in de magazijnen in goede hoedanigheden achteruitgaan. __De heer Dre Groor heeft ook de kolenlagen op den Noord- hoek van Poelo Lawut onderzocht, en zoowel de hoedanigheden als de zwaarte en strekking der lagen voortreffelijk bevonden. De plaatselijke omstandigheden maken daar echter eene vesti- ging onmogelijk en bovendien loopen de kolen onder de zee weg, hetgeen natuurlijk de ontginning kostbaar zou maken. Het | je 842 onderzoek van het ijzerzand te Pagatan en op Poelo Lawut aan- wezig, heeft het als chromiumijzer doen kennen, doch de ver- wachting teleurgesteld van het ter exploitatie te kunnen aan- bevelen. De steenkolen van Kantissan hebben voorshands niet voldaan; | zij verbrandden niet vlug genoeg en ontwikkelden geene ge- noegzame warmte om voortdurend de noodige hoeveelheid stoom te kunnen voortbrengen. Het verbruik tot stoom opstoken en dat per uur vereischt, is niet groot; doch er is wegens de langzame verbranding zooveel meer tijd noodig, en uit dien hoofde werden zij voor als nog als ongeschikt voor de stoom- vaart aangemerkt. Nadat bij de proef de stoom eene spanning van 5 Eng. pa per G Eng. dm had bereikt, werden de werk- tuigen aangezet; zij deden 20 omwentelingen in de minuut en gaven het schip eene snelheid van 6%, mijl per wacht; doch reeds weinige minuten later was de stoomspanning, hoe zorg- vuldig ook werd gestookt, tot op 3 en f!/, Pd gedaald, en de omwentelingen zoowel als de vaart verminderden aanmerkelijk. De beide ketels van den Vesuvius houden te zamen 33500 Ned. kan water en 18800 kub. palmen stoom-ruimte. Elk van de 4 vuurhaarden is lang 1,9, breed 0,9 el; de roosterstaven hebben fÎ Ned. de afstand; de schoorsteen is Î0 el hoog en van f!/, el middellijn. Om het uur is gespuid, vermoedelijk telkens 4000 Ned. kan. Minerale wateren van Maros op Celebes. De heer E. F. GraaF van BENTHEIM TrEKLENBURG RreDa, adsis- tent resident van Maros, berigt der Vereeniging, dat hij tijdens een bezoek der nieuw ontdekte kolenlagen in Maros, twee warme minerale bronnen heeft bezocht, waaromtrent hij het volgende mededeelt. Aan de beide lage oevers van de rivier Maros, op onge-f veer 5 palen afstands van de hoofdplaats Maros, bij de kam-# ij mee: me 348 pongs Amarang en Magemba bevinden zich twee warme mi- nerale bronnen. Het water van beide bronnen is helder, reukeloos, van een flaauw zamentrekkenden, prikkelenden, zuurachtigen smaak en heeft eene temperatuur van ongeveer 41° Cels. Het water der eene bron borrelt in derivier zelve op, naast _ eene steenkolenlaag, en vermengt zich natuurlijk onmiddellijk met het rivierwater. Dat der andere bron welt, bij laag wa- ter, op 30 tot 40 schreden afstands van de rivier op. De heer Van Benraem voegt er nog bij, dat zilver en ijzer in _ het water zwart worden en dat de ligging der bronnen uitmun- tend geschikt is voor de oprigting eener badplaats. Het is wenschelijk, dat eenige flesschen van deze wateren aan de Vereeniging worden gezonden, ten einde een scheikundig onderzoek verder over de waarde daarvan in geneeskundig op- zigt kunne beslissen. | er Kina- kultuur op Java. Bij brief van den 1Î7den Augustus 1851 deelde ik der redaktie mede, dat er veel waarschijnlijkheid bestond, dat de kultuur der door den hoogleeraar Miquer gezondene kinaboompjes zou slagen. Thans gevoel ik mij verpligt op te merken, dat die verwachting niet verwezenlijkt geworden is, aangezien het bij de opening der kist, waarin gedachte boompjes zich bevonden, bleek, dat er slechts één jeugdig plantje leefde, waarvan echter de wor- tel reeds gedeeltelijk afgestorven was. De 1ste hortulanus van ’slands plantentuin te Buitenzorg, de heer TeisMann, die er zelf veel belang in stelde, beproef- de alles wat wetenschap, in verband met ervaring, vermag, om het nog levende gedeelte in leven te houden, zonder nogtans zijne pogingen met gewenscht gevolg bekroond te zien. _ In het begin van de maand April j.l. ontving het gouver- _nement andermaal uit Nederland eene bezending kinaboompjes met het schip Prins Frederik der Nederlanden, kapt. P. Hun- 3hh DEKOPER, van welke bezending evenwel, in weerwil der daar- voor gedurende de reis aan boord besteede zorgen, zoo als bij het openen der kisten te Buitenzorg bleek, maar één boompje het leven behouden had. De overigen waren allen dood. Dit levende boompje, genaamd China calisayja, met veel moeite en kosten door den hoogleeraar Vriese te Leiden uit den planten- tuin te Parijs verkregen, draagt den naam van de provincie in welke hare bast verzameld wordt doch is ook in den handel bekend onder den naam van Koningskina. De species welke deze kina levert, is tot dus ver nog onbestemd, hoezeer Von Humsorpr en BonrLanDp meenen, dat ze afstamt van de Cinchona cordifolia Mutis. Zoo veel is zeker, dat in het jaar 1788— 1789 de eerste verzending van haren bast naar Madrid plaats had en daar voor het uitsluitend gebruik des konings gekocht werd. De bast bevat van alle bekende kinasoorten de meeste kinine. Ofschoon het hiervoren bedoelde boompje is overgevoerd ín een, daartoe opzettelijk vervaardigde glazen kast, heeft dit, ver- eenigd met de zorgvuldigste verpleging aan boord, toch niet kunnen beletten, het ontstaan eener versterving, die, eerst zijnen top innemende, zich thans reeds tot digt bij zijnen stam heeft uitgebreid. Met welke belangstellende zorg de heer TeissMANN die versterving tracht te beperken is te bevroeden. Mogten zijne pogingen ten deze onverhoopt niet slagen, dan geniet hij toch de zelfvoldoening, dat de drie door hem bij tijds afgezette gezonde en nu met jeugdige kracht groeijende stekken de geschiktheid van Java’s bodem voor de kina-kultuur bewijzen ; eene kultuur, die, wat de belangrijkheid en het nut betreft, voor geene andere behoeft onder te doen, en in de toekomst eene bron van welvaart belooft, waaruit schatten naar het moederland kunnen vloeijen. Ter staving dezer bewe- ring zal ik slechts aanhalen, dat naar luid der jongste berigten uit Zuid-Amerika jaarlijks voor meer dan 4000000 dollars aan kinabast alleen in Duitschland worden ingevoerd. Het gouvernement van Indië heeft aan den heer HuupekKoPrr voor de goede overbrenging van den kinaboom eene premie toege- 345 __ kend van f/ 500 en hem gedurende zijn aanwezen alhier ver- dere bewijzen van onderscheiding gegeven. De maand April van het jaar 1852 verdient met gouden letters in de geschiedboeken van Indië te worden aangetee- kend. y Ik heb de eer te zijn, enz. Batavia, 7 Junij 1852. G. Wassink. Aan de Redaktie van het Natuurkundig Tijdschrift ‚voor Nederlandsch Indië. Houtsoorten van Rrouw. De heer E. Netscner, heeft de welwillendheid gehad der Ver- eeniging aan te bieden eene verzameling van houtsoorten van _ Riouw, bestaande uit de volgende 47 exemplaren. Achter de namen dier soorten is tevens aangeteekend, het gebruik, wat op Riouw daarvan wordt gemaakt. 1. Merbau. — Stijlen van huizen. Inhouten van groote praau- wen. 2, Ambalo. — Bouwen van huizen en huisraad. 3. Daroe-daroe. — Id. h, Tambasoe. — Planken voor huizen en vaartuigen. Wordt niet door de witte mieren beschadigd. _ 5. Tampinis. — Paalwerk in den grond en in het water. | Wordt niet door witte mieren of zeeworm aangetast. 6. Teralus. — Deksplanken van vaartuigen en huishoudelijke benoodigdheden. 7. Medang. — Idem. 8. Ambalo-boenga. — Fijne meubels. 9. Kempas. — Grove meubels; roeren van vaartuigen en mas- ten van wangkangs. 10. Penaga. — Kromhouten voor groote vaartuigen. 346 . Kaledang. — Chinesche doodkisten. Knieën en kromhouten van schepen. ‚ Rengas. — Meubels, enz. . Seraja. — Planken voor huizen, enz. . Bintangor-batoe. Masten voor groote schepen en waagkingie . Krandji. — Meubels. Masten voor wangkangs. . Palawan. — Paalwerk, enz. Wordt niet door de witte mie- ren aangetast. . Kelat. — Huisraad. . Merawan. — Paalwerk, enz. Wordt niet door de witte mie- ren aangedaan. . Semaram. — Planken voor huizen en praauwen. Seloemar. — Paalwerk en huisraad. Wordt niet door wit- te mieren aangetast. . Kroewing. — Harsboom. Wordt ook gebruikt voor kielen van groote praauwen. 22. Ambedalajam. — Paalwerk. Heeft niet van de witte mie- ren te lijden. 23. Seranding. — Bouwen van huizen en kielen van vaartui- gen. 2. Tiop-tiop. — Huisraad; planken, enz. 25. Arang. — Klein huisraad. 26. Baroeh lawut. — Meubels. 27. Resak. — Kielen en buitenhuid van praauwen. Wordt niet door den zeeworm aangetast. 28. Medang-merawas. — Planken van huizen en dekken van kleine vaartuigen. 29. Bengkoe. — Schuttingen enz., van huizen. Wordt niet door de witte mieren aangedaan. 30. Tjengal. — Scheepsbouw. Lijdt niet door den zeeworm. 31. Saloemar-boekit. — Huishoudelijke benoodigdheden. 92. Koelim. — Idem. dd. Merpoejang. — Paalwerk. Wordt niet door de witte mie- Tad: ren aangetast. ‚ Tampang. — Huisselijke benoodigdheden. Djeloetong. — Planken voor huizen. 947 96. Zeroentoeng. — Paalwerk in zee. Wordt niet door den zeeworm aangedaan. 37. Saga. — Ligte planken. 38. Kaloempang. — Meubelen. 39. Batjan-hoetan. — Fijne meubelen. A0. Medang-paauw. — Ribben van huizen, enz. Atl. Kemap. — Paalwerk. Heeft niet te lijden van witte mie- ren. | A2. Groeng-gang. — Zeer ligte planken voor huizen. A3. Kelat-paja. — Grove planken. A4, Laka-oelar. — Stijlen van huizen. 45. Medang-koenjit. Kleine praauwen. Wordt niet door den | zeeworm aangetast. _ A6. Mera-tamping. — Deksplanken voor vaartuigen. 47. Meranti. — Zeewerken en scheepsbouw. Wordt niet door den zeeworm aangedaan. Sedert lang reeds houden zich in Nederlandsch Indië meer- dere liefhebbers bezig met het verzamelen van houtsoorten. ‚ Zulks heeft evenwel tot nog toe niet geleid tot aanmerkelijke ‚uitbreiding vande botanische kennis der boomen, van welke ze ‚afkomstig zijn, noch ook tot eene eenigzins ruime toepassing van een en ander op de industrie. Zulks schijnt voornamelijk toe te schrijven te zijn daaraan, dat de verzamelaars in het al- gemeen zich moeten bepalen tot het opgeven der inlandsche namen en van het gebruik. Maar die namen zijn op de onder- scheidene eilanden van den Archipel en zelfs op de verschil- lende gedeelten van een zelfde eiland verschillend en men weet daardoor niet, of sommige houtsoorten, uitmuntende door goe- de eigenschappen voor technisch gebruik en van onderscheidene streken onder verschillende namen vermeld, welligt niet tot eene zelfde soort behooren. __ Ten einde van dezen tak van kennis meer nut kunne ge- trokken worden voor de wetenschap en de industrie, acht de redaktie het wenschelijk, dat de verzamelaars van hout- soorten zich er op toeleggen, om daarbij tevens te verzamelen enkele takjes met de bladen, bloemen en vruchten der betrek- 348 kelijke boomen en tevens aanteekening te houden van de juiste groeiplaats, van de hoogte en dikte der boomen, van de menig- _vuldigheid of schaarschheid van voorkomen, van de gemakkelijk- heid of moeijelijkheid van vervoer, enz. De redaktie noodigt tevens de verzamelaars uit, om, in- dien zij zelven nietin de gelegenheid zijn te bepalen, tot welke planten-species de houtsoorten behooren, een exemplaar daar- van, vergezeld van takjes met bladen en bloemen en vruchten aan haar te zenden, zullende zij alsdan trachten tot eene juiste kennis van de betrekkelijke boomen te geraken en die kennis door haar tijdschrift algemeen te maken. Sciurus mgrovittatus Horsf. van Banka. De heer D. F… Scuaap resident van Banka heeft der Ver- eeniging aangeboden een fraai opgezet specimen van Sciurus nigrovittatus Horsf. van Banka. Deze soort, volgens den heer Dr. S. Mürren dezelfde als Sceurus plantani Horsf, is op Banka zeer zeldzaam en is de derde species van Eekhoorn, welke van Banka is bekend geworden, levende aldaar, behalve Sciu- rus nigrovittatus ook Sciurus vittatus Raffl. en Sciurus Rafflesië Vig. Horsf. Regeringsbesluit omtrent de werkzaamheden der ingenieurs van het mijnwezen in Neder= landsch Indië. In de Javasche courant van den 12den Junij 1852 komt een regerings-besluit voor opzigtelijk de organisatie en de werk- zaamheden van het korps ingenieurs van het mijnwezen in Nederlandsch Indië. 849 De redaktie vermeent dit besluit wegens haren belangrijken inhoud hieronder in zijn geheel te moeten laten volgen enhulde te brengen aan den verlichten zin der regering, vooral ook ten opzigte van het beginsel der publiciteit, in dit besluit (art. 5) uitgedrukt. Extrakt uit het register der besluiten van den gou- verneur-generaal van Nederlandsch-Indië. Buirenzore , den Sden Junij 1852, (No. 5). Gelezen, enz. De raad van Nederlandsch-Indië gehoord; ‚__Is goedgevonden en verstaan: _Berstelijk: Onder nadere goedkeuring des konings, te be-_ palen als volgt: 1°. De ingenieurs en aspirant-ingenieurs voor de mijnen , zijn werkzaam overeenkomstig de bevelen van den gouverneur generaal; doch onder leiding van eenen der oudsten en bekwaamsten onder hen, door den gouverneur-generaal met die taak belast. Te zamen werkende, zijn zij aan elkander ondergeschikt, naar den rang van hunne benoeming, indien geen andere rang door den gouverneur-generaal is bepaald. | 0, De ingenieurs en aspirant-ingenieurs zijn belast met: __&. Geologische, mineralogische en mijnbouwkundige onder- zoekingen; b. Het ontwerpen en tot stand brengen van al wat noodig is tot de gouvernements mijnontginningen en de daar- uit voortvloeijende fabriekmatige inrigtingen ; ce. Het toezigt, van gouvernementswege, over de uitvoering van alle ontginningen van delfstoffen en daaruit voort- vloeijende fabriekmatige inrigtingen ; d. Het vervaardigen van geologische kaarten en het ver- zamelen van delfstoffen ; 30, İ, De 7e. 80, 850 e. Het opsporen van berigten omtrent geologie en míine- ralogie, waarvan het gouvernement nog geene kennis draagt. De ingenieurs en aspirant-ingenieurs voor de mijnen, zijn verpligt, de ontginningen van delfstoffen en de daaruit voort- vloeijende fabriekmatige inrigtingen, het zij door het gou- vernement, het zij door partikulieren gedaan, met hunne kennis bevorderlijk te zijn. De ingenieur, aan wien de leiding der ingenieurs en aspi- rant-ingeneurs is opgedragen, stelt aan den gouverneur- generaal voor, wat hij in het belang van de onder zijne leiding werkende personen en van de dienst bij het mijn- wezen noodig acht. De ingenieurs en aspirant-ingenieurs maken het weten- schappelijke van hunnen arbeid voor openbaarmaking, door middel van de drukpers, gereed, en bieden hetzelve tot dit einde den algemeenen sekretaris aan, door middel van den ingenieur, onder wiens leiding zij gesteld zijn. . De hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur zijn ver- pligt aan de ingenieurs en aspirant-ingenieurs te verstrek- ken de middelen, tot uitvoering van de hun gegeven be- velen noodig, en zullen derzelver arbeid bevorderlijk zijn. De ontginningen van delfstoffen en daaruit voortvloeijende fabriekmatige inrigtingen, gedaan voor rekening van het gouvernement, worden, onder het beleid der hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur, beheerd door admini- strateurs en opzieners. De administrateurs en opzieners bij de ontginningen, voor rekening van het gouvernement, en de daaruit voortvloei- jende fabriekmatige inrigtingen, zijn verpligt de inlichtin- gen te geven en de aanwijzingen te doen, welke van hen door de ingenieurs en aspirant-ingenieurs voor de mijnen worden verzocht, wanneer deze zich op de werken be- vinden. Ten Tweede: Den ingenieur der tweede klasse voor de mijnen in Nederlandsch-Indië, G. pr Groor, te belasten met 951 de leiding der thans in Nederlandsch-Indiët aanwezige aspirant- ingenieurs, overeenkomstig de bevelen, welke hemtot dit einde zullen worden gegeven door den gouverneur-generaal. Ten derde: Enz. Afschrift, enz. Akkordeert met voorschreven register. De algemeene sekretaris À. PRINS. Tentoonstelling te Batavia, te houden in 1855. In de vergadering van de algemeene kormnmissie voor de Ten- toonstelling, gehouden den 12den Februarij jl., is onder ande- ren besloten, dat door den toen verkozen president, vice- president en sekretaris uit de leden der algemeene-kommissie. een besturend kommitté zou worden gevormd, tot leden waar- van zijn verkozen de HH. Dr. P. Brerger, L. M. F. Prarr en J. Tromp, welke heeren zich deze verkiezing helsben laten welgevallen. __Het werd al dadelijk wenschelijk geacht, om op eenige belang- rijke plaatsen op en buiten Java subkommissiën ‘op te rigten. Ten dien einde zijn in dd. Î7 Maart jl. uitnoodigingen gerigt aan de residenten van Soerabaja en Samarang, en aan de gou- verneurs ter westkust van Sumatra, van Celebes en onderhoo- ‘righeden en van de Moluksche Eilanden. Het verheugt ons de mededeeling te kunnen doen, dat de ‘heer P. J. B. pr Perez, resident van Soerabaja met de meeste “welwillendheid gevolg heeft gegeven aan deze uitnoodiging, en dat zich den 2ísten Apriljl. aldaar een kommittee heeft ge- vormd, bestaande uit de H. H. P.J. B. pe Perez, President, P. Krnver, Thesaurier, IS. Bennerr, C. G. von Dentscu, Han Kox Pinc, F. ’s Jaco, kt Rl 7 T \ A. MACLENNAN, D. Macrocnran, O. Marsen, F. N. Nieuwen- SHUIJZEN , PANGrRAN Samm Arorwi bin Saip Hassan Ar Hanassis, ADEN ApiParr Kromopsorso Apt Necoro, A. BARON SLORT VAN 352 OrpruirenBorGn, H. B. Warprnaar, J. Haarman J.o.zn., Se- _kretaris. | Het kommittee te Soerabaja heeft nadere inlichtingen van het bestuur voor de Tentoonstelling gevraagd, betreffende de aan- wending der gelden waarvoor zal worden ingeschreven; deze inlichtingen zijn nog niet gegeven, omdat niet genoegzaam be- kend was het bedrag der inschrijvingen ter hoofdplaatse en in de binnenlanden van Java. Wij laten hier volgen eene opgave van ingeschreven gelden voor zoo verre de inteekeningslijsten zijn terug ontvangen. Zijne excellentie de gouverneur-generaal van N.E. f 1000.— Bantam. À 8 É „ 100— Batavia. (#) : ; 5 p „ 5483,50 Buitenzorg. … $ Ä Ô 5 : „ 292 Krawang. … £ . „ 140—_ Preanger Regentschappen. . „ 143.— Tegal. à „WB Pekalongan. ; 8 N ; k $ » _240.— Japara. … : 6 6 F „ Jl Rembang. .… \ 8 : 3 4 „210. Pasoeroean. f ° „__900.— Banjoewangi. s : ; Á „ Nihil. Bagelen. ô „ 121.— Banjoemaas 8  : ä : s „Nihil. Kediri. : $ É 5 „ 1009,50 Patjitan. . Ä ; „A Soerakarta. . angle „18 Djokdjokarta. p : ' : „ 1865.— Kadoe À . f î 4 ' ; „ 151— Banka ; 5 : A à f iii ÂSr Bandjermasin. … 2 s ’ f ; … B. ER ee Totaal f_ 11603. (*) Van de residentie Batavia zijn nog niet alle inteekeningslijsten terug — ontvangen. 353 Het is een verblijdend verschijnsel, dat in eenige residentiën de inlandsche vorsten en hoofden door ruime bijdragen bewij- zen hebben gegeven van warme belangstelling voor de onder- werpelijke tentoonstelling. Inzonderheid is zulks het geval in de residentie Djokdjokarta, waar door zijne hoogheid den regerenden sulthan is ingeschre- ven voor een bedrag van f 500 en door de overige leden van het hof nog bovendien voor f 605, zomede in de residentie Kediri, waar ook door de regenten en door zeer vele min- dere inlandsche beambten voor een aanzienlijk bedrag is deel genomen; ook in eenige andere residentiën zijn de inlandsche hoofden niet ten achteren gebleven. Het is ons niet bekend of in alle residentiën de welgestelde inlanders en andere oos- terlingen in de gelegenheid zijn gesteld door bijdragen hunne belangstelling te doen blijken. | Door den resident van Djokdjokarta, den heer J. J. HASSELMAN, in wiens residentie de ingezetenen zeer veel belangstelling doen blijken, is aan het bestuur voor de tentoonstelling in overwe- ging gegeven om, indien zulks uitvoerlijk mogt zijn, de te Ba- tavia ten toon gestelde voorwerpen later naar Samarang over te brengen, ten einde ook daar eene tentoonstelling te hou- den, uit aanmerking dat die plaats nagenoeg in het centrum van Java gelegen is, zoodat zich velen derwaarts zullen kun- nen begeven, die bezwaarlijk de reis naar Batavia kunnen on- _ dernemen. Aan vele personen, die zich thans in Nederland bevinden en voortdurend warme belangstelling betoonen in de welvaart en ontwikkeling der Nederlandsch Indische bezittingen, zijn intee- ‚ keningslijsten toegezonden. Wij voeden de hoop, dat de ten- | toonstelling door ruime bijdragen uit Nederland krachtdadig zal ‚ y Ee es 5 i d is, worden ondersteund. mn adt ae 354 Geschenken aan de Vereeniging. Naturaliën. 1. Eene verzameling van 47 Houtsoorten van Riouw en nabij gelegene eilanden, hierboven vermeld op bladz. 345, van het lid der Ver- eeniging den heer E. Nerscuen. Le, „ Eene verzameling van Tinerisen van Banka, van het lid der vereeniging, den heer F, Scrurrr. 3. Eene flesch inhoudende eene bijzonder soort van zand van Banjoewangi, aangeboden door den heer Linpeneen. 4. Voorts zijn aangeboden door den heer J. A. Vriesman, resident van Tagal, lid der Vereeniging, eenige kruiken mineraalwater uit de residentie Tagal, en door den heer KrasenBrisK, lid der Vereeniging eenige kruiken mineraalwater uit de residentie Cheribon. Deze wa- teren alsook het sub 2 bedoelde zand worden door den heer P.J, Marer scheikundig onderzocht. Boek werken. Verslag der werkzaamheden van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en wetenschappen van September 1850 tot April 1852, namens het bestuur des Genootschaps voorgelezen in de algemeene vergadering op den 27sten April 1852 door P. Brreken, Batavia 1852. 40, Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Weten- schappen, Dl. 22 en 23. Batavia 1849, 1850. 4° (van het Genootschap). Biäng Lala, Indisch Leeskabinet tot aangenaam en gezellig onderhoud, onder redaktie van W. L. Rirrer en L.J. A. Torrens. Jaarg. [. 1852. Aflev. 1 en 2 (van de redaktie). The Journal of the Indian Archipelago and Eastern Asia, edited bij J. R. Locan, vol. VI. Aflev. Jan. — Maart. Singapore 1852, 8° (van de redaktie). Bijdrage tot de kennis der Haringachtige visschen van den Indischen Ár- chipel door P. Brengen, Batavia 1851 4°. (van den schrijver). Bijdrage tot de kennis der Makreelachtige visschen van den Indischen Ar- chipel door P. Brereken. Batavia 1851. 4e. (van den schrijver). A descriptive Atlas of Astronomy and of Physical and political Geography, embracing the latest informations and most recent discoveries in astro= nomical and geographical science, with descriptive letterpress by Tnox. Miunen, Lond, 4° (aangeboden door den heer H.D. A. Samirs). * | da rn JL | { bramiel. Uzer | c Zin. | 0 Anpor. d Yzer. @ beoonoend 5 B Boektt | Zed Zhnudsond s__ doender P Pootoe, o 5 C de Broolo- LA Ot ngenteur voor dee mignern (nt KjÛ volgens opte en Door hoeuw edaauw, En Geoloarsche kaart vou Te [=e) Clande GUA IJD vt Cv 2d 5 de OI JSS) or Fso 5, Tag a} X 5 Shou osn dag Shoe Tlbeugkok ere ® Seloeutan Arp qe 7074 VSnte 5 EE Se, FSwale el En od remo seh GU. Ee Doegie” 0 Dag 5 Srahow Seal o 5 Song GE R 149 Le gee Nn he hed 5 ' Wmm, Ù' roeroeuy Aandie & Ie Sadjerw Dero poem SSS Nl 5 [Samar Ssocyel) S Godau EEn fj Ì Ò C Glenda r Bokor Wa) q iN ’ berecht, NS Oe ie 4 en je En / Pes 8 amalade , Soltocngar® rd leg e Gy PN! je Ubargror da Dik (t Soyoug 3 ols naad pedo NS SS emoehoer : We N DAanewwpeere 5 Ee, Ben ) Doner 5 klewang, | 3D ajar Sock Ee DS yerokh Baloky, % À En TANT om SS Glee — ) = ( Zi ANS SNLedsna, 5 Hp) Scree 9 EB eanlelan Stee DO Grolted sE Nesna \ & Seis HA q 5 | jaren ss, Ip eSAll ee Salon Feujoe 8 Seed ouo ano} 25 Syladlok © 28 Gout 5 Vaas Ss Varages ES SI 8Sadlie er AK qe SEE Eid ; ad 5 ST 5 F EZ F Ee sn Ì Oeds hrornda " é ú á Ee e Ze heurnts veer Peebeele, do hooerte al Zurctel Neto 0. | zijnde de Onsthnek van Katmarmbung nlstaon Ktri0. IJ | Hi ï Ï iN GÉ-Tubnlo If | P/4 | 47 | | zz | 47 | 47 Il 97 4 Ii De 40 Di vand | Hi zo ZON A / Met hayaste van hal Mianus gohurnte MOL = 40 5. (Mm Ca Il 5 15 0 / ë ie ) ij OO || 2 vof a I| NS 161 103 ri 1 zo t NO nenrtkonel ioddor Aligsnrand | Pe | 4) 6 ‚Auras | I 7 | 15 oek Bodhi, | ; | 7 | Miri 0 Ii 76 er d & | | | 74 9 | \ l | 0 6 | Ì I ; Ji ( | \ \ | | | 4 Ai z| h \ | en ze send mol fles N | | 40 k gaf | If N zr ° SA \ / | II 4 25 LEM aA Apsloro ij P7 4 ue 4 p I | de en Soenet Paehka N | #4 Lr ae 4 eh £ . / | | | pe Le rt ed : 7 II 1e Zi ne ene / IN A ol - - asl ze pn IL GE d oefs = epe á | | zat LD HO 7 6 == EE a L | , Zi à > EAA le Ea p LH ve Ì « ij za Dn PL | E ee INE Zaanen MP Leen derde VJ veemchprnn ZU os ‘ EN 4 „ac 5 ) ij / ï 2 Js 7 Ô / / | pe | | W/À INI 14 Millen eeen berend ue Ar A8 7 6 Í 97 Li A a1 NT KALNA 409 „Arano dofat 0 WNL Zo Lartak a zr o 4 (e droo & rule s ov slteAne/ je or py Le e al (Ya Pomdond ZA nietnneanÂ| Le Zerkuuns We Zihoen Ì geproerdorofs. er Erf. Zalmaoa Oort opt Ze Krekel Herve of Pendjotecr Hi Poersarma ris vtm Glagoonc Zer) rens Sher amper Zeerlpeern {rn vaspe REDDIE var PIERDE JOEP ov oe YH DOMO p OCANNS Virvurrppoennd Gd wegen Lukkt 4 KAART WES TKUN!T vasBLEPON : anr door de Pumtenonts Ver zat HA. Modderurmmn en J.Wivan Blrijn, Zoer woor UINZ ON pagrerg err C.H. Mulder 1651 _ @GEZICTEN WAN BLITONG BOEKIT MELANTIEN P°KLAMOA ENDE MONDDER AIVIEA TJEROE TJOEP O/ENOMEN VAN DE BENTING _& pr, Dn Bede Be Ag haf R ee te nnie Ke = ee En “e- wegen dn be dk Ea en B - n 4 ke, a : fi b : kj GEZIGTPEN MAN Bit roNea 4 " G° BADAUW EN WESTELIJKE BERGEN GENOMEN VAN DEN TOP DER B°° TOENGAL nbele del Wh Deden Hue HET GEBERGTETADJEM GEZIEN VAN DEN TOPDER B" TOENGAL GS PRAMOEAN VAN DEN TOPDER B'' TOENGAL IN MOUD. Af“opering U & LIL jragen tot de geologische en mineralogische kennis van Neder- ndsch Indië, door de ingenieurs van het mijnwezen in Neder- Andsch Indië. II Eiland Blitong (Biliton), door Corns. pe GRoor, met kaarten en platen. ® ° p 5 ; . age tot de kennis der ichthyologische fauna van Timor, door IR. DP. BLEEKER. - } f ) ; : s } ’ Gikundig onderzoek van eenige op Java voorkomende minerale ateren, door P. J. Marer. De warme bronnen te Tjipannas, nabij paal 64 in de Preanger- regentschappen. REE LAT NAE PE EE 4 SET Warme minerale bronnen, voorkomende op de noordnoordoos- telijke helling van den Gedeh, ter hoogte van 6775 rijnl. | voeten. . . Ld . . . Ld . e . . De warme bronnen Tjipannas bij Lembang in de Preanger- _ regentschappen. f ROER. À ô ê « . reksel uit een verslag over de oorzaken der uitsterving van ffijboomen in de residentie Kadoe, door Dr. F. H. FromBere, st tabellen. } 3 k 8 | age tot de kennis der ichthyologische fauna van de Moluk- She eilanden. Visschen van Amboina en Ceram. door Dr. P. LEEKER. nemingen voor de astronomische plaatsbepaling van Batavia, jor S. H. pe LANGE. É ’ [4 diamantgronden van Koesan, door Dr. J. H. Croockewir Hz. kerts en kwik van Sumatra scheikundig onderzocht, door A. ( p LEE. hd . . . . . „ . . 2 je plantensoorten in ’slands plantentuin te Buitenzorg, door „ TeIJSMANN en S. BINNENDIJK. _» è : - À ; za vande pe mersedering-der. nadere Vereeni- gchönden den 5den Mei 1852. 8 EE. BLADZ. 133 159 175 184 / 189 ennn Ber glen van verschillenden“aard : Aardbeving in de residentie Cheribon op den nn Kla HA ed ed ‚Nog “iets over de aardbeving op Bali van 17 Telkaaci 18485 Jahr A Uidkomsten der waarnemingen met den te ormomeres peychrame- E Rl itbarsting van den Gedeh op den 20sten Mei 185 2; F5 A5 “teren byometer, gedurende. hef. jaar tit an aad te sle 4 *, À: x id Ht Soerabaja, door F. F. dr d ad a ns Nene RN Re k KS _ „Verslag van proeven met Indische ste „ten in April 1852 aan boord Zr. Ms. stoomschip vree nn, wor SON DE Groot, P. A. MarruysseN en IL. EF. KooPManN. ' “. atd „Minerale wateren van Maros op Celcbes. k R Ee $ Kina-kultrúr op Java, door G. Wassink. k k E ‚Jfoutsoorten. van, Riouw. JN ë edi ; . Sciurus nigrovittatus Horsf. van Banka. et ; e Gert) E fj Mi re ESA Cry Regeringsbesluit omtrent de werkzaamkglen der ingenieurs, van 74 ziet mijnwezen in Nederlandsch Indië, » : R Fentoonstelling te Batavia, te houder in 1853. . 5 Geschenken aan de Natuurkundige Vereenieine in Nederlandseh Len | > kend 7 % Indie. . - „ » . - - adh ad en . . » ge do TI = ' Safir Jeho, ME pn t he …  % Ld E \ 13 :, ‚ ue 5 | EN Í 7 Giv ú ne, , ú Pi hed mi he Wee à * E. PA ziet k A 5 \ ee Aij ek nere ER jn lr he ze 7 Ù ve ap 2 ris rf en EN Rt RE 8 \ La ze _ 02 5) SS NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT VOOR EDERLANDSCH INDIE, UITGEGEVEN DOOR DE NATUURKUNDIGE VEREENIGING SA A 107) WY, 407 IN NEDERLANDSCH INDIE. WERDE JAARGANG. _ Aflevering EV & V. BATAVIA, LANGE & Co, 1852. (@ her wlakis rai UITTREKSEL VAN HET RAPPORT EENER EIS OVER HET EILAND BILLITON, _ het Gouvernement aangeboden den 15den April 1851, (2) DOOR J. EE. CROOCKEWIEE Hz. Math. Mag. Phil, Nat. Doct. Voorwoord. 4 besluit van zijne excellentie den minister van staat, gou- eur generaal van Nederlandsch Indië, dd. 17 September ‚ No. 8 en dd. 26 September 1850, No. 10, werd mij ne a. naar het eiland Billiton opgedragen. De eze zending had ten doel, het instellen van een onderzoek pens het aanwezen van tin op het eiland Billiton en de mo- ijkheid van exploitatie van dat mineraal, hetzij van gouver- nents wege, hetzij door partikulieren, met tast, om desbe- kkelijk zoo spoedig mogelijk te dienen van rapport. p ij bovengenoemde besluiten werd bepaald, dat ik met Zr. 1D In de spelling van dit woord heb ik het gebruik gevolgd; in alle EK hementsstukken, en in alle mij bekende aardrijkskundige boeken j alzoo, ofschoon minder met de Maleische schrijfwijze overeenkomende, ge nomen. 2) ‘Verschillende omstandigheden hebben het eerder publiceren van het zende verhinderd, terwijl reeds den 22sten April ll. daartoe verlof van gouvernement was bekomen. 28 a Ue „dn 956 Ms. stoom-adviesvaartuig Tjipannas naar Banka zoude over- gevoerd worden, en verder naar Billiton met Zr. Ms. stoom- schip Bromo. Naar ik wel onderrigt ben, was den overste, kommandant van genoemd stoomschip, opgedragen, om onderzoek te doen naar de zeeroovers, die zich in de Billitonsche wateren ver- toond hadden, en waarover klagten bij den resident van Banka, bij schrijven van den depati van Billiton, waren in- gekomen, met last aan hem, om die maatregelen te nemen, welke hem het meest gepast voorkwamen. Ook was bij artikel 4 van het eerstgenoemde besluit bepaald, dat ik mij, bij mijnen terugkeer van Billiton naar Batavia, het- zij regtstreeks, hetzij over Banka, zou hebben te verstaan met den resident van Banka en met de kommanderende officieren van dein de Bankasche en Billitonsche wateren gestationeerde stoom- of andere oorlogsvaartuigen, terwijl verder bij artikel 5 de waarnemende resident van Banka werd aangeschreven, om mij, ter bevordering der mij opgedragene taak , zooveel moge- | lijk hulp en bijstand te verleenen. Á Ik gevoelde al het gewigt dezer belangrijke zending en was | doordrongen van de moeijelijkheden , met welke zij gepaard” zoude gaan, welke bezwaren daarin bestonden: Ì 1°. Doordien artikel 4 van het genoemde besluit geheel zon= der kracht bleef, daar in de Billitonsche wateren geene Ne derlaadsche stoom- of andere vaartuigen gestationeerd werden Ì zoodat ik mij, zoo dikwijls ik mij op zee bevond, zoowel als bij mijnen terugkeer naar Banka, van de ranke praauwtjes derij Billitonnezen moest bedienen, en mij daardoor daarenboven geheel van hen afhankelijk stellen. go, De vooraf niet te berekenen zekerheid, dat de kom= mandant van de Bromo de zaak aangaande de zeeroovers, | geheel in het vriendschappelijke èn naar wensch der Billitonne S zen, èn naar wensch van het hoofd van Billiton zoude schik-ij ken, terwijl toch immer de orang seka zouden moeten die- nen, om mij op mijne togten over zee, de behulpzame hand | te bieden. 857 À 3°. De juiste gezindheid van het hoofd van Billiton was niet zoo-geheel bekend, en kon ook niet geheel uit de daar- omtrent bij het gouvernement berustende rapporten opge- maakt worden. Zeker is het, dat de depati, op verkeerde “berigten af, vroeger door het gouvernement verongelijkt en in zijne regten verkort schijnt te zijn, en waarschynlijk was het, dat zijne hierdoor opgewekte haat, bij de herstelling in / zijne regten, zoude geweken zijn; maar zoude zijn wantrou- ‚wen (uit welke bron of om welke redenen dan ook) niet we- der opgewekt worden, bij de komst van eenen gouverne- ments afgevaardigde, hetgeen in lange jaren niet plaats had gehad? Dit wantrouwen, als het bestond, moest nog toe- nemen, wanneer die ambtenaar het eiland in alle rigtingen ging doorkruisen en bij alle andere onderhoorige hoofden eenigen tijd wilde vertoeven. Volgens de verklaring der oud- ste Billitonnezen in de binnenlanden, was dit nog nooit door eenen Furopeaan ondernomen. AC. Ben onderzoek naar tinerts,— waarvan de depati op mijn verzoek van gouvernementswege werd geïnformeerd, -— ‚ daar dit toch niet kon verholen blijven, en het beter was er regt voor uit te komen, dan dat hij het van ter zijde vernam, — moest den depati en ook sommige minder door- ES onder de inwoners, minder aangenaam zijn. Im- Omis - mers werd dit metaal nu eerst opgespoord en gevonden, shet was voorzeker met het doel, om het te gaan exploi- teren, hetgeen stellig de aanstelling van een Europeesch be- tuur zoude ten gevolge hebben, waarbij hij altijd minder magt behouden en de tweede persoon zou blijven. Hij zeide mij wel eens, toen ik mij, na eenige weken verblijfs, reeds wat EE ertrouwelijker voordeed, dat hij naar een Europeesch be- Bn op Billiton wenschte, maar gaf geene andere reden op waarom hij zulks verlangde, dan dat de Palembangers en andere vreemdelingen, gewoonlijk orang dagang (handelaars) geheeten, zijne bevelen niet wilden opvolgen, en hij hen alzoo “piet regeren kon. Hij was zelfs zóó bevreesd voor hen, dat hij zich in de kampong Tandjongpandang, de hoofd- NK Ce NN r dy A 35ö plaats, waar zij bij elkander wonen en die ruim 200 schre- den van zijn verblijf verwijderd is, volgens getuigenis van vele Billitonnezen, in geene 5 jaren, ofschoon altijd door een groot gevolg vergezeld zijnde, heeft durven vertoonen, en toen de kommandant van het stoomschip met nog eenige Europea- nen zich naar de kampong begaf, al weifelende medeging. Deze eenige reden om zijnen wensch te verklaren, nam ik echter niet aan, even zoo als ik hem ongemerkt tot op den laatsten dag van mijn verblijf gewantrouwd heb. De hierboven genoemde redenen zal ik niet behoeven na- der te omschrijven, als ik aanhaal, hetgeen door den heer _Bierscmrr, vroeger met het civiel gezag op Billiton belast, bij zijne missive aan den resident van Banka dd. St Januarij 1830, No. U, medegedeeld wordt: „Dat, zoowel de hoofden als minderen op Billiton, den „sterksten tegenzin aan den dag legden, zoodra men- hen „over dit onderwerp (het tin) aansprak, en stellig weigerden „om in het aanwijzen en helpen opzoeken van mijngronden „behulpzaam te zijn, zoodat ik, gedurende mijn vroeger ver- „blijf aldaar, genoodzaakt was, mijne toevlugt tot vreemdelin- „gen, die aldaar gezeten waren, te nemen, ten einde de „noodige informatiën, betrekkelijk het al of niet aanzijn van „erts te verkrijgen.” Hoe ik, omtrent dit punt, de zaken gevonden heb, zal Ë in het vervolg van dit rapport behandeld worden. | Een vijfde bezwaar was de tijd van het jaar, waarin de reis ä ondernomen werd. Men was toch weldra de westmoesson en alzoo regentijd te wachten, en deze bleef dan ook niet lang — uit. Reeds in het begin van November, na schier zes maan- À ‚ den bijna onafgebroken droogte (gelijk als eene zeldzaam- heid ook op Banka is waargenomen) werd de wind westelijk, en was ná dat tijdvak, een dag, waarop het minstens niet | de Á een drietal uren stortregende, eene uitzondering. Alzoo wa= ren alras de beekjes en kleinere rivieren zeer gezwollen: de bruggen over de laatsten waren in eenen slechten staat, of soms geheel weggespoeld; de eersten werden gewoonlijk 959 doorwaad, hetgeen het bezwaar had, dat men alzoo een ge- deelte van den dag in natte kleederen moest doorbrengen. Eindelijk maakten de hevige westelijke winden, het varen langs de noord-en westkusten van het eiland , met kleine praauwtjes, langdurig en soms gevaarlijk, gelijk vooral op den terugtogt naar Banka is ondervonden. Alle deze omstandigheden in aanmerking nemende, zoo zal men deze reis noch onder de aangename, noch onder de ge- makkelijke rangschikken. Ik verheug mij echter, dat zulks mij niet heeft weerhouden, haar evenwel te ondernemen, ter- wijl tevens deze bezwaren volstrekt geen’ invloed hebben ge- had op de uitvoering van alles, wat ik mij voorgesteld had. De administrateur van Blinjoe werd door den waarnemen- den resident aangeschreven, om twee kundige Chinesche mijn- werkers aan te duiden, die lust gevoelden, om tegen behoor- lijke belooning mij te volgen. De keus dezer menschen is zeer ‚gelukkig geweest. Beide waren inboorlingen van Banka, en spraken alzoo zeer goed Maleisch. Een hunner, Aouw genaamd, Ä was hoofd eener partikuliere of kontrakt-mijn (eene der wei- \ nige mijnen op Banka, die hun tin tegen den prijs van f 13'/, de pikol, — er zijn enkele tegen f 15 — aan het gouvernement leveren, maar geene voorschotten genieten), ruim 60 jaren oud, | gedrongen. Gedurende het grootste gedeelte van de reis op ‚Billiton droeg hij offer-en reukkaarsjes en offerpapier bij zich, _om behoorlijk te kunnen bidden in het geval, dat er tinerts gevonden werd: was dit niet het geval, dan was het offeren en bidden volgens zijn gevoelen ook onnoodig. 4 De andere, Bov-Sina geheeten, ruim 40 jaren oud, was hoofd eener mijn in het distrikt Blinjoe. Sedert hij het rege- Eb en der werkzaamheden op zich genomen had, had die mijn, die vroeger onvoordeelig gewerkt had, betrekkelijk gunstige resultaten gegeven. Ook hij was niet minder dan de ander, met al wat het tin betrof, ingenomen. Beide hebben dan ook _Onvermoeid mij op mijne exkursiën vergezeld, en zelfs in de 560 rusturen steeds onderzoekingen gedaan, door de schoone be- loften die ik hun deed, in geval zij mij tinerts bragten, hiertoe niet weinig aangespoord. Inrigting van het Rapport. Het eiland Billiton, volgens den heer MervirL vAN CARNBÉE 119 0 geographische mijlen of 2875 O Javasche pafen groot, ligt tus- schen Banka en Borneo. Reeds vele toelichtingen, die dit ei- land van groot belang doen voorkomen, zoo voor koophandel als landbouw en nijverheid, zijn in het ter sekretarie berus- tende archief voorhanden. Zooals het er thans gesteld is, en ik geloof, dat er ín de laatste decenniën weinig verandering in — is gekomen, is het verre, dat ik omtrent deze omstandigheden hetzelfde oordeel zou durven uitspreken. Gaarne had ik alzoo — hierover mijne bevindingen in dit rapport medegedeeld, maar — ik vreesde, dat de uitgebreidheid alsdan, en de mogelijke be- langrijkheid van bijzaken, de hoofdzaken, het doel waarmede ik in kommissie gesteld was, konde nadeel doen. Ik zal al- À zoo de bij mijne vroegere rapporten gemaakte verdeeling op- volgen, met dit onderscheid, dat ik de drie over Billiton ge maakte hoofdtogten, omstandiger beschrijf dan vroeger opzig- 8 telijk Banka en Malakka geschied is, waarbij dan tevens eenige onderweg ondervonden moeijelijkheden kortelijk aangehaald zul len worden. Ik acht dit noodzakelijk, opdat het voor mijn gevoel tot verantwoording kunne strekken, dat ik alles, met | voorbijzien van alle bezwaren, en dikwijls van den raad van den depati, aangewend heb om tinerts (indien het op Billie ton voorhanden is) te vinden: verder, omdat er geene kaart (1) van de binnenlanden van Billiton bestaat, en het toch niet on | verschillig zal zijn te weten, waar ik mij zoo al bevonden heb. | (1) Namelijk toen dit rapport ingediend werd. 56l Uit deze beschrijving der reis zal ik een overzigt opmaken, waarin dan tevens eenige opmerkingen omtrent de geologische gesteldheid van het eiland zullen worden medegedeeld. In een volgend hoofdstuk zal ik, hetgeen mij bekend is, dat over de tinaangelegenheid van Billiton geschreven staat, in korte woor- den, met eenige aanmerkingen daarop, mededeelen , terwijl ik „ten slotte beredeneerd aantoonen zal, dat de gebruiken der Billitonnezen, volgens analogie met Banka, niet aan het daarzijn van tinerts op hun eiland kunnen doen denken, hetgeen ein- delijk door eenige scheikundige aanmerkingen over eene erts- soort, op Billiton gevonden, die veel op tinerts gelijkt, maar volstrekt geen tin in hare zamenstelling bevat, toegelicht zal worden. Op welke wijze een kaartje (1) zamengesteld is. Dat men in een bijna onbewoond land, zonder wegen en voor een groot deel met kreupelbosch begroeid , moeijelijk zui- vere peilingen kan nemen, al had men ook de daarvoor be- noodigde instrumenten en middelen, wanneer eene juiste op- _name niet het hoofddoel der reis is en men niet onbepaald ; over den duur der reis kan beschikken, dit is duidelijk; en Î dewijl ik mij alleen, als bijzaak, om mij, waar ik mij bevond te orienteren, van een gewoon kompas bediend heb, zoo zal jk geenszins elk punt door mij gepeild, als onomstootelijk juist “waargenomen verdedigen. Maar een klein verschil doet hier minder ter zake, terwijl door de vele genomen peilingen, de i (2) Dit kaartje, te gelijk met het rapport aan het gouvernement inge- ‚diend, kan hier zeer goed achterwege blijven, dewijl men de drie door _mijj in verschillende rigtingen over het eiland gemaakte reizen, op de kaart bij de vorige aflevering van dit tijdschrift gepubliceerd, genoegzaam zal kunnen nagaan. Ik heb evenwel gemeend dit hoofdstuk hier te moeten daten volgen, om niet aan de volledigheid der mededeeling mijner werk- zaamheden te kort te doen. a ES bn Tan ld il 562 fouten niet zoo aanmerkelijk zullen zijn. Een inboorling in deze gewesten weet veelal beter, dan de Europesche landbewoner , waar hij zich bevindt op den weg, d. ie in welke rigtingen hij verschillende bekende punten van zich heeft. Hiervan had ik een duidelijk bewijs, toen ik mij op den Goenong Tadjam (de hoogste van Billiton’s bergen) bevond. Op den top van dien, geheel met hooge boomen begroeiden berg gekomen, was het zoo dampig, dat ik niets van beneden kon waarnemen. Ik nam een der oudsten uit het gevolg bij mij, en liet mij met de hand eenige bekende plaatsen aanwijzen, welke rigtingen ik op het kompas aflas en opteekende. Na een uur vertoevens werd het helderder: ik beklom toen, met kompas en verrekijker gewa- pend, een der hoogste boomen tot op 40 à 50 voeten hoogte en had een ruim uitzigt; ik peilde aldaar weder dezelfde pun- ten, en was verwonderd over de groote overeenkomst met — de vorige peilingen. Alzoo liet ik mij over de geheele reis, in elke kampong waar ik aankwam, eenige bekende punten door de oudsten — met de hand aanwijzen, uit welke peilingen ik, die, welke niet } overeenkwamen verwerpende, een kaartje der binnenlanden < heb opgemaakt. De afstanden heb ik op deze wijze bepaald, dat ik, bij elke — kampong waar ik aankwam, of wèl, op elk punt waar ik peilde, E den oppasser en de beide Chinezen (de inwoners van Billiton — kennen toch geene maat voor tijd of afstanden) afvroeg, hoeveel À palen, sedert eene vorige plaats volgens hunne meening afge- ä legd waren. Deze gevoelens vergeleek ik met den verloopen’ ú tijd, rekenende in elk uur, wegens de slechte wegen, slechts 21/, — paal gemaakt te hebben. Hoe gebrekkig deze wijze van me- ten was zal men bevroeden, als men nagaat, dat door het 4 kronkelen der wegen, soms 2 à 3 palen afgelegden weg, één É paal vol d’oiseau zullen voorstellen. ki In dit rapport zal ik alle peilingen, wanneer zij tot niets ij als tot het zamenstellen van het kaartje gediend hebben, on= vermeld laten. | En 563 De reis van Batavia naar en over Billiton. Den 2lsten September 1850 *vertrok ik van Batavia aan boord van Zr. Ms. stoom-adviesvaartuig Ajipannas en ging den 2den Oktober aan boord van de Bromo over, welke mij naar mijne bestemming zoude overbrengen. Eerst werd de Klabat-baai , ten noorden van Banka, ingeloopen, alwaar eenige troepen, voor de Bankasche expeditie bestemd, ont- scheept en de beide Chinesche mijnwerkers aan boord ge- nomen werden. Den ífÎden ankerden wij voor Poeloe Le- par. Den Î9den Oktober ‘vroegtijdig onder stoom gaande, arri- veerden wij ten 9 ure des namiddags voor Tandjong Pandang, op de westkust van Billiton. Een schot uit eenen 80-ponder kondigde de komst van een van Zr. Ms. groote vaartuigen aan. Den volgenden dag, reeds vroeg in den morgen, kwam de depati met twee praauwen en eene menigte volks het stoomschip op zijde en vertoonde zich weldra op het dek. Een eeresabel , hem vroeger door het gouvernement ten geschenke gegeven, werd hem achterna gedragen. Zijn uiterlijk kwam mij zeer innemend voor, zijne manieren vrij beschaafd en beleefd, zonder dat ze al te kruipende waren: hij scheen mij toe 50 à 55 jaren oud te zijn, terwijl hij nog volstrekt niet grijs is: zijne ‘kleeding was netjes en eenvoudig. Het gehoor met den overste geëindigd zijnde, werd ik hem oorgesteld en een brief van den waarnemenden resident an Banka hem overhandigd. Na lezing verklaarde hij geene ezwaren tegen mijne kommissie te hebben, belovende mij, aarin hij maar konde, behulpzaam te zullen zijn. __ Den volgenden morgen ging de overste, vergezeld van een der officieren en mij, aan wal. Er lagen 3 Àà 4 grootere handels- en wel 100 kleine praauwtjes in de baai, die hier de monding van de rivier Tjeroetjoep vormt, langs wier strand aan de noordzijde de hoofdkampong van het eiland gebouwd is. De benting ligt op het uiterste der landtong, door de ri- vier en de baai gevormd, terwijl het huis van den depa- E k 964 | ti, de landingsplaats en eene kleine mesdjid (moskee), tusschen _ de benting en de kampong in gelegen zijn. Het terrein waarop de benting gebouwd is, komt mij zeer geschikt voor. Deze bestaat uit eene palissadering, geplaatst op eenen heuvel van _ p. m. 50 voeten hoogte, waaruit èn de rivier, èn de baai, èn de kampong bestreken kunnen worden. Binnen deze palis- sadering zijn gelegen eene vrij goede kazerne en wachthuis en eene vroegere kommandants-woning (in welke wij ontvangen werden en welke allen door den depati onderhouden worden), de vlaggestok, van welke de Hollandsche vlag wappert, be- nevens de resten van een steenen kruidhuis. Na genuttigd ontbijt en een over verschillende punten gehouden diskoers, | gingen wij de kampong bezoeken, bij welke wandeling de de- pati ons vergezellen moest. Tegen den middag vertrok de | overste en gevolg, terwijl ik aan wal bleef. | Mijne goederen van boord gekomen zijnde, vestigde ik 5 mij , zoo goed als de omstandigheden het toelieten, in de Î vroegere kommandantswoning , welke geheel op inlandsche < wijze, dat is, zonder eenig venster gebouwd was: eene goede d voor haar geplaatste pondokh was dan ook over dag mijn verblijf. Het aanwezige meubilair was niet noemenswaardig, 6 zoodat ik mij hierin nog al behelpen moest, waaraan ik á spoedig gewend raakte. Ik besloot alhier mijn verblijf te_ houden die dagen, welke ik niet in de binnenlanden door-— bragt, en alzoo na elken togt hier weder terug te keeren, > ten einde van de doorgestane vermoeijenissen wat uit te rus-, ten, mijne gedurende elke reis opgeteekende losse opmerkin- gen te verzamelen en uit te werken , en mijne korrespondentie , | wanneer tot het verzenden van brieven gelegenheid bestond, bij te houden. Den Î7den Oktober zond ik de beide Chinezen het land in Ä ten einde, vóór ik mij zelf op reis begaf, eenig berigt van de landstreek in te winnen. Zij waren ruim 4 palen noord-_ oostelijk opgegaan en langs eenen kleinen omweg, wat zui- delijker op, teruggekeerd. Hetgeen zij mij omtrent den toestand der wegen, die ook gewoonlijk in de onmiddellijke 565 nabijheid eener hoofdplaats, beter dan op grooteren afstand zijn, mededeelden, kwam ook met mijne verwachting overeen. _ Het land was vlak, met laag hout bewassen en zandig. Alhoewel minder opzettelijk daartoe uitgezonden, hadden zij oppervlak- kig geenen tinerts ontdekt. Den volgenden dag ging ik, door de Gntlesen vergezeld, met eene kleine sampang de rivier Tjeroetjoep op. Even voorbij het fort is zij bij hoog water slechts 5 voeten diep, z. WV, w. een geruim eind voortloopende. Men ont- moet vele groote, op elkander gestapelde granietrotsblok- ken, door welke dan ook de gansche kust als omzoomd is, en eenige eilandjes, van welke Poeloe Kapal het grootste is. Even voorbij het fort zal de rivier wel 150 passen breed zijn. Na volgens gissing 6 palen roeijens , — waarbij nog me- nige kronkeling der rivier afgesneden werd, — kwamen wij op den regteroever aan eene zeer kleine beek, waar een voetpad over gevelde boomen en hunne wortels, leidde naar eene kleine kampong, die echter te ver af lag. De bodem (het was laag water) bestond slechts uit zwar- ten moddergrond, welke bij hoog water onderliep, en alzoo niet dan met de grootste moeijelijkheden en kosten op de Chinesche wijze zoude te bewerken zijn. Tot hier was de rivier gemiddeld 12 voeten diep. Hare boorden zijn bijna uitsluitend met bakoen begroeid. Het water bleef tot hiertoe steeds zout. Iets merkwaardigs leverde dus deze rivier, in welke ik de Bankasche rivieren geheel terugvond, en in welker beschrijving ik alle rivieren van Billiton, die ik bezocht heb, beschreven heb, dus niet op. Ik kom hierop alzoo niet we- der terug. Den 20sten Oktober ging ik met de mijnwerkers in eene | _Sampang langs het strand om de noord tot aan Soengie Koe- boe, p. m. 3 palen van de hoofdplaats verwijderd. Bij laag water stonden ruim 3 voeten water voor den ingang. Zij doopt bijna onafgebroken oost op. Op circa 800 passen van de monding af wordt de regteroever iets hooger. Tot hier zal de Fivier 35 passen breed zijn; nog 300 passen verder, en ze is voor 966 de kleinste sampang niet meer bevaarbaar. Op den linker-_ oever stapte ik aan wal en kwam weldra aan eene kampong, uit twee huizen bestaande en Kalamkoeboe geheeten. Op | eene zeer laag gelegene plaats deed ik onderzoek met den Chineschen steker, sjam genaamd. Dit werktuig, in mijn rapport over de Banka-tinmijnen reeds beschreven, bestaat uit eene 16 voet lange ijzeren staaf, eindigende in eene holle _ kegelvormige punt, waarvan aan de eene zijde de rand iets hooger opstaat dan aan de andere. Deze opening wordt met een lapje, daf aan een touw bevestigd is, gesloten, en dan _ langzaam in het te onderzoeken terrein, onder op en neder- E gaande bewegingen gestoken. Aan het geluid en het gevoel kan men bij eenige oefening, waarin de heer Herspeuan, ad- ministrateur van Soengijslan, mij onderrigt had, den aard der — verschillende lagen ten naastebij onderkennen. Twijfelt men, men verwijdert het lapje en de holle kegel vult zich met den op die plaats aanwezig zijnden grond, die men dan verder onder zoeken kan. Wanneer men over geene ruimere of meer te- zamengestelde middelen beschikken kan, acht ik, met de noodige voorzorgen, de sjam nog tot de beste middelen. te behooren, om een vreemd terrein tot op eene zekere diepte te onderzoeken. 4 Op 3 voeten diepte kwam men op eene laag witte pijp- of kaölin-aarde, die wel 40 à 11 voeten dik en onder welke eene laag wit grof zand gelegen was, hetwelk gewasschen ’ zijnde, volstrekt geen’ tinerts achterliet. Ook liet ik op on- derscheidene plaatsen een weinig grond uit2en 3 voeten diep-— te wasschen, zonder ander resultaat. Ik hield mij echter ver-… zekerd, en„de Chinezen bevestigden dit mijn gevoelen, dat, al ware hier tinerts gevonden, het toch hoogst bezwaarlijk zoude 4 zijn, om het op de Bankasche wijze te exploiteren, daar wegens de gelijkheid van het terrein , het benoodigde water van eenen — te grooten afstand moest aangevoerd worden. Een ander be- ij zwaar van geringeren aard, was, dat ook hier in den omtrek, geen hoog hout, om goede kolen van te branden, groeide. È Over het zelfde terrein voortgaande, kwam ik aan de kam- gf AN 3e 367 pong Kalamoe, groot 4 huizen, en na in ’tgeheel 5 à 6 pa- len gemaakt te hebben op Tandjong Pandang terug. De volgende dagen werden, met het maken van: toebereid- selen voor eene reis over Badau naar Blantoe doorgebragt. Ik begon met den depati dit mijn plan bekend te maken, die tegen het gaan naar Blantoe de grootste bezwaren had, zeggende, dat hij de menschen aldaar mistrouwde, en ik misschien vermoord, misschien door een langzaam werkend vergif ongelukkig zoude worden. Dergelijke geruchten had- den de Chinezen ook reeds in de kampong vernomen. | __Daar ik dacht, dat de depati wist, dat in dit distrikt tin- erts was, en door zulke bedreigingen slechts zocht mij van die plaatsen af te houden, zoo drong ik er te meer op aan, om mij hier heen te begeven. Ik werd hierin versterkt, door dat de depati den 23sten Oktober mij naar Tjeroetjoep ,de plaats waar het oude fort stond, en waarvan thans niets als eene wilder- nis meer te vinden is, liet roeijen, mij een paar gidsen (ka- swans) behalve de benoodigde 4 koelies medegevende, die, toen wij geland waren, verklaarden den weg naar Badau niet te kunnen aanwijzen. Onverrigter zake moest ik dus dien dag weder, terug keeren. Of dit nu toevallig was of voorbe- dachtelijk afgesproken en beredeneerd, durf ik niet beslissen. In allen gevalle was nu de tijd daar, dat ik den depati in krachtige bewoordingen moest te kennen geven, hoe ik wensch- te behandeld te worden. Ik liet onmiddellijk den ingebeij van Badau bij mij ontbieden, die dien van Blantoe dadelijk van mij- ne komst moest kennis geven en voor gidsen en koelies moest zorgen: op den 26sten Oktober werd alzoo de reis bepaald. Den vorigen avond liet de vrouw van den depati mij nog goed- gunstig waarschuwen om toch niet naar Blantoe te gaan, en zulks in geen geval, voor ik tijding van het hoofd van Blantoe had terug bekomen. LU Reis naar Badau en Blantoe. Des morgens ten 6, ure vertrok ik met 4 koelies en 2 ka- — wans, de beide Chinezen en den oppasser, die mij te Banka _ toegevoegd was. Mijne beide bedienden moest ik wegens ziekte achterlaten. Het voetpad was aanvankelijk redelijk, ofschoon er op sommige plaatsen één voet of meer water op stond. De \ bodem bestorid meestal uit grof zand, en was, zoo ver men Î zien kon, met laag hout en varens bedekt. Op 4 palen gaans ten oosten der hoofdplaats is eene rivier Soengie Raja gehee- ten, die in de Tjeroetjoep uitloopt. Hier was de grond mer-_ gelachtig en iets golvend. Op 2 en 9 voeten diepte bevatte de bodem eene uiterst kleine hoeveelheid eener zwartachtige | zeer fijne ertssoort, die aldra door de Chinezen voor koppong (valsche tinerts, die geen tin bevat) erkend werd. Nabij de | rivier, met de sjam beproevende, kwam men op eene zwart- à achtige pijpaarde (door de Chinezen op Banka ka genoemd), ® die op ruim Î4 voeten diepte niet veranderde, waarom men ® de proef hier ‘staakte. Wanneer er erts was, dan zoude het: | terrein hier toegelaten hebben om kollong te werken. Later heb ik de Chinezen wat hoogerop gezonden, als wanneer zij van ® nabij Soengie Pantjoer eene groote hoeveelheid koppong-erts mede bragten, een scheikundig onderzoek van welken later volgen zal. Ten 10!/, ure kwam ik te Trawas, eene kampong 3 huizen groot, ging z. o. op en had ten n.o. de bergketen van Tam- boeroean, die uit een vijftal weinig verhevene heuvels bestaat. Hier begint reeds het landschap uit niets dan vroeger bewerkte of nieuw opgerigte ladangs (hooge rijstvelden) te bestaan, wel= ke laatsten het een treurig aanzien geven; onwillekeurig toch komt de opmerking voor den geest, welke vernieling het vuur, in de handen van den mensch, kan veroorzaken. Hef spreide huizen bestaande, en had langs de kronkelende voet 969 paden naar berekening f5 palen afgelegd. Op het laatste eind van den weg beproefde ik in een tweetal beekjes, maar vond de eene keer slechts zand , de andere veel zand en een weinig pijp- aarde en dan daaronder zeer harden groven zandgrond (passir garam in het Maleisch genoemd). De grond bleef bijna zon- der verandering zandig, was slechts op zeer enkele plaatsen geel Jeemachtig , zonder eenige overblijfselen van ontleeden graniet. In den omtrek van Djankan, waar ik den nacht verbleef, vindt men eenige groote rolsteenen, uit grofkorreligen graniet, mis- schien porfier te zamen gesteld: het hout is veelal laag. Den volgenden morgen beproefde ik op verscheidene plaatsen in 2 beekjes, maar vond geen spoor van tinerts, meestal wit- te soms zwartachtige kleiaarde, dan gewoon zand en daar- onder soms dezelfde konglaag, als waarop te Banka de erts- laag gewoonlijk rust. Om 9 uur ging ik langs eenen weg, die door hooger hout dan ik nog gezien had loopt, naar Ba- dau. Op U}, uur afstand is eene vrij breede rivier, in welke thans door de droogte slechts 4 voeten water stond; hier lag de kong zeer laag, met klei- en zandlagen er boven, terwijl op Badau, dat van Djankan 8 palen afligt, de kong in eene put van 3 voeten diepte reeds te voorschijn kwam. Ik werd door den ingebeij zeer voorkomend ontvangen en nam in een voor mij ontruimd koelit- (boomschors-) huis mijnen intrek. Naar mijn gevoelen meen ik hier met de vermelding van elke boring met de sjam verrigt, te kunnen eindigen. Al- len zijn in mijn gehouden journaal omstandig opgeteekend, maar komen gewconlijk op hetzelfde neder. Dan eens is de bodem uit wat meer of wat minder zand, uit witte of geelachtige klei- en leemaarde zamengesteld, soms ligt de kong hooger, dan weder lager: waar hierop uitzonderingen gevonden zijn, ‘daar zullen deze omstandig medegedeeld worden. Zeker is het, dat het nog niet vinden van tinerts, mij ten hoogste ver- wonderde (daar ook ik bij mijne komst op Billiton in het denk- beeld verkeerde, dat de bodem rijk aan tinerts was) en mijne onderzoekingen verdubbeld heeft, gelijk ik de eer had aan zijne excellentie den minister van staat, gouverneur generaal k | | 870 mede te deelen den Îfden November 1850. Zoo bragt ik twee dagen in de omstreken van Badau, steeds nasporingen doende, door. De depati zond mij nog twee zij- ner broeders achterna, om mij nogmaals af te raden om naar Blantoe te gaan, of wel om, wanneer ik van deze reis niet af te houden was, zorg voor mij te dragen. Den JÔsten Oktober vertrok ik van Badau naar Blantoc. Na 4 palen afgelegd te hebben, kwam ik aan kampong San- datoe, genoegzaam z. van Badau gelegen. Hier in de nabij- heid loopt de ééne arm der rivier Tjeroetjoep, aan de gene _ kant van Badau de andere: beide ontspringen naar men mij zeide in den Goenong Tadjam. Nog Î1 palen verder, terwijl de weg niefs bijzonders opleverde, als dat hij vreesselijk slecht was, kwam ik aan een huis, in het midden eener ladang ge- legen, waar ik overnachtte. De grond blijft steeds zeer zandig: nergens kon ik een stukje kwarts of mica ontdekken, noch op de oppervlakte, noch met de sjam. Het oog stuit hier op eene aaneenschakeling van heuvels, van 5O tot 200 voeten hoogte. Deze heuvels bestaan, voor zoover ik opmerken kon, uit geene vaste steensoort. De tusschen hen gevormde valleijen 5 kunnen geen’ tinerts bevatten, daar de beekjes die er ontsprin-_ gen geen tinerts afvoeren, of in hunne beddingen bevatten, en ook de koelit-grond nergens bij wassching tinerts achterlaat. — Op verschillende plaatsen werden beide zaken dien dag on-_ derzocht. ' Den volgenden morgen vroegtijdig op reis gegaan, kwam, nadat ik 7 palen afgelegd had, een afgezant met volgelingen — van den ingebeij van Blantoe mij te gemoet. Hij was even als de volgelingen met lans, kris en eenigen ook nog met den — klewang gewapend, zeer voorkomend, en zoude op zijn uiter- ' lijk af‚ al dadelijk mijn vertrouwen gewonnen hebben, indien k/ hij niet, onmiddelijk na het afleggen der gewone komplimen- — ten, aan een mijner menschen gevraagd had, of het geweer, & dat ik altijd zelf droeg, ook geladen was, en geen antwoord gaf, toen hij vernam, dat ik het iederen dag met den Esp in hun- & ne tegenwoordigheid laadde. ' d Wij gingen den Goenong Mang, die ruim Î4 palen van de p ‘plaats, waar ik het laatst overnacht had, verwijderd is, over. De formatie van dezen berg is een jonge zandsteen. Hij vormé de afscheiding tusschen het distrikt Badau en het Oostelijke distrikt van den depati. Tot hiertoe is de bodem nog steeds zandig, verderop soms geel, klei- of mergelachtig van den _ontleeden zandsteen: soms ligt de kong zeer hoog, maar sporen van tinerts vindt men hier nergens. Ik verbleef aan den ‚voet van den berg, in een huis, kampong Tembali genaamd. | Den volgenden dag werden de Badausche tegen Blantoesche koelies verwisseld en ging ík weder vroegtijdig op reis. De weg was over het algemeen genomen iets beter dan de voor- gaande dagen. Na ruim f2 palen afgelegd te hebben, kwa- é _men wij aan eene kleine vlakte, door eene heuvelketen van voor zoover ik zien konde, 6 heuvels, van welke de hoogste 300 voeten hoog zal geweest zijn, ingesloten. De grond blijft, steeds fijn zandig welk zand minder het aanzien van zeezand heeft dan vroeger, soms met gele kleiaarde vermengd, welke echter volstrekt niet glibberig is. Na in het geheel 20 à 21 Bbalen afgelegd te hebben, kwam ik aan eene kampong van 2 huizen, Keloebi genaamd, waar ik verbleef. 4 Den 2den November vertrok ik van hier, en ging over eene vrij lange kunstmatige brug, de rivier Kemiri over, die de “grensscheiding is tusschen het distrikt Blantoe en het oostelij- Eke distrikt van den depati. De weg liep genoegzaam den E eheelen dag over ladangs (het distrikt Blantoe is een der meest bevolkte), naar berekening wel 24 à 25 palen. Nabij Blan- toe komende, werd de landstreek heuvelachtiger , en men onderscheidt er eenen berg, die wel 600 voeten hoog zal zijn. |Mijn gevolg groeide tot een 40tal personen aan, daar uit Wel huis waar ik langs kwam, een of meer personen, om mij eer te bewijzen, zich er bij voegden. Zoo kwam ik on- verwachts voor eene hooge palissadering, aan de vier hoeken met wachthuisjes voorzien, binnen welke het huis van den lingebei van Blantoe zich bevond. Hier eenige vrees te toonen zoude onvoorzigtig en ook on- HIL | 99 gur 872 noodig geweest zijn: teruggaan kon ik niet, en stapte dan ook maar de benting binnen. De zoon van den ingebei kwam mij hier te gemoet en noodigde mij uit in huis te komen, daar zijn vader oud en ongesteld was. Dit huis was aan beide zijden met groote metalen lilla’s gewapend, die, zooals ik nader bemerkte, op de praauwen gebruikt worden. De ingebei heeft een zeer gunstig uiterlijk. Hij begon met mij om vergeving te vragen, indien hij eenige lompheid jegens mij mogt begaan , daar hij, zooals hij zeide, tot de boschmenschen behoorende, niet beschaafd genoeg was _ om met Europeanen behoorlijk om te gaan. Een huisje buiten de benting werd mij tot verblijf aange- wezen; ook dit maakte weder mijn wantrouwen gaande, daar in de benting ook nog een ledig huisje was. Ik wilde voor mij en de mijnen rijst laten koken, maar de ingebei stond er op om hier zelf in te voorzien, iets dat ik, hoewel hem _ wantrouwende, niet durfde weigeren. Ik nam dit aanbod dus aan, maar verlangde dan ook, dat voor mijne volgers te vens zou gezorgd worden, dieik allen bij mij verzocht, en ik wist toen de voor mij bestemde spijzen met die der koelies | te verwisselen. Ook des nachts was ik meer op mijne hoede dan gewoonlijk. Reeds vroegtijdig ontving ik den volgenden morgen een be- zoek van den ingebei en familie. Van dezen man vernam ik eenige bijzonderheden, die ik misschien anders niet te weten zou zijn gekomen. Zoo deelde hij mij mede, dat de inge= bei’s niet bezoldigd werden, maar een deel der rijstopbreng t in hun distrikt ontvangen. Verder, dat een gedeelte der ml | woners in hun distrikt eenen zekeren tijd in het jaar verpligt zijn, tegen vrijen kost voor hen te werken. Het distrikt Blan- toe, zeide hij mij, —en dit is genoegzaam over het geheele ei- land het geval, — bevat geene eigenlijke kampongs; de inwo= ners slaan de huizen in de elk jaar bewerkt wordende ladangs op. De voetpaden worden alzoo elk jaar verlegd, daar zij steeds zoo veel mogelijk langs de woningen leiden. Daaraan kan men de weinige zorg voor begaanbare wegen toeschrijven, 373 en ook het onbegrijpelijk kronkelen dier paden, terwijl ook de beste gids zich meermalen in den weg vergist. Het dis- trikt Blantoe zoude 100 huizen bevatten. Over de orang sekah in zijn distrikt repte hij geen woord. Ik. ging naar de rivier, ruim !/, paal van de benting ver- wijderd, over eenen uit wit zeezand (soms met eenig zwart- nn a en achtig zand vermengd) bestaanden bodem. De Chinezen gingen naar een beekje niet ver van de benting, waar zij op 4 voe- ten diepte reeds eene roodachtige kong vonden, en hierboven eene fijne, eenigzins roodachtige aarde. Hiervan waschten wij drie klapperdoppen vol en verkregen eene zeer fijne helder- zwarte ertssoort, die ook dadelijk voor koppong-erts erkend werd, jn hoeveelheid volgens mijne berekening naauwelijks , wigtje. _ Volgens hun gevoelen was dit, indien dan al de erts goed ware, niet alleen te weinig om met voordeel bewerkt te kunnen worden, maar zelfs om het zout in de rijst te verdienen. Later vernam ik, dat uit deze streken vroeger 4 mandjes erts verzameld en naar Muntok gezonden waren, ten einde gesmolten te worden, ‚ hetgeen de vader van den jaksa ondernomen heeft, welke den erts voor koppong verklaard had, daar’ hij geen spoor van tin opleverde. __ Den Aden November werd ik door des ingebei’s zoon en ver- der gevolg in eene praauw noord op, naar Fandjongpandang malen bij harde windvlagen met de zwaar geladene praauw oesten ankeren en eerst den Sden November in den na- Ie Meermalen vroeg ik mij af, wat den depati toch wel bewo- gen had, om mij de reis naar Blantoe, waar ik zoo goed ontvan- gen was, zoo bepaald af te raden, en deze als zoo gevaarlijk te beschrijven. Later vernam ik, dat hij geslagen vijand is met den ingebei, en wel om reden, dat deze laatste van zijne vrouws zijde aan Mas Aaors, het hoofd der Lepar-eilanden, naauw verwant is, en hij dus liever had, dat ik daar niet ging, het- zij dat hij bang was, dat ik met zijnen vijand ééne lijn zoude trek- ken, hetzij dat hij hoopte, dat, als ik het gouvernement kennis 974 gaf, dat ik te Blantoe niet had kunnen komen, de ingebei en _ verdere familie uit het bestuur, misschien van het eiland, ver- E wijderd zouden worden. ' Hoe het zij, ik wenschte mij zelven bij mijne terugkomst ge- À luk, dat ik mij aan alle deze praatjes niet had gestoord: was ik nief naar Blantoe gegaan, het ware eene groote leemte in mijne reis, en voor hen, die blijven beweren, dat Billiton rijk Ee: aan tinerts is, een schoon punt van aanval geweest. Zoo was ik, die in het vertrouwen, dat er veel tinerts op À Billiton te vinden zoude zijn, naar dit eiland toeging, geheel in mijne verwachting bedrogen. Ook de Chinezen deelden mij bij de terugkomst van dezen eersten togt mede, dat zij zich schaamden, als zij geenen erts vonden, bij hunne landgenooten — te Blinjoe terug komen, daar ook op Banka overal beweerd werd, dat Billiton rijk aan tinerts is, en men alzoo aan hunne kennis of wel werkzaamheid zoude gaan twijfelen. Reis naar Sidjoek en Boeding. Den 18den November in den vroegen morgen vertrok ik vand Tandjongpandang, door hetzelfde personeel als vroeger verge= zeld, en ging n. o. op over eenen zeer zandigen bodem, die geheel met karmoentingstruiken begroeid was. Na 7 palen gaans kwam ik aan eene kampong van 2 huizen, die Assamlobang heet, waar in de nabijheid een klein beekje stroomt, waart ik boorde: ik vond slechts witten zandgrond of nog fijne loopzand en daaronder onmiddellijk witte kong. Nabij deze | vond ik, 3 voet onder deu beganen grond, sporen van fijnen kop- pong-erts. Hier zoude, wanneer deze erts werkelijk tinerts was; naar der Chinezen oordeel, misschien een koelit-mijntje van à 6 man en 2 bandars (waterleidingen) de onkosten goed kun- nen maken, omdat er, volgens de kampongbewoners, steeds EES d ki id ge 875 overvloed van water is. In de beek zelve kon men niet be- ‚ proeven, daar het water er te hoog ín stond. Nergens in den | omtrek kon ik iets dat tinerts was of aanduidde ontdekken. De- ze kampong is van zee p. m. 2 palen verwijderd. __ Den volgenden morgen liep ik stellig 19 palen ver, door uit- gewerkte ladangs, zonder één huis te zien. Steeds blijft de _grond zandig. Hierop volgt een nog slechtere weg door een ‚ boschje, waarin vele beekjes overgetrokken moesten worden, over hoogst moeijelijk te bégane kunstbruggen. Die beekjes be- vatten geen van allen tinerts: overal is vrij grof zand gevonden en daaronder de kong. De koelitgrond bevat nergens een spoor van tinerts. Wederom eenige groote graniet-rolsteenen gezien, en in hunne onmiddellijke nabijheid kleine kwarts of feldspaath- stukjes gevonden, stellig hunne ontledingsprodukten. Op en- kele plaatsen heb ik hier ook kleine stukjes roodijzersteen. getroffen, door dater vroeger ijzererts bewerkt werd. Het ter- gezien, alsmede ook ijzerslakken, beiden waarschijnlijk daar aan- rein wordt iets golvend, doch de hoogten bedragen niet meer dan 48 à 20 voeten. Hier zag ik den eersten bamboestoel. Na vl dag in het geheel 18 à 20 palen afgelegd te hebben, „bevond ik mij aan de benting van den ingebei van Sidjoek, die ij ook zeer voorkomend ontving. ‚De monding van de rivier Sidjoek is van hier 8 palen, de kampong Sidjoek (3 huizen) 3 palen verwijderd. | Den Aöden November ging ik den omtrek der benting met de ( hinezen onderzoeken. Ik ging ruim 2, paal zeewaarts op ak zag vele rolsteenen van zeer groven Braniet, De A) / t ting, iets belangrijks ge en van tinerts geene sporen. if Den volgenden dagtrok ik, om naar Soengei Padang te gaan, twee armen der rivier Sidjoek over. In een dezer armen met „den sjam borende, stootte men tweemalen op rolsteenen, die bier in massa verspreid liggen: ik drong tot op 16 voeten iepte in de kong door, door zand, dat steeds grover werd. E koelitgrond werd meermalen vruchteloos gewasschen. Ook ij paste ik dien dag eene regthockige ladang af‚ die voor twee huis- « 376 gezinnen of zes personen, voor een jaar voldoende rijst moest opbrengen: ze was p. m. 400 passen langsen 225 passen breed. Na í2 jaren kan dezelfde grond weder gebezigd worden, Zeven- tien palen afgelegd hebbende, kwam ik aan een huis, %, uur roeijens van de monding van Soengie Padang gelegen, waar ik verbleef. De rivier zal hier 50 passen breed zijn. Den 1Î7den November de rivier uitgeroeid zijnde, zag ik, dat de ingang, even als de geheele kust, met vele ontzaggelijke rots- massa’s bezet was. Strand is hier niet, maar alles modder- grond. Teruggekeerd zijnde liet ik de Chinezen de rivier op- varen. Na Î!, uur roeiijjens konden zij niet verder komen. Aan geen’ der beide boorden van de rivier, noch overal in den omtrek, waar ik verbleven was, was tinerts te ontdekken. Den volgenden dag de Soengie Padang overgestoken zijnde, liep ik 9 palen en kwam aan de kampong Parak, de grensschei- jj ding tusschen de distrikten Sidjoek en Boeding. Van hier kon ik < den Goenong Tadjam, den hoogsten van Billiton’s bergen, zeer — goed onderscheiden. | Ik trok verder twee kleine beekjes over, die zich in de #i Soengie Boeding, — welke in den Goenong Tadjam ontspringt, — uitstorten. In een hunner werd met den sjam gestoken. De _ zandige grond, die over den geheelen afgelegden weg zeer fijn — en soms iets geelachtig gekleurd was, tot op 6 voeten diep-_ te door zijnde, stootte men op eene laag, die slechts 3 dui- — men dik was, maar vele kwarts- en feldspaath-stukjes bevatte. Bil Hier had men veel reden om tinerts te verwachten: onvermoeid werd dus op verschillende plaatsen iets van deze laag met den sjam naar boven gehaald, maar zelfs niet eene enkele maal hield — men na wassching eenig spoor van tinerts of koppong over. On-_ der deze laag lag onmiddellijk de kong. Na dezen dag in het geheel 20 prien gemaakt te hebben, kwam ik in kampong _ Semoenjoe, 2 huizen groot. bp, Den 18den November ging ik Î!/, paal o. op naar de Soen= gie Djamat, die ook in de Soengei Boeding zich uitstort. Ruim Î uur gaans hooger op van de rivier lag weleer het huis van den ingebei van Boeding, die sedert een jaar van woon. TRT _— 877 plaats veranderd is. Ik roeide dus eerst de rivier ruim !, uur lang af‚ als wanneer ik in de Soengie Boeding kwam, die hier p. m. 80 passen breed zal zijn. Nog 1/ uur roeijens verder, en ik had ten oosten de Soengie Gomba, die wij ingingen. De monding van Soengie Boeding is een uur roeijens van hier. Na nog 5/, uur geroeid te hebben, stapte ik aan wal, als wanneer nog 2 palen tot aan het huis van den ingebei afgelegd moesten wor- den, welk huis, te midden eener nieuw aangelegde ladang zeer onlangs opgetrokken was. Ik werd voorkomend door den ingebei ontvangen, die mij voorkwam de minst schrandere van alle Billitlonsche hoofden te zijn, en die uiterlijk meer van een? koelie dan van een distriktshoofd heeft. Het onderzoek naar tinerts in deze omstreken, had geene betere resultaten dan vroeger. Door laag bosch liep ik den volgenden dag, zonder eene enkele woning te ontmoeten, een {2-tal palen tot aan kampong Moedoe. Onderweg geen’ tinerts gevonden. Eenmaal op het vroeger ont- dekte laagje kwarts- en feldspaath-stukjes gestooten , doch ook hier was er geen tinerts in te ontdekken. De onderliggende kong was hier geelachtig gekleurd. De oppervlakte van den grond is hier nu eens zandig, dan weder ligt geel gekleurd klei-of mergelachtig. Ik trok eenen kleinen heuvel om, die geheel uit ijzererts scheen te zamengesteld, welke erts niet magnetisch was, maar toch zeer geacht werd. Zes palen verder bevond ik mij jn kampong Seroe, waar ik in een ellendig en verlaten huis _ overnachtte, nabij den Goènong Seroe, die 150 voeten hoog zal zijn, en ten zuiden der kampong ligt. In eene put zag ik hier gele klei met roode aderen, even als ook wel op Banka ge- vonden wordt, welke dáár, even min als hier, tinerts bevat» door de Chinesche mijnwerkers zapkong geheeten en door hen op Banka nergens bewerkt wordt. Deze kampong be- grenst ten zuiden het distrikt Boeding, ten noorden het oos- telijke distrikt van den depati. Den 24sten November ten 6 ure op reis gegaan zijnde, fegde ik 11 palen af door een uitgestrekt bosch, waar sedert jaren geene ladangs bewerkt worden, dewijl de vroegere inwoners verhuisd 978 waren. Het bevatte eenige hooge boomen, waaronder kajoe melan- ti, waaruit de dammarhars verkregen wordt. De bodem is steeds zandig. Bij uitzondering ziet men ligt-geel gekleurde leemaarde. Nergens bevat de koelit tinerts. Ook onderzocht ik in een beekje, datin de Soengie Mangar zich uitstort, alsmede in eene der ar- men van Soengie Mangar, die ik overtrok, zonder ander resultaat. Op deze laatste ging de boor eerst door zand, waar een weinig leemaarde op volgde, daarop fijn zand en daaronder de kong op wel 6 voet diepte, in het laagste gedeelte der rivier. Des namiddags, na 22 palen naar gissing afgelegd te hebben, eerst o. opgegaan zijnde en daarna 4 palen n., kwam ik aan een huis in eene ladang, waar men mij zeide, het digst mo- gelijk bij den Goenong Boerongmandi te zijn, maar er nog wel, indien men den berg bereiken kon, een dag gaans af te wezen. Er bestond geen weg, van welken kant men ook den berg bereiken wilde, naar men mij hier zeide, en om dien te maken, dit was in dit jaargetijde bijna onmogelijk, daar — de omstreken van den voet des bergs zeer laag zijn. In de nabijheid van dit huis werd geen’ tinerts gevonden. Het is hier de plaats om te vermelden, aan welke mislei- dingen men op eene dergelijke reizen al niet blootgesteld is. Naauwelijks was ik op Billiton te Tandjongpandang aange- komen, of een zeer oude man had zich bij de Chinezen vervoegd , verklarende Bankanees te zijn, weleer mandoer” der mijnen in het distrikt Jeboes, ten bewijze hiervan chi neesch sprekende, en met den heer Brerscuur op Billiton te zijn gekomen, waar hij later als koopman is blijven wonen. Hij zeide den Chinezen vertrouwelijk, dat hij wel wist waar tinerts te vinden was en bewerkt was geweest, maar het niet durfde zeggen, daar de depati hem dan zoude doen — vermoorden. Ik liet hem bij mij roepen, maar hij durfde uit vrees voor den depati niet komen, waarop ik op ze- — keren avond zelf hem ín de kampong bezocht. Door het be- B 379 aanwees, en in het laatste geval ook vrije passage naar- en _ toestemming om op Banka te blijven wonen, haalde ik hem over, om mij op reis te vergezellen. Bij mijn vertrek voor ‚de eerste reis over Badau en Blantoe, was hij ziek, of wel deed hij zich ziek voor, zoodat hij toen niet mede kon gaan. Op deze tweede reis bleef ik er op aandringen, vooral daar hij zeide, dat hij op den Boerongmandi de slakken van vorige smeltingen ‚ van tinerts wist aan te wijzen, en verleidde hem om mij te vergezellen, door hem een klein voorschot in geld te geven. Maar hoe was ik bedrogen en verontwaardigd, toen hij, in de nabijheid van de laatste kampong gekomen, niets van den weg afwist, mij zelfs eens een viertal palen mis liet loo- pen, en op mijn herhaald aandringen, eindigde met te ver- klaren, dat hij zelf er wel nooit geweest was, maar het al- leen van hooren zeggen had: zelf had hij nooit de bedoel de tinslakken gezien. Den hoogen ouderdom van dien man in aanmerking nemende, liet ik de zaak hierbij. Het was echter eene les, om in dergelijke gevallen inlanders geen ver- trouwen te schenken. Van het laatste ladang-huis dus niet verder naar den Goenong Boerongmandi door kunnende dringen, besloot ik den 22 sten November terug te keeren. Ik moest alzoo denzelfden fweg terug, en kwam aan een der oevers van de Soengie Mangar , die ik in eene kleine sampang afvoer tot in de hoofdrivier , zijnde 2 uren roeijens. Hier moest van praauwtje verwisseld worden, hetgeen eenige uren duurde voor de nieuwe eige- naar opgezocht was. Tegen 4 uur des namiddags roeiden wij de groote rivier af, maar landden ten 8 ure des avonds, daar de kleine praauw te lek was, om geladen den ganschen nacht te blijven liggen. Al spoedig maakten wij vuren aan, kookten rijst en vleide ik mij op het zand onder den bloo- ten hemel neder, in mijnen mantel gewikkeld, die mij voor den stofregen dien nacht vrij wel beschutte. * Den volgenden morgen om 6 uur weder in de praauw gegaan zijnde, kwam ik om 10 uur aan de monding der Man- gar-rivier, waar de zee aar beide zijden een schoon strand 580 ‚_ van zuiver zand vormt. Alras roeiden wij verder langs het strand noord op naar Tandjong Boerongmandi, waar de praauw | van den depati, die ik verzocht had dat daar gezonden werd, reeds op mij wachtende was. Vier uren zeilens waren voldoende _ om mij nabij deze kaap aan wal te zetten, alwaar ik weldra ontdekte, dat het anders witte zeezand op sommige plaatsen _ eene grijsachtige kleur had, zooals men ook dikwijls op de | Bankasche stranden waarneemt. Hier is een klein riviertje , | Soengie Lolo genaamd, dat in den Goenong Boerongmandi ont- _ springt, maar door eenen dam van zand geheel toegespoeld was. — In den bodem van dit riviertje was niets als zuiver zand — te herkennen, hetgeen voorzeker vreemd zoude voorkomen, wan- | neer de berg tinerts bevat. Het werd als eene onmogelijk- heid beschouwd om van hier den berg te genaken, daar mijn personeel te klein was en de middelen ontbraken om eenen — weg te kappen, alsook daar de zeezijde van den berg geheel _ met borangs (scherpe bamboezen of ander hout, in den grond Ì gestoken om den vijand te kwetsen), tegen de zeeroovers,_ die hier het wonen vroeger zeer onveilig maakten, beplant was. Hoe ik de zaak dus ook aanlegde, ik moet het tot mij ne smart erkennen, de berg bleef voor mij in dit jaargetijde — en met de mij ten dienste staande middelen , ongenaakbaar. Op het strand voor de kaap, vond ik U, voet onder het | zeezand een’ fijnen erts, die moeijelijk, wegens hare ligtheid, goed te spoelen en duidelijk laagsgewijze afgezet was. Ik liet een gat graven en verzamelde weldra !/, pikol gewasschen erts, — welk gat spoedig door het opwellende zeewater vol liep of — instortte. Met de boor kon hier dus ook niets uitgevoerd worden, daar bij elke opgaande beweging, het gat zich met loopzand vulde. De kaap zelve, die uit eenen 30 voet hoo- — gen grond van roodachtig gele aarde bestond, beklom ik, on- PN derzocht dien grond en bevond, dat de fijne erts waarschijn- — lijk door het regenwater van haar afgespoeld was, daar — deze grond ze ook bevatte. dl 4 Talrijke verbazend groote granietblokken lagen hier op en_ voor de kaap verspreid. Tegen den avond stapte ik aan Se Pik Ee peen söl boord der praauw van den depati en ging noord op. Ten noorden der kaap ligt de Goenong Boerongmandilawut, ter onderscheiding van den achter haar liggenden Goenong Boe- rongmandidarat. Zoo komt men verder voorbij Telok On- tong (vrij vertaald: baai van geluk, “waar weleer een hoofd der zeeroovers zijn verblijf hield en waar zij bij vervolging eene veilige schuilplaats vonden), dan voorbij de Soengie Pring, die de grensscheiding tusschen Boeding en het oostelijke distrikt van den depatiis. Ik had toen gelegenheid op te merken, hoe gehard en gespierd de orang sekah zijn, die als matrozen op de praauw dienen. Jongens van {2 à Î4 jaren zaten 36 uren bijna onafgebroken aan de lange riemen. Den 2östen Novem- ber kwam ik te Tandjongpandang aan. Reis naar den Goenong Tadjam en Soengie Lingga. Den 5den December in den morgenstond aanvaarde ik de reis naar den Goenong Tadjam, genoodzaakt zijnde den oppasser en den ouden Chinees wegens zware koortsen achter te laten (een mijner jongens was weder hersteld). De weg leidde weder, even als toen ik naar Badau ging, eerst over Trawas, maar wegens de vele regens was het riviertje Ajer Raja zoo ge- zwollen, dat de vorige weg nu niet gevolgd kon worden. Ik ging dus wat noordelijker op, waar eene brug was, die wij overtrokken, echter nog tot aan de borst. door het water wa- dende. Ik ging nog 4 palen verder, onder eenen vrees- selijken stortregen, tot kampong Ajerboelokklekkabaroe, uit 2 huizen bestaande, waar ik verbleef, Den volgenden dag werd ik door den gids, een’ Balinees, die sedert lang op Billiton woonde, zeer misleid, daar hij, ofschoon drie dagen vroeger van den Goenong Tadjam gekomen, zich in den weg vergistte. Hij bragt mij tot voor den berg Tamboeroean, toen wij weder terug moesten, altijd onder eenen harden regen. Ik gaf hem mijn misnoegen hierover eenigzins gevoelig te ken- 302 nen, in tegenwoordigheid van allen die mij volgden, beval hem, zich nimmermeer bij mij te vertoonen en liet mij van huis tot huis door eenen gids vergezellen. Toen kwam ik na 7 palen gaans weder langs eenen omweg in kampong Ajerboeloe- tombang, die, als men den juisten weg volgt, slechts 3 palen van de plaats waar ik overnacht had, verwijderd is. Den Zden December liep ik door bewerkt wordende en af- gewerkte ladangs op den Goenong Tadjamiaki aan. Ik moest ver- scheidene beekjes tot aan den buik of de knieën doorwaden. De grond bleef steeds zandig. Ik zag een paar weinig verhe- vene heuvels, die granietrolsteenen aan hunnen voet had-_ den liggen. Ik trok alzoo 4 kampongs, elk van 2 á 4 hui- | zen door en den Goenong Tadjam van w. tot n. om. Hier komt men aan eene vlakte, welke uit het zuiverste witste zeezand | bestaat, en, waar alleen een bijzonder laag struikgewas, geen enkele boom of andere plant, groeit. Hier lag ook veel rood- ijzersteen in grootere en kleinere stukken verspreid. Dien dag 90 palen gemaakt hebbende, kwam ik aan een huis ten n. van den Goenong Tadjam gelegen. | Het regenachtige weder weerhield mij, om dien dag nog den berg te beklimmen. De Chinees onderzocht de kleine beekjes, die van! den berg afstroomen, en de lage streken in de nabijheid. Hij_ kon geen’ tinerts ontdekken. De grond bestaat hier hoofdzakelijk ‚uit eene gele leemaarde. Vele rolsteenen, geene grootere, meestal kleinere, die uit zandsteen bestaan, worden door die stroompjes medegevoerd of afgezet. Geene ontledingsprodukten van graniet hier aangetroffen. Beide omstandigheden deden alras vooronderstellen, hetgeen mij den volgenden dag duidelijk werd, dat de hoofdformatie van den berg geen graniet, maar zand- steen zoude zijn. 4 Den Yden December begaf ik mij ten 5, uur naar den berg. Ik ging z. op, over eenen vlakken bodem, toen ik eenen berg bereikte, die hier voor den Goenoeng Tadjam ligt. ) Deze berg moest eerst beklommen worden, en zal volgens mijne berekening wel 1000 voeten hoog zijn, zoodat men uit het huis, waar ik overnacht had, alleen dezen berg, en niets van 805 den Goenong Tadjam zien kon. Mijn barometer ontsteld zijnde, was achter moeten blijven. Den top van den eersten berg be- reikt hebbende, moest men weder %5 van zijne hoogte dalen en toen den Goenong Tadjam bestijgen. Deze berg is volgens de inlanders 250 vademen hoog. Ik zal hem op 1200 voeten stel- len. Van den voet van den eersten berg tot aan den top van den Goenong Tadjam zal de weg wel 8 palen lang zijn. Op zijnen top gekomen, zag ik aldra de drie graven van Arabieren, die jaren oud zijn en zeer in eere worden gehou- den, en voor welke alzoo eerst gebeden en gewierookt werd. Het kostte vrij wat moeite, eer ik de koelies overgehaald had, om die boomeu, — welke het gezigt uit den hoogen boom, dien ik beklommen had, beletteden, — om te kappen, daar zij meenden, dat hierdoor heiligschennis begaan werd. Ik peilde nu de punten, die ik zien kon of bij name ken- de, gelijk hierboven reeds medegedeeld is. Boven is de berg uit eene gele klei- of leemaarde zamengesteld. Op zijne helling ontmoet men vele steenen van eenen zachten geelach- tigen zandsteen, en blijkt het ook op vele plaatsen duide- lijk, dat deze steen de vaste massa des bergs uitmaakt. De medegenomene exemplaren kunnen mijn oordeel staven. Aan den voetdes bergs vindt men veel roodijzersteen. Na een ver- blijf van 3 uren op den top werd de terugreis aangenomen. De weg, die over den berg leidt, is onbeschrijfelijk slecht en moecije- lijk. De berg wordt slechts zeer zelden beklommen, zoodat de meeste Billitonnezen, die ik sprak, nooit op zijnen top waren geweest. Een Europeaan was nog nooit in de bin- _ nenlanden geweest, en had dus veel minder den berg bezocht. Zeer vermoeid kwam ik in den namiddag in de reeds ge- noemde woning terug, en werd een koortsachtig gevoel ge- b | “waar, dat ik aan het steeds door en door nat zijn gedurende de vorige dagen, toeschreef. Den volgenden dag vertrok ik van daar. De weg leidde eerst door een bosch, waarin enkele groote boomen en bij- zonder veel bankoean (eene tot de Cycadeën behoorende plant) gevonden wordt, waarna men den eenen arm van de Soen- ar 3 _ k hi % … 904 gie Boeding overstak, die in den Goenong Tadjam ontspringt. Hier kon men niet onderzoeken, daar het riviertje, geheel _ met zandsteen- rolsteenen opgevuld was. Na 5 palen kwam men in eene vlakte, welke voor een klein gedeelte met gele klei- of leemaarde, even als het bosch, dat er geheel uit be- | stond, met veel zand gemengd, te zamengesteld was. Verder op vond men niets als zeer zuiver wit zand. Geen’ enkelen boom of plant ziet men hier, behalve eene tjemara, die ge- woonlijk alleen aan het zeestrand groeit. Ten z. z. w: had ik eene lage bergketen in het gezigt, waarvan de Goenong Sepong den hoogsten heuvel vormde. In het geheel 12 pa- len gemaakt hebbende, kwam ik aan kampong Boeding,_ weder behoorende tot het distrikt Boeding. Ik was toen steeds oost opgegaan. Nu werd de Goenong Sepong geheel omgetrokken. Het terrein bleef bijna zonder uitzondering even zandig. De onderzoekingen naar tinerts leverden niets bij- zonders op; alleen negatieve resultaten. Na 22 palen afgelegd — te hebben, kwam ik aan kampong Kajoeararambej, 9 hui- zen groot, waar ik verbleef. Den Îlden December vroegtijdig op reis gegaan zijnde, be- zocht de koorts mij weder nadat ik had drie palen afgelegd. Nog 4 5 palen moest ik over een gelijk terrein als dat van den vorigen E dag voortgaan, toen ik het eerste huis bereikte, in eene zeer 4 onlangs aangelegde ladang gebouwd en kampong Baroe ge- heeten. Den volgenden dag ging ik weder 9 palen verder. Ik trok twee armen der Soengie Lingga over, die in den Goenong Badau ontspringt, en kwam toen aan kampong Lingga, waar ik dadelijk tegen betaling eene handelspraauw van Blantoe preste_ om mij de rivier uit te brengen, waar volgens de afspraak, del praauw van den depati reeds 2 dagen op mij had moeten — liggen wachten. Nergens zijn, uit vroegere vrees voor de d zeeroovers, wegen van het strand naar de binnenlanden ge- maakt, terwijl om die reden dan ook eerst op eenen behoor lijken afstand van het strand, inwoners en ladangs gevon= den worden. Geene andere praauw was er aanwezig. Te-_ 985 gen den avond bereikten wij de monding der rivier, maar de praauw van Tandjongpandang was nog niet aangekomen. Daar die echter niet lang meer achterwege konde blijven , zoo zond ik de handelspraauw op dringend verzoek van den eige- naar terug, en vleide mij in eene brandende koorts, onder eene katjangmat, op het strand neder. Den f3den bezocht de koorts des morgens reeds vroeg mij weder. Tegen 8 uur kwamen drie praauwen met orang sekah aan wal: zij waren 18 man sterk. Het hoofd der praauwen kwam mij, onder de mat liggende, bezoeken. Een mijner volgelingen zeide mij, dat hij Ma Corrie heette, die met Ma Mina, Ma RanrJan, Pa Morpa en Ma Srrar, des depati’s bevelen niet hadden willen gehoorzamen, dezelfden, over welker rooverijen door den depati aan het bestuur te Banka geklaagd was. Hij bezag mijne wapens en vroeg om rijst te koop, dat ik weigerde, daar het overblijvende naauwelijks voor twee dagen meer voldoende was, waarop hij met de zijnen vertrok. Des avonds waren $ groote sekah-praauwen, waarvan 2 de rivier instaken, misschien om mij, wanneer er iets voorviel den af- togt over land door het bosch af te snijden, in het gezigt. Zij schenen tot het donker was te willen wachten met te landen, en kruisten op !/, mijl afstands voor de plaats, waar ik mij be- vond. Ik liet verscheidene vuren aansteken, en besloot om het uur wacht te laten houden, zelf, — de koorts was geweken, — het eerste voorbeeld gevende. Het weder werd vreesselijk storm- achtig, het stortregende den geheelen avond, zoodat wij allen maar moesten zorg dragen, dat ons eenigste beschutsel, de katjangmat, niet weg woei. De praauwen konden bij dit weder toch onmogelijk landen en waren den volgenden morgen een gezigt ver terug geslagen. Den Î5den December bezocht de koorts mij weder; de me- degenomene rijst was nog voor dezen dag voldoende; het zout was reeds den vorigen dag opgebruikt, maar in de zee, die voor ons lag, was genoeg voorhanden. Als ware schipbreukelingen, was reeds honderd malen naar de plaats van waar de praauw moest komen gekeken, toen ten Î ure de praauw van den 366 depati, vlag in top hebbende, herkend werd, welke praauw, wegens slecht weder en tegenwind, Á dagen langer reis had gehad, dan men berekend had. Wij scheepten ons zoo spoedig mogelijk in, en bevonden ons (ten noorden weder het eiland om moetende, daar de westmoesson de zuidelijke passage moeijc- | lijk en langdurig maakte) den Î7den December weder te Tan- djongpandang, waar ik door het gebruik van kinine de koorts weldra verjoeg. E Ik beschouwde nu mijne reizen over Billiton als geëindigd, hebbende ik het eiland in drie verschillende rigtingen doorkruist. Daar er geene Nederlandsche vaartuigen in de Billitonsche wa- teren gestationneerd waren, zoo besloot ik met de op het ein-_ de van elk trimester van Billiton naar Toboalij vertrekkende E praauw , om rijst en het traktement van den depati te halen, mede te gaan. Ik was alzoo niet weinig gelukkig, toen ik op den 2ásten Á December, hoewel in eene zeer lekke praauw en bij ongunstig weder, mij inscheepte en het eiland Billiton verliet. Dit zal niet toegelicht behoeven te worden, als men nagaat, welk een ellen— dig land ik doorreisd had. Een groot gedeelte van den dag moest men over zeer slechte voetpaden te voet gaan, met het hoofd gebukt, om toe te zien, op welke plaats men den voel nederzette, zonder eenige afwisseling in het afgrijsselijk leelijke landschap, gewoonlijk nog minder smakelijk gevoed, dan de minste koelie te Batavia, in ellendige huizen of onder den blooten hemel den nacht doorbrengende, die voor mij des avonds ten 6 ure begon, daar wegens de muskieten geen licht kon aan- gestoken worden en een verpestende rook deze plaag alleen kon afweren. Verder deed zich dagelijks meer het gebrek aan één eenig persoon slechts, met welken ik spreken kon, met | wien ik over alle die ongemakken kon schertsen, gevoelen, vooral daar op de togten noch lektuur, noch eene eenige zaak die voor den Europeaan gemak aanbrengt, mede genomen _ kon worden, zoowel wegens de wijze van pikelen (dragen) in de kleine mandjes, — waarin alles bij regen doornat werd, hoe __men ze ook verzorgde, — als door gebrek aan koelies. zi Pe e ; | 887 Den 27sten December kwam ik, na eene reis van ongeveer Á dagen en 3 nachten te Toboali aan. Om van hier over zee naar _ Muntok te gaan , dit durfde ik met de oude ranke praauw niet on- | | | dernemen: het was reeds een klein waagstuk te noemen om met haar van Billiton over te steken. Onophoudelijk toch moest het water door één, soms twee menschen te gelijk, uit haar geputst worden. Eene andere praauw was op Toboali niet _ aanwezig, zoodat mij niets anders overbleef dan de reis naar Mun- tok overland te maken. Dienzelfden nacht vingik die dan ook aan, maar vorderde wegens gebrek aan koelies voor mijne goederen, die niet vooruit besteld konden worden en wegens vele zieken en sterfgevallen alsmede door het pressen voor de militaire operatiën, schaarsch waren, zeer langzaam. Ik zag toen in, dat het niet mogelijk was om de mailboot, die in de eerste helft van Januarij Muntok aandoet, aldaar nog aan te treffen, en reisde dus minder gehaast over de distrikten Koba, Soengislan en Pankal pinang. Van deze laatste plaats ging ik over Roemah bakon, waar het hoofdkwartier van den majoor _kommandant der Bankasche expeditie was, naar Kotta waringin, van waar ik met eene praauw, na 2 dagen en 2 nachten reis over zee, den 23sten Januarij 1851 te Muntok aankwám , en verder met de mailboot den 9den Februarij van daar vertrok, „waarna ik den 40den dier maand te Batavia wederkeerde, na eene afwezigheid van bijna 5 maanden. 4 ' Geologische beschrijving van Billiton, met Banka en het wèl of niet aanwezen van tinerts in verband gebragt. : Een terrein geologisch te beschrijven is geene ligte zaak. Hoe verder men in de wetenschap der aardkunde indringt, hoe meer men de moeijelijkheden daarvan inziet en onder- vindt. Om een eiland van eene uitgestrektheid als Billiton goed geologisch te onderzoeken, daartoe behoort vrij wat langer tijd dan ik op het eiland heb doorgebragt, daartoe behoeft men vrij wat meer en meer zamengestelde middelen, dan me II. 30 888 mij ten dienste stonden. Het is daarom, dat ik, bij het be- handelen van dit onderwerp, om bijzondere verschooning ver- | zoek. Het hoofddoel der reis was een onderzoek naar tin- erts (f). Wat ik daarenboven geologisch opgemerkt heb, mag als bijzaak beschouwd worden. dl De hoofdformatie van Billiton is, dunkt mij, even duidelijk uitgedrukt als die van Banka. Op Banka is deze graniet of syeniet; op Billiton zandsteen. Elke door mij bezochte berg van eenige hoogte is op deze beide eilanden respectievelijk uit deze steensoorten gevormd. De granietrolsteenen, op Billiton gevonden, zijn alzoo van elders aangevoerd, even zooals het mogelijk kan zijn, dat dit voor een deel ook op Banka het geval is geweest: hierover heb ik meer breedvoerig gehandeld in mijne reisrapport over Banka en Malakka aan het gouver- nement. Op Banka treft men ook van dezelfde soort van _ zandsteen aan; ik herinner mij onder anderen te Muntok, waar dan ook in den omtrek gele mergel gevonden wordt. Of dus op Billiton de zandsteen op eene graniet-basis ligt, is, zonder diepere boringen, dan ik heb kunnen doen, niet gemakkelijk ge- heel uit te maken. Zeker is het, dat de graniet op Billiton, ner- gens waar ik geweest ben, ondubbelzinnig aan den dag komt. En op dit punt heb ik bijzonder de aandacht gevestigd, ten einde het in verband te kunnen brengen met de onderstel- ling, dat de tinerts op Banka gevonden, van Banka'’s bergen, of wel, gelijk ik vroeger aangenomen en verdedigd heb, van elders en wel van het noorden afkomstig is. De tinerts wordt eigenlijk alleen in primaire gesteenten, in graniet, porfier, enz., gevonden, en slechts alluviaal, wanneer genoemde tinerts bevattende gesteenten, door den invloed van lucht en water ont- leed zijn. Worden dus aan de oppervlakte van een zeker terrein, geene groote massa’s graniet, porfier, enz., gevonden, die tinerts kunnen bevatten, er zal ook geen alluviale tinerts, als het van die plaats afkomstig moet zijn, gevonden kunnen (1) Met het oog op de techniek namelijk, hetgeen niet onduidelijk uit _ het vroeger aangehaalde gouvernementsbesluit blijkt. 3 399 worden. Dit nu is het geval met Billiton, en voor hen, die ‚de eerste stelling als waar aannemen en met kennis van zaken en terrein verdedigen, die zullen al dadelijk uit de afwezig- heid van groote massa’s primaire gesteenten aan de oppervlak- te, besluiten, dat Billiton geen’ alluvialen tinerts (1) kan bevatten. Verdedigt men daarentegen het omgekeerde der gemaakte stel - ling (2), zoo zal men de op de hoofdformatie van elk terrein liggende alluviale lagen nader moeten beschouwen. _ „De pogingen om de onder den alluvialen tinerts gelegene kao- lienaardelaag (door de Chinezen konglaag genaamd) door te dringen, en die in mijn rapport over Banka medegedeeld zijn, : ijn zonder resultaat gebleven. Men blijft dus ten naastenbij in het onzekere, wat er tusschen den graniet op Banka en de konglaag ligt, of wel, als er zandsteen boven den graniet op vele plaat- sen ligt, of de kong onmiddellijk op den zandsteen ligt. Deze konglaag, uit ontleed veldspaath ontstaan, vindt men ook op B Uiton. De meeste boringen op lage plaatsen, die ik in het werk gesteld heb en die in het vorige gedeelte van dit verslag beschreven zijn, werden als geëindigd beschouwd, wanneer deze laag aangetroffen werd. Niets magtigt ons, om deze laag te denken, op eenen anderen tijd ontstaan te zijn, als de Bankasche, en alzoo kan men, van deze laag af, alles wat op se kl 8 1) Toe te lichten, hetgeen ik hieronder versta, zal onnoodig geacht worden: dit volgt trouwens dan ook op pag. 402, „dat het eiland Billiton geen’ tinerts in zijnen bodem bevat, namelijk niet op zulk een wijze enz,” we ke plaats ik tot deze omschrijving mijner gevoelens hieromtrent als de meest geschikte uitgekozen heb, om eene gedurige herhaling te vermij- den. Daarenboven zal hier niet behoeven opgemerkt te worden, dat groote h peveelheden alluvialen tinerts (welke gedachte van het woord exploitatie or afscheidbaar is) als deze dan van primaire gesteenten afkomstig zal zijn, door de ontleding van zelden aangetroffen tinoxyde bevattenden graniet afgezet kunnen wezen. Á (2) Volgens deze stelling zoude Billiton even goed groote hoeveelheden _ tinerts Kunnen bevatten, zonder dat er solide primaire gesteenten aange- roffen worden. MN nl ES | k ps | lig 90 Banka en Billiton er boven ligt, als in hetzelfde tijdsverloop i gevormd te zijn, zich voorstellen. Wie nu vraagt: waarom zijn de lagen boven de kong op Ban- | ka en op Billiton nu niet dezelfde, wanneer zij toch in het- E zelfde tijdsverloop gevormd zijn? — kan met hetzelfde regt vra- — gen; waarom de snelheid van het licht niet grooter of minder Î groot is? waarom de sterkte van het licht zich in omgekeerde _ rede van het vierkant der afstanden verhoudt enz. Zóó zijn er $ in de natuurkundige wetenschappen, en in geene meer dan in de geologie , honderden zaken, die men door waarneming gron- % dig kent, maar waarin men bij het „waarom” het antwoord schuldig moet blijven. Dezelfde vraag kan men, wat Banka aangaat, opperen, waar om twee nabij elkander gelegene valleijen niet even rijk zijn, of wel, waarom dezelfde vallei op eenige plaatsen zooveel rijker is dan op andere (f). In slechts enkele gevallen kan men deze vraag, en dan nog wel zeer gewrongen, eaitwoortei Maar dit weten wij, dat op Banka en Malakka de tinerts nim mer zonder de ontledings-produkten van het graniet voor komt. Vindt men deze op Banka dan soms niet in den bo= vengrond (koelit), en wel tinerts, de reden daarvan kan ge vonden worden, in hetgeen in een vorig rapport door op merkingen in loco bijna is gestaafd, dat een tweede water É vloed waarschijnlijk op de door eene vroeger aangevoerde en _ afgezette tinertslaag ingewerkt heeft. Dit doet echter niets ter zake: de op de kong rustende tinertslaag is steeds met kwarts- en veldspaathstukjes vermengd (2); zeer dikwijls vind men ook deze mineralen aan de oppervlakte van den bodem. (1) Welke groote verschillen in ertsrijkheid neemt men op Banka, in eene en dezelfde kollongmijn (eene oppervlakte van 10,000 [J meters of meer of minder) op onderscheidene plaatsen soms niet waar. (2) Hetgeen ik in de vele verschillende door mij bezochte tinmijnen op Banka en Malakka heb gezien en opgemerkt, heeft mij tot dit besluit ger leid. 391 Ontbreken deze, dan kan: men bijna zeker reeds tot de af- wezigheid van tinerts besluiten, zonder dat daarom de aan- wezigheid van kwarts en veldspaath of ook wel hunne ont- ledings-produkten, ook het aanzijn van tinerts aantoonen, daar deze van primaire gesteenten, die geen’ tinerts bevatten, afkom- stig kunnen zijn. Op één uitzondering na, die tot bevestiging van het aangevoerde mag strekken, namelijk het laagje kwarts- en veldspaathstukjes drie duimen dik, in de reis over Billiton beschreven, is nergens, waar ik geweest ben, iets aangetrof- fen dat naar kwarts of veldspaath geleek. Verder vindt men op Banka en Malakka na zware regens op honderden plaatsen (f) steeds tinerts uitgespoeld op de wegen liggen, soms met meer of minder mica-plaatjes vermengd. Niets dat daarop geleek, heb ik op Billiton waargenomen. Wanneer ik dan al toestem, dat de geologische gesteldheid van Billiton, verre van geheel bekend is, ik houde mij over- ‚ tuigd, dat, uit hetgeen men er van weet, stellig kan beslo- ten worden, dat alluviale tinerts op diepten, zooals ze op Banka voorkomt en op de Chinesche wijze bewerkt kan worden, op _ Billiton niet aanwezig kan zijn, mij steeds bepalende tot die 4 streken, waar ik mij, volgens aanteekening op de kaart, be- vonden heb. Ten slotte van dit hoofdstuk voel ik mij genoopt aan te merken, dat het nief vinden van tinerts op Billiton, mijn ge- voelen omtrent den oorsprong van den Banka-tinerts volstrekt niet heeft veranderd, daar de onderstelling , dat Billiton tinerts zoude bevatten , maar weinig kracht bij zoovele andere waar- genomene daadzaken kan bijzetten. Valt nu deze onderstel ling weg, dan zullen deze daadzaken dezelfde kracht be- houden en voldoende zijn, om het geuite gevoelen te staven. / kh & et Ni F Pe „ k be p 8 (1) Niet overal, daar niet overal de omstandigheden dáár zijn, dat dit __ plaats kan hebben, en toch ook op Banka zelf vele plaatsen aangetroffen _ worden, die zich tot eene tinexploitatie niet laten aanbevelen. 892 Wat was er vóór deze reis over de Billitonsche tinaangele- genheden bekend? Wanneer ik deze vraag naar mijn beste vermogen tracht te beantwoorden, zal ik mij geenszins bepalen tot die geschrif- « ten, welkee door menschen, die persoonlijk niets van de zaak af Ì konden weten, gepubliceerd zijn. Zoo zegt Dr. Erp in zijne „„Schil- © derungen aus Indiëns Archipel in 1841”, terwijl hij nooit op Billiton is geweest: „wenn auch die Ausbeute von Zinn — „auf Banka minder ergiebig werden sollte, so bietet doch die „Insel Billiton ein reichhaltiges Lager von Zinnerz dar” en wat verder: „der Insel Billiton, die in ihrer Formation und „in ihren Naturproducten mit Banka übereinkomt, ist reich — „an Zinn und Eisen.” Zulke uit de lucht gegrepen gezegden zal ik niet wederleggen. } Veel meer belang, dan in hetgeen daar zonder een eenig bewijs medegedeeld wordt, stel ik in de officiële stukken over ES Billiton , in ’s gouvernements archief voorhanden, en verzocht je daarom bij missive aan den algemeenen sekretaris, inzage van Ë alle de stukken, het eiland Billiton betreffende. Hetgeen in deze over de tinaangelegenheid behandeld wordt, zal ik hier id mededeelen, en, waar ik zulks noodig acht, toelichten. Á De voormalige raad van Indië H. W. Munrinaae heeft in eene Ë nota dd. 9 Augustus 1820, betrekkelijk de inbezitname van het © eiland Billiton, de volgende vraag behandeld: Js het bezit van ® Billiton voor ons belangrijk , niet alleen negatief , om afbreuk aan 4 de zeeroovers te di maar ook wegens de produkten van dat À eiland, als tin, enz.: zoo ja, welke zijn de vooruitzigten, welke het bezit van Billiton oplevert ? Ë Uit het opperen der vraag alleen, zou men moeten opmaken, — id dat het daarzijn van tinerts op Billiton met zekerheid bekend k was en moet men dus verwonderd zijn, dat in de beantwoor- À ding hierover niets bepaalds uitgesproken wordt. Dit punt wordt in genoemde nota dan ook zoo vlugtig behandeld, dat het niet alleen blijkt, dat alle inlichtingen hieromtrent ont- _ braken, maar dat men ook duidelijk opmerken kan, dat hef aannemen van het aanwezen van tinerts alleen op overleverin- Á wel eenig licht: werden toch tin en ijzer beiden bewerkt en 895 gen en vertelsels berust. Niemand zal dus het hier verhandelde als een bewijs, dat er tinerts op Billiton gevonden wordt, durven beschouwen, daar men dan met hetzelfde regt ieder, die zoo iets bevestigend zegt, omdat hij het anderen heeft hooren vertellen, als een bewijs te meer voor de stelling zou kunnen bijhalen. Het kan alzoo niet onbelangrijk zijn, hetgeen in boven- genoemde nota over Billitonschen tinerts en tin gehandeld wordt, mede te deelen. De verschillende zinsneden zal ik alzoo over dit onderwerp hier verzamelen, als: „De hoeveelheden tin en iijzer, welke het eiland Billiton op- „levert of zow kunnen opleveren, zijn niet bekend; evenmin is s„bekend de wijze, waarop daarvan de bewerking en betaling „geschiedt. Er schijnt echter van deze produkten geene ver- »pligte leverantie aan den sulthan van Palembang te hebben ‚„bestaan;” (hierop zal ik nader terug komen): „alleen van het „ijzer, in kleine schuitjes of tot spijkers geslagen, heb ik eene „kleine hoeveelheid bij wijze van geschenk of hommage zien „aanbrengen. De ingezetenen van Billiton verkochten het ijzer s,gewoonlijk tegen 5 Sp. matten de pikol: even zoo zal het „waarschijnlijk met het tin gelegen zijn, doch welke prijs daar- „voor verkregen wordt is mij onbekend” Deze laatste zinsnede, hoe bevreemdend ook, geeft toch , van Billiton uitgevoerd, waarom zoude men alleen van het ijzer, — en het schijnt vrij zeker bewezen, dat dit sedert jaren ER. bj _ bewerkt wordt, — den prijs kennen? — Verder bestaat er eene missive van den kapitein, civielen en / Ne dje IE _ militairen kommandant van Billiton, Morrr, aan den raad van } Indië Munrineuze gerigt, dd. 5 November 1822, welke de vol- _ gende zinsneden, letterlijk overgenomen, bevat: „On me conseil de là (dix pas de Tanjong Tamelam) met- „tre un poste á cause qu'il y a beaucoup de Y'étain, mais „l'on me dit dans tous les cas si on va là que l'on doit bien „se fortifier à cause que c'est un passage des pirates et cette „position sera malsaine á cause qu'il ya beaucoup de letain etc. „On m'a aussi dit que Tanjong Birom Mandi est une po- 304 „sition à peu près comme Tanjong Tamelam, que là il y a „aussi beaucoup de Yétain, que cette place est malsaine et „encore déserte (sur le dire des plusieure personnes il y a „„environ 70 à 80 ans qu'il y a eu là un établissement Euro- ‚„péen ils y ont fait quelques retranchements et ils y ont pris „de létain, il a fallu qu'ils abandonnent cette place à cau- „se qwelle est très malsaine, on na’ pas pu nous dire qu’ elle „nation qui a là été), etc.” Verder: „il parait que le Depattie veut livrer le fer lui même „au gouvernement. Quant á l'étain il n'en parle pas, parce- „que les gens de Billiton ne s'avent pas le travailler, il est „venu ici quelques Chinois de Pontiana qu’ils m’ont dit que „‚si le gouvernement voulait faire quelques avances qu'il vien- ‚„„draient beaucoup des Chinois de Pontiana à Billiton pour „commercer et travailler, etc. „Radeen Badau me dit qu'il en n’à tiré (de Y'étain) à Tan- „jong Binga, et Intje Oemaar me dit qu'il en n’a tiré à Tan- „jong Padang. Het moet verwondering baren, dat alles wat in genoemden brief over tinerts handelt, zoo onbepaald, onduidelijk en on- waarschijnlijk voorgesteld wordt door iemand, die langer dan eenige andere Europeaan op Billiton verbleven is, die als ci- viele kommandant het best in de gelegenheid was, de noo-_ dige berigten over tinerts in te winnen. Men raadde den kapitein aan, om een fort op Tanjong Tamelan te bouwen, want men zeide, dataldaar veel tin was; ook zei- de men hem, dat het aanwezen van tnerts de plaats zeer on- gezond maakte. Dit laatste punt zal der wederlegging niet noodig gekeurd worden. — Nabij Tanjong Tamelan heb ik in een riviertje valschen erts (koppong) in eene uiterst kleine hoe- veelheid ontdekt: aldaar deelde een der oudsten mij mede, dat hij zelf, voor vele jaren, 4 gevlochten mandjes met derge- lijken erts, naar Muntok heeft overgebragt, waar de vader van den tegenwoordigen jaksa dien heeft getracht te smelten, maar er niets geen tin uit heeft kunnen verkrijgen. Ook dit ver- klaart de jaksa zich nog te herinneren. 595 Het is alzoo meer dan waarschijnlijk, dat de tinerts, waar- over de kapitein heeft hooren spreken, koppongerts is geweest. Hetzelfde mag men over hetgeen van Tandjong Boerongman- di gezegd wordt, besluiten. Ook daar heb ik niets anders, dan koppongerts gevonden en dat nog wel in groote hoeveel- heid. Alweder is hetgeen men den kapitein gezegd heeft, over het bewerken van tinmijnen aldaar, vóór 70 à 80 jaar, zeer wel overeenkomende met hetgeen de oude Bankanees mij voorgelogen heeft en waarover op pag. 979 hiervoren gehandeld is, iets dat alzoo tot de vele inlandsche sprookjes zal behooren. De tegenstrijdigheden, welke verder de brief bevat zijn opmer- kelijk. Volgens den kapitein toch, wil de depati wel ijzer aan het gouvernement leveren, maar over tin wil hij niet spre- ken, daar de Billitonnezen dit niet bewerken kunnen (dit metaal is gemakkelijker uit zijnen erts te verkrijgen dan het ijzer), en laat er dan dadelijk op volgen, dat Rapen Bapau tin op Tandjong Binga bewerkt heeft en Inrse Ormaar op Tandjong pandang. Toevallig is het zeker, dat mij, zoo als men mij zeide uit het kabinet van het Bataviaasch Genootschap, erts van Tan- djong Binga is geworden , die mij gebleken is niets als kop- 1 pong-erts te zijn, en dat S. Pantjor, waar ik ook koppong- erts gevonden heb, zoo nabij Tandjong pandang is gelegen. _ Op drie van de vier verschillende plaatsen, of in hunne nabij- heid, waar dus volgens de nota van den kapitein Morre tin- erts aangetroffen of bewerkt is, heb ik koppong-erts gevonden, en aangaande de vierde plaats (Tandjong Binga) is hetzelfde _ resultaat verkregen. Ten slotte bevreemdt het mij, dat Pontianaksche Chinezen _ (Bankasche zou een geheel ander geval zijn) tinmijnen op Bil- _ kton zouden komen bewerken: wilden zij daar komen om handel te drijven, of een ambacht uit te oefenen, dit is het, wat een 20-tal Chinezen thans op Billiton aan den kost helpt, maar het is er verre van af,‚ dat ieder Chinees uit onze bezittingen, Banka uitgezonderd, het tinmijunwerk zoude _ verstaan. — 396 Een niet gedagteekend rapport over Billiton, opgemaakt door een inlandsch kind, schrijver van bovengenoemden kapitein, en door den laatsten herzien en verbeterd, bevat over Billiton’s tin- aangelegenheden niets anders als hetgeen de kapitein woor- delijk zelf medegedeeld heeft. —_ | Een rapport van den heer J.J. VAN SEVENHOVEN over het eiland Billiton, dd. in Julij 1823, bevat, over de voortbreng- selen van Billiton handelende, het volgende: „het harte der „aarde bevat onderscheidene kostbare metalen, als: goud, tin „en ijzer; van het laatste wordt reeds veel bewerkt , meestal „tot spijkers, enz. Omtrent het tin, dat te Billiton nog in de sk aarde is, zoude ik van oordeel wezen, dat men aan den tijd „en de ontwikkeling van de industrie moet overlaten, wan- „neer er mijnen zullen worden ontgonnen.” Bevreemdend is het, dat in het zoo uitgebreide rapport van den heer VAN SEVENHOVEN, zoo ter loops en ook onbe- paald over deze gewigtige aangelegenheid gehandeld wordt. Blijkbaar is het, dater naar het aanwezen van tinerts volstrekt geene onderzoekingen zijn ingesteld, en dat alleen is opgeteekend, wat waarschijnlijk door den civielen en militairen komman- dant medegedeeld is. — In eene missive van den resident van Banka, Der ra Fon- TAINE, van Î7 Oktober 1823, wordt het punt, dat er tin- mijnen op Billiton te openen zouden zijn, omslagtig behan- deld, en duidelijker en bepaalder dan in elk ander geschrift gezegd, dat er tinerts op Billiton aanwezig is, dus luidende: „„Mij onledig gehouden hebbende, met hieromtrent de noo- „dige informatiën te nemen, welke allen zeer gunstig zijn, en „den grond van Billiton doen voorkomen als bijzonder rijk aan „tinerts, zoo hebben mijne zorgen zich daar alleen niet bij ‚„bepaald, maar door den panumbahan Sarir Morammap eene „zekere hoeveelheid tinerts herwaarts hebbende doen over- „brengen, heb ik die met het beste gevolg doen smelten, „„en het resultaat daarvan heeft getoond, dat Billiton niet „alleen rijk aan erts, maar ook dat de erts zelf rijk is enz. __ Verder heeft de resident den kapitein-chinees te Muntok- 897 voorgesteld, om een of meer mijnen in de nabijheid van het etablissement te openen, zullende het verkregen tin tegen den prijs van 6 Sp. matten de pikol, even als op Banka (f), aan het gouvernement geleverd moeten worden. Hieruit schijnt vrij duidelijk te blijken, dat er tinerts op Billiton is en zal het naauwelijks geoorloofd geacht worden om hieraan te twijfelen. Maar een zestal punten, die mij minder helder voor- komen, zal ik echter aanhalen: 19. Is het vreemd, dat er niet vermeld wordt, van waar de beproefde erts afkomstig was. Overal zal Billiton toch wel geen’ tinerts bevatten; dit is zelfs met het rijke Banka het geval niet. 20, Bevreemdt het mij, dat juist aan Sarir Monaman de toe- zending van den erts is opgedragen. Misschien had deze slimme inlander, toen hij op dat oogenblik juist op het punt stond uit zijne betrekking ontslagen te worden, er toen voordeel bij, met te beweren dat Billiton tinerts bevatte; volgens de overige be- rigten toch, toonden de inlanders anders eenen grooten afkeer, ‚dat er tinerts op Billiton bearbeid zoude worden. 90. Is het wonder, dat na deze eerste proef geene verdere navorschingen, zoo door den resident, als door zijne opvolgers, _ ingesteld zijn. Wij zullen toch later zien, dat de adsistent resi- _ dent Brerscmrr nog zeer over dit punt in het onzekere verkeerde. 40, Was het noodzakelijk, dat de hoeveelheid bekomen tin _ wat nader beschreven was. Een proef, waar zooveel van af- hing, en die alléén tegen zoovele onderstellingen over staat, _ kan niet genoeg met alle plaats gehad hebbende omstandig- _ heden beschreven worden, terwijl het zelfs niet te verwerpen ware geweest, dat zij in de tegenwoordigheid van den resident genomen of herhaald ware. 50. Begrijp ik niet, hoe de uitslag der smelting heeft kun- nen aantoonen, dat Billiton rijk aan tinerts is. 69. Is het opmerkelijk, dat de kapitein-chinees niet tegen (1) Op Banka wordt het tin met 134 gulden zilveren munt of 5%/, „Spaansche _ matten de pikol door het gouvernement betaald, 998 den bedongen prijs mijnen heeft geopend. Daarenboven had het smokkelen van tin vrij wat gemakkelijker uit Billiton dan van Banka uit kunnen geschieden, wanneer men toch al ligt 16 a 18 Sp. matten voor de pikol op Singapore of elders kan bekomen. — De heer Haase, resident van Banka, schrijft in eene missi- ve dd. 16 Februarij 1827 aan den luitenant gouverneur ge- neraal van Nederlandsch Indië: „Hoezeer het lang genoeg be- „kend is geweest, dat Billiton, even als Banka, in deszelfs „schoot rijke lagen van tin bevat, zoo %s hiervan nimmer „eenige partij getrokken,” en heeft op grond hiervan een kon- trakt met den kapitein der Chinezen op Muntok Tan Hone Kwe ge- sloten, waarbij dezen veroorloofd werd, om tinerts op Billiton voor eigene rekening te bewerken, mits het te bekomen tin aan het gouvernement afstaande tegen 12 Sp. matten de pikol: een f prijs, meer dan eens zoo hoog, als bij het Bankasche kon- trakt bedongen is. Te verwonderen is het, dat (Î) aan dit kon- trakt nooit eenig gevolg is gegeven, daar een rijke Chinees, on- der zulke voordeelige voorwaarden, toch wel wat wagen en | ondernemen durft. Deze voorwaarden zijn dan ook, volgens de | verklaring van den resident, zoo bijzonder voordeelig gekozen, om hi eenen aanvang met de exploitatie uit te lokken. Zeker is het, dat _ men in niet één stuk, mij toegezonden, iets naders over dit kontrakt & vermeld vindt, en moet men de niet-nakoming, naar mijn oor-— deel, het allereerste aan het niet-aanzijn of aan de schaarschte van tinerts op Billiton toeschrijven. Alle andere omstandighe- den, die den kontraktant konden afschrikken, waren bij het sluiten van het kontrakt toch reeds vooraf bekend. | Op Billiton, — maar ik stel in dit gezegde niet te veel vertrouwen , — zeide een inwoner uit de binnenlanden mij, dat voor vele jaren een twintigtal Chinezen door den kapitein- chinees van Banka gezonden was, om den grond te onder- me (1) Wanneer het aanwezen van tinerts, tot exploitatie geschikt, op Bil hton niet twijfelachtig ware. a99 zoeken: dat die Chinezen slechts een vijf-en-twintigtal palen het _ land in waren geweest, en toen verklaarden, dat Billiton geen’ tinerts bevatte, en zij ook wegens de onbegaanbaarheid der wegen niet verder konden doordringen. Het gevoelen door den resident van Banka Dv Bur in zijne s missive dd. 5 Julij 1830 medegedeeld, als zoude de door den resident Haase met den kapitein-chinees in het gesloten kon- trakt bepaalde prijs te hoog gesteld zijn, zal ik hier, om bo- vengenoemde redenen, noch verdedigen, noch verwerpen. — De heer BrerscmirL, weleer adsistent resident op Billiton, _ handelt in een rapport over dat eiland dd. 31 Januarij 1830, ook over het openen van tinmijnen op Billiton, zooals hierbo- ven op pag. 959 reeds aangehaald is. Het aldaar medegedeel- de bevat den hoofdinhoud van hetgeen door hem hierover is aangeteekend , en toont ten duidelijkste aan, hoe onzeker ook hij nog over die aangelegenheid denkt. Het valt toch ieder ligt, om over eene uitgemaakte zaak op eene heldere wijze te schrijven ; verre echter is het er af, dat ik dit van de me- _ degedeelde zinsnede kan zeggen. Hoe toch kan de heer Brrr- ‚ scuiL klagen, dat de bevolking van Billiton alles wat moge- wan tinerts te verkrijgen. nn _ lijk was in het werk stelde, om het openen van tinmijnen op dat eiland te beletten, en weigerde om in het aanwijzen van mijngronden behulpzaam te zijn, wanneer hij er onmid- | dellijk op laat volgen, dat hij vreemdelingen moest bezigen, om de noodige informatiën betrekkelijk het al of niet aanzijn Geene stukken van latere dagteekening dan dit rapport op dit onderwerp betrekking hebbende zijn mij uit ’sgouvernements archief geworden, en bestaan er alzoo niet. Ik houd mij overtuigd, dat er met mij in toegestemd zal worden, dat __ wanneer men alles, wat over de tinaangelegenheid van Billiton geschreven is, in een onderling verband brengt, er niet één direkt bewijs bestaat, dat er ooit tinerts op Billiton bewerkt is, noch zelfs, dat er tinerts op het eiland gevonden is. 400 Is het waarschijnlijk dat er tinertsop Billiton voorhanden is, uit hetgeen men uit het domestieke leven der Billitone- zen kan opmaken ? Even als Banka behoorde ook Billiton weleer aan den sul- than van Palembang. Volgens de overlevering is in 1710, bij het aanleggen van een rijstveld (ladang), door het afbranden der gevelde boomen, tinerts op Banka ontdekt. Immers de aan de oppervlakte liggende tinerts werd door het branden- _de hout herleid; door de inwoners werd eenig dus uitge- smolten metaal gevonden, en aan den sulthan van Palembarg gebragt. Door kundige Chinezen liet deze het metaal onder- zoeken, waarop de sulthan uitgravingen liet ondernemen, en zelfs Chinesche uitgewekenen in zijne dienst nam. Ook deed de sul- _ than als eene belasting elken getrouwden Bankanees, even als _ ook op Linga ingevoerd moet zijn geweest, eene jaarlijksche ê schatting, uit één schuitje (V, pikol) tin bestaande, opbrengen. Deze omstandigheden, op beide eilanden plaats gehad hebbende, — met Billiton vergelijkende, zoo zal het wel minder vreemd voor- í komen, dat, indien er tinerts was, deze niet op eene even toe- vallige wijze als op Banka ontdekt is, dan dat het ons ver- wonderen moet, dat de sulthan, in dit geval, niet van deze — zaak voordeel zoude getrokken hebben. De schatting of liever de geschenken, die vroeger, volgens — het officiële schrijven van den heer Van Wetering Buus, jaarlijks aan den sulthan van Palembang door het bestuur van — Billiton gezonden werden, bestonden uit: ei 1000 kleine staafjes ijzer van eene span lengte en 3 vingers 4 breedte, en | 50 matjes van 6 voeten lengte en 3 voeten breedte. Verder gaf de depati ten dien tijde nog als een bewijs zijner persoonlijke onderdanigheid 2 katties garoehout, 5 katties wit was, 2 katties vogelnestjes, en 10 stuks matten aan den sulthan ten geschenke. Opmerkelijk mag het dus zijn, dat ten dien tijde alleen produkten opgebragt werden, die ook thans nog verkre- gen worden, terwijl van tin geen woord gerept wordt, en 401 verder, dat de opbrengst van een produkt, dat zulke groote winsten oplevert, indien het land het bevatte, van de Billitone- zen niet gevorderd werd. Verder komt het mij onbegrijpelijk voor, dat de Billitonees ijzererts en geen’ tinerts zou kunnen herleiden. De laatste, of- schoon wel eene groote warmte vorderende, wordt toch vrij wat ligter dan het ijzeroxyde herleid. En dan nog komt de vraag op, hoe de Bankanees en de Linganees het konden doen. Ik onderstel toch niet, dat bij de bewoners dezer drie eilanden, die zoo nabij elkander liggen, de natuurlyke beschaving zoo zeer Ä zoude verschillen. Dit niet kunnen bewerken van tinerts kan ook aan den sulthan niet als eene verontschuldiging opgegeven zijn, waarom de Billitonezen de tinbelasting niet konden vol- doen; immers zou hij er dan wel Bankasche deskundigen heb- ben heengezonden. Ten slotte merk ik op, dat de Billitonees, vrij wat on- _ voordeeliger en met vrij wat meer moeite ijzer smelt, dan dat hij tinerts zoude smelten. Hij toch doet dit alleen als hij bijv. een onmisbaar ijzeren werktuig zich aanschaffen wil en geen 1 ui | ë RE Í 4 À Ì Ì Af : Ï geld heeft om het te koopen, of wel, als hij door den hon- ger of naaktheid genoodzaakt is, eenige spijs of een enkel kleedingstuk zich aan te schaffen. Bij welgelukken toch kan hij gedurende een nacht (12 uren) ijzersmeltens, slechts 25, bouwen en onderhouden, en hamers, smeltoven, enz, zelf vervaardigen. Hoeveel grooter zouden zijne verdiensten niet zijn, indien hij tinerts in stede van ijzererts in dienzelfden oven slechts herleidde. Men twijfele er dus niet aan, dat, indien er voldoen- de tinerts ware, de onbeschaafdste Billitonees verkiezen zoude om dezen alleen , en minder uitsluitend den ijzererts te bewerken, zooals in het distrikt Koba op Banka ook plaats heeft. (f) (1) Het tinnen huisraad, dat zoo zelden op Billiton in vergelijking met Banka, onder de bevolking aangetroffen wordt, is naar men mij vers zekerde, zonder uitzondering van Toboali (z. o. kust van Banka) afkom- ‚ Stig. 402 Besluit. Uit dit, volgens mijne opregte en innige overtuiging geschre- ven rapport, geloof ik, dat het duidelijk genoeg blijkt, daf het ei- land Billiton geen tinerts in zijnen bodem bevat, namelijk niet op zulke wijze, als tot heden toe de tinerts op Banka gevonden wordt en aldaar bewerkt kan worden, want over „ het harte der aarde van Billiton,” waarvan de heer Van SEVENHOVEN spreekt, kan ik niet oordeelen, even min als over „de schoot van Billiton’ waarover de heer Haase in zijn rapport handelt. Alzoo opsommende, hetgeen ik breedvoerig heb uiteengezet, zoo besluit ik daartoe: 19, Omdat ik, het eiland in drie verschillende rigtingen doorkruisd hebbende, geenen tinerts (f), noch aan de opper- vlakte , noch tot op eene diepte, waarop dit op Banka en Ma- — lakka gewoonlijk voorkomt, gevonden heb, en ook zelfs niet — of zeer zelden, die ligchamen (kwarts, veldspaath en mica), die het op genoemde plaatsen gewoonlijk vergezellen, en ik ook nergens plaatsen, alwaar vroeger gewerkt is, aangetroffen heb, _ noch de overblijfselen (tra) van tinertssmelting heb gevonden. 20, Omdat met groote waarschijnlijkheid geologisch kan be- wezen worden, dat Billiton geene noemenswaardige hoeveel- — heid tinerts aan zijne oppervlakte (p. m. 30 voeten diepte) kan bevatten. 99. Omdat uit alle de officiële stukken over Billiton, in ’s gouvernements archief voorhanden, geenszins blijkt, dat ooit $ tinerts van Billiton door ooggetuigen gezien is. Á°, Omdat úit alle die officiële stukken niet blijkt, dat ooit Á eene tinmijn op Billiton aangelegd is geweest, 5°. Omdat nooit iemand, zoo te Banka, Billiton of el- £ ders, tinerts of tin, bepaald van Billiton afkomstig, gezien heeft (2) | (1) In eenige belangrijke hoeveelheid, want het gevondene, op pag. 374 RS vermeld, kan hier niet wel in aanmerking komen. (2) In het Kabinet van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en __ Wetenschappen zijn ook, volgens de etiketten, tinerts en tin, van Billiton afkomstig, voorhanden. Aangaande den tinerts heb ik reeds op pag. 395 je 5 nnn 4 af pee benee ze Aen Mg 405 en het ook niet blijkt, dat van Billiton ooit tin is uitgevoerd. 69. Omdat een zoo voordeelig kontrakt, als den Bankaschen kapitein der Chinezen aangeboden is, zonder eenig gevolg is gebleven. 79. Omdat verder het domestieke leven der Billitone- zen, het vermoeden, dat aldaar tinerts zoude zijn, weder- spreekt. 80. Omdat er wel eene ertssoort gevonden wordt, die op tinerts uiterlijk wat gelijkt, maar volgens de scheikundige en mechanische eigenschappen, volstrekt geen tin in hare zamen- stelling bevat. Onkundigen hebben dezen koppong-erts voor- zeker voor tinerts aangezien, waaruit de vele overleveringen omtrent tinerts op Billiton, waarschijnlijk haren oorsprong hebben genomen. Scheikundige aanteekeningen. Het is eene waarheid, en ik heb het in mijn rapport over Banka’s tinmijnen ook reeds aangehaald, dat het specifiek gewigt van den tinoxyde-erts, zóó groot is, dat men dien daaraan, behalve nog door het uiterlijke, zonder eenige uit- zondering ligt kan onderkennen. Ik heb vroeger twee erts- soorten van Toboali op deze eigenschap onderzocht en bevon- den, dat zij 6.51 en 6.62 malen zwaarder dan gedestilleerd water waren. gehandeld, toen het mij bij onderzoek gebleken is, dat de vermeende tinerts volstrekt geen tin bevatte, Noch de plaats van waar op Billiton het tin afkomstig zoude zijn, noch de tijd wanneer, noch door wien dit uitgesmolten is, zijn bekend gesteld. Later heeft men vernomen (waarmede het op pag. 135 van de Ie Aflevering IlIen Jaargang van dit tijdschrift vermelde in verband staat), dat eenige proefstaafjes tin, van Billiton afkomstig, door den heer Baron VAN TUILL VAN SEROOSKERKEN te Batavia medegebragt zijn; beide welke omstandigheden, in verband met het voorkomende op pag. 388, dit 5de aangevoerde bewijs toch weinig zullen kunnen wijzigen. 404 Op gelijke wijze heb ik in een fleschje, welks inhoud be- kend en voor de proef bijzonder ingerigt was, op eene gevoe- lige balans een weinig der ertssoort, van Billiton af komstig, af- gewogen, en daarop onderzocht, hoeveel het verlies aan ge- wigt van dezen erts in gedestilleerd water was. Zoo heb ik wederom met goeden tinerts van Muntok de proef genomen, welks densiteit 6.41 bedroeg. De erts, te Boerongmandi verzameld, en zoo goed mo- gelijk gewasschen, had een specifiek gewigt: bij de Íste proef van 4.79 „ „2de proef „ 4,83 gemiddeld 4.81 dat is 1.60 verschil met den Muntokschen tinerts. Dit groote verschil kan al dadelijk doen besluiten, dat deze erts geen tinerts is, wanneer ook de volgende proeven het niet bewezen, terwijl ze waarschijnlijk ook niet met goeden tinerts vermengd’ kan zijn, daar deze bij het vele wasschen dan alleen terug zoude zijn gebleven. De erts van Soengie Pantjor had bij dezelfde proef een soorte- lijk gewigt van 4.92, dus 2.09 verschil met den goeden Mun- tokschen tinerts. Eindelijk onderzocht ik op deze eigenschap ook eenen koppongerts, van Koba (Banka) afkomstig, door alle Chinezen als zoodanig erkend, welke 4.15 tot densiteit had. Behalve deze physische eigenschap, heb ik ook op scheikun- dige wijze willen aantoonen, dat deze ertssoorten geen tinerts zijn, noch tinoxyde in hunne zamenstelling bevatten. Ik heb | daartoe den erts van Soengie Pantjor in een’ agaten mortier zoo fijn mogelijk afgewreven, en in sterk zeezoutzuur twee dagen lang gekookt. Er was nog maar zeer weinig opgelost gewor= den, hetgeen ook het geval was, toen ik het overblijvende nog eenen dag met koningswater kookte. Ik zag alzoo in, dat op deze wijze de erts niet te analyseren was, en sloeg toen eenen — anderen weg in. De zoo fijn mogelijk verdeelde erts werd met driemaal zijn 405 gewigt koolzure soda innig gemengd, en in een gesloten pla- tina kroesje, dat tusschen koolpoeder in eenen geslotenen hessi- schen kroes geplaatst was, 9 uren lang wit gloeijend gehou- den. De oven, waarin dit geschiedde, is geheel overeenkomen- de, zoowel als de blaasbalg, met de inlandsche goudsmids- ovens, in welke eene bijzonder hooge temperatuur kan ver- kregen worden. Door deze gloeijing en smelting loste de erts volkomen in de koolzure soda op. Deze werd daarop in verdund zeezout-. zuur gekookt, als wanneer een vlokkig praecipitaat, dat niet an- ders als silica kon zijn, ontstond. Dit werd afgefiltreerd en de vloeistof nader op tinoxyde in den oplosbaren staat, onder- zocht. Bij deze zeezoutzure oplossing zwavelwaterstofgas in water opgelost, gevoegd zijnde, ontstond een wit zeer fijn verdeeld praecipitaat, dat na toevoeging van meer opgelost zwavelwater- stofgas niet verdween. Duidelijk was dit praecipitaat afgescheidene zwavel en deed yzeroxyde vermoeden. Ware hier een helder citroengeel of oranjegeel praecipitaat ontstaan, men had tin of arsenicum te vermoeden. De kenmerken van deze praeci- pitaten zijn echter zoo duidelijk, dat men zich hierin niet ver- gissen kan, en het dus zeker is, dat deze metalen in ‘den on- derzochten erts niet bevat zijn. De zwavel werd afgefiltreerd, en de doorgeloopen vloeistof met ammonia een weinig alka- Misch gemaakt, waarop na toevoeging van zwavelammonium, en zwart praecipitaat ontstond, dat afgefiltreerd werd. Het zwarte praecipitaat werd in zeezoutzuur geheel opgelost onder afscheiding van zwavel. Noch nickel noch kobalt heeft men kunnen onderkennen. Het praecipitaat toont ijzer aan. # nog andere zelfstandigheden werd hier niet onderzocht. } In dezen valschen erts van Soengie Pantjor, die ook niet door den magneet aangetrokken wordt, zijn alzoo met zekerheid silica en yzeroxyde, en geen tinoxyde ontdekt. Kwantitatief js hij niet geanalijseerd, daar dit geen nut konde hebben, dewijl de kleine stukjes silica, door de loupe ligt daarin te herkennen, niet mechanisch konden verwijderd worden. Reeds op Billiton heb ik der Chinezen gewone proef op tin- 406 erts, op den aldaar gevonden’ erts toegepast, namelijk ge- | tracht om hem te smelten in eenen ijzeroven met houtskolen, — en ook om hem in eene iijzeren kwalie met olie gemengd te gloeijen. Op beide wijzen kreeg ik geen spoor van tinme- - taal. Van de reis teruggekeerd, heb ik deze ertsen in eenen _— gedekten hessischen kroes gegloeid, en zulks onder anderen in tegenwoordigheid van den heer baron Vincent van Tuvin VAN SEROOSKERKEN. Noch van den erts van Soengie Pantjor, noch van dien van Tandjong Boerongmandi, en ook niet van den reeds genoemden koppongerts van Koba, werd de klein- ste korrel tinmetaal verkregen. Ik vermeende toen op te mer- _ ken, dat de heer Van TuirrL aan mijne smeltingswijze en on- derzoek begon te wantrouwen, “waarop ik een weinig Mun- tokschen erts op dezelfde wijze behandelde, en een staafje tin, 8 dat p. m. 15 wigtjes woog, daaruit verkreeg, ten bewijze dienende, dat, als de Billitonsche erts tinoxyde bevatte, ik stellig eenig metaal had moeten verkrijgen. Met regt besluit ik alzoo uit deze onderzoekingen, op drie verschillende wijzen ondernomen, dat de op Billiton gevonden — erts, geen tinoxyde bevat. ZESDE BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER VISSCHEN VAN PAMANGKAT, BANDJERMASSING, PRABOEKARTA EN SAMPIT, DOOR Dr. P. BLEEK HE ES. _ Mijne vroegere bijdragen tot de kennis der vischfauna van Borneo heeft de wetenschap te danken aan den belangeloozen ijver van mijne ambtgenooten en vrienden, de heeren J. Worrr en Dr. J. Eirnoven. Ik heb daarin het aantal van Borneo bekende vischsoorten kunnen brengen tot 117. Beide mijne bovengenoemde vrienden hebben mij kort daarna nog nieuwe verzamelingen doen geworden, de heer Worrr weder van andjermassing, de heer EinrzoveN van Pamangkat, gelegen aan de monding der rivier van Sambas en vermaard geworden door den zege, in 1850 daar behaald door de Nederlandsche troepen op de oproerige Chinezen van Westelijk Borneo. ‚ Eenige maanden later ontving ik nog een aantal visschen van Borneo door de vriendschappelijke welwillendheid van den heer Dr. J. H. Croockewir. Deze visschen vormen twee ver- D Ù zuidkust. van Borneo, ongeveer 2 graden westelijk van Ban- djermassing, en een van riviervisschen, bijeengebragt te,Praboe- WENT. | 31 408 karta in de binnenlanden van Koesan, gelegen aan de rivier _ Koesan in de nabijheid van het meer Betamboan. in het begin van Junij 1852 had ik het genoegen te ontmoe- ten mevrouw Ïpa Prerierer , de beroemde reizigster , die toen 3 juist wag teruggekeerd van Borneo, waar zij met eenen in ä eene vrouw naauwelijks denkbaren moed, alleen en zonder $ bescherming de Dajahsche stammen van het stroomgebied der k Kapoeas heeft bezocht. Van Sarawak uit drong zij tot ver in 8 de binnenlanden door, kwam, na het Batangloepar gebergte É te voet overgetogen te zijn, bij het meer Danoe loear, en daal- de langs de Kapoeas af naar Pontianak. Deze merkwaardige ú vrouw houdt zich ook onledig met het maken van verzame- lingen van natuurlijke historie, en met bijzondere welwillend- heid heeft zij, tijdens haar verblijf te Batavia, aan mij afgestaan > eene kleine verzameling van visschen uit de rivier Kapoeas, welke zij te Pontianak had bijeengebragt. Deze vijf verzamelingen stellen mij in de gelegenheid, de Rt kennis der fauna van Borneo op nieuw aanmerkelijk te ver rijken en het aantal bekende vischsoorten van dit merkwaar-® dige eiland te brengen van Î1Î7 op niet minder dan 176. De bedoelde verzamelingen zijn zamengesteld als volgt: PONTIANAK (verzameling van mevrouw Ipa Prerrrren). b pes P: DS, is id = er Mar en s , 3 Î. Ambassis Wolfii Blkr. 9. Apocryptes macrolepis Blkr. 2. Polynemus macronema Blkr. 10. Rohita Schlegelii Blkr. 3. Anabas scandens CV. 11. Leuciscus dusonensis Blkr. 4 A. Ophicephalus striatus Bl. 12. Engraulis Pfeifferi Blkr. 3 5. Scatophagus argus CV. 13. Rhombus lentiginosus Richards. _ 6. Toxotes jaculator CV. 14. Synaptura panoïdes Blkr. Ä 7. Mastacembelus erythrotaenia Blkr. 15. Tetraödon potamophilus Blkr. 8. Gobius kokius CV. 16. ” modestus Blkr. js È PAMANGKAT (verzameling van Dr. J. EinrTHOven). d 1. Lates nobilis CV. 4. Corvina Kuhlii CV. 2. Polynemus tetradactylus CV. 5. _» trachycephalus Blkr. 9. Synanceia asteroblepa Richards. 6. Drepane longimana CV. | 7. Scatophagus argus CV. 19. Spratella pseudopterus Blkr. 8. Trichiurus haumela CV. 20. Engraulis melanochir Blkr. 9. Caranx Forsteri CV. 2í. » Brownii CV. 10. Equula gerreoïdes Blkr. 22. Coïlia borneënsis Blkr. 11. Mugil macrolepis Blkr. 23. _» _macrognathos Bikr. 12. Gobius chlorostigma Blkr. 24. Conger talabon Cuv. 13. Arius truncatus CV. 25. Rhombus lentiginosus Richards. 14. Belone caudimacula Cuv. 26. Plagusia potous Cuv. 15. Hemiramphus Gaimardi CV. 27. Tetraödon lunaris Cuv. 16. Pellona Grayana CV. 28 » potamophilus Blkr. / 17. » _xanthopterus Blkr. 29, » naritus Richards. R13. » Russellii Blkr. SAMPIT (verzameling van Dr. J. H. Croockewir). 4. Ambassis nalua CV. 20. Equula filigera CV. 2. Serranus crapao CV. 21. Magil melanochir K. v. H. 3. Mesoprion unimaculatus QG. 22. » macrolepis Blkr. 4. Therapon servus CV. 23. Trypauchen vagina CV. 5. Sillago acuta OV. 24. Callionymus sagitta Pall. E 6. Polynemus tetradactylus CV, 7. ‚ Batrachus grunniens CV. » longifilis CV. 26. Echeneis neucrates L. 8. » macronema Blkr. 7. Chirocentrus hypselosoma Blkr. 9. Platycephalus scaber CV, 10. Corvina sampitensis Blkr. . Belone caudimacula Cuv. eN a ed . Pristigaster tartoor CV. ‚ Pellona Russellii Blkr. . Engraulis rhinorhynchos Blkr. DAD tri Blkr. ‚ Rhombus lentiginosus Richards. 41. Pristipoma nageb Rüpp. 12. R13. Diagramma crassispinum Rüpp. » argyreum CV. 14. Drepane longimana CV. _ 15. Scatophagus argus CV. „ Plagusia microlepis Blkr. 16. Chorinemus Commersonianus CV. 017. Trachinotus mookalee CV. 418. Selar Kuhlii Blkr. 19. Equula ensifera CV. ‚ Tetraödon oblongus Bl, ‚ Triaeanthus Nieuhofii Blkr. ‚ Rhinobatus ligonifer Cant. BANDJERMASSING (verzameling van den heer J. Worrr). . Ámbassis Wolfii Blkr. 7. Lobotes hexazona Blkr. _ 2. Polynemus longifilis CV, 8. Anabas scandens CV, í 19. » macronema Blkr. 9. Polycanthus Einthovenii Blkr. Rd. » polydactylus Blkr. 10. Trichopus trichopterus CV. Ë 5. Corvina polykladiskos Blkr. 6. 11. Ophicephalus striatus Bl. » ER » lucius K. v. H. trachycephalus Elkr. k 410 13. Scatophagus argus CV, 28. Pimelodus borneënsis Blkr. 14. Toxotes jaculator CV. 29. Clarias pentapterus Blkr. | 15. Equula ensifera CV. 30. Systomus truncatus Blkr. 16. Gobius kokius CV. 31. » melanopterus Blkr, j re borneënsis Blkr. DA » bulu Blkr. 4 18. Eleotris urophthalmus Blkr. 33. Rohita melanopleura Blkr. sk EE marmorata Blkr. 34. » Hasseltii CV. 20 » melanorhynchos Blkr, 35. Leuciscus dusonensis Blkr. 21. Silurus apogen Blkr. 36. Belone caudimacula Cuv. LPT) eryptopterus Blkr. 37. Hemiramphus borneënsis Blkr. 23. Pangasius macronema Blkr. 38. Engraulis melanochir Blkr. 24. » polyuranodon Blkr. 39. Coïlia borneënsis Blkr. 25. Bagrus Wolfii Blkr. 40. Achiroïdes melanorhynchos Blkr. 26. Bagroïdes melanopterus Blkr. 41. Tetraödon modestus Blkr. 27. Arius borneënsis Blkr. 42. Pristis zysron Blkr. PRABOEKARTA (verzameling van Dr. J. H. Crooeckewir). 1. Anabas scandens CV. 8. Systomus apogon CV. 2. Ophicephalus lucius K. v. H. 9. Barbus kusanensis Blkr. 3. Silurus bieirrhis CV. 10. Rohita Schlegelii Blkr. 4. Bagrus micracanthus Blkr. 11. Leuciscus dusonensis Blkr. ss 9 Hoevenii Blkr. 12. » oxygastroïdes Blkr. 6. Arius borneënsis Blkr. 15. Tetraödon leiurus Blkr. 7. Clarias melasoma Blkr. van Bandjermassing kwamen voor het grootste gedeelte reeds voor in vroegere verzamelingen van die plaats, doch meerde-_ ren er van zijn insgelijks nieuw voor Borneo en enkelen ook voor de wetenschap. Ki De mij thans van geheel Borneo bekende vischspecies zijn de volgende. Achter hare namen zijn uitgedrukt, de plaatsen, waar zij door mij zijn beschreven en de plaatsen van voorkomen. Pm. beteekent Pamangkat; B. beteekent Bandjermassing; Sb. Sambas; Pr. Praboekarta; Sp. Sampit; Sr. Sarawak; D. Doe- son ; Pont. Pontianak; Z. zee plaats onbepaald. | \ 411 1. Lates nobilis CV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. Pm. 2. Ambassis Wolfii Blkr. (Ikan Baga baga) Nat. Tijds, N. Indi Tp. 9. B. Pont. 3 » __apogonoïdes Blkr. ibid IL p. 200. B. E/4. » nalua CV. Verh. Bat. Gen. XXII Perc. Sp: | 5. Serranus crapao CV. ibid, Sp: ____ 6. Mesoprion unimaculatus QG. ibid. Sp. 7. Therapon servus CV. ibid. Sp. <8. Sillago acuta CV. ibid. Sp. ___9. Polynemus tetradactylus CV. ibid. Pm. Sp. Ei 10. > longifilis CV. „B. Sp: ‚} 11. 2 macronema Blkr. B. Sp. Pont. ï 12. » peolydactylus Blkr. B. 4 13. Platycephalus insidiator Bl. Verh. Bat. G, XXII Sclerop. B. \ 14. _» scaber CV. ibid. Sp. 4 15. Apistus cottoïdes CV. L. 4 16. Synanceia asteroblepa Richards. Pm. 17. Otolithus borneënsis Blkr. N. T. N. Ind, I p. 268. B. . Corvina. Kuhlii CV. Verh. B. Gen. XXIII Sciaen. Pm. » trachycephalus Blkr, N. T. N. Ind. (1 p. 200. B. Sp. Sb. » Wolfii Blkr. ibid. p. 66. B. » polykladiskos Blkr. B. s » __sampitensis Blkr. Sp. . Pristipoma nageb Rüpp. Verh. B. Gen. XXIII Sciaen. Sp. y argyreum CV, ibid. Sp. . Diagramma crassispinum Rüpp. ibid. Sp. . Lobotes hexazona Blkr. N. T.N. Ind. Ip. 9. B. Sb. . Anabas scandens CV. Verh. B. Gen. XXIII Doolh. K. B. Sb, Pr. Pont. ‚ Helostoma Temminckii K. v. H. ibid. B. „ Polyacanthus Einthovenii Blkr. N. T. N. Ind. II. p. 425. B. Sb. „ Trichopus trichopterus CV. V. B. G. XXIII V. Doolh. K. B. » … striatus Blkr. ibid. N,T.N,Ind.1 p. 106. B. . Osphromenus olfax Comm. Verh. B.G. XXIII Doolh. K. B. Sb. „ Betta anabatoïdes Nat. T. N. Ind. I p. 269. B. Sb. „ Ophicephalus striatus Bl. Verh. B. G. XXIII V. Doolh, K. B. Sb. Pont. » ‚lucius K. v. H. ibid. B Shar » micropeltes K.v. H. ibid. B. Sb. » pleurophthalmus Blkr. N. TN. Ind. T. p. 270. B. » melasoma Blkr. ib. II. p. 424. Sb. » __marulioïdes Blkr. ib. II. p. 424. Sb. » rhodotaenia Blkr. ib. IF p‚, 425, Sb. „ Scatophagus argus CV. (Ikan Kepper) Verh, B.G, XXI N Chaet. ” den 1E B. Pm.Sp. Pont. 64. 412 ‚ Drepane longimana CV. ibid. . Toxotes jaculator CV. (Ikan Soempit) ibid. . Chorinemus Commersonianus CV. ibid, XXIV Makr. ‚ Trachinotus mookalee CV. ibid. ‚ Trichiurus haumela CV. ibid. . Caranx Forsteri CV. ibid. . Equula filigera CV. ibid. » ensifera CV. ibid. » gerreoïdes Blkr. ibid. N. T.N. Ind. I p- 971. . Amphacanthus marmoratus CV. „ Mastacembelus erythrotaenia Blkr. (Ikan Telong) N. T.N. Ind. Ip. 10. . Mugil borneënsis Blkr. ibid. II p. 201. » melanochir K. v. H. » _ macrolepis blkr. . Gobius kokius CV. (Ikan Boeloesoh) Verh. B. Gen. XXII Gobioïd. » __chlorostigma Blkr. ibid. » _ Hoevenii Blkr. Nat. Tijds. N. Ind. II p. 426. » _ borneënsis Blkr. ibid, I p. 10. ‚ Apocryptes maerolepis Blkr. ibid. II p. 66. » changua CV. Verh. B. G. XXII Gob. * ‚ Trypauchen vagina CV. ibid. . Periophthalmus borneënsis Blkr. N. T. N. Ind. Ip. 11. Boleophthalmus Boddaertii CV. Verh. B. G. XXII Gob, . Eleotris melanostigma Blkr. ibid. » Wolfii Blkr. Nat. Tijds. N. Ind. Ip. 253. » urophthalmus Blkr. ibid, II p. 202. » marmorata Blkr. . Philypnoïdes surakartensis Blkr. Verh. B. G. XXII Gob. . Callionymus sagitta Pall. Nat. Tijds. N. Ind, I p. 34. . Batrachus grunniens CV. ibid. II p. 487. . Catopra fasciata Blkr. ibid. IL p. 65. ‚ Glyphisodon modestus T, Schl. » unimaculatus CV. ‚ Wallago dinema Blkr. (Ikan Laïs) N. T. N. Ind. II p. 202. » Leerii Blkr. ibid, II p. 427, . Silurus apogon Blkr. ibid, II p. 67, » _eryptopterus Blkr. (Ikan Laïs) ibid. I p. 270. » _ phalacronotus Blkr. ibid. II p. 429. » laïs Blkr. II p. 429. B. Pm. Sp. B. Pont. B. Sb. B. Sp. Pm. Sp. B. Sb. Pont. Pm. Sb. 0 ded B. Sb. „Sb. hexapterus Blkr. (Ikan Laïs poet) ibid. II p. 208. B. > » _ macronema Blkr. (Ikan Laïs) ibid. II p. 208. B. eend Ste neme oe 418 83. Silurus phaiosoma Blkr. ibid. II p. 428. Sb. 84. » _bicirrhis CV. ibid. I p. 271. Pi 85. Bagrus micracanthus Blkr. Verh. B. G. XXI Silur, En 86. » Hoevenii Blkr, ibid. Pr. 87. » _nemurus CV, (Ikan Singirian katjang) ibid. B. Sb. 88. » Wolfii Blkr. ( » )N.T.N.Ind.IIp.205. B. 89. Bagroïdes melanopterus Blkr. ibid. IT p. 204, B. Sb. 90. Pangasius macronema Blkr. (Ikan Rios tjoring) ibid. I p- Íd. B 91. » rios Blkr. (Ikan Rios tjoring) ibid. IIp. 205. B. 92. » peolyuranodon Blkr. B. 93. Ketengus typus Blkr. NT. N. Ind. Ip. 271. B, 94. Arius borneënsis Blkr. (Ikan Gangoet) ibid. II p.67. B. Pr. 95. » truncatus CV. Pm. 96. Pimelodus borneënsis Blkr. Nat. T.N.Ind.IIp. 430. B. Sb. 97. Clarias pentapterus Blkr. ibid. IT p. 206. B. Sb. 98. _» _ leiacanthus Blkr. ibid. II p. 430. Sb. 99. » punctatus CV. Verh. B, G. XXI Silur. B. 100. » _ melasoma Blkr. Pr. 101. Barbus Hoevenii Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 207. B. 402. -_» kalopterus Blkr. ibid. I p. 18. B. g 103. » kusanensis Blkr. Er 104. Systomus truncatus Blkr. N. T.N. Ind. I. p. 13. B. 105. > melanopterus Blkr. ibid. Ip. 11. B. _ 106. >» _ microlepis Blkr. ibid. I p. 12. B. me 107. » _bulu Blkr. (Ikan Boeloe boeloe) ibid. II p. 207. B. _ 108. » apogon CV. Pr. _ 109. Capoeta enoplos Blkr. N. T. N. Ind. II p. 431. Sb. _ 110. » __microlepis Blkr. ibid. II p. 206. B. __ 1414. Dangila spilurus Blkr. ibid. I p. 272. B. _ 442. Rohita Hasseltii CV. B. Sb. P113. » vittata CV. B. 444. » _Schlegelii Blkr. Nat. T.N. Ind. II p. 432. B. Pr. Pont. 45. » Artedii Blkr. ibid II p. 434. Sb. Ì 116. » _melanopleura Blkr. B. _ 4117. Leuciscus oxygastroïdes Blkr. Pr. | 418. _» _ kalochroma Blkr. N.T.N. Ind. Ip.272. B. Sb. 119. » Einthovenii Blkr. ibid. II p. 434. Sb. … 120. » dusonensis Blkr, ibid, FT p. 14. B. Sb. Pont, 121. » uranoscopus Blkr. ibid. I p. 14. B. Sb. 122. Cobitis barbatuloïdes Blkr. ibid. IJ p. 435. Sb. 123. Belone caudimacula Cuv. (Ikan Djolong djolong) Verh. B. Gen. XXIV Snoek. P. Pm. Sp. klh thalmûs ‘Blkr.) B. 124. Hemiramphus borneënsis Blkr. (Ikan Dandoelang) N. T. N. Ind. II p. 68. B. 125. » Gaimardi CV. Verh. B.G. XXIV Snoek. Pm. 126. Panchax melanotopterus Blkr. ibid. B. 127. Aperioptus pictorius Richards. ZL. 128. Luciocephalus pulcher Blkr. N.T.N,Ind. Ip. 273. III p. 99. B. 129. Chirocentrus hypselosoma Blkr. N. T.N. Ind. III p. 71. Sp. 130. Osteoglossum formosum M. Schl. ibid. II p. 436. Sb. D. 181. Notopterus borneënsis Blkr. ibid. II p. 437. Sb. 132. » maculosus Blkr. ibid. II p. 438. Sb. 133. Clupeoïdes borneënsis Blkr. ibid. I p. 275. __ B. Sb. 134. Pellona Grayana CV.? Verh. B. G. XXIV Har. B. Pm. 135. >. _Russellii Blkr. ib. N. T. N, Ind. III p. 72. Pm. Sb. 136. » _ xanthopterus Blkr. ibid. II p. 439. - Sb. Pm. 137. Spratella pseudopterus Blkr. Pm. 138. Pristigaster tartoor CV. Verh. Bat. Gen. XXIV Har Sp. 139. Alausa toli CV. Z. 140. Engraulis crocodilus Blkr. (Ikan Piring piring) N. T. N. Ind. IL. p. 15. B. 141. _» _ Pfeifferi Blkr. Pont. 142. » melanochir Blkr. (Ikan Piring piring) Verh. B.G. XXIV Har. B. Sb. Pm. 143. » Browaii CV. ibid. Pm. 144. » rhinorhynehos Blkr. ibid. Sp. zi bf > tri Blkr. ibid. Sp. 146. Coïlia borneënsis Blkr. ibid. B. Pm. 147. >» _maeroguathos Blkr. Pm. 148. Rhombus lentiginosus-Richards. Verh. Bat. Gen. XXIV Pleur. . Pm. Sp. Pont. 149. Synaptura panoïdes Blkr. (Ikan Lidah) ib. N. T. N. Ind. ‚ II p. 440. B. Pont. 150. » ommatura (Solea ommatura Richards). Z. 151. Achiroïdes melanorhynchos Blkr. (Ikan Lidah) N. T. N. Ind. FE, p. Î5. B. 152. Plagusta microlepis Blkr. (Ikan Lidah) ibid. Ip. 413. B. Sp. 153. D potous Cuv. Verh. Bat. G. XXIV Pleuron. si Pans 154. Echeneis neuerates L: Dede Obirog. Lutan tess Sp. 155. Conger talabon Cuv.. Pm. 156. Ophisurus hypselopterus Blkr. ibid, II p. 69. B. 157. Muraena bullata Richards. … … … Z. 158. >» _« reticulata Richards. Z 159. Symbranchus immáculatus Bl. (Tetrabanchus microph- dte mr] k £ p Ver à ke B En BG Te Eid ede 415 160. Tetraödon potamophilus Blkr. Verh. Bat, Gen. XXIV Blootk. V. B. Pm. Pont. 161. » modestus Blkr. N. T.N. Ind, I p.16. B. Pont. Ek 162. » lunaris Cuv. Verh. B. G. XXIV Blootk. V. Pm. 163. » oblongus Bl. ibid, Sp. 164. » naritus Richards. Pm. Sar. 165. » leiurus Blkr. BE. 166. -Balistes aculeatus L. L. Er A rectangulus Bl. Schn. ZL. 168. Triacanthus Russellii Blkr. Verh. B.G. XXIV Balist. B. 169. » Nieuhofii Blkr. ibid. Sp. 170. Syngnathus boaja Blkr. N. T. N. Ind. I p. 16. B. UE » heterosoma Blkr. ibid. II p. 441. Sb. 172. Sphyrna Blochii MH. Verh.B. G. XXIV Plagiost. Sb. 173. Pristis zysron Blkr. B. 174. Rhinobatus ligonifer Cant. Verh. B.G. XXIV Plagiost. Sp. 175. Pteroplatea micrurus MH. Z. 176. Amphioxus Belcheri Gray. Z. Alzoo: Percoïden 12, Scleropareën 4, Sciaenoïden 10 ‘Os- phromenoïden 14, Chaetodontoïden 3, Scomberoïden 7, Teu- thiden fÎ, Notacanthinen Î, Mugiloïden 2, Gobioïden fÎ4, Cal- ‚ lionymoïden fl, Pediculaten Îf, Nandoïden f‚ Kamschubbige La- ‚ broïden 2, Siluroïden 26, Cyprinoïden 22, Esocioïden 5, Lucio- ‚ cephaloïden f, Chirocentroïden fÎ, Hyodontes 1, Notopteren 2, Clapeoiden 5, Pleuronecteoïden 6, Echeneoïden 1 ‚, Muraenoïden Á, Symbranchoïden Î, Gymnodontes 6, Balistinen 4, Lopho- branchiën 2, Carchariën fÎ, Squatinorajen 2, Trygones Í, Leptocardiën f. | Van de opgesomde 176 soorten is de kennis van niet min- E ; : _ der dan 156 te danken aan de verzamelingen van de heeren b Û st: Ld À Worrr, KinrnoveNn en Croockewir en aan die van mevrouw _ Preirer, zijnde tot op den tegenwoordigen tijd, voor zoover _ mij bekend is, door anderen in het geheel slechts 20 vischspecies van Borneo bekend gemaakt. De nieuwe soorten, hieronder beschreven, zijn ten getale van 18, t. w. Polynemus polydactylus , Polynemus macronema, Cor- vina polykladiskos, Corvina sampttensis, Mugil macrolepis, Bleotris marmorata, Pangasius polyuranodon, Clarias melaso- 416 ma, Barbus kusanensis , Roluta melanopleura, Leuciscus ory- gastroïdes , Spratella pseudopterus, Engraulis Pfeifferi, En- graulis tri, Engraulis rhinorhynchos , Coilia borneënsis, Coïlia macrognathos en Pristis zysron. Van enkelen dier soorten zijn de beschrijvingen reeds opge- nomen in het binnen kort uit te geven 2áste deel der Ver- handelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en _ Wetenschappen en hier overgenomen. DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE, PERCOÏDEI. Polynemus polydactylus Blkr. Polynem. corpore elongato compresso, altitudine 54 circiter in ejus lon- gitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite 54 circiter in lon- gitudine corporis, longiore quam alto; oeulis diametro 54 circiter in longitudine capitis; linea rostro-frontali supra oeulum declivi rectiuscula; rostro obtuso rotundato; maxilla superiore inferiore longiore, paulo post oeulum desinente, 24 ecirciter in longitudine capitis; praeoperculo rotun- dato denticulato, spina majore nulla; operculo acuto postice membranaceo; squamis lateribus 100 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsalibus al- titudine subaequalibus, corpore paulo humilioribus; dorsali 2* et anali vix emarginatis; pectoralibus acutis pinnam analem subattingentibuss; radiis pectoralibusliberis 14, radiis superioribus eorpore multo longioribus inferioribus pinnas ventrales attingentibus; ventralibus acutis pectoralibus duplo circiter brevioribus; spina ventrali ante pinnam dorsalem 1” inserta; eaudali lobis acutissimis, superiore longiore St circiter in longitudine corporis; colore corpore superne coerulescente, inferne flavescente; pinnis flavis vel flavo-aurantiacis. B. 7. D.8-1/15 vel 1/16. P. 15 + 14 solitar. V. 1/5. A. 3/12. C. 17 et lat. brev. Habit. Bandjermassing, in fluviis. Longitudo speciminis unici (absque filis) 185”, Aanm. Deze Poljnemus heeft in habitus en lengte van draden het meest van Polynemus longifilis GV., doch laat zich daarvan ge- makkelijk bij den eersten oogopslag onderkennen door hare veel kleinere schubben, terwijl zij tevens het dubbele van het aantal vrije borstdraden heeft van Polynemus longifilis CV. Bij mijn specimen zijn de twee bovenste vrije borstdraden meer dan twee maal zoo lang als het ligchaam. Deze is de eenige mij bekende soort, welke een zoo groot aantal van die dra- den heeft. 418 Polynemus longifilis GV. Poiss. III p. 970. Polynem. corpore elongato compresso, altitudine 6 circiter in ejus longitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite 6 ad 54 in k longitudine corporis, longiore quam alto; oculis diametro 5 ad 7 in lon- — gitudine capitis; linea rostro-frontali supra oculum concava; rostro obtuso _ rotundato ; maxilla superiore inferiore longiore, post oculum desinente 21 circiter in longitudine capitis; praeoperculo rotundato denticulato, angulo dente unico majore spinaeformi; operculo acuto postice membra- Ô naceo; squamis lateribus 60 ad 70 in serie longitudinali; pinnis dorsalibus altitudine subaequalibus, corpore humilioribus; dorsali 2* ef anali vix emarginatis; peetoralibus acutis pinnam analem attingentibus; radiis pec- < toralibus liberis 7, radijs superioribus corpore longioribus, inferioribus apicem ventralium attingentibus vel subattingentibus; ventralibus acutis « pectoralibus duplo vel plus dupio brevioribus; spina ventrali spinis dor- salibus anterioribus opposita; caudali lobis acutissimis, superiore longiore 3 flavo; pinnis flavis, dorsalibus fusco arenatis. B. 7. D. 7 vel 8-1/16 vel 1/17. P. 15 ad 17 + 7 solitar. V. 1/5. Ar 3/12 vel 3/18. C. 17 et lat, brev. Synon. Pentanemus Seba Thesaur. III p. 74 tab. 2 ad 3 in longitudine corporis; colore corpore superne coeruleo inferne © fig. Polynemus quinquarius L. Syst. nat. ed. Giel. I p. 1400. TJ Polynemus paradiseus L. ibid. p. 1401. Tupsee Mutchey Russ. Corom. Fish. II p. 69 fig. 185. Polynemus risva Ham. Buch. Gang. Fish. p. 228. Polynemus aureus Ham. Buch.? ibid. Polynemus toposui Ham. Buch.? ibid. Poisson mangue ou de paradis Edwards Av. 208 tab 208. Polynème à longs filets CV. Poiss. III p. 270. Topsi muatz Bengalens. Na denimbia Birman. l Poisson mangue, Pêche mangue et Mango-fish Gall. et Britt. Ind = orient. Î Habit. Bandjermassing et Palembang, in fluviis; Sampit, in mari. Longitude-8 speciminum 90” ad 190”, Aanm. Ik beschreef deze soort vroeger (Nat. Tijdschr. Nl Ind. Ip. 269) naar een enkel zeer jeugdig specimen. Sedert g ontving ik nog zeven grootere specimina van Palembang en Bandjermassing en Sampit, welke het stellen eener meer juiste k diagnose hebben toegelaten, hetwelk te meer noodig was, om od on nn nat 4 419 de verschillen aan te toonen tusschen deze soort en de hier- onder beschrevene nieuwe species Polynemus macronema, welke zeer na aan haar is verwant. Polynemus macronema Blkr. Polynem. corpore elongato compresso, altitudine 6 cireiter in ejus lon- gitudine, latitudine 12 circiter in ejus altitudine; capite 5 ad 54 in lon- gitudine corporis, longiore quam alto; oculis diametro 7 circiter in lon-_ gitudine capitis; linea rostro-frontali supra oculum convexiuscula; rostro obtuso rotundato; maxilla superiore inferiore longiore, longe post oculum desinente, 12 ad 2 in longitudine capitis; praeoperculo rotundato, den- ticulato, spina majore nulla; operculo acuto postice membranaceo; squamis lateribus 65 p. m. in serie longitudinalis pinnis dorsalibus altitudine sub- aequalibus, corpore humilioribus; dorsali radiosa et anali non vel vix emarginatis; pectoralibus acutis capite longioribus; radiis pectoralibus li- beris 7, radiis superioribus corpore longioribus, inferioribus apicem ven- tralium attingentibus vel subattingentibus; ventralibus acutis pectoralibus duplo vel plus duplo brevioribus; spina ventrali spinis dorsalibus anterio- ribus opposita; caudali lobis acutissimis 84 ad 4 in longitudine corporis; colore corpore superne coeruleo inferne flavo; pinnis flavis, pectoralibus magna parte nigerrimis, dorsalibus caudalique fuscescente arenatis; radiis pectoralibus liberis superioribus adultis fuscis. Be B - 1/16 vel 1/17. -P‚,17. vel. 187 solitar.’ V. Nn . 3/12 vel 3/13. C. 17 et lat. brev. Habit. Bandjermassing et Pontianak, in fluviis; Sampit, in mari. Longitudo 3 speciminum 185” ad 245”, Aanm. Deze soort, hoe na ook verwant aan Polijnemus lon- É, gifilis CV. is er toch bij den eersten oogopslag van te onder- kennen door min of meer konveks voorhoofd, langere boven- _ kaak en grootendeels zwarte borstvinnen. De lengte harer Sj vrije borstdraden doet niet onder voor die van Polynemus longifilis CV. Van Polynemus melanochir CV. verschilt zij ten duidelijkste door veel langere vrije draden, ranker ligchaam veel talrijker schubben op eene overlangsche rei enz. SCLEROPAREL. Synanceia asterohlepa Richards. Voyage of the Sul- phur Zoöl. p. 69 tab. 89 fig. 1—8. Synanc. corpore subelongato antice cylindraceo postice compresso, alti- 420 tudine 44 ad 44 in ejus longitudine; capite alepidoto tuberculis et cristis osseis sulcato et tuberculato, 34 ad 44 in longitudine corporis, vix lon- giore quam alto ac lato; vertice fronteque depressionibus vel foveis mag- nis nullis; oculis superis orbitis non elevatis, diametro 9 ad 11 in lon- gitudine capitis, diametris 8 ad 4 a se invicem distantibus; fossa subo- culari nulla; ore simo; maxilla inferiore verticaliter adscendente; labio inferiore mentoque fimbriatis, mento cirris 2 majoribus; ossibus suborbi- talibus tuberculatis antice processubus 2 obtusis; praeoperculo processubus 4 osseis obtusis; operculo eristis 2 osseis; cute alepidota, capite dorsoque spi- nulis minimis vix conspicuis sparsis scabriuscula; pinnis, caudali excepta, radiis fere omnibus simplicibus; dorsali spinosa radicosa paulo humiliore sed plus duplo longiore, spina postica spinis ceteris longiore; dorsali ra- diosa ante basin caudalis desinente; pinnis pectoralibus radiis longissimis capite vix brevioribus; ventralibus capite duplo circiter brevioribus mag- na parte liberis; anali rotundata; caudali convexa 5 circiter in longitu- dine corporis; colore corpore superne viridi-nigricante, inferne dilute vi- ridescente; dorso lateribusque guttis et maculis numerosis nigricantibus; pinnis nigricantibus, pectoralibus caudalique viridi vel rufescente variega- tis et marmoratis; caudali postice rufo marginata. B. 7. D. 16/6 vel 16/5. P. 15 vel 16. V. 1/4. A. 3/7 vel 4/6. C. 12 vel 14 et lat. brev. Habit. Pamangkat, in fluviis et aquis fluvio-marinis. Ä Longitudo 2 speciminum 100''’ et 154'//, / Aanm. Deze soort was tot nog toe slechts van Nieuw Gui- nea bekend en werd eerst in de laatste jaren beschreven en afgebeeld door den heer J. RicuarDson. Bij mijne beide spe- cimina tel ik slechts 4 en niet 5 buikvinstralen (zoo als de heer Rrcmanpson opgeeft) en voorts f5 en Î6 buikvinstralen. SCIAENOÏDEI. Corvina polykladiskos Blkr. Corvin. corpore oblongo compresso, altitudine 4 et paulo in ejus lon- gitudine, latitudine 12 in ejus altitudine; capite 4 circiter in longitudine — corporis; altitudine capitis 14 circiter, latitudine 2 fere in ejus longitudine; — oeulis diametro 5 et paulo in longitudine capitis; rostro convexo, oculo _ paulo longiore, non ante os preminente; linea frontali leviter concava, maxilla superiore ante inferiorem prominente, sub pupilla desinente; — „maxilla inferiore inferne poris 4; ore antico rictu parum obliquo; dentibus maxillis bene conspicuis, maxilla superiore serie externa utroque latere 421 j p. m. 18; praeoperculo margine posteriore valde obliquo, leviter dentato, __ angulo rotundato; linea dorsali rotundata, linea ventrali multo convexiore; _ linea laterali usque sub 2* tertia parte pinnae dorsalis radiosae curvata, singulis squamis ramulis numerosis flabelliforme dispositis; squamis late- __ribus 50 p. m.in serie longitudinali; pinna dorsali parte spinosa longitudine f 12 in parte radiosa sed parte radiosa altiore et corpore duplo circiter hu- | miliore, spina 4* ceteris longiore, 2* 4° duplo fere breviore, penultima ultima multo breviore; pinnis peetoralibus 12 eirciter in longitudine capitis; ven- tralibus radio 19 in filam anum attingentem producto; anali spina 2° 12 in longitudine capitis; caudali rhomboidea 62 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne griseo inferne argenteo; dorso vittis obliquis nu- merosis nigricantibus; pinnis flavescentibus, dorsali fusco arenata. Dr LO 1 OT vels 1/28, B.:2/175: Na. l/50! As 2/7. vel 2/8. Ci 17 et lat. brev. | Habit. Bandjermassing, in fluviis. Longitudo speciminis unici 230''’. Aanm. Deze soort is na verwant aan Corvina cuja CV. en Corvina miles CV., van welke beiden zij echter door meerdere kenmerken is te onderkennen. Ik heb haar genoemd naar de _ talrijke fijne vertakkingen, welke de zijlijn op elke harer schub- d _ ben“vertoont. Corvina sampitensis Blkr. Corvin. corpore oblongo compresso, altitudine 4% circiter in ejus lon- gitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite 44 circiter in EE longitudine corporis; altitudine capitis 14, latitudine 2 circiter in ejus [ longitudine; oculis diametro 4 in longitudine capitis; rostro convexo Ù oculo breviore, non ante os prominente; linea rostro-dorsali fronte non concava; maxilla superiore vix ante maxillam inferiorem prominente, ë ‘euúb posteriore oculi parte desinente; maxilla inferiore inferne poris 4 vel _ 5; ore antico, rictu obliqguo; dentibus maxillis bene conspicuis, maxilla Ë Superiore serie externa utroque latere p. m. 14; praeoperculo rotundato ‚ dentato; linea dorsali rotundata linea ventrali multo convexiore ; linea laterali ke usque sub posteriore dimidia parte pinnae dorsalis radiosae curvata, singulis $ Squamis ramulis 2 vel l vel nullis; squamislateribus 45 ad50 p. m. in serie hnne ; pinna dorsali parte spinosa parte radiosa duplo breviore sed ea _ altiore et altitudine 14 circiter in altitudine corporis, spinis gracilibus 3° ceteris longiore, 2° tertia paulo breviore, penultima ultima longiore ; pinnis pec- _ toralibus 12 circiter in longitudine capitis; ventralibus non productis anum 422 non attingentibus; anali spina 2* capite duplo breviore; caudali rhombois dea 5 ecirciter in longitudine corporis; colore corpore superne coeruleo- griseo inferne argenteo, pinnis flavescente. B. 7. D. 9-1/29 vel 9-1/30 vel 10/29 vel 10/30. P. 2/15. A. 2/7 vel 2/8. C. 17 et lat. brev. Habit. Sampit, Borneo australis, in mari. Longitudo speciminis unici 111///, Aanm. Ook deze soort is verwant aan Corvina miles CV. doch ranker van ligchaam, heeft kleineren kop, den snuit korter dan het oog, een rugdoorn minder, de zijlijn niet noe- menswaardig getakt, enz. MUGILOIDEL. Mugil macrolepis Blkr. Mug. corpore oblongo compresso, altitudine 4 fere in ejus longitudine; capite depresso 5 fere in longitudine corporis; altitudine capitis 14, lati- tudine 12 circiter in ejus longitudine; oculis diametro 3 et paulo in lon- < gitudine capitis, 1% in capitis parte postoculari, diametro 14 circiter a se invicem distantibus; membrana palpebrali iridem non tegente; linea rostro-dorsali capite declivi rectiuscula; rostro non convexo, depresso, oculo — breviore; naribus anterioribus rotundis, posterioribus subrimaeformibus; osse suborbitali emarginato , postice truncato, denticulis bene conspicuis; < osse maxillari superiore ore clauso inconspicuo; labio superiore carnoso_ non papillato; denticulis maxillaribus oculo armato tantum conspicuis; maxilla superiore deorsum valde protractili; tuberculo inframaxillari sym- physali subtetragono; dentibus palatinis in thurmas 2 elongatas colloca- tis; lingua peripheria thurmis denticulorum parvis obsita; foramine prae- vomerino nullo; praeoperculo acutangulo angulo rotundato, margine pos- teriore obliguo emarginato; squamis lateribus 26 p. m. in serie longitudi- nali, parte basali striis 6 ad 8; squamis axillaribus brevibus; pinnis dor- salibus minus longitudine pinnarum pectoralium a se invicem distantibus, altitudine subaequalibus, corpore multo humilioribus, spinosa spinis cras- — sis, l2 ceteris longiore et crassiore ; dorsali radiosa acuta, non vel vix emargi- Ri nata; pinnis pectoralibus capite paulo brevioribus; ventralibus angulatis pe pectoralibus paulo brevioribus; anali acuta vix emarginata, dorsaliradiosa — A e 5 ° - . . . hier vix altiore, spina 38° radio 19° minus duplo breviore; caudali leviter emar- — -ginata 42 eirciter in longitudine corporis; colore corpore superne viridi — inferne argenteo, pinnis hyalino vel flavescente. NE Pd 495 B. 6. D. 4-2/7 vel 2/8. P. 2/12. V. 1/5. A. 3/9 vel 3/10. C. 14 et lat. brev. Habit. Pamangkat, in fluviis, Sampit, in mari. Longitudo 4 speciminum 54''’ ad 79'//, Aanm. Deze soort is vooral herkenbaar aan haar kort lig- chaam, groote schubben en korten kop, die bijkans even hoog is als lang. Het komt mij voor, dat deze soort na ver- __ want moet zijn aan Mugil amarulus CV., doch de beschrijving re Ig Bj ge daarvan in het groote vischwerk is zoo onvolledig, dat ik daarnaar niet over de mogelijke identiteit of verschillen kan oor- deelen. Zoo zie ik in die beschrijving geen gewag gemaakt van de hoogte des ligchaams, van het aantal schubben op eene overlangsche rei, van de lengte van het achteroogkuils- gedeelte van den kop enz. Daar ik de bovenbeschrevene species tot geene der bekende kan terugbrengen, stel ik voor 5 haar een’ nieuwen soortnaam te geven, afgeleid van hare be- _ trekkelijk groote schubben. _ Mugil melanochir K. v. H. GV. Poiss. XI p. 106. Mug. corpore subelongato, anticee subeylindrieo, postiee compresso, je altitudine 44 ad 5 in ejus longitudine; capite convexo, 41 ad 42 in lon- 5 gitudine corporis; altitudine capitis 12 ad 14, latitudine 12 ad 12 in ejus ( 5 3 ee longitudine; oculis diametro 23 ad 4% in longitudine capitis, 2 ad 22 in capitis parte postoculari, diametro 14 ad 28 a se invicem distantibus; palpebris oculi bulbum non tegentibus; linea rostro-frontali convexa 5; ros- tro junioribus oculo breviore, adultis oculo longiore; naribus anterioribus v rotundis, posterioribus ovalibus majoribus; osse suborbitali emarginato, denticulis valde conspicuis; labio superiore gracili non fimbriato; maxilla ee superiore deorsum valde protractili;, osse maxillari superiore ore clauso jneonspieuo; dentibus maxillaribus vix conspicuis; maxilla inferiore sym- physi tuberculo subconico; dentibus palatinis minimis in thurmas 2 vit- taeformes parvas collocatis; lingua peripheria thurmis denticulorum |_ parvis obsita; foramine praevomerino magno; praeopereulo acutangulo - angulo rotundato, margine posteriore oblique postrorsum descendente; À squamis lateribus 25 ad 30 in serie longitudinali; squamis axillaribus _ brevibus; pinnis dorsalibus minus longitudine pinnarum pectoralium a se | invicem distantibus; dorsali spinosa radiosa humiliore, spinis crassis; dorsalt _ radiosa et anali altitudine aequalibus, corpore humilioribus, acutis, apice _ rfotundatis, non emarginatis; pectoralibus acutis 14 circiter in longitudine _nI. 32 Wh capitis; ventralibus obtusis peetoralibus brevioribus; caudali subintegra vix emarginata, 44 ad 42 in longitudine corporis; colore corpore superne oli- | vaceo-viridi inferne argenteo; pinnis pectoralibus maxima parte nigris; pinnis ceteris viridescentibus vel fuscescentibus; lateribus interdum vittis longitudinalibus fuscescentibus. B. 6. D. 4-1/8 vel 4-1/9. P. 2/15 vel 2/16. V. 1/5. A. 3/8 vel 3/9. C. 14 et lat. brev. Synon. Muge christian QG. Voy. de Freycin. Mugil melanopterus Ehr. Mugil macrolepidotus Rüpp. Atl. R. N. Afr.F. R. M. p. 140 tab. 35 fig. 2. Muge macrolépidote CV. Poiss. XI p. 99. Muge à pectorales noires CV. Poiss. XI p. 106. Arabi Arab. Or. Mar. rubr. kan Greh Indig. Surabaj. kan Belanakh Mal. Habit. Sampit, Batavia, Samarang, Surabaja, Kammal, Padang, Banka, PT ee | | in mari. Longitudo 16 speciminum 40''’ ad 260///, Aanm. Mugil melanochir K: v. H. is, volgens de talrijke spe- | cimina die ik er van heb waargenomen, de jeugdige visch van Mugil macrolepidotus Rüpp. | GOBIOÏDEI. Eleotris marmorata Blkr. Bleotr. corpore elongato, antice cylindrico postice compresso, altitudine 54 ad 6 fere in ejuslongitudine; capite acuto, depresso, 34 ad 34 in lon-- gitudine corporis; altitudine capitis 2, latitudine 14 circiter in ejus lon- gitudine; linea rostro-frontali declivi econcaviuscula; oculis diametro 9 eirciter in longitudine capitis, diametris 2 eirciter a se invicem distantie bus; orbitis glabris; regione temporali sulcata; rostro ex parte squamoso; dentibus maxillis pluriseriatis parvis, serie externa majoribus conicis; maxilla superiore inferiore breviore, sub oculo desinente; rictu obliquos d squamis etenoïdeis flabelliforme striatis, lateribus 70 p. m. in serie longi- is tudinali; appendice anali oblonga compressa; pinna dorsali spinosa dorsali _ radiosa paulo humiliore; dorsali radiosa et anali postice oblique rotunda- — tis, corpore multo humilioribus; pectoralibus ventralibus longioribus sed capite multo brevioribus; caudali obtusa rotundata 5 ad 54 in longitudine ii corporis; corpore toto fusco profundiore et aurantiaco pulcherrime mat- a) _ morato et nebulato; pinnis omnibus nigro, rubro et fusco variegatis, ni- j . . . _ gro pinnis dorsalibus praevalente. MENGDE 1/Devel 1/10, BP; A8 vel 19. Ar I/Bvwell/9.e:C-1237 vel 14 et laf. brev. _ Habit. Bandjermassing, Borneo austro-orientalis, et Palembang, Su- matrae austro-orientalis, in fluviis. Longitudo 2 speciminum 230''’ et 253''’. Aanm. Deze fraaije soort heeft in habitus veel van Philyp- nus dormitator GV. en behoort in haar geslacht tot de groep ‚van Zleotris gyrinus CV. en Bleotris guavina GV., doch is duidelijk genoeg daarvan onderscheiden, vooral door haar fraai met bruin en oranje gemarmerd en gewolkt ligchaam. SILUROÏDEL. Pangasius polyuranodon Blkr. Pangas. corpore elongato compresso, altitudine 6 in ejus longitudine, latitudine 14 circiter in ejus altitudine; capite obtuso vix convexo, 54 in longitudine corporis; altitudine et latitudine capitis 14 circiter in ejus | longitudine ; linea rostro-frontali vix convexa; oculis posteris , diametro j 34 circiter in longitudine capitis, superne diametris 24, 12 a se invicem distantibus; cirris 4, supramaxillaribus os humerale paulo inferne: diametro ed superantibus, inframaxillaribus oculo plus duplo longioribus; maxillis denti- $ bus pluriseriatis, parvis, aequalibus; maxilla inferiore superiore breviore; _ dentibus vomerinis et palatinis parvis conicis, vomerinis in thurmam mag- _ nam quadratam, palatinis in thurmas 2 oblongas parvas ad latera thurmae s vomerinae collocatis; scuto capitis cristaque interparietali rugosis; linea _ Jaterali rectiuscula ramosa; linea dorsali linea ventrali convexiore; pinna dorsali radiosa acuta , non emarginata , corpore vix humiliore, spina pos- … tice serrata; pinna adiposa gracili, pinnae analis parti posteriori opposita, multo altiore quam longa, altitudine oculum subaeguante; pinnis pectora- libus acutis, capite paulo brevioribus, spins postice serrata; ventralibus pectoralibus minus duplo brevioribus, analem non attingentibus; anali 4 fere in longitudine corporis; caudali profunde incisa, lobis acutis 54 circí- ter in longitudine corporis; colore corpore plumbeo-coeruleo, inferne ar- genteo; pinnis flavescentibus. BERDE /7.P. 1/12. V.1/5. A. 5/38. C.- 17 et lat. brev. Habit. Bandjermassing, in fluviis. Longitudo speciminis unicì 160’. 426 8 Aanm. Deze soort is kenbaar aan hare in eene groote vier- kante groep bijeenstaande ploegbeenstanden, gering aantal kieuw- stralen enz. Ik bezit nog eene na aan deze verwante nieuwe soort van Palembang, welke ik Pangasius juaro heb genoemd en welker beschrijving nog niet is gepubliceerd. Deze heeft de ploegbeenstanden even zoo gerangschikt en ook 7 kieuwstralen , doch de voeldraden zijn er aanmerkelijk korter, vooral de kindraden, en de oogen staan er hooger, terwijl ik er in de aarsvin slechts 4/30 stralen tel, niettegenstaande het specimen meer dan tweemaal grooter is als het boven beschrevene. Arius truncatus GV. Poiss. XV p. 48. Ar. corpore elongato compresso, altitudine 74 ad 8 in ejus longitu- dine; capite acuto, a rostro usque ad apicem operculi 44 ad 44, a rostro usque ad apicem cristae interparietalis 84 ad 84 in longitudine corporis; latitudine capitis 12 ad 2 in ejus longitudine usque ad apicem operculi; oculis diametro 6 ad 7 in longitudine capitis usque ad apicem operculi, diametris 2 circiter a se inviecm distantibus; linea rostro-dorsalt occi- pite convexa, fronte rectiuscula; rostro antice subtruncato; scuto capitis irregulariter sulcato et granulato, sulco antice glabro elongato, granulis parcis; crista interparietali minus duplo longiore quam basi lata, tota sulcata et granulata, apice leviter emarginata os interspinosum parvum granulatum attingente; cirris 6, supramaxillaribus os humerale, infra- maxillaribus externis et internis aperturam branchialem attingentibus vel sub- attingentibus; maxillis dentibus pluriseriatis parvis aequalibus, superiore inferiore longiore ; ore infero; dentibus palatinis conicis parvis in thurmas 2 oblongo-ovales antice et lateraliter in palato collocatis; osse scapulari glabro; spinis dorsali et pectoralibus crassis, antice granulosis, apice et postice dentatis, non in fila productis, dorsali 6 ad 64, pectoralibus 7 ad 72 in longitudine corporis; pinna dorsali radiosa acuta corpore multo altiore; pinna dorsali radiosa acuta corpore multo altiore; pinna adipcesa anali plus duplo breviore, oblonga, rotundata, aeque alta fere ac basi longa; pinnis pectoralibus 14 circiter, ventralibus angulatis 2 in longitu- dine capitis; radio ventrali postico non tumefacto vel cartilagines; anali angulata, vix emarginata, longiore quam alta; caudalì profunde excisa lobo superiore acutiusculo inferiore longiore 52 ad 52 in longitudine cor- poris; colore corpore superne ‘plumbeo, inferne argenteo, pinnis flaves- cente ; dorsali radiosa superne nigro marginata. B. 6. D. 1/7. B. 1/9. Vool/5. A. 6/16 wel 7/17 Tone NER Synon. Artus à nez trongué CV. Poiss. XV p. 48. jn dans mls e 427 Habit. Pamangkat, in fluviis. Longitudo 2 speciminum 121/// et 144///, __Aanm. Mijne specimina laten zich geheel terugbrengen tot de korte beschrijving van Arius truncatus GV., zoodat ik niet aarzel, ze te beschouwen als daartoe behoorende. De heer VALENCIENNEs geeft van deze soort op dat ze door LrscuenAuLrT op Java zou verkregen zijn. Tot nog toe is mij echter van Java nog geen enkel specimen onder de oogen gekomen. sie melasoma Blkr. Clar. corpore elongato, antiee subeylindrieo postiee compresso, altitudine 82 ad 74 in ejus longitudine; capite depresso 44 ad 48 in longitudine corporis; altitudine capitis 22 ad 2, latitudine 14 circiter in ejus longitu- dine; scuto capitis leviter granuloso;s impressionibus frontali et occipitali distantibus, ovalibus, frontali ocecipitali majore; oculis diametro 12 cir-_ citer in longitudine capitis; cirris nasalibus et inframaxillaribus internis medias pinnas pectorales attingentibus, supramaxillaribus pinnas pectora- les superantibus, inframaxillaribus externis apicem pectoralium fere attin- libusque rotundatis; pectoralibus ventralibus minus duplo longioribus et apite minus duplo brevioribus, spina crassa antice dentata capite plus gitudine corporis; colore corpore pinnisque nigro. RBD. 69 vel 70. P. 1/9. V. 1/5. A-57. C. 17 = D. A. C. 143. ee Synon. Jkan Leleh Palembangens. bang, Sumatrae austro-orientalis, in flumine Mussi. s Longitudo 2 speciminum 170'/' et 300''/. __ Aanm. Deze soort heeft zeer groote verwantschap met Cla- ' tas meladerma Blkr. van Java. Wat mij noopt haar als eene eigene soort te beschouwen is, dat zij aanmerkelijk ranker is van ligchaam en minder hoog van rug, en dat hare verti- kale vinnen niet vleezig zijn. Clarias fuscus CV. van Sumatra zou slechts 48 aarsvinstralen hebben en 67 rugvinstralen. In- 428 dien de afbeelding van Macroptéronote brun Lacép. tot Clarias fuscus CV. betrekking heeft en eenigzins naauwkeurig is, dan wijkt Clarias fuscus CV. bovendien nog af‚ zoowel van Clarias melasoma als van Clartas meladerma, door kortere voeldraden en veel spitsere interparietaalkam. CIJPRINOÏDEL Systomus apogon GV. Poiss. XVI p. 299. Systom. corpore oblongo compresso, altitudine 34 ad 3 in ejus longi- tudine, latitudine 24 ad 3 in ejus altitudine; capite acutiusculo 44 ad 5 in longitudine corporis; altitudine capitis 14 ad 14, latitudine 2 circiter in ejus longitudine; linea rostro-dorsali vertice concava; oculis diametro 3 ad 32 in longitudine capitis, 14 ad 14 in capitis parte postoculari; distantia interoculari 23 ad 8 in longitudimme capitis; rostro acutiusculo antice leviter convexo, non ante os prominente, non truncato, junioribus oculo breviore, aetate provectioribus oculo non breviore; maxilla supe- riore inferiore paulo longiore, ante oculum desinente, verticaliter deor- sum valde protractili; maxilla inferiore non uncinata; ore antico labiis ® carnosis non lobatis; dentibus pharyngealibus triseriatis, serie externa 5 uncinatis; osse scapulari trigono obtuso; dorso elevato angulato ventre & multo convexiore; linea laterali rectiuscula lineam rostro-caudalem non attingente; squamis parte libera longitudinaliter striatis, lateribus 35 p._ me. in serie longitudinali, 13 p. m. in serie transversali; inguinibus squamis elongatis; pinnis dorsali et anali basi vagina squamosa humili; dorsali ® post pinnas ventrales incipiente, acuta, emarginata, corpore multo hu- ® miliore, spina crassa postice dentata capite breviore; pectoralibus et ven- tralibus acutis, subaequalibus, capite brevioribus; pectoralibus ventrales 17 attingentibus; ventralibus analem non attingentibus; anali acuta, non vel ® vix emarginata, corpore plus duplo humiliore; caudali profunde incisa, he lobis acutis 4 ad 42 in longitudine corporis; colore corpore superne viri- N di inferne argenteo; squamis lateribus plurimis basi macula verticali fusca — vel nigra; pinnis membrana viridibus, radijs vulgo rubris; membrana pinna dorsali analique frequenter fusco arenata; cauda junioribus basi pinnae macula diffusa nigra. B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/16. V. 1/9. A. 3/5 vel 3/65. C. 19 et Jalan brev. Synon. Barbus apogon Kuhl. CV. Poiss. XVI p. 299. Jkan Lawak et Ikan Lalawak Mal. Batav. 429 Habit. Prabukarta, Borneo austro-orientalis in flumine Kusan; Palem- bang, Sumatrae austro-orientalis, in flumine Mussi; Batavia, in flumine Tjiliwong. Longitudo 24 speciminum 85''’ ad 198’, Aanm. Het blijkt meer en meer, dat de stroomgebieden der groote Soenda-eilanden tamelijk rijk zijn aan soorten van Sys- fomus. Van Java ken ik er thans 2, van Borneo ö en van Sumatra 5. De Javasche zijn Systomus lawak Blkr. en Systo- mus apogon GV.; de Borneosche Systomus apogon CV., Sys- tomus melanopterus Blkr., Systomus microlepis Blkr., Systomus bulu Blkr. en Systomus truncatus Blkr.; de Sumatrasche Sys- tomus apogon CV., Systomus bako Blkr., Systomus melanopte- rus Blkr., Systomus bulu Blkr. en Systomus truncatus Blkr. Alle deze soorten zijn afgebeeld in mijne nog niet afgedrukte verhandeling over de Cyprinoïden van den Indischen Archipel. Systomus melanopterus beschreef ik in eene vroegere biidra- ge over de ichthyologie van Borneo onder den naam van Barbus melapterus, naar een jeugdig specimen. - Sedert ontving | ik grootere specimina van Borneo en Sumatra welke geen spoor van voeldraden bezitten, zoodat, wat ik bij het kleine ge specimen voor draadjes heb aangezien, stellig gescheurde lippen 4 moeten geweest zijn, aan welke misvatting men bij kleine spe- Ë _ Cimina met teedere lippen ligtelijk bloot staat. Bij de andere OE is het ligchaam betrekkelijk aanmerkelijk hooger dan _bij de jongere. A Barbus kusanensis Blkr. V Barb. eorpore oblongo compresso, altitudine 84 circiter in ejus longi- tudine, latitudine 24 in ejus altitudine; capite acutiusculo non convexo, 44 circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 14, latitudine 12 in ejus longitudine; oculis diametro 34 in longitudine capitis, diametro 1 a se invicem distantibus; rostro non convexo, acuto, oculo paulo breviore; maxilla superiore inferiore vix longiore, deorsum valde protractili, ante oculum desinente; ore antico; cirris labialibus maxillaribus longioribus opercula attingentibus, maxillaribus oculi partem posteriorem attingenti- bus; dentibus pharyngealibus triseriatis, serie externa 5 subuncinatis; Osse scapulari trigono obtuso rotundato; linea frontali declivi rectiuscula; 4 450 dorso elevato carinato; linea dorsali angulata, ventrali rotundata; linea laterali declivi leviter concava, lineam rostro-caudalem attingente, lineae | ventrali magis quam lineae dorsali appreximata; squamis medio reticula- tis, peripheria subradiatim striatis, lateribus 23 p. m. in serie longitudinali, 9 ad 10 in serie transversali; inguinibus squamis elongatis; pinna dorsali 4 acuta non emarginata, altitudine 12 in altitudine corporis, spina denticu- lata capite breviore, paulo post pinnas ventrales inserta; pinnis pectorali- bus ventralibusque acutis, pectoralibus ventralibus longioribus sed capite brevioribus, ventrales attingentibus; anali acuta non emarginata, corpore plus duplo humiliore; caudali profunde incisa lobis acutis, 4 et paulo in longitudine corporis; colore corpore superne viridi inferne argenteo; pin- $ nis roseis, dorsali, anali caudalique leviter fasco marginatis. B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 2/14. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 et lat. brev. Habit. Prabukarta, Borneo austro-orientalis, in flumine Kusan. Longitudo speciminis unici 76///, Aanm. Deze soort is na verwant aan Barbus bilitonensis Blkr. (Nat. Tijdschr. N. Ind. UI p. 97) doch mist de violet kleurige rugvlek, is iets hooger van ligchaam, heeft den rug- doorn achter de buikvinnen ingeplant en de borstvinnen tot aan de buikvinnen reikende. Zij moet ook zeer na verwant zijn aan Barbus roseipinnis CV. van Pondichery, maar deze soort zou den onderrand der staartvin zwartachtig hebben. Elders heb ik overigens reeds gezegd, dat de beschrijving van deze soort in het groote vischwerk te oppervlakkig is, om over de mogelijke identiteit met de bovengenoemde verwante soorten behoorlijk te oordeelen, eene identiteit, welke echter, het verschil van woonplaats in aanmerking genomen, niet waar= | schijnlijk is. ij Rohita melanopleura Blkr. Rohit. eorpore oblongo compresso, altitudine 3% ad 84 in ejus longitu- dine, latitudine 22 ad 24 in ejus altitudine; capite obtuso 43 ad 54 in } longitudine corporis; altitudine capitis 1% ad 14, latitudine 18 ad 12 ina . tj ejus longitudine; oculis diametro 84 ad 4 et paulo in longitudine ecapitis, — l et paulo ad 1% in capitis parte postoculari; distantia interoculari 2 fere — \ ad 13 in longitudine capitis; rostro non convexo, poris non conspicuis, — vix ante os prominente, oculo longiore; maxilla superiore inferiore paulo — 481 longioribus, oculum attingentibus, maxillaribus angulum oris superantibus; Jabiis valde carnosis papillis gracilibus ciliatis, papillis labio inferiore lon- gioribus; dentibus pharijngealibus triseriatis vix curvatis, serie externa 5; osse scapulari trigono, obtuso; linea rostro-dorsalí capite declivi rectius- d cula; dorso elevato ventre convexiore; linea laterali antice declivi postice rectiuscula, lineam rostro-caudalem vix vel non attingente; squamis parte libera longitudinaliter striatis, lateribus 50 p. m. in serie longitudinali, 20 p. m. in serie transversali; inguinibus squamis elongatis; pinna dorsali ante pinnas ventrales incipiente, acuta, paulo emarginata, corpore multo humiliore, basi 3% ad 834 in longitudine corporis; pectoralibus ventralibus- que acutis, capite brevioribus; pectoralibus ventrales non attingentibus; ventralibus pectoralibus paulo longioribus, analem non attingentibus; anali acuta non vel vix emarginata, corpore multo humiliore; caudali profunde incisa lobis acutis, superiore paulo longiore 4 ad 5 et paulo in longitu- dine corporis; colore corpore pinnisque viridis lateribus post medias pin- nas pectorales maculis nigris reticulatis. DAI vel 4/18. PB. 1/16. A; 3/5 vel 3/6. C. 19 et‘lats'brev. Habit. Bandjermassing, Borneo austro-orientalis, et Palembang, Su- matrae austro-orientalis, in fluviis, Longitudo 3 speciminum 126/'’ ad 320'/’, Aanm. Deze soort is zeer kenbaar aan haren gladden, niet bollen en niet vooruitstekenden snuit, lange voeldraden, talrijke s schubben, netsgewijze zwarte teekening der zijden achter hef midden der borstvinnen enz. Leueise. corpore oblongo compresso, altitudine 3% ad 44 in ejus lon- ‚ gitudine, latitudine 3 circiter in ejus altitudine; capite acuto 54 ad 6 in ‚ longitudine corporis; altitudine capitis 14, latitudine 24 circiter in ejus ; lineis dorsali et ventrali rotundatis, ventrali dorsali multo convexiore ; __ventre cultrato; linea laterali valde curvata, postice lineae ventrali multo _magis quam lineae dorsali approximata, tota fere infra lineam rostro- _ eaudalem sita; squamis magnitudine insequalibus, non vel vix striatis, B u. | 33 lateribus 40 p. m. in serie longitudinali, 12 p. m. in serie transversali;_ pinna dorsali radiis posticis radiis analibus anterioribus opposita, acuta, non emarginata, corpore multo humiliore; pectoralibus acutis, capite multo longioribus, ventralium basin superantibus; ventralibus acutis pectoralibus plus duplo brevioribus, analem non attingentibus; anali acuta, emargi- nata, corpore plus duplo humiliore; caudali profande incisa, lobis acutis, inferiore longiore 42 ad 5 in longitudine corporis; colore corpore superne viridescente inferne argenteo; pinnis flavescente-hyalinis marginem poste- riorem versus plus minusve fuscescentibus vel nigricantibus. B. 3. D. 2/1 vel 2/8. P. 2/12 ad 2/14. V. 1/6. A. 3/29 ad 3/32. C. © 19 et lat. brev. | Habit. Prabukarta, Borneo austro-orientalis, in flumine Kusan; Palem- bang, Sumatrae austro-orientalis, in flumine Mussi; Batavia, — in fluviis. Longitudo 9 speciminum 50’'’ ad 148'/', Aanm. Deze soort is zeer na verwant aan Leuciscus oxygas- ter CV. van Java, doch onderscheidt er zich van door meer zamengedrongen ligchaam, minder talrijke schubben op eene E overlangsche rei, verder achterwaarts reikende borstvinnen en — door het gemis van de overlangsche violetachtige banden op de staartvinkwabben. | CLUPEOÏDEL Spratella pseudopterus Blkr. Spratell. corpore elongato compresso, altitudine 5 in ejus longitudine, « latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acutiusculo 54 in longitudine corporis, longiore quam alto; oculis diametro 3 circiter in longitudine 8 capitiss ore antico rictu parvo; rostro oculo breviore; maxilla superiore edentula sub oculi parte anteriore desinente; maxilla inferiore symphysi _ tactu scabra, denticulis inconspicuis;s dentibus palatinis vix conspicuis utro- | que latere in vittam gracilem dispositis; lingua medio tantum crista den- 1 ticulis vix conspicuis scabra; lineis dorsali et ventrali regulariter rotun- sn datis, ventrali dorsali convexiore; linea laterali conspicua; squamis parte — basali vulgo longitudinaliter, parte Ifbera vulgo nec striatis nec fimbria- KA 18 postice spinatis serrato; pinna dorsali maxima parte in anteriore di- — midio corporis sita, acuta, corpore minus duplo humiliore, non vel vix emargi- — nata; pectoralibus acutis capite minus duplo brevioribus et ventralibus — minus duplo longioribus; ventralibus ante pinnam dorsalem insertis; anali . corpore duplo humiliore, radiis 2 posticis a cetera pinna remotis, pin= — 433 _ pam spuriam efficientibus; caudali profunde incisa lobis acutis 5 ad 54 in longitudine corporis; colore corpore superne viridescente, inferne argen- _teo; pinnis hyalino-viridescentibus. \ B. 6. D. 13 vel 14. P. 12 vel 13. V. 1/7. A. 1442, C. 19 et lat. brev. j Habit. Pamangkat, in fluviis et aquis fluvio-marinis. __Longitudo 2 speciminum 48'// et 51’, __Aanm. Deze soort is gekenmerkt door hare slanke gedaan- te, voorwaartsche plaatsing der buikvinnen en vooral door eene kleine tweestralige valsche aarsvin, welke zich achter de eigenlijke aarsvin bevindt. Engraulis Pfeiffert Bkr. KE » he _ _Engraul. corpore oblongo compresso, altitudine 44 circiter in ejus lon- _gitudine, Jatitudine 4 in ejus altitudine; capite subtrigono, acuto, 7 circi- ter in longitudine corporis, longiore quam alto; linea rostro-frontali cou- vexa; lineis dorsali angulata, ventrali rotundata; oculis totis velatis, dia- metro 6 circiter in longitudine capitis; rostro acuto, oculo vix breviore; rr EEn maxilla inferiore ante superiorem prominente; maxilla superiore curvata, ij oncavitate antrorsum spectante, postice rotundata, ante aperturam bran- chialem desinente; dentibus maxillaribus, vomerinis et palatinis parvis, aequalibus, numerosis; operculo margine posteriore valde obliquo, con- „vexo, non emarginato; squamis lateribus ecycloïdeis, plurimis striis basi citer opposifa, spina erecta valde conspicuas pinnis pectoralibus radio 1e me | fi in Alum posteriorem pinnae analis partem attingentem producto, radio 2e Capite breviore; pinnis ventralibus acutis radio pectorali 2e minus duplo brevioribus; anali non squamosa, corpore plus duplo humiliore, corpore ix plus duplo breviore; caudali profunde incisa, lobis (partim abruptis); golore corpore superne griseo-coeruleo inferne flavescente vel argenteo; dorso medio fusco arenato; pinnis flavescentibus. Er. 18. D. 1 spin. + 3/14. P. 1/12. V. 1/6. A. 3/58. C. 19 et lat. brev. Habit. Pontianak, Borneo occidentalis, in fumine Kapuas. __Longitudo speciminis unici 225'//, KN __Aanm. Deze soort is het naaste verwant aan Engraulis te- lara CV. doch verschilt daarvan nog aanmerkelijk. Zij behoort tot de groep van Engraulis, bij welke de borstvinnen draad- 43h vormig verlengd zijn, de bovenkaak stomp is, niet tot aan de kieuwopening reikt en de rugvin achter het begin der zeer lange aarsvin is geplaatst. Zij is bij den eersten oogopslag her- kenbaar aan de lange onderkaak, die voor den snuit uitsteekt » en aan het niet uitgesneden zijn van den achterrand des oper-_ kels. Van Engraulis telara GV. is de formule der stralen bo- vendien opgegeven als volgt: B. 14 vel 13. D. 13. P. 14. Vv. 7. A. 70, welke getallen aanmerkelijk van die van Engrau- lis Pfeifferi afwijken. Op de afbeelding van Engraulis telara E CV. in'de groote Histoire naturelle des Poissons zijn boven- dien slechts ongeveer fÎ7 buikkieldoornen aangeduid, terwijl ik er bij Engraulis Pfeifferi 21 tel. j De bovenbeschrevene koplengte doelt op de lengte van de punt des snuits tot aan het onderste gedeelte van den ach- terrand des operkels. De lengte van de punt des snuits tot aan den bovenhoek der kieuwopening gaat ongeveer ff, maal in de lengte des geheelen ligchaams. De heer Cantor beschreef in zijnen Catalogue of Malaijan Fishes bladz. 306 eene insgelijks aan Zngraulis Pfeifferi ver wante soort onder den naam van Engraulis breviceps, doch welke hooger is van ligchaam, grootere oogen en kortere. borstvindraden heeft, slechts Î6 kieuwvliesstralen bezit enz. Ik draag deze soort op aan mevrouw Ipa Preirrer, welke haar te Pontianak heeft ontdekt en mij met welwillendheid afgestaan. Engraulis rhinorhynchos Blkr. Verh. Bat. Gen. wav Haring. V. p. 40. | Engraul. corpore oblongo compresso, altitudine 4 ad 44 in ejus lon- gitudine, latitudine 34 ad 44 in ejus altitudine; capite acuto 43 ad 5 im longitudine corporis; altitudine capitis 12 in ejus longitudine; oculis dia metro 3 ad 84 in longitudine ecapitis, totis velatis; rostro valde promi= nente, acuto, oculo vix breviore; maxilla superiore ante inferiorem pro- minente, postice acuta, aperturam branchialem attingente; dentibus _ maxillaribus, palatinis et vomerinis minimis, maxillaribus mumerosisimis conspicuis; squamis reticulatis, lateribus 35 p. m. in serie longitudinalis; — ‚f axillis inguinibusque squamis elongatis; linea laterali inconspicua; ventre dl Tae 3 ke ek hej nd pie: 435 L spinis serrato; pinna dorsali tota ante pinnam analemsita, acuta, margine À superiore convexa, corpore humiliore; spina dorsali valde conspicua; _ pinnis pectoralibus acutis, capite multo brevioribus; ventralibus pectora- _ libus duplo ecirciter brevioribus; anali corpore duplo humliore, longitudine 83 ad 4 in longitudine corporis; caudali profunde incisa lobis acutis 5 eirciter in longitudine corporis; colore corpore superne coerulescente, Jateribus inferneque flavescente-argenteo; macula humerali fusca; pinnis 3 flavescentibus, dorsali antice vulgo fuscescente. NE B. il. D. 1 spin. + 3/10 vel 3/11. P. 1/11. Ve J/6 A. 3/81 vel | 3/82. C. 19 et lat. brev. Synon. Engraulis kammalensis Blkr. Ichth. Madur. p. 13, in Verh. Bat. Gen. XXII. Íkan Bulu hajam Mal. Batav. | Ikan Tri Jav. et Madur. } ‚ Habit. Sampit, Borneo australis, in mari. Batavia, Surabaja, Kammal, in mari, Longitudo 24 speciminum 70''’ ad 110///, ___Aanm. Deze soort is zeer kenbaar aan haren vooruitsteken- _den snuit, rugdoorn, scherpe doch korte bovenkaak, kort Lj ligchaam, onverlengde borst- en buikvinstralen enz. Vissch. p. 40. Engraul. corpore eiongato compresso, altitudine 5 ad 54 in ejus longi- be pine, Bene. 2 ad 24 1n gi aluijndine;, gene aante: convexo 5 B. oculo breviore, acuto, convexo; maxilla NO ante in- in prominente, postice acuta, aperturam branchialem attingentes; sen 30 p. m. in serie longitudinalis axillis inguinibusque squamis _elongatis; linea laterali inconspicua; pinna dorsali ante pinnam analem incipiente, radiis posticis radiis analibus anterioribus oppositis, acuta, corpore humiliore; pectoralibus acutis capite multo brevioribus; ventrali- bus pectoralibus duplo brevioribus; anali corpore duplo humiliore, lon- gitudine 6 ad 62 in longitudine corporis; colore corpore flavescente-hya- lino; fascia cephalo-caudali lata argentea; pinnis flavescentibus, caudali fere tota nigro marginata. B. 11. D. 1 spin. t 3/11 vel 3/12. P. 1/11 vel 1/12. V. 1/6. A. 3/17 ad 3/19. C. 19 et lat. brev. 486 Synon. Zkan Tri Mal. Batav. Habit. Sampit, Batavia, in mari. Longitudo 20 speciminum 55’'’ ad 120///, Aanm. Deze soort is zeer na verwant aan ZEngraulis Brow- | nij CV. Men onderkent haar echter voldoende aan den korten rugdoorn, die bij ZEngraulis Brownùü CV. ontbreekt en aan de netsgewijze gestreepte schubben. Zij is ook wat platter dan Engraulis Browniü CV. en heeft den zilverglanzigen band der zijden veel breeder, terwijl de schubben tevens vaster op het ligchaam bevestigd zijn, zoodat men haar gewoonlijk met_ schubben bedekt aantreft, terwijl Engrauls Browniù gewoon- lijk de schubben verloren heeft. | Coïlia macroynathos Blkr. Coïl. corpore elongato compresso, altitudine 54 ad 52 in ejus longitu- * dine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; cauda gracili; capite acuto, absque processu maxillari 6 circiter in longitudine corporis; rostro acuto, ante os prominente; oculis diametro 54 eirciter in longitudine capitis absque processu maxillari; maxilla superiore postice maxime producta pinnas ventrales fere attiogente, denticulis majoribus et minoribus alter= nantibus, parte producta autem parte orali majoribus; maxilla inferiore denticulis parvis, symphysìi tuberculata; dorso angulato; ventre ante pin nas ventrales spinis 12 vel 18, post pinnas ventrales spinis 27 serrato; squamis cycioïdes reticulatis, lateribus 50 p. m. in serie longitudinalis pinna dorsali postice in 1° tertia corporis parte incipiente, acuta, corpore paulo humiliore, spina brevi ante radium 1"; pinnis pectoralibus filis ki beris initium pinnae analis multo superantibus, parte non producta capite non breviore; ventralibus dorsali oppositis, capite minus duplo breviori= bus; anali cum caudali unita, basi corpore ante eam paulo breviores caudali acuta 54 ad 72 in longitudine corporis; colore corpore superne plumbeo inferne flavescente-argenteo; pinnis dorsali, pectoralibus et ven= tralibus flavis, anali caudalique aurantiacis. d B. 10. D. 1 spin. brev. + 8/11 vel 3/12. P. fil. lib. 6 + rad. 11 vel | fil. lib. 5 + rad. Il. V. 1/6. A. 2/11 vel 2/60. C. 10. N Habit. Pamangkat, in fluviis et aquis fluvio-marinis. Longitudo 2 speciminum 205” et 215, / le Aanm. In de laatste jaren zijn meerdere soorten van Coilia in de wetenschap bekend geworden. De boven beschrevene nf REN 437 js hef naaste verwant aan Cola Grajyt Richards. door de sterke verlenging der bovenkaak, doch verschilt er van, door niet uitgesnedene staartvin, die onmerkbaar in de aarsvin overgaat, doordien er de aarsvin korter is dan het ligchaamsgedeelte vòòr haar gelegen enz. Coïlia horneënsis Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Har. V. p. 49. Coil. corpore elongato compresso, altitudine 6 ad 5 fere in ejus longi- tudine, latitudine 18 ad 24 in ejus altitudine; cauda gracili; capite acuto 52 circiter in longitudine corporis; rostro acuto, ante os prominente; oculis diämetro 32 ad 4 in longitudine capitis; maxilla superiore usque ad aperturam branchialem producta; dentibus maxillis parvis aequalibus, conspicuis; dorso angulato; ventre spinis praeventralibus 4, postventrali- bus 7 armato; squamis cycloïdeis, lateribus 50 ad 60 in serie longitudi- nali, dimidio libero reticulatis, dimidio basali longitudinaliter striatis; pinna dorsali postice in 1° tertia corporis parte incipiente, acuta, corpore non vel vix humiliore, spina brevi ante radium 1*; pinnis pectoralibus filis liberis 2" tertiam partem pinnae analis attingentibus, radijs non pro- ductis capite plus duplo brevioribus; ‘ventralibus angulatis capite minus duplo brevioribus; anali antice corpore triplo circiter humiliore, longitu- dine 12 ad 2 fere in longitudine corporis; anali et caudali distinctis; caudali acutiuscule rotundata inferne leviter vel vix emarginata, 8 ad 9 in longitudine corporis; colore corpore pinnisque flavescente-hyalino; la- teribus immaculatis. B: 9. D. 1 spin. + 3/10 vel 3/11. P, fil. liber. 12 ad 14 + rad. 6 ad 8. V. 1/6. A. 84 ad 87. C. 19. Habit. Bandjermassing, Pamangkat, in fluviis et aquis fluvio-marinis. Longitudo 9 speciminum 90’/’ ad 140///, Aanm. Deze soort schijnt groote verwantschap te hebben met Coilia Reynaldi CV. Poiss. XXI p. 59, doch laat er zich niet mede vereenigen, omdat, volgens den heer VALENCIENNES, Coilia Reynaldi 110 aarsvinstralen heeft. De beschrijving van den heer VaALENCIENNES is overigens te kort, om over mogelijk verder bestaande verschillen te oordeelen. Van Coilia Dussu- mierië CV. is Coïlia borneënsis bij den eersten oogopslag te onderkennen door het gemis van de fraaije goudkleurige zij- vlekken ; van Covlia Hamiltoni CV. door minder langen staart en aanmerkelijk minder talrijke aarsvin- en buikvinstralen; 438 van Coilia qwadragesimalis CV. dóor een meer dan dubbel _ aantal aarsvinstralen, en van Coïlia Grayi CV. en Coilia Playfairii GV. door het niet verlengd zijn der bovenkaak tot achter de kieuwopening. Ik ontving Á specimina dezer soort van den heer J. Worrer van Bandjermassing en 5 van den heer Dr. J. Einruoven van Á Pamangkat. SIJMBRANCHOIDEL Sijmbranchus immaculatus Bl. J. Mill. Cant. Symbranch. corpore valde elongato, antice cylindrieo postiee compresso, altitudine 27 ad 28 in ejus longitudine; capite acuto 104 ad 114 in lon- 3 gitudine corporis, triplo circiter longiore quam alto; linea rostro-frontali — declivi eoncaviuscula rostro apice tantum convexa; oculis diametro 20 p. me in longitudine capitis; naribus non tubulatis, interocularibus, oculis ap- proximatis; rostro acuto, antice rotundato, 9 ad 10 in longitudine capi-_ tis; labiis carnosis; maxilla superiore inferiore paulo longiore; rictu longe post oculos producto, 3 eirciter in longitudine capitis; dentibus maxillis conicis subaequalibus, inframaxillaribus supramaxillaribus majoribus, late- ralibus uniseriatis, anticis in thurmulas collocatis; dentibus vomero-pa- latinis conicis aequalibus, in arcum antice rotundatum dispositis, uniseria= tis; radijs membrana branchiostega 6 approximatis, basi osseis, apicem versus flexilibus subfiliformibus; cute laevi squamis inconspicuis; linea la- terali conspicuas pinnis humilibus, dorsali paulo ante anum incipiente, caudali radiis aliquot conspicuis; ano postice in 4* quinta corporis parte sito; colore corpore pinnisque viridi-nigricante. Synon. hee invnaculatus Bl. Ausl. Fisch IX p. 87 tab. 419 fig . Bl. Schn. Syst. posth. tab. 103 fig. 1. Shaw Gen. Zoöl. mv p. 36. Cuv. Règn. anim. 4 Ungefleckte Halskieme Bl. Ausl. Fisch. tab. 419 fig. 1 Synbranche immaculé Bl. ibid. Spotless synbrank BL. ibid. j Symbranchus immaculatus J. Müll. Myxinoïd. in Abh. Königl. — Akad. Berl. 1839 p. 245. Cant. Mal. Fish. p. 337. | Ophisternon bengalensis J. M. Apod. Fish. of Beng. in Cate. Joum. Nat. Hist. V. p. 197 et 220, tab. 11 fig. 1, 2 (secund. ee, an recte?) Habit. hae Borneo-austro- AAA in fluviis. Calcutta, in flumine Hooghly. Longitudo 4 speciminum 240''’ ad 8382''’, 439 Aanm. De heer Dr. Cantor te Caleuita had onlangs de goed- heid, mij 3 Calcuttasche exemplaren dezer soort toe te zenden. Ik ben daardoor in staat gesteld geworden, mijn specimen van Tetrabranchus microphthalmus van Borneo daarmede te verge- lijken en heb bij deze vergelijking geene soortelijke verschillen kunnen ontwaren. Deze identiteit was niet op te maken uit de vergelijking van mijn specimen met de afbeeldingen van Symbranchus immaculatus van Broen, in welke de ge- daante der kieuwopening geheel verkeerd is afgebeeld en de kleuren onjuist zijn. Volgens de heer Cantor zou Ophdster- non bengalensis MacClell. insgelijks identisch zijn met Symbran- chus immaculatus. Ik aarzelzeer, deze meening aan te nemen, vermits de habitus van den kop en van het tandenstelsel der afbeelding van den heer MacCtervanD geheel en al afwijkt van dien van Symbranchus immacutatus Bl, zijnde de neusopenin- gen op die afbeeldingen boven de oogen geplaatst en de kaak- en ploegbeen-gehemeltetanden blijkbaar driereijig. In zijnen Catalogue of Malaijan Fishes heeft de heer Can- TOR eene nieuwe soort van Symbranchus, S. caligans, be- _ schreven en afgebeeld, welke in geslachtskenmerken volko- een er, men aan Symbranchus immaculatus Bl. beantwoordt, doch er soortelijk van verschilt, doordien de kop er slechts 8 tot 8% maal gaat in de lengte des ligchaams, de kleur des ligchaams _ paarsachtig rood is enz. Symbranchus gutturalis Richards van Dam- pier’s Archipel (Ichth. Voy. Rreb. Terror p. 49 tab. 30 fig. 14), _ heeft eene leverbruine kleur, een betrekkelijk korter ligchaam, welks hoogte slechts 20 maal schijnt te gaan in de lengte enz. GYMNODONTES. Fetraödon naritus Richards. Voyag. of the Samar. Fish. p. 18, tab. 8 (piscis adultus), Cant. Ga- tal. Mal. Fish. p. 888 tab. 10 (jun). Tetraöd. corpore oblongo compresso, altitudine 4 circiter in ejus longi- tudine, latitudine 14 circiter in ejus altitudine; capite obtuso 32 ad 32 in longitudine corporis; linea rostro-frontali convexa; oculis superis, diametro A40 A ad 5 in longitudine capitis, diametris 2 fere a se invicem distantibus; Joco narium utroque latere depressione infandibuliformi margine membra- naceo elevato bipapillato; labiis valde carnosis; maxilla superiore ante maxillam inferiorem prominente; capite postice, lateribus antice ventreque usque ad anum spinulis maxime conspicuis scabris; capite antice, dorso , lateribus postice caudaque glabris; linea laterali rostro incipiente, infra oculum decurrente, tum dorsum versus adscendente et curvatura lata ad pinnam caudalem desinente; cauda lineis lateralibus 2 accessoriis, supe- riore pinnae dorsali, inferiore pinnae anali approximata et ante anum caput versus adscendente; pinnis dorsali et anali obtusis rotundatis, basi duplo vel plus duplo longioribus quam altis; caudali integra leviter con- vexa, 6 in longitudine corporis; colore corpore superne flavescente-viridi, inferne flavo; pinnis pulchre flavis. D. 4/32 vel 5/31. P. 2/15. A. 2/26 vel 3/25. C. 9 vel 11 et lat. brev. Habit. Pamangkat, in fluviis et aquis fluvio-marinis. Longitudo speciminis unici 87''/, Aanm. Van deze merkwaardige soort bestaan reeds twee goede afbeeldingen, die van de heeren Ricnarpson en CANTOR, boven aangehaald. Mijn specimen behoort tot een jong indi- vidu, dat nog ongeveer 40’ korter is dan het door den heer Cantor afgebeelde, Het mist volkomen de groote zwarte vlek- ken op de vertikale vinnen, welke op de afbeelding van den heer Cantor voorkomen. Tetraödon modestus Blkr. Het exemplaar, gediend hebbende tot het ontwerpen der diagnose, voorkomende in den eersten jaargang van dit tijd- schrift (bladz. 19) was slechts 60” groot en in onvolkomen’ toestand van bewaring. Later ontving ik nog verschillende specimina van 46’ tot 89’ lengte. Hierbij liet zich goed waarnemen, dat ter plaatse der neusgaten even zoo eene trechtervormige verdieping is met opstaande vliezige randen, als bij Zetraodon naritus Richards., aan welke Zefraödon mo- destus in vormen en vaderland het naaste verwant is. Bij de oudere specimina is de zijlijn zigtbaar en vind ik 2/14 borst- vinstralen. Tetraödon leiurus Blkr. (diagnosis emendata). Tetraöd. corpore oblongo depresso, latiore quam alto, altitudine 4 ad krt lijd te 441 41 in ejus longitudine; ecapite obtuso 3 ad 34 in longitudine corporis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; oculis subsuperis diametro 4 ad 5 in longitudine capitis, diametris 2 ad 24 a se invicem distantibus; papilla nasali utroque latere l oblonga, apice bifida; maxilla superiore ante infe- riorem prominente; vertice, operculis, dorso, lateribus ventreque totis spinulis armatis; rostro caudaque glabris; linea laterali conspicua, rostro incipiente, infra oculos decurrente, tum dorsum versus adscendente et cur- vatura ad basin pinnae caudalis desinente; pinnis dorsali et anali obtusis rotundatis aeque altis fere ac latis; eaudali convexa 5 circiter in longitu- dine corporis; colore corpore fuscescente-viridi, inferne flavescente vel argenteo; corpore, ventre medio tantum excepto, maculis viridibus rotundis obsito, maculis lateribus dilutioribus; pinnis viridibus immaculatis, caudali postice violascente marginata. Desodll Ee 1421 vel 1/22 vel 2/20. A. 2/9. Cl 8 vel 10 vet lat. brev. Synon. Jkan Buntak Mal. Batav. Habit. Prabukarta, Borneo austro-orientalis, in flumine Kusan; Batavia in fluviis; Solok, Sumatrae occidentalis, in fluviis. Longitudo 11 speciminum 60/'’ ad 115///, Aanm. Ik beschreef deze soort vroeger naar jaren lang in wijngeest bewaarde exemplaren, welke hunne vlekteekening volkomen verloren hadden en bij welke ik de zijlijn niet meer kon waarnemen. Bovenstaande beschrijving is genomen naar versche specimina. De soort is na verwant aan Zetraödon a potamophilus Blkr., doch deze laatste heeft de neustepels dub- bel aan elke zijde of althans de neustepels slechts aan de basis vereenigd, de oogen lager staande, het profiel boller, de staartvin met meerdere zwarte banden geteekend enz. Pristis zijsron Blkr. Verh-BatGen. XAV-Plagtost, Prist, corpore elongato depresso; capite 22 circiter, rostro 3,% circiter in longitudine totius corporis; rostro medio latitudine 9 ad 11 in ejus longitudine, postica sexta ejus parte glabro, dentibus gracilibus longis plus triplo longioribus quam latis, non sagittatis, basi membrana nulla unitis, verticaliter serra insertis, postice non sulcatis, utroque latere 20 ad 26, anticis minus dimidia eorum longitudine, posticis 4 vel 5 tota vel plus _eorum longitudine, sed omnibus plus eorum latitudine a se invicem dis- tantibus, anticis dimidia latitudine serrae anterioris longioribus, mediis latitudine serrae mediae duplo vel plus duplo brevioribus; oculis rostri medii latitudine duplo brevioribus; foramine temporali oeulo non vel vix 442, rainore, vix plus ejus longitudine ab oculo remoto; naribus plus earum longitudine ante rictum sitis, a margine rostri remotis, valvulis anteriore oblonga, posteriore elongata gracili; squamis toto corpore pinnisque con- spicuis; pinnis dorsalibus altioribus quam basi longis, ‘emarginatis, apici- bus acutiusculis rotundatis; dorsali 1* minus dupla ejus longitudine (basi) a dorsali 2* remota; dorsali 2° dorsali-1* breviore sed non humiliore; pinnis pectoralibus latioribus quam longis, non emarginatis, angulo ante- riore acutiusculo posteriore acuto; ventralibus pectoralibus brevioribus, vix emarginatis, latioribus quam longis, angulis anteriore obtusiuseulo, posteriore acuto; caudali pectoralibus multo longiore, inferne post angu- lum emarginata, margine inferiore 2 in longitudine marginis superioris, 14 in longitudine marginis posterioris, angulo acutiuscule rotundato; co- lore corpore superne viridi, inferne albescente. Habit. Bandjermassing, in fluviis. Longitudo speciminis unici 900''/, Aanm. De zaag van deze soort heb ik beschreven in mijne Bijdrage tot de kennis der Plagiostomen van den Indischen Ar- chipel, opgenomen in het 24ste deel der Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van kunsten en wetenschappen. Sedert ontving ik eene zaag met den kop en huid van een specimen derzelfde soort. De zaag van dit specimen is aan- merkelijk korter en heeft slechts eene lengte, tot aan den ach- tersten tand, van 222’ en bezit bovendien aan elke zijde 6 tanden minder. Scripsi Batavia Calendis Junit mpacern. BIT EDR AGE TOT DE KENNIS DER ICHTHYOLOGISCHE FAUNA VAN HET EILAND BANK A. DOOR Dr. P. BLEEKER. De eerste kennis der vischfauna van Banka heeft de weten- _schap te danken aan eene kleine verzameling, welke de heer Dn. J. H. Crooekewr mij met vriendschappelijke welwillend- heid heeft afgestaan. Ik berigtte daaromtrent in 1850 in den eersten jaargang van dit tijdschrift en maakte daar melding | van 22 soorten, welke toen het geheel onzer kennis van de _Bankasche vischfauna voorstelden. \__Na in verschillende artikels, insgelijks in dit tijdschrift op- genomen, te hebben kunnen bijdragen tot de vischfauna van Biliton, Riouw en Singapore, werd de wensch levendiger in mij, om ook de zee- en zoetwaterfauna van Banka naauwkeu- | _riger te leeren kennen. De heer D. F. Scraap, resident van | Banka, heeft de welwillendheid gehad, te voldoen aan mijn verzoek , om vischsoorten uit de zee en de zoete wateren van Banka voor mij te doen verzamelen, waarvoor ik dezen ver- _dienstelijken hoofdambtenaar hier openlijk mijnen dank be- kl tuig. hhh Gelijk vroeger van degeheele vischfauna van Banka niets be- kend was in de wetenschap, heerschte tot nog toe ook volstrekte duisternis over de fauna zijner zoete wateren. Ook hierom- trent kan ik thans eenige mededeelingen doen, en hoezeer het aantal mij van daar gewordene zoetwatervisschen slechts 12 bedraagt, waarvan Íf reeds van andere plaatsen bekend zijn, behoort de twaalfde dezer species tot een geslacht, waarvan nog geen vertegenwoordigster in den Indischen Archipel ge- vonden was. Deze soort is eene nog onbekende van het geslacht Chaca, hetwelk tot dusverre slechts op het vasteland van Azië werd aangetroffen. In het geheel bevatten de verzamelingen van den heer Scraar 100 soorten, waarvan slechts 5 zich bevonden onder de 22 species van Banka van den heer Croockewir. Het geheel der mij thans van Banka’s zoute en zoete wateren bekende vis- schen is daardoor gekomen tot de hieronder genoemde 117 species. 1. Apogon quadrifasciatus CV. Verh. 19. Platycephalus scaber CV. ibid. Bat. Gen. XXII Perc. Sclerop. Bes endekataenia Blkr. 20. » punctatus CV. Nat. den» kalosoma Blkr. N. Ind. Ip. 25. 4. Ambassis nalua CV. Verh. Bat. 21. Scorpaena polyprion Blkr. Verh. Gen. XXII Perc. Bat. Gen. XXII Sclerop. 5. » urotaenia Blkr. Nat, T. 22. Pteroïs kodipungi Blkr. N. Ind. III p. 23. Minous monodactylus CV. Verh. 6. Serranus crapao CV. Verh. Bat. Bat. Gen. XXII Sclerop. Gen. XXII Perc. 24. “Otolithus argenteus K. v. H. Verh. „4 » nebulosus CV. ibid. Bat. Gen. XXIII Sciaen. 8. Therapon theraps CV. ibid. 25. Corvina catalea CV. ibid. 0: > puta CV. ibid. 26. Pristipoma caripa CV. ibid. 10. Mesopr\on phaiotaenia Blkr. ibid. 27. Scolopsides monogramma K. v. H. 5 Ik » annularis CV. ibid. ibid. 12 » Russellii Blkr. ibid. 29. » leucotaenia Blkr. 13. Sphyraena jello CV. ibid. 29. Diagramma crassispinum Rúpp. 14. Sillago acuta CV. ibid. Verh. B. G. XXIII Sciaen. 15. Polynemus tetradactylus CV. ibid. 50. » punctatum Ehr. ib. 16. Upeneoïdes vittatus Blkr. ibid. 31. Dentex tolu CV. ibid. Spar. NA » bivittatus Blkr. ibid. 32. Lethrinus opercularis CV. ibid. 3 18. » variegatus Blkr. ibid. 33. Gerres poetie CV. ibid. Maen. 3á. 35. 36. 37. 38. a od. 40. 41. 42. 453. 44. 45. 46. 47. 48. 49. 50. hh5 Gerres abbreviatus Blkr. ibid. x Betta anabatoïdes Blkr. Nat. T. N. Ind. I p. 269. * » trifasciata Blkr. ibid. I. p. 107. * Ophicephalus lucius K. v. H. V. B.G. XXIII V. Doolh. K. * » marginatus CV. ibid. % » striatus Bl. ibid. Platax Blochii CV. ibid. Chaetodon oligacanthus Blkr. ib. Chaetod. Chelmon rostratus CV. ibid: Scatophagus argus CV. ibid. Drepane longimana CV. ibid. Holacanthus semicirculatus CV. Scomber kanagurta CV. Verh. B. Gen. XXIV Makr. Cybium Croockewitii Blkr. N,T. N. Ind. I p. 161. » konam Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Makr. » _guttatum CV, ibid. Chorinemus Commersonianus CV. ibid. » tol. CV. ibid, ‚ Trachinotus mookalee CV. ibid. ‚ Trichiurus savala CV. ibid. Elacate mottah CV. ibid. Megalaspis Kottleri Blkr. ib. ‚ Selar malam Blkr. ibid. „ Carangoïdes citula Blkr, ibid. „ Gnathanodon speciosus Blkr. ibid. ‚ Stromateoïdes atoukoia Blkr. ibid. . Equula gomorah CV. ibid. » lineolata CV. ibid. „ Amphacanthus Kopsii Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. II p. 483. ‚ Mugil cunnesius CV. » _parsia HB. CV? Nat. T. N. Ind. II p. 166. » _ melanochir K. v. H. ‚ Atherina duodecimalis CV.? Nat. Tijdschr. N. Ind. II p. 485. 67 97. ORD: Gobius kokius CV. Verh. B. Gen. XXII Gobioïd. » caninus CV. ibid, » eriniger CV. „ Callionymus sagitta Pall. Nat. T. N. Ind. Ip. 31. » Schaapii Blkr, . * Nandus nebulosus Blkr. Nat. T. N. Ind. [II p. 92. . * Catopra fasciata Blkr. ibid. II p- 65. . Amphiprion bifasciatus Bl. Schn. ibid. III p. 282. . Glyphisodon bengalensis CV. Verh. Bat. Gen. XXI Gladsch. Labr. ‚ * Bagrus nemurus CV. Verh. Bat. Gen. XXI Silur. » sondaieus CV. ibid. . Arius tonggol Blkr. ibid. » __macruropterygius ibid. . Plotosus lineatus CV. ibid. » unicolor CV. ibid. . * Chaca bankanensis Blkr. „ * Barbuslateristriga CV. N. Tijds. N. Ind. HI p. 95. binotatus K. CV. „ * Leuciscus cephalotaenia Blkr. Nat. T.N. Ind. III p. 97. . Belone caudimacula Cuv. Verh. B. Gen. XXIV Snoek. . Hemiramphus Gaimardi CV, ibid. » _ Dussumierii CV. ibid. ‚ Chirocentrus dorab CV. ib. Chiroc. . Albula bananus CV. ibid. . Harengula dispilonotus Blkr. ‚ Pellona Grayana CV. Verh. Bat. Gen. XXIV Har. ‚ Rogenia argyrotaenia Blkr. ibid. . Alausa kanagurta Blkr. ibid. » ctenolepis Blkr. ibid, „ Engraulis rhinorhijachos Blkr. ib. N. T.N. Ind. III p. » Grayi Blkr. ibid. 446 98. Engraulis Brownii CV. ibid. 108. Achirus pavoninus Lacep. ibid. 99. » tri Blkr, ibid. III p. 435.109. Plagusia bilineata K. v. H. ibid. 100. » setirostris CV Verh. 110. » _ jJavanica K. v. H. ibid. _ B. Gen. XXIV. Har. N.T.N. Ind. I p. 414.78 101. Chatoessus chacunda CV. ibid. 141. Tetraödon oblongus Bl. Verh. _ 102. » selangkat Blkr. ibid. B.G. XXIV. Blootk. V. 108. Saurus ophiodon Cuv. ib. Chiroc. 112. » lunaris Cuv. ibid. 104. » _trachinus T. Schl. Nat. T. 113. Triacanthus Nieuhofii ibid. Bal. N. Ind. III p. 114. Carcharias (Prionodon) menisor— 105. Saurida tombil CV. Verh. Bat. rah Val. ib. Plag. Gen. XXIV Chiroc. 115. » ____(Scoliodon) acutus 106. Rhombus lentiginosus Richards. _ Rüpp. MH. ibid. ibid. Pleur. 116. Trygon zugei Búrg. ibid. 107. Hippoglossus erumei Cuv. ibid. Van deze soorten zijn nieuw voor de wetenschap Apogon endekataenia, Apogon kalosoma, Scolopsides leucotaenia, Calli- onymus Schaapii, Chaca bankanensis en Harengula dispilono- tus. Meerdere andere soorten zijn voor het eerst door mij beschreven, doch reeds in vroegere verhandelingen bekend ge- maakt als bij of op andere eilanden van den Indischen Archi- pel voorkomende. 4 De soorten met een * gemerkt behooren tot de zoetwater fauna van Banka, doch de juiste plaats van voorkomen ka ï ik niet opgeven, evenmin als die van een groot gedeelte der zoutwatersoorten, welke gedeeltelijk bij Muntok, bij Tandjong biat, gedeeltelijk in de Klabat-baai en elders op Banka zijn gevan: gen, en gedeeltelijk zelfs afkomstig zijn van de Lepar-eilanden. De soorten afkomstig van Tandjong biat, in de nabijheid van Muntok, zijn Apogon quadrifasciatus CV., Mesoprion Rus= sellii Blkr., Mesoprion phaiotaenia Blkr., Upeneoïdes variega- tus Blkr., Minous monodactylus CV., Diagramma crassispinum Rüpp., Lethrinus opercularis CV., Holacanthus semicirculatus CV., Platax Blochii CV., Scomber kanagurta. CV., Chorinemus | Commersonianus CV., Chorinemus tol CV., Trachinotus moo= | kalee CV., Elacate mottah CV., Megalaspis Rottleri Blkr. 8 Carangoïdes citula Blkr., Glyphisodon bengalensis CV., Chiro-_ AMT } Ik moet hier nog gewag maken van eene soort van Silu- 1 us en Clarias, welke zich in de verzamelingen van den heer Scuaar bevonden, doch welker minder goede toestand van bewa- ring geene naauwkeurige beschrijving toeliet. De soort van Silurus heeft groote verwantschap met Silurus phatosoma Blkr., doch langere en eenkleurige voeldraden, zoodat zij waarschijnlijk eene eigene species is. De Clartas van Banka heeft veel van Clarias melasoma Blkr., doch het eenige door mij ge- ziene specimen was, wat huid en spieren betreft, grooten- deels vergaan, zoodat geene juiste bepaling mogelijk was. HI. | 34 DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE, PERCOÏDEI Apogon kalosoma Blkr. Appg. corpore oblongo compresso, -altitudine 32 circiter in ejus longi- tudine, latitudine 2 in ejus altitudine; capite 34 circiter in longitudine corporis, longiore quam alto; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; oeu- lis diametro 3 ecirciter in longitudine capitis; maxilla inferiore maxilla superiore vix breviore; praeoperculo rotundato, margine posteriore leviter denticulato; linea laterali vix arborescente; squamis lateribus 36 p. m. in serie longitudinali, 15 p. m. in serie transversali; dorso elevato; pinna dorsali spinosa dorsali radiosa humiliore, spina 3* spinis ceteris longiore ef crassiore; dorsali radiosa obtusa corpore humiliore; peetoralibus obtu- sis ventralibus acutis vix longioribus, 5 ecirciter in longitudine corporis; anali obtusa dorsali radiosa paulo humiliore; caudali emarginata, lobis acutiuscule rotundatis 4£ circiter in longitudine corporis; colore corpore aureo-flavo, fasciis ocuìo-caudalibus 2 fuscis, superiore curvata in parte superiore squamarum lineae lateralis, inferiore recta cauda cum fascia. superiore unitas; dorso lateribusque utroque latere insuper vittulis serpen= tinis longitudinalibus fuscis p. m. 14; cauda ad basin pinnae caudalis macula magna rotunda nigra; pinnis pulchre rubris, dorsali radiosa ana- liqgue basi vitta nigra, dorsali spinosa antice nigricante, ceteris marginis bus violascentibus. % B. 7.-D. 7—1/9 vel 1/10. P. 2/13. V. 1/5. A. 2/8 vel 2/9. C. IME lat. brev. : Habit. Banka vel Insul. Lepar, in mari. Longitudo speciminis unici 69''/, Aanm. Deze fraaije soort is zeer kenbaar aan hare kleur- _teekening. De goudkleurige grond is zeer fraai geteekend met _ 449 de 2 breedere en de talrijke smallere bandjes, welke laatsten slangsgewijs van den kop naar den staart loopen. De twee breedere banden laten een driehoekig veld tusschen zich, waar- in zich insgelijks 2 smallere slangsgewijze bandjes bevinden. Apogon endekataenia Blkr. Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 84 circiter in ejus longi- tudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite 832 circiter in longi- tudine corporis, longiore quam alto; oculis diametro 3 circiter in longi- tudine capitis; linea rostro-frontali convexiuscula; maxilla superiore infe- riore longiore; praeoperculo rotundato, margine posteriore et inferiore denticulato; squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinali, 8 p. m. in serie transversalis linea laterali subarborescente; dorso humilis pinna dor- sali spinosa radiosa humiliore, spina 3 spinis ceteris longiore; dorsali radiosa et anali acutiusculis, dorsali anali altiore et corpore paulo humiliore; pec- toralibus obtusis ventralibus acutis longioribus, 5 et paulo in longitudine corporis; caudali emarginata, lobis acutiuseule rotundatis 4 et paulo in longitudine corporis; colore corpore aureo-flavo; vittis longitudinalibus 11 mnigricantibus; vitta superiore medio dorso; utroque latere vittis 5, superi- ore supraoculo-caudali, 2° et 31 rostro-oculo-caudalibus, 4e maxillo-cau- dali, inferiore gastro-anali; cauda basi pinnae caudalis macula macna ä rotunda nigra; pinnis rubris, dorsali radiosa analique basi vitta nigricante. Ee B. 7. D. 7-1/9 vel 1/10. P. 2/13 vel 2/14. V. 1/5. A. 2/8 vel 2/9. C. 17 et lat. brev. Habit. Banka, vel Insul. Lepar, in mari, Longitudo speciminis unici 57'//, “ Aanm. Het zou niet onmogelijk zijn, dat boven beschreven soort dezelfde is als Apogon taentatus Ehr. Ik zie deze laatste species slechts kortelijk vermeld in de groote Histoire naturelle des _Poissons, doch die korte beschrijving duidt op verschillen, welke, zoo zij bestaan, geene vereeniging daarmede van de boven beschre- vene toelaten. Deze verschillen laten zich afleiden uit volgende opgaven omtrent Apogon taeniatus t. w.: D. 7—1/8. P. 19; ronde zwarte vlek op de schouders; doornachtige rugvin van voren zwart; buikvinnen zwart. Op grond daarvan breng ik de boven beschrevene species voorloopig als eene eigene op. wi 450 bijzonder talrijk te zijn. Apogon endekataenia is de 18de soort, ä welke ik thans reeds van deze gewesten bezit. Bovendien zija nog Á andere species door andere ichthyologen beschreven, zoo- dat mij thans 22 soorten van de Soenda-Moluksche wateren bekend zijn. SCLEROPAREL. Pteroïs kodipungi Blkr. Pter. corpore oblongo compresso, altitudine 44 ad 44 in ejus longitudine , latitudine 14 ad 14 in ejus altitudine;s capite 4 circiter in longitudine corporis; oculis diametro 84 ad 4 in longitudine capitis, minus diametro Ll a se invicem distantibus; vertice, temporibus, orbita rostroque spinis vel spinulis armatis; cirris vel fimbriis cutaneis supraorbitalibus, rostrali- bus et peacopercularibus oculo brevioribus vel vix longioribus; ossibus suborbitalibus erista spinosa, diametro oculi 4 circiter ab oculo remota; praeo- perculo rotundato spinis 3 vel 4; operculo spina unica plana; squamis late- ribus 70 p.m. in serie longitudinali; pinna dorsali spinosa corpore altiore, spinis mediis spinis ceteris longioribus, membrana basi tantum unitiss dorsali radiosa rotundata corpore non vel vix humiliore; pectoralibus adultis pinnant caudalem attingentibus, junioribus caudalem superantibus; ventralibus anum , anali basin pinnae caudalis superantibus; caudali obtusa rotundata, 34 eireiter in longitudine corporis; capite corporeque rufis, fasciis numerosis transversis fuscescentibus; pinnis verticalibus rubris, caudali, dorsak et anali radiosis immaculatis; pectoralibus membrana violacea vel nigricante — radijs dilutioribus vulgo nigricante punctatis; ventralibus fuscescente-vio- 5 laceis guttis pulcherrime fiavis; humero macula fusca. B. 7. D. 12/1/12. P. 13. V. 1/5. A. 3/8. C. 14 et spin. lat. brev. 6. & Synon. Kodipungi Russ. Corom. Fish. IT p. 25 fig. 133. Ikan Krapo matjan Mal. Batav. Habit. Banka, Batavia, Padang, in mari. Longitudo. 11 speciminum 100//’ ad 250'//. Aanm. Deze soort heeft groote verwantschap met Pteroïs E volitans CV., Perois antennata CV. en Pteroïs lunulata T. Schl. — Van de beide eerstgenoemden taat zij zich reeds bij den eer-_ is sten oogopslag herkennen, door het volkomen ongevlekt zijn | der vertikale straalachtige vinnen, en van de laatstgenoemde — A51 door anders geteekende borst- en buikvinnen en langere oog- kasdraden. Ik houd haar voor dezelfde als de Kodipungi van RusserrL, van welke een ouder exemplaar, waarbij de borst- vinnen naauwelijks tot aan de staartvin reiken, in het aange- haalde werk van Russerr is afgebeeld. Deze soort is vroeger _ ten onregte door mij onder de synonijmen van Peroïs volitans CV. opgenomen. Bij mijne kleinste exemplaren reiken de borst- _ vinnen fot ver achter de staartvin, doch de borstvinnen wor- | den met toenemenden leeftijd korter en bij mijn grootste spe- _cimen strekken zij zich niet verder uit dan tot nabij het begin der staartvin. e SCIAENOÏDEL Scolopsides leucotaenia Blkr. ____Seolopsid. eorpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus É fongitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite acuto, 4 cir- citer in longitudine corporis, longiore quam alto; linea rostro-dorsali fronte convexa; fronte inter oculos squamosa; oculis diametro 2% in lon- gitudine corporis; osse suborbitali sub oculo oculo plus duplo humiliore, _postice spina unica brevi, infra spinam edentulo; osse supramaxillari gla- bro; rostro oculo breviore; labiis carnosis; praeoperculo obtusangulo, _margine posteriore leviter emarginato dentibus valde conspicuis; squamis lateribus ciliatis, 36 p. m. in serie longitudinalis; pinna dorsali spinis me- diocribus, 3' et 4* spinis ceteris longioribus corpore minus triplo humiliori- bus, parte radiosa parte spinosa paulo altiore rotundata; pinnis pectoralibus _obtusis 5, ventralibus radio 1° producto 4 et paulo, caudali emarginata _angulis acuta 5 circiter in longitudine corporis; anali spina media spina 1 et 3* multo longiore et crassiore, parte radiosa spina 2* humiliore ro- tundata; colore corpore superne olivaceo-flavo inferne flavescente; fasciis _cephalo-caudalibus 3, superiore fusca supra oculum iuncipienteet ad finem _Pinnae dorsalis desinente, media nitida margaritacea, inferiore fusca rostro incipiente et ad mediam basin pinnae caudalis desinente; pinnis flaves- gentibus, dorsali spinosa dilute violascente. BEB: 5. D. 10/9 vel 10/10. P. 2/17. V. 1/5. A. 3/7 vel 3/8. C. 17 et [ lat. brev. ___ Habit. Banka vel Insul. Lepar, in mari. \__Longitudo speciminis unici 65’. MN ke Aanm. Deze soort is zeer kenbaar aan haren overlangschen _ parelkleurigen band, die tusschen twee bruine banden verloopt, 4 alsmede aan hare ongetande onderoogkuilsbeenderen, welke slechts den gewonen doorn bezitten, enz. CHAETODONTOÏDEL. Holacanthus semvicirculatus GV. Poiss, VI p. 148 tab. 188. _ Holac. corpore disciformi ovali, diametro dorso-ventrali 2 circiter in _ longitudine corporis; capite obtuso 82% eirciter in longitudine corporis, altiore quam longo; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; linea rostro- — dorsali linea rostro-ventrali vix breviore; osse suborbitali oculo humiliore dentibus inconspicuis; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis; — spina praeoperculari oculo multo breviore, aperturam branchialem vix vel non superante; squamis lateribus 70 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali rotundatis, dorsali spinis posticis ceteris longioribus 5; pec-— toralibus rotundatis 42 circiter, ventralibus acutis radio 1° producto 34 eirciter, caudali obtusa rotundata 5 circiter in longitudine corporis; colore corpore pinnisque pulchre coeruleo, vittis transversis curvatis (eurvatura ‚ antrorsum spectante) albis et dilute coeruleis alternantibus p. m. 19, vit- tis albis vittis coeruleis latioribus. B. 6. D. 18/28. P. 2/15. NV. 1/5. A. 3/21. C. 17 et lat breve Synon. Molacanthe à demi cercles CV. Poiss. VII p. 143. tab. 183. __Mami Indig. Waigiens. Habit. Tandjong Biat, prope Muntok, in mari. Longitudo speciminis unici 47///, Aanm. Mijn specimen is een zeer jeugdig individu, hetwelk nog niet de halve grootte heeft van de afbeelding dezer soort E in het groote vischwerk. De getallen der rugvinstralen, in dit Î werk opgegeven, zijn 14/2l en wijken alzoo eenigzins van k die bij mijn specimen af. Ook zijn bij mijn specimen de witte _ en ligt blaauwe banden veel minder gehogen dan op de aan-l gehaalde afbeelding, wat waarschijnlijk aan den jeugdigen — leeftijd is toe te schrijven. Ee De soort was reeds bekend van Timor, Waigioe, Boeroe en _— Nieuw Ierland. $ GOBIOIDEL Gobius criniger CV. Poiss. XII p. 62. Gob. corpore elongato compresso, altitudine 6 in ejus longitudine, la- titudine 14 ad 14 in ejus altitudine; capite obtuso, convexo, 44 in lon- gitudine corporis; latitudine, capitis 14, altitudine 14 circiter in ejus lon= gitudine; oculis diametro 8 circiter in longitudine capitis, minus diametro 2 approximatis, in anteriore dimidio capitis sitis; maxillis aequalibus, dentibus pluriseriatis parvis, serie externa 10 ad ì4 paulo majoribus, caninis nullis; rictu obliquo, ante oculum vel sub oculi margine anteriore desinente; squamis lateribus 30 p. m. in serie longitudinali; nucha et vertice alepidotis; appendice anali conica; pinnis dorsalibus corpore hu- milioribus, altitudine subaequalibus, dorsali 1° spinis 2* et 3° tantum in fila brevia productis; dorsali 2* postice angulata; pectoralibus rotundatis 5 et paulo, ventralibus 6 circiter in longitudine corporis; analì dorsali radiosa humiliore postice angulata; caudali obtusa rotundata 54 circiter _ jn longitudine corporis; colore corpore viridi inferne margaritaceo ; dorso lateribusque fuscescente-viridi variegatis, lateribus maculis majoribus fus- a cescente-viridibus 3, 1° post pinnas pectorales, 2° sub pinna dorsali radi- Osa, 83° ad basin pinnae caudalis; pinnis flavescentibus, dorsalibus et caudali fusco maculatis, anali fusco marginata. BA D. BAS wel 1/9. B187 V.-1/5.: A, En vel Ag C. 12 vel 13 et lat. brev. Synon. Gobie porte-crin CV. Poiss. XII p. 62, Habit. Banka, in mari. Longitudo speciminis unici 76/'/. Aanm. Mijn specimen beantwoordt zeer goed aan de be- ‚schrijving van Gobius criniger GV. op eenige verhoudingen in de afmetingen na; het heeft ook de tanden der buitenste rei aanmerkelijk grooter dan die der binnenste reijen en mist de __dwarsche bruine wang- en operkelvlekken. De soort is zeer kenbaar aan hare onbeschubte kruin en nek. vis, MUGILOÏDEL Mugil cunnesius CV. Poiss. XI p. 84. Mug. corpore subelongato compresso altitudine 43 ad 5 in ejus longí- — tudine; capite obtuso convexo, 5 ad 54 inlongitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter, latitudine 14 ecirciter in ejus longitudine; oculis dia- metro 34 ad 3} in longitudine capitis, 12 ad 12 in capitis parte posto- culari, diametro 14 ad 12 a se invicem distantibus; iride postice mem- brana palpebrali tecta; linea rostro-dorsali vertice convexiusenla; rostro valde convexor oculg breviore; naribus anterioribus rotundis, posterioribus subrimaeformibus majoribus; osse suborbitali medioecriter emarginato den- tieulis bene conspicuis; osse maxillari superiore ore clauso non conspi- — cuo; labio superiore carnoso non papillato; denticulis maxiliaribus non conspicuis; maxilla superiore deorsum valde protractili; tuberculo infra- — maxillari subquadrato; dentibus palatinis in thurmas 2 oblongo-trigonas E dispositis ; lingua peripheria thurmis denticulorum parvis scabra; im-« pressione pracvomerina superficiali irregulari; praeoperculo angulato an- Ì gulo rotundato, margine pusteriore obliquo vix emarginato; squamis 35 p. m. in serie longitudinali, parte basali striis 5 vel 6; squamis axillaribus F longis; pinnis dorsalibus minus longitudine pinnarum pectoralium a se invicem distantibus, altitudine subaequalibus, corpore multo humilioribus, 4 spinosa spinis gracilibus, 1° et 2° subaequalibus, radiosa acuta emargina- ta; pinnis pectoralibus longitudine caput subaequantibus; ventralibus an- gulatis pectoralibus multo brevioribus; anali acuta emarginata, altitudine > dorsalem radiosam subaequante, spina 3° radio 1° ‘minus duplo breviore; caudali extensa truncata 5 eirciter in longitudine corporis; colore corpore_ superne viridi inferne argenteo; pinnis hyalinis, viridescentibus vel flaves- centibus; caudali postice nigro marginata. B. é. D. 4-1/8 vel 4-1/9. P. 2/14. V. 1/5. A. 3/9 vel 3/10. C. 14 et lat. brev. ' Synon. Kunnesee Russ. Corom. Fish. II p. 65 tab. 181. Muge Kunnesée CV. Poiss. XI p. 84. Jkan Belanakh Mal. Batav. Jkan Kaddah Indig. Tegal. Pekalong. Ikan Greh Indig. Surabaj. Ikan Kodok Indig. Pasur. Habit. Muntok, Bankae insulae , in mari. k Batavia, Tegal, Pekalongan, Samarang, Surabaja, Bezuki, K: Pasuruan, Javae insulae, in mari et piscinis. Kammal, Madurae insulae, in mari. ha 455 Padang, Sumatrae occidentalis, in marí. Longitudo 12 speciminum 140/'/ ad 188'//, Z CALLIONIJMOIDEL Callionijmus Schaap Blkr. Callion. corpore elongato depresso, altitudine 15 circiter, latitudine maxíi- ma 6 in ejus longitudine; capite acuto , depresso,: 5 eirciter in longitu- dine corporis, vix longiore quam lato; oculis fere contiguis, diametro 34 cireiter in longitudine capitis; orbitis glabris; rostro acuto; operculo ob- _ tuso; processu praeoperculari curvato operculi limbum posteriorem non Ì attingente, basi externe dente unico, postice dentibus 6 magnis cur- _ vatis armato; foramine branchiali nuchali; appendice anali longa gracili; _pinna dorsali 1° radiis valde elongatis, longissimis corpore vix duplo _ brevioribus; dorsali 2° corpore duplo fere altiore radiis posticis anticis __multo longioribus; pectoralibus et ventralibus capite paulo brevioribus; caudali integra 3 circiter in longitudine corporis; colorg corpore superne olivaceo fusco variegato, inferne albo; pinnis viridi-violascentibus, dorsali radiosa radiis omnibus, pectoralibus radiis anticis et anali postice basi _fusco vel nigricante puuctatis; ventralibus analique nigro marginatis. MGD 410 vel Il. B. 1/17. V. 1/5. A10 vel. 11. C. 10 et lat. brev, Habit. Banka, in mari. _ Longitudo speciminis unici 95/’. Aanm. Deze soort is verwant aan Calionymus filamentosus CV. doch er voldoende van onderscheiden. Ik noem haar ter _wiens _wetenschappelijke bereidvaardigheid hare kennis te dan- ‚ kenis. Het bovenbeschreven specimen is een mannetje, zijnde het wijfje mij nog onbekend. E. SILUROÏDEL « a Chaca bankanensis Blkr. Chac. corpore antice maxime depresso, postice valde compresso, altitu- _ dine 10, latitudine maxima 4 fere in ejus longitudine; capite maxime _ depresso, 3 circiter in longitudine corporis; latitudine capitis 12, altitu- 456 dine 4 circiter in ejus longitudine; oculis minimis% rostro obtuso antice _ (osse vomere) processubus 2 osseis divergentibus; maxilla inferiore pro- minente, obtusa, rotundata? dentibus maxillis pluriseriatis parvis; cir- ris . . . .?; scuto capitis glabro; processu interparietali brevissimo os in- 7 terspinosum attingente; pinna dorsali 1* spina crassa glabra corpore non vel vix altiore; dorsali 2% et analibus corpore humilioribus; pectoralibus spina valde crassa spina dorsali longiore dentibus. 5 magnis armata; ven- tralibus pectoralibus brevioribus; colore corpore pinnisque viridi-nigricante. Be VD NAD 2OED TTR WO AAR OrT Habit. Banka, in fluviis. Longitudo speciminis unici 68'//, Aanm. Deze soort is de eerste van het geslacht Chaca, welke mij van den Indischen Archipel is bekend geworden. Zij is blijkbaar eene andere species als Chaca lophoïdes CV. van Bengalen, en vooral kenbaar aan hare vijf groote. gekrom- de borstvindoorntanden. Mijn specimen bevindt zich in een zeer gebrekkigen toestand van bewaring, waaraan het onvol- ledige van de bovenstaande deskriptie toe te schrijven is. CLUPEOÏDEI. Harengula dispilonotus Blkr. Hareng. corpore oblongo compresso, altitudine 4 fere ín ejus longitu= dine, latitudine 22 circiter in ejus altitudine; capite acutiusculo 5 in lon- — gitudine corporis, aeque alto circiter ac longo; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis; ore antico rietu parvo; rostro oculo breviore; linea _ rostro-frontali declivi recta; maxilla superiore sub oculi parte anteriore desinente postice denticulis vix conspicuis; maxilla inferiore vix promi= nente, symphysi denticulis aliquot, tactu magis quam visu conspicuiss dentibus palatinis et pterygoïdeis utroque latere in thurmam oblongam dis- positis; vomere edentulo; lingua radice tantum denticulata; lineis dorsali et ventrali rotundatìs, ventrali dorsali paulo convexiore; squamis trans- versim vel irregulariter bi- ad quinque-striatis, lateribus 32 p. m. in serie longitudinali; ventre valde cultrato spinis 25 p. m. serrato; pinna dorsali postice in anteriore dimidio corporis sita, media ter- tia parte ventralibus opposita, acuta, non emarginata, corpore minus duplo humiliore; pectoralibus acutis capite brevioribus sed ventralibus longioribus; anali corpore plus quadruplo humiliore et dorsali paulo bres Dek Te 457 Ne) ‚pore superne coerulescente lateribus argenteo vel flavescente-argenteo; _dorso linea media maculis 2 rotundis nigris, 1° ad radios pinnae dorsalis \ posteriores, 2* post pinnam; pinnis hyalinis vel flavescentibus. ® B.6: D. 18 vel 19. P, 16 vel 17. V. 1/7. A. 17 vel 18. C. 17 et lat. brev. | Habit. Banka, in mari, Longitudo 3 speciminum 75''’ ad 82’//, Aanm. Deze soort heeft in habitus groote overeenkomst met _ Harengula latulus CV. van de Europesche zeeën, doch ver- A, door minder talrijke schubben op eene overlangsche rei en „minder talrijke buikkieldoornen, door hare twee zwarte rug- 4 vlekken, ligte verschillen in de getallen der vinstralen enz. _ Rogenia argirotaenia Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV $ Haringacht. Vissch. Rogen. corpore oblongo compresso, altitudine 34 ad 4 in ejus longitu- dine, latitudine 3 circiter in ejus altitudine; capite acuto 5 ad 54 in lon- gitudine corporis, aeque alto ac longo; oculis diametro 3 cireiter in lon- \ gitudine capitis; rostro oculo breviore; ore antico rictu parvo; maxillis aequalibus superiore sub medio oculo desinente tota edentula, inferiore symphysi vulgo denticulis aliquot tactu magis quam visu conspicuis; den- ‚ tibus, palatinis pterygoïdeisque utroque latere in thurmam oblongam dis- positis; vomere antice denticulato; lingua erista media denticulata; dorso carinato; ventre cultrato dorso convexiore, scutis p. m. 26 dentatis serra- to; squamis parte basali striis l ad 4 transversis, parte libera non stria- tis glabris, lateribus 40 p. m. in serie longitudinalis inguinibus squamis elongatis; linea laterali rectiuscula lineae dersali magis quam lineae ven- f trali approximata; pinna dorsali postice in anteriore dimidio corporis Ô ota vel fere tota post ventrales sita, non emarginata, corpore duplo hu- miliore; pectoralibus acutis capite brevioribus sed ventralibus duplo lon- _ gioribus; anali humili dorsali longiore; caudali lobis acutis 44 circiter in longitudine corporis; colore corpore subdiaphano-flavescente; fascia ce= __phalo-caudali argentea; peritoneo argenteo sub cute conspicuo; pinnis _hyalinis vel flavescentibus, caudali postice nigricante arenata vel mar- _ginata. B. 6. D. 15 vel 16. P. 13 vel 14. V. 1/7. A. 17 ad 19. C. 19 et lat. brev. 458 Synon. Jkan Tembang putt Mal. Batav. Habit. Muntok, Batavia, in mari. Longitudo 47 speciminum 75''' ad 85''/. Aanm. Deze kleine soort is zeer kenbaar door de achter- waartsche plaatsing der rugvin,- door haar halfdoorschijnend ligchaam, zilverkleurigen zijband, betrekkelijk groote schubben _ en weinig talrijke buikdoornen. Zij leeft gezellig in scholen en komt nu en dan te Batavia bij duizenden te gelijk ter markt, vooral in de maanden Junij en Julij. Zij is de eenige species _ van Rogenia, welke mij tot nog toe van de buiten Europesche _ zeeën is bekend geworden. Chatoessus selangkat Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Har. Vissch. p. 47. Chatoess. corpore oblongo, compresso, altitudine 3 ad 32 in ejus lon- gitudine, latitudine 3 in ejus altitudine; capite 44 ad 42 in longitudine corporis, longiore quam alto; rostro angulato brevi, ante os prominente; ore parvo, rictu sub oculi parte anteriore desinente; oculis diametro 3 _ ad 34 in longitudine capitis; squamis transversim striatis, lateribus 40 p. m. in serie longitudinali; ventre spinis 28 p. m. serrato; pinna dorsali_ medio pinnis ventralibus opposita, corpore duplo circiter breviore, radio nullo in filum producto; pinnis pectoralibus acutis capite brevioribus,_ ventrales non attingentibus; ventralibus pectoralibus minus duplo brevio- ribus; anali humillima longitudine dorsalem subaequante; caudali profunde incisa lobis acutis 4 circiter in longitudine corporis; colore corpore su-_ perne coerulescente-griseo inferne argenteo; dorso vittis longitudinalibus fuscescentibus; macula scapulari oblonga fusca; pinnis flavescentibus, dor- — sali et caudali fusco marginatis. B.5. D. 9/150E. W/15.. V. 1/7. A. 2/18 GC, 19 Ol MAN Synon. Jkan Selangkat Mal. Batav. Habit. Muntok, Batavia, in mari. Longitudo 4 speciminum 82''’ ad 147'//. Aanm. Niettegenstaande de groote overeenkomst dezer soort _ met Chatoessus chacunda CV. houd ik haar voor eene eigene — species. De verschillen vallen meer in het oog, wanneer men Ë, exemplaren van dezelfde grootte van beide soorten met elkan- — der vergelijkt. _ f Ener. 459 Bij Chatoessus chacunda is de kop stomper, de rug hooger en boller , de schoudervlek grooter en donkerder en het lig- chaam betrekkelijk korter. Bij twee exemplaren van dezelfde 8 grootte, een van elke soort, vind ik de volgende evenredig- heden. Chatoessus chacunda CV. Chatoessus selangkat Blkr. __< Hoogte des ligchaame 2% Hoogte des ligchaams 314 Pin zijne lengte; kop 5 in de in zijne lengte; kop 424 in de Jengte des ligchaams, hooger lengte des ligchaams, langer dan lang; staartvin 4//, in de dan hoog; staartvin 4 in de | lengte des ligchaams ; schouder- lengte des ligchaams; schou- vlek zwart, ovaal, zoo groot dervlek dof bruin, iangwerpig, als het oog; rug- en staartvin de helft kleiner dan het oog; zonder bruine randen. rug- en staartvin met bruine randen. eee BALISTINL. in Bnn. WE sacanthus Nieuhofrt Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Ba- 4 list. p. 26. tab. 4 fig. 9 Ts 0 ke Triacanth. corpore oblongo compresso, altitudine 23 in ejus longitudine, ‚ Jatitudine 4 fere in ejus altitudine; capite 44 in longitudine corporis, REE __multo altiore quam longo; oculis diametro 3 in longitudine capitis; linea nd. __rostro-frontali rostro concaviuscula fronte convexa; rostro oculo minus du- _plo longiore vel altiore; parte capitis praeoculari plus duplo altiore quam ree: maxillis squamosìs dentibus biseriatis, serie externa 8 vel 10 cu- meiformibus, serie interna obtusis rotundatis 2 ad 6, mediis ceteris majo- EEN RE S ribus; apertura branchialí subvertieali, ante pinnam pectoralem desi- % nente; squamis parvis sed bene conspicuis, scabris; linea laterali con- _ spicua ante spinam dorsalem cruciata; pinnis radiis plurimis divisis; dor- \ sali spina 1° tota scabra 34 circiter in longitudine corporis, spina 2* spina 1 plus duplo breviore, spinis ceteris oculo brevioribus; dorsali radiosa __ humili obtusa rotundata; pectoralibus obtusis rotundatis; anali angulata; caudali biloba lobis acutis 5 fere in longitudine corporis; spinis ventrali- _ bus totis scabris 4£ circiter in longitudine corporis; colore corpore superne _ griseo, inferne flavescente vel argenteo; pinna dorsali spinosa aurantiaco= fusco marginata; pinnis ceteris flavescentibus. eas FE. 14, V. 1. A. 19, C, 12. 460 Synon. Hoornvisch Nieuh. Gedenkw. Zee- en Luantreize p‚ 272 fig. - _Piseis cornutus Willoughb. Ichth. app. tab. 10 fig. 1. Habit. Mauntok et Sibogha (Sumatrae occidentalis) iu mari. Longitudo 3 speciminum 52’'’ ad 110'//. | Aanm. Deze soort onderscheidt zich van de bekende en verwante species door hooger ligchaam, stomperen kop enz. Het komt mij voor, dat tot deze soort betrekking heeft de Hoornvisch, afgebeeld in het aangehaalde werk van Nievnor en overgenomen door WirLouaagi. Scripsi Batavia Calendis Junii mpeeeru. SCHEIKUNDIG ONDERZOEK VAN EENIGE OP JAVA VOORKOMENDE MINERALE WATEREN. DOOR P. IJ. MAEEE. De Arragonietheuvels van Koeripan en hunne minerale wateren. _ De heer Brreker heeft in het jaar 1844 deze heuvels be- zocht en daarvan de volgende beschrijving gegeven, mij in handschrift medegedeeld. | „Op het alluvieterrein, dat zich van de Java-zee tot aan den Ë „breeden voet van het veelkruinig systeem des Goenoeng Sa- „riboe uitstrekt en zich van de kust af eerst onmerkbaar en id „dan heuvelachtig tot aan den voet van dat gebergte, tot 700 À „voeten boven de zeevlakte verheft, ziet men, op het land Koe- Ee (es ë 6 be ie „ripan in het distrikt Parong van de residentie Buitenzorg, ‚niet ver van het Sariboe-gebergte, op ongeveer 380 voeten É „hoogte boven zee, een paar heuvels, welke zonderling afste- ú „ken bij de rijstveldvlakten, te midden van welke zij zich __„bevinden”. „Men ziet daar nog niets van de trachiet- of van de kalk- „rotsen, welke meer zuidelijk de bergen vormen of op de „berghelling rusten; maar eene humus- en yzeroxyderijke klei „vormt den bodem van den omtrek der heuvels tot op eenige „palen afstands in alle rigtingen. Slechts in de beddingen der _ „riviertjes ziet men geweldige trachietblokken, als rolsteenen 462 „afgerond, welke, eenmaal uit der vulkanen boezem met naau- „welijks denkbare kracht geworpen, of van de bergen losge- „scheurd, door vroegere krachtigere stroomen zijn herwaarts „gevoerd”. | „De gezegde heuvels liggen nabij het dorp Waroe, de woon- „plaats van den demang van het distrikt Parong. Als tweelin- „gen verheffen zij zich op 200 tot 300 schreden afstands van | „elkander tot 70 en 50 voeten boven de omliggende rijstvel-_ „den, zoodat men ze reeds op een’ vrij grooten afstand kan „herkennen. De noordelijke heuvel, door de inlanders Goenoeng „Kapoetiean genaamd, strekt zich van het w. naar het o. met „eene basis van ongeveer 250 voeten lengte en 80 tot 100 „voeten breedte uit, heeft eene kegelvormige gedaante en _ „verheft zich ruim BO voeten boven den omringenden bodem „of ruim 430 voeten boven de zeevlakte. De zuidelijke heuvel, | „Goenoeng Kintjana genaamd, strekt zich uit van het n. naar het ; „2., is aan zijn’ voet meer dan 300 voeten lang en 80 tot 90 „voeten breed en verheft zich tot ruim 70 voeten boven de om-_ „liggende rijstvelden of tot ruim 450 voeten boven de zeevlakte. „Hij is gevormd uit op elkander gestapelde kegels, welke van „de einden der lengteas tot aan den top allengskens grooter „worden en den heuvel een eigenaardig aanzien geven. „De vorming dezer heuvels is thans in volle werkzaamheid „en nergens welligt treft men sprekender voorbeelden aan „van het ontstaan van dergelijke heuvels, dan hier, waar men „ze als het ware ziet geboren worden. Zoowel de Kapoetiean „als de Kintjana zijn hun ontstaan en voortgaande ontwikke-— „ling verschuldigd aan de warme minerale wateren, welke thans „uit hun binnenste opwellen. „De Kapoetiean heeft nog slechts één wel, met meerdere — „kleine en grootere openingen nabij zijne kruin, hoezeer de | „vorm dezes heuvels op het vroeger aanzijn van meerdere — „wellen duidt, welke welligt bij de ontwikkeling des heuvels % „hun water in de tegenwoordige hoofdwel uitgestort hebben _— „en thans zich slechts door weinige openingen ontlasten. We R 4 „De Kintjana daarentegen bezit nog meerdere wellen in volle — 468 Ne „werking en hier voornamelijk ziet men het bijzonder schoon, „hoe deze heuvels of de hen zamenstellende heuvelkegels „zich uit het minerale water afzonderen en kristalliseren. Aan „zijne noordelijke helling zijn nog 8 wellen in volle werking. „Aij openen zich op verschillende hoogte van den voet des „heuvels tot op de kruin en hebben een’ natuurlijken trap ge- „vormd van eenige voeten breedte, langs welken men den top kan beklimmen. Aan de zuidelijke helling bevinden zich nog „A wellen, kort bij elkander, slechts 2-3 voeten van een lig- „gende en bij den top. Hierdoor is deze helling des heuvels „ook veel steiler, zelfs zoo, dat het beklimmen hier zeer moei- jelijk is. | En „Nabij de kruin van den Kapoetiean en Kintjana zijn grootere ‚en kleinere bekkens rondom de wellen in de rotsen uitgehou- „wen, om daarin het minerale water, dat als fonteinen de „rotsen doorboort, te vergaderen. Die bekkens konden niet „ruim genoeg worden gemaakt om het steeds in groote hoe- ‚veelheid uitspringend water te bevatten en om-nu-den afloop „van het water te bepalen, heeft men de randen dier bekkens ‚au eens hier en dan weder daar doorgebroken, waardoor shet water genoodzaakt werd, den voorgeschreven’ ‘weg te „volgen en daar nieuwe kalkmassen af te zetten. Vooral is zulks „het geval met het welbekken van den Kapoetian, dat onge- wveer 5 voeten lang, 3!/, voeten breed en Ηid voeten diep „is en tijdens mijn bezoek zoodanig was uitgehouwen, dat het „water genoodzaakt was van de noordzijde des heuvels af te „loopen , waar zich ook reeds eene aanmerkelijke korst van „nieuwe vorming had afgezet, waaronder de oudere vegetatie „was begraven en thans geene nieuwe vegetatie kan wortelen. „Vroeger had men het water aan de westzijde des heuvels la- sten afloopen, waarvan de sporen nog duidelijk zigtbaar wa- ren, hoezeer de vegetatie hier en daar zich reeds van die „naakte kalkvlakten had meester gemaakt. „Op den Goenoeng Kintjana bestaan nog slechts twee van 4 Bekkens en wel bij zijne laagste en hoogste wellen. „Zij zijn echter van slechts geringen omvang en loopen aan IL. | 5 464 „alie zijden over, zoodat daardoor in den natuurlijken vorm „der heuvelkegels geene merkbare wijziging wordt gebragt. __ „Van gewigtigeren invloed echter op den vorm dezer heuvels „is de kalkbranderij, die sedert 1812 aan de voet des Kapoe- „tian bestaat. Sedert men had ontwaard, dat de rots na het „branden een’ goeden kalk gaf, heeft men er opvolgend in een „tijdvak van 93 jaren 237,600 takkers kalk gebrand of weg- „gehouwen. Hierdoor is reeds een aanmerkelijk gedeelte des _ „heuvels verdwenen, maar de vorming van nieuwen kalk wordt „er niet door belet. — De wellen zetten steeds nieuwe kalk-_ „lagen uit haar bruisend water af. | „Tijdens het verblijf ter dezer plaatse van den heer Brumr, „die gedurende Î4 dagen de omstreken met een plantenkun- L „dig doel heeft onderzocht, heeft men een’ nog in ontwikkeling „„zijnden kalkkegel van den Kintjana afgezaagd, welke naar „Batavia is vervoerd. Wat van dien kalkkegel is geworden NK „bleef onbekend; maar op dezelfde plaats heeft zich reeds we- „der een nieuwe kegel gevormd, die geen vervoer meer toe- „laat , wegens zijnen omvang en zwaarte en dus in 20 jaren tijds „zich heeft gevormd of binnen nog korteren tijd, indien, wat „men verhaalt, latere bezoekers de nieuw wordende kegel k „„meermalen hebben weggenomen of verbroken. | „Merkwaardig is de flora dezer heuvels, niet zoo zeer door „talrijkheid van individu’s als wel door talrijkheid van soorten. „De heer Brume heeft er meer dan 40 species aangetroffen en_ „beschreven en thans telt men er meer dan 50, ongerekend_ „crenata L., Polijpodium phymatodes (Pakis goenoeng), Acros- E: „tichum speciosum (Warakas) en soorten van Lycopodium (Pakis „er Commelina auriculata; van de Liliaceae soorten van Hemero- _ „callis en Sanseviera (Hanjokan); van de Gramineae en Cyperaceae _ „de Rompoet Paroempoeng en Seriengsin; van de Aroïdeae Ty- bet „„phonium cuspidatum; van de Orchideae Dendrocolla amplexi- — Ld _seaulis , Dendrocolla appendiculata, Aërides elongata (Kwawoe) EK JN nt Vd 465 „‚Habenaria reflexa, Adenostylis emarginata; van de Dioscoreae ‚‚Dioscorea triphylla L.; van de Moreae Ficus chrysocoma Bl. , „Ficus gibbosa Bl. (Kiara waling); van de Urticaceae Urtica mol- „lissima Bl, Böhmeria longifolia Endl.; van de Artocarpeae Trophis „spinosa Rxb.; van de Jasmineae Philyrea robusta Rxb., Myxo- „porum nervosum; van de Asclepiadeae Calotropis gigantea h. „‚Br., Lepasma javanicum Bl, Secamone macrophyila Bl, Per- „‚gularia parviflora Bl, Hoya diversifolia Bl, Oxvystelma Hoo- „perianum Bl. (Aroy Tjapoe toehoer), Leptostemma hirsutum „Bl; van de Apocynaceae Alstonia villosa Bl; van de Rubia- „ceae Hedyotis pterita Bl, Cephaëlis diversifolia Bl; van de „Compositae Mikania volubilis Willd., Cacalia sarmentosa Bl; „van de Aurantiaceae Murraya longifotia Bi; Van de Lauri- „„neae Cinnamomum neglectum; van de Acanthaceae Justicia „‚salicifolia Bl, Lepidagathis parviflora Bl; van de Asperifoliae »lournefortia tetrandra; van de Convolvulaceae Convolvulus nym- „phaeaefolius, Convolvulus bifidus, Argyreia mollis; van de Mal- „„vaceae Hibiscus spathaceus Bl, Urena tomentosa Bl; van de „Büttneriaceae Visenia umbellata Houtt; van de Tiliaceae Trium- „fetta spicata Bl; van de Lythrarieae Cuphea barbata Endl. (Tjoen- skankan); van de Menispermeae Cocculus corymbosus Bl, Cocculus „ovalifolius; van de Melastomaceae Melastoma malabathricum „„(Harendong); van de Loranthaceae Loranthus pentandrus (Ka- „madoean); van de Verbenaceae Clerodendrum serratum (Djan- „goeboe); van de Euphorbiaceae Fluggea microcarpa (Melattian), „Euphorbia pilulifera L. (Nanankaän), Tragia hirsuta Bl, Rottlera „dispar Bl; van de Cucurbitaceae Momordica bicolor Bl (Aroy „Papassang); van de Rhamneae Illigera pulchra Bl; van de Ano- „haceae Uvaria velutina Rxb., Guatteria macrophylla Bl. (Kisan- „hoen); van de Papilionaceae Abrus precatorius (Dsaga, Obat „seriawan); en van de Mimoseae Acacia Farnesiana (Garoet)”. Tot zoover de mededeeling van den heer Beeken. __ Dexker Veenstra, in leven apotheker der fe klasse, heeft deze wateren scheikundig onderzocht. Beide wateren kwamen kwalitatief geheel met elkander overeen. Er werden namelijk koolzure kalkaarde, koolzure bitteraarde, chloorsodium, chloor- hl 166 magnium en chloorcalcium in gevonden, en voorts koolzuur, zwa- velwaterstofgas , sporen van zwavelzuur en van org. zelfstandig- heden. Het soortelijk gewigt van het water van den Kapoetian is 1,0201 en van dat van den Kintjana 1,02025, bij 25° R. warmte. > 1. Bepaling van het- Zwavelwaterstofgas. a. 1000 grm. Kapoetiean-water hadden ter bepaling van dit gas 0,0192 grm. jodium gevorderd, beantwoordende aan 0,06259 grm. zwavelwaterstofgas. b. 1000 grm. Kintjana-water 0,0704 grm. jodium, beant- woordende aan 0,0095 grm. an 2. Bepaling van het Koolzuurgas. a. 1000 grm. water in eene retort gekookt en de dampen door barietwater geleid, vormden bij het Kapoetian-water 4,767 grm. gewasschen en gedroogde koolzure barietaarde, waarin 1,0659 grm. koolzuur ; ' b. 1000 grm. Kintjana-water gaven 4,938 grm. koolzure barietaarde, waarin 1,1042 grm. koolzuur. 3. Bepaling der Koolzure kalkaarde en der Koolzure bitteraarde. Het praecipitaat, dat zich gedurende de koking bij de 2de proef in de retort afzette, werd op een filtrum verzameld en gewogen, vervolgens in overmaat van verdund zoutzuur opge- lost, met ammonia en oxalas ammoniae behandeld, het praeci=, pitaat gedroogd, gebrand en de koolzure kalkaarde gewogen. Vervolgens werd het gewigtsverlies als koolzure bitteraarde_ berekend. Á | a. Het praecipitaat van 343 grm. Kapoetiean-water woog — 0,445 grm., waaruit verkregen werden 0,400 grm. koolzure _ kalkaarde en 0,045 grm. koolzure bitteraarde; voor 1000 erm. | water 1,1662 grm. koolzure kalkaarde en 0,1312 grm. kool zure bitteraarde gevende. pe: b. Het praecipitaat van 356 grm. Kintjana-water woog 0,410 grm.; waaruit verkregen werden 0,380 grm. koolzure _ __kalkaarde en bij gevolg 0,030 grm. koolzure bitteraarde. Kf Ber KE 467 _ 1000 grm. water bevatten dus 1,0674 grm. koolzure kalk- aarde en 0,08427 grm. koolzure bitteraarde. Á. Bepaling van het Chloorsodium. a. 50 grm. Kapoetiean-water, gekookt en gefiltreerd, gaven, | met salpeterzuur zilver behandeld, 3,165 grm. gedroogd chloor= zilver, voor 1000 grm. water 63,3 grm. bedragende, waar- jn 15,648 grm. chlorium; volgens de Sde en 6de bepaling moeten 3,817 grm. chloriam worden afgetrokken. Er blijven dus nog 11,831 grm. chlorium, gevende 19,598 grm. chloor- sodium. b. 50 grm. Kintjana-water , gekookt en gefiltreerd, gaven 3,190 grm. chloorzilver, voor 1000 grm, water 63,8 grm. bedragende, waarin 15,77f grm. chlorium. Volgens de 5de en 6de bepaling 3,8784 grm; afgetrokken, blijft 11,893 grm. chlo- rium, gevende 19,70f grm. chloorsodium. 5. Bepaling van het Chloorcalcium. a. 100 grm. Kapoetiean-water, gekookt en gefiltreerd, met _chloorammonium en oxalas ammoniae behandeld, gaven oxalas calcis, gebrand 0,396 grm. koolzure kalkaarde gevende; 1000 erm. water dus 3,960 grm., beantwoordende aan 43921 grm. _chloorcalcium , waarin 2,8081 grm. chlorium. LE b. Van 100 grm. Kintjana-water verkreeg men 0,402 erm. ‚ koolzure kalkaarde; 1000 grm. water 4,02 grm., beantwoor- | dende aan 4,4587 grm. chloorcalcium, waarin 2,8507 Srm. _ehlorium. 6. Bepaling van het Chloormagnium. __ Het filtraat van den oxalas calcis werd met ammonia en | phosphorzure soda behandeld, en het verkregen praecipitaat | gedroogd, gebrand en gewogen. \__a. Van 100 grm. Kapoetian-water verkreeg men 0,160 grm. } phosphorzure bitteraarde, voor 1000 grm. water 1,6 grm. be- \ dragende, en beantwoordende aan 1,368 grm. chloormagnium, | waarin 1,0089 grm. chlorium. — 468 b. Van 100 grm. Kintjana-water verkreeg men 0,163 grm._ phosphorzure bitteraarde, voor 1000 grm. water 1,63 grm._ bedragende, en beantwoordende aan 1,3936 grm. chloormag-_ nium, waarin 1,0278 grm. chlorium. | | Resultaat. 100 grm. water bevatten grm. Kapoetican. Kintjana. Koolzure kalkaarde ; 0,11662 0,10674 ge bitteraarde 2 0,01312 0,00842 Chloorsodium … 1,9598 1,9701 bj calcium _. 4 0,43921 0,44587 if magnium … X 0,1368 0,135936 vaste deelen 266555 967049 Koolzuur 5 N je 0,10659 0,11042 Zwavelwaterstofgas . 2 0,00026 0,00095 Zwavelzure kalkaarde . sporen. sporen. Org. zelfstandigheden (f) id. id. Reeds in 1839 heeft J. Lasrpracen den arragoniet van Koe ripan scheikundig onderzocht (2) en in 100 gewigtsdeelen 6e vonden : (1) In de maand Mei 1846 is mij eene kruik mineraalwater toegezon= Daar mij hiet omtrent de voldoende zakerheid ontbrak, heb ik dit water slechts kwali= tatief onderzocht. ; den, dat afkomstig was van den Kapoetian of Kintjana. Het had eenen zout- en bitterachtigen smaak, eene naauwelijks zigtbare alkalische reaktie, rook naar zwavelwaterstofgas en had een soortelijk gewigt van 1,0219 bij 27,79 C. warmte. In een glas” gegoten, parelt het water en zet onder gasontwikkeling na eenigen tijd een praecipitaat af. Van 238,3 grm. water verkreeg ik door uitdamping 6 ‚672 grm. droog zout of 2,8 ten honderd water. Dit zout met gedestilleerd — water behandeld, gaf een filtraat, bevattende chloorpotassium, chloorsodi- um, chloorcalcium, chloormagnium, sporen van joodmagniumen van zwavel- _ zure kalkaarde. De in water onoplosbare deelen van het zout bevatte- den koolzure kalkaarde, koolzure bitteraarde, sporen van ijzeroxijde en van aluinaarde; voorts zeer kleine hoeveelheden Kien en organische zelfstandigheden, El (2) Tijdschrift voor Nederlandsch Indië 2de Jaargang 1839. 4 469 Koolzure kalkaarde : { wi pj strontiaanaarde … X ' 3.25 Izeroxijde, aluinaarde , kiezelaarde en niet onderzochte stoffen . } 5 3.15 Water ki Î , OTA ' fs 160.00 deelen. Als eigenschappen van den arragoniet was opgegeven, dat hij eene harde, broze, onregelmatige, witte, half door- schijnende, vetglanzige verbinding is van 2,92{ soortelijk gewigt, waarvan de boven- en ondervlakte met eene sterk aanhangen- de grijze korst was bedekt. De enkele kristal een zeszijdig prisma , glasglanzig en doorschijnend. De heer Brerker heeft eenige exemplaren van den arrago- niet medegebragt , waaruit de heuvel Kintjana zamengesteld is, waarmede ik de volgende scheikundige analijse heb bewerk- stelligd. | Deze arragoniet stelde eene witte , kristallijne , vaste massa daar, naar de kanten der buitenvlakten toe hier en daar stralig afgezonderd. Geen enkele kristal was duidelijk waar te nemen. Deze kristallijne arragonietmassa krast het kalk- _ spaath, is aan de kanten doorschijnend, bezit eene schel- „pachtige tot oneffene breuk, eenen sterken vetglans, witte streek, heeft gemiddeld 2,7 soortelijk gewigt en is onder opbrui- sing gemakkelijk bijna geheel oplosbaar in zout- of salpeterzuur. _ Voor de blaasbuis verhit, verspreidt de verhitte plaats een sterk licht, wordt wit en dof , reageert nu alkalisch en ver- hit zich bij opgieting van water. Stukjes van dit mineraal, in een glazen kolfje verhit, ver- deelen zich, alvorens de gloeihitte bereikt te hebben, doch zon- der uitbotting, met hevigheid tot een meer of min fijn poeder. Het kwalitatief onderzoek heeft, behalve koolzure kalkaarde, kleine hoeveelheden van koolzure bitteraarde en strontiaan- aarde, kiezelaarde, aluinaarde en ijzeroxijde doen kennen, ter- wijl chloorsodium in eene naauwelijks bepaalbare hoeveelheid aanwezig was. Het kwantitief onderzoek leverde de volgende uitkomsten op. 470 1. Van 2,157 grm. van dezen arragoniet verkreeg men 0.004 K grm. water, voor 100 grm. dus 0,18544 grm. bedragende. 2. Van 2,837 grm. verkreeg men 0,015 grm. gegloeide kiezelaarde; 0,008 grm. gegloeide aluinaarde met ijzeroxijde À en 0,0534% grm. gegloeide phosphorzure bitteraarde. | 100 grm. arragoniet bevatten dus 0,52873 grm. kiezelaarde, ) 0,28198 grm. aluinaarde met ijzeroxijde en 1,4255 grm. kool- — zure bitteraarde. | 9. 5 grm. arragoniet in zoutzuur opgelost, gefiltreerd , het filtraat met salpeterzuur gekookt, chloorammonium en am- À monia toegevoegd, gefiltreerd en vervolgens met koolzure am- > monia ontleed; het verkregen praecipitaat met salpeterzuur be- | handeld , de oplossing tot volkomen droogwordens toe uitge- — dampt, met watervrijen alkohol behandeld, het onopgelost 5 geblevene met water opgenomen, en het filtraat met zeer ver- dund zwavelzuur ontleed , verkreeg men bij 1000 C. gedroogde zwavelzure strontiaanaarde, wegende 6,054 grm., voor 100 grm. 1,080 grm. bedragende, beantwoordende aan 0,86788 grm. koolzure strontiaanaarde. Á. Van 2,887 grm. arragoniet verkreeg men 4,025 grm. bij 1000 C. gedroogden oxalas calcis en oxalas strontianae, voor 100 grm. ' À A ‚ 141,874 grm. bedragende; hiervan afgetrokken _… È ï 1,137 7,50 toxalas strontianae, blijft nâ k … 140,7375 ;/Woalas calcis, beantwoordende aan 96,396 grm. koolzure kalkaarde. Resultaat. 100 grm. Arragoniet bevatten grm. Koolzure kalkaarde î . d À . 96,396 PN strontiaanaarde R ï ( „ _0,86788 et bitteraarde : . A J … 1,4255 00 Kiezelaardes « sy: salsa sesel veoree canne 0, GASTEN Aluinaarde en iijzeroxijde 5 à … 0,28198 Water ì à £ É k 3 … 0,18544 7 | 99,68553 Chloorsodium Sporen. 471 Warme minerale bron, gelegen op de grensscheiding van Lembang en Djamboedwipa, residentie Preanger Regentschappen. In de nabijheid der grensscheiding van het distrikt Lembang en Djamboedwipa, omtrent 4 palen w. n. w. van Lembang en 5 palen n. o. van Djamboedwipa, op eene hoogte van 4077 _ Rijal. voeten boven de oppervlakte der zee, komt dit minerale water te voorschijn. Het komt uit een heuvelachtig terrein bij wijze van een klein beekje, zonder gasontwikkeling, uit eene kleine ronde opening, ‚verliest zich vervolgens in den grond, om eenige voeten ver- ed der wederom uit te komen, verzamelt zich daarna met eene warmte van 95 tot 960. F. (temperatuur der lucht 720. F.) in een gemetseld bekken, van waar het door eene aldaar aan- gelegde badinrigting afvloeit. | Dit heuvelachtige terrein is eene lavaächtige trachietrib van den Tankoeban prahoe en reeds tot op eenige voeten diepte zoo- danig ontleed, dat men daar slechts eenen rooden meer of min weeken kleigrond waarneemt. In den naasten omtrek der bron _ js het terrein voornamelijk met glaga, varens en melastoma- _ eeën begroeid. De heer Paumrprau te Lembang heeft, met een menschlie- _ vend doel, deze bron tot algemeen nut der Javanen doen in- rigten , door haar op eigen kosten op eene zeer doelmatige wijze in te dijken en haar met eene zeer nette en bevallig _ gebouwde badinrigting, in de onmiddellijke nabijheid daarvan, _ te voorzien. Deze badinrigting kan als model dienen, hoe dergelijke in- _ rigtingen dienen te worden gemaakt. — De badplaats is ovaal, bezit eene lengte van 16 en eene breedte van f2 voeten, ter- _ wijl de waterstand, naar verkiezing, tot op eene hoogte van 4 voeten gebragt kan worden. Het door deze inrigting afvloeijende mineraalwatgr zet gedu- | rende zijnen loop een geel okerachtig bezinksel af. Tijdens mijn bezoek bij deze minerale bron, den 30Osten Ok- Wi2 tober 1851, in gezelschap der heeren Puatieprau en Breeken, konden in een sekonde tijds f!, Nederl. kannen mineraalwa- ter vergaderd worden. Evenwel bleek, uit eene mededeeling van den heer Parippeau, dat deze hoeveelheid niet standvas- tig is. — Gedurende eene zeer aanhoudene droogte, die in 1850 plaats had, leverde de bron slechts eene kleine hoeveelheid mineraalwater, terwijl zij na die droogte gedurende eenigen — tijd geheel droog was. Onlangs heeft de heer Purieprauv mij medegedeeld, dat de bron eene buitengewone hoeveelheid water opgeleverd had. Reuk bezat het water niet; de smaak was zuur - inktachtig. Soortelijk gewigt bij 279 C. 1,001. et Het water, tot kokens toe verhit, ontwikkelde in het be- gin gasblazen van koolzuurgas en bleef helder. — Is het voor een groot gedeelte verdampt, dan komen witte, naaldvor- mige kristallen te voorschijn. — Na de geheele verdamping ver- kreeg men een wit geelachtig zout, hetwelk een netwerk daar- stelde van naaldvormige kristallen en bij vermeerderde hitte zoutzure dampen uitstiet, bruin van kleur werd en schubach- tig van den bodem van het platinaschaaltje afsprong. Het water met salpeterzuur en salpeterzure barietaarde be- handeld, vormde zwavelzure barietaarde; — met salpeterzuur _ zilveroxyde, chloorzilver. Met cyaanyzerpotassium behandeld, kreeg het water eene heldere blaauwwitte kleur. Aan de lucht blootgesteld , werd allengskens een schoon blaauw praecipitaat gevormd. Met cyaniedyzerpotassium behandeld, werd dadelijk in het water eene intensief groenblaauwe kleur gevormd, na eenigen — tijd een praecipitaat afzonderende. Blaauw lakmoespapier in de wel gehouden, kreeg eenen f roodachtigen schijn. Na het droogen in de lucht werd het bij- na wederom blaauw, bleef echter eenigzins bleek. — Tot een klein volumen uitgedampt, bezit het water eene blijvend “zure reaktig op lakmoespapier. Veel water (ongeveer een kilogram) tot droogwordens toe uitgedampt, met weinig water opgenomen, het filtraat met tries e Pr p bed s Fi A 475 amylumpap en chloorwater behandeld, liet noch jodium noch bromium herkennen. De hierbij afgescheidene, in water on- oplosbare deelen, in zoutzuur opgelost, gefiltreerd, het filtraat met potassa-oplossing bijna geneutraliseerd, vervolgens oplos- sing van acetas potassae en een weinig yzerchloried toegevoegd, vertoonde zich niets bijzonders. Het gefiltreerde water bleef met gipsoplossing helder; ge- koncentreerd zijnde en met potassa-oplossing gekookt en een staafje met zoutzuur er overgehouden, vormden zich eenige witte nevels. Het water, in eene retort verhit en de dampen door ba- rietwater geleid, ontstond koolzure barietaarde. Vervolgens het water tot droogwordens toe uitgedampt, het zout met alkohol en eenig zwavelzuur overgoten en aangestoken, gaf deze verbranding geene buitengewone verschijnselen. j Op bekende wijze werden voorts potassa, soda, kalkaarde, bitteraarde , kiezelaarde en aluinaarde in het water opgespoord, en eindelijk bleek het, dat daarin, behalve de reeds gevondene bestanddeelen, nog sporen van mangaanprotoxyde en organi- sche zelfstandigheden aanwezig zijn. Het water, met barietwater gekookt, gefiltreerd, het filtraat met koolzure ammonia behandeld, gefiltreerd, het filtraat uit- gedampt, gegloeid, vervolgens met gedestilleerd water opgeno- men en gefiltreerd, ontstond eene zeer zwak alkalisch reage- rende vloeistof, welke, met salpeterzuur en salpeterzuur zilver- oxyde behandeld, chloorzilver vormde. Kwantitatieve analyse. Î. Bepaling van het Chlorium. 260,24 grm. water gaven bij 100° CG. gedroogd chloorzilver, wegende 0,2437 grm., bevattende 0,06024 grm. chlorium. 100 grm. water 0,02315 grm. chlorium. 2. Bepaling van het Zwavelzuur. 260,24. grm. water gaven bij 1009 C. gedroogde zwavelzure barietaarde, wegende 0,2455 erm. 474 100 grm. water dus 0,09434 grm., waaain 0,03241 grm. zwavelzuur. 9. Bepaling de Kiezelaarde. 260,24 grm. water, tot droogwordens toe uitgedampt, het zout gegloeid, vervolgens met zoutzuur behandeld agaven 0,0355 grm. gegloeide kiezelaarde. 100 grm. water 0,01364 grm. A. Bepaling der Aluinaarde en van het Yzeroxyde. Het filtraat der kiezelaarde met chloorammonium en am- monia behandeld, gaf aluinaarde- en yzeroxydehijdraat, het- welk door potassa oplossing ontleed is in: 0,0193 grm. gegloeide aluinaarde en 0,0f9 4 yzeroxyde. 100 grm. water beantwoorden dus aan 0,00742 erm. aluin- aarde en aan 0,0073 grm. yzeroxyde of aan 0,00657 grm. yzerprotoxyde. 5. Bepaling der Kalkaarde. Het filtraat der aluinaarde en van het yzeroxyde gaf bij 1000 C. gedroogden oxalas calcis, wegende 0,0675 grm, bevattende 0,02589 grm. kalkaarde. 100 grm. water dus 0,00995 grm. kalkaarde, ge- vende met 0,01421 „ zwavelzuur en 0,00639 „ water 0,03055 gfm. zwavelzuur kalkaardehydraat. 6. Bepaling der Bitteraarde. Het filtraat van den oxalas calcis gaf bij 100° C. gedroogde phosphorzure bitteraarde - ammonia 0,035 grm., beantwoor- dende aan 0,0276 grm. gegloeide phosphorzure bitteraarde, bevattende 0,010113 grm. bitteraarde. 100 grm. water dus 0,003886 grm. bitteraarde , “gevende met 0,007539 „ zwavelzuur 0,011425 grm. zwavelzure bitteraarde. | j E | 475 7. Bepaling der Zwavelzure aluinaarde. De geheele hoeveelheid zwavelzuur in 100 grm. water be- draagt 0,032414 grm. — Gebonden aan de kalkaarde zijn 0,01421 grm., en aan de bitteraarde 0,00754 grm; bedraagt te zamen 0,02175 grm; afgetrokken van de geheele hoeveel- heid, blijft 4 Ô 0,01066 grm. gevende met 0,00456 „ aluinaarde. 0,01522 grm. zwavelzure aluin- Budel O3 + 3 S02.). 8. Bepaling van het Chloorpotassium Van 195,18 grm. ‘water verkreeg men op bekende wijze bij 1009 C. gedroogd chloorplatina - chloorpotassium, wegende 0,055 grm., beantwoordende aan 0,01679 grm. chloorpotassiurn. 100 grm. water dus 0,008606 grm. chloorpotassium, waar- in 0,00409 grm. chlorium. | 9. Bepaling van het Chloorsodium. 260,24 grm. water met barietwater gekookt, enz. gaven 0,066 grm. chlooralkaliën, voor 100 grm. water 0,02536 grm. bedragende. — Hiervan afgetrokken 0,00861 „ chloorpotassium, blijft 0,01675 grm _ chloorsodium, waarin 0,010115 grm. chlorium. Re Dat het potassium en sodium in dit water aan het chlorium gebonden zijn, blijkt, wanneer men het chloorzilver weegt, dat daargesteld is volgens de bij het slot der kwalitatieve 5 analyse vermelde wijze. Van 250 grm. water verkreeg men bij 100° C. gedroogd chloorzilver, 0,135 grm. wegende. 10. Bepaling van het Chlooryzer. 100 grm. water bevatten 0,00657 grm. yzerprotoxyde, be- antwoordende aan 0,01158 grm. chlooryzer. (Fe. Cl. ), waarin 0,006%7 grm. chlorium. Î1. Bepaling van het Chlooralumintum. 100 grm. water bevatten 0,02315 grm. chlorium; gebonden aan het potassium zijn 0,00409 grm. ss ss sodium 0,001 „ 4716 aan het ijzer 0,00647 gram. Te zamen 0,02067 grm; afgetrokken van de geheele hoeveelheid, blijft 0,00247 grm. gevende met 0.00063 „, aluminium 0,0051 grm. chlooraluminium (Al? CI?) 12. Bepaling der Alwinaarde, noch aan het zwavelzuur gebonden, noch aan het chlorium beantwoordende. De geheele hoeveelheid aluinaarde in 100 grm. water zijn 0,00742 grm ;—gebonden aan het zwavelzuur zijn 0,00456 grm. en aan het chlorium beantwoorden te zamen,. 0,00119 „ . … 0,00575 erm. afgetrokken van de geheele hoeveelheid, blijven 0,00167 grm. alwinaarde. Resultaat. 100 grm. water. bevatten Zwavelzure kalkaarde KS bitteraarde dn aluinaarde Chloorpotassium in sodium . LA aluminium s yzer Aluinaarde Kiezelaarde Koolzuurgas Chloorammonium Mangaanprotoxyde Organische zelfstandigheden erm. 0,03055. 0,01142. 0,01522. 0,00861. 0,01675. 0,0051. 0,01158. 0,00167. 0,01364. 0,11254 grm onbepaald sporen id. id. Dit water bezit dus eene groote overeenkomst met de wateren, die aan de noordelijke helling van den Tankoeban prahoe te voorschijn komen, bv. de bron Tjipabla en Tjipan- nas, in de residentie Krawang gelegen. Batavia, den 10den Mei 1852. | | SCHEIKUNDIG ONDERZOEK VAN TWEE MINERALE WATEREN VAN JAPAN, DOOR P. 5. MAEER, a. De minerale bron Oeresino. Deze bron is door den heer Dr. Morntke den 22sten Februarij 1850 bezocht en door hem, volgens ontvangene opgave, beschre- ven als volgt: „„russchen Nagasakki en Kokoera liggen de bronnen Oeresi- ‚no en Takiwo; beiden in het landschap Fezin; Oeresino op „19 hi (28,2 li = 15 geogr. mijlen) afstands van Nagasakki; „lakiwoof Tsoekasakki op 24, li afstands van Oeresino verwijderd. „De badifirigting te Oeresino bestond uit vijf gemetselde naast „elkander liggende bekkens, elk ongeveer 50 voeten lang en „wat minder breed. Het minerale water loopt uit het eene „bekken in het andere en blijft daarin altijd op dezelfde hoog- „te, om reden er evenveel water uit het laatste bekken af- „loopt, als er in het eerste toevloeit. Door deze inrigting be- „zit het water dezer vijf bekkens verschillende temperatu- „ren. Tevens werd door het aanhoudende doorstroomen „het water der vijf bekkens steeds vernieuwd. Ongeveer 1, „voeten beneden de oppervlakte van het water in deze bek- „kens, waarin het eene hoogte van 3, voeten bereikt, is langs den geheelen binnenkant eene twee voeten breede bank. „De badplaatsen zijn van geen afdak voorzien, slechts door W18 „houten planken van elkander gescheiden. De temp. van het „water bedraagt tusschen 90 en 100° G., bij eene buitenlucht „van 8,49 C. ('s morgens 9Y, uur bepaald). Het water was „helder en had een’ sterken zwavelwaterstofgasachtigen reuk. De „„rotssoorten, waaruit het te voorschijn komt, bestaan uit au- „giet, trachiet en trachietachtig konglomeraat”. De Japausche scheikundige, van wien ik reeds vroeger heb melding gemaakt (fÎ), heeft mij onlangs toegezonden een fleschje met 200 grein (med. gew.) zout, volgens zijne schriftelijke mede- deeling verkregen door uitdamping van 97,5 katjes mineraal- water. Volgens Dr. Monnike is het gewigt monme de eenheid van het in Japan gebruikelijke gewigt, en staat gelijk met 57 grein med. gew. Tien monme is één zjoemonme = 570 grein; het zes- tienvoudige van een zjoemonme = 9120 grein of 593,75 grm._ is een katje. 97,5 katjes zijn dus gelijk aan 22265,62 grm. en 200 grein med. gew. aan 1Î3,0208 grm. Hieruit volgt, dat 100 grm. mineraalwater 0,0585 grm. vaste deelen bevatten, die echter bij 1009 CG. gedroogd zijnde 6,6186 ten honderd water ver- loren. Het zout was eenigzins geelachtig, hygroskopisch, aardachtig, van alkalisch zoutachtigen smaak en meer of min loogachtigen reuk. In een platinalepeltje verhit ontwikkelt het een weinig water. Bij vermeerderde hitte werd het graauw van kleur, smolt later en stelde na bekoeling eene meer of min homogene gesmoltene zoutmassa daar, met eenen blaauwachtigen eenigzins groenachtigen tint aan hare oppervlakte. Door een kwalitatief onderzoek bleek de aanwezigheid der volgende stoffen. Potassa, soda, kalkaarde, bitteraarde, aluinaarde, yzeroxyde, kiezelaarde, koolzuur, zwavelzuur, chloor; voorts sporen van sodium, org. zelfstandigheden en van mangaanoxydule. Kwantitatief onderzocht, zijn de volgende uitkomsten verkregen. (1) Zie Jaarg. I. bladz. 882. 479 100 germ. bij 1009. C. gedroogd zout bevatten grm. Koolzure soda 58,301 EE kalkaarde 1,3991 ne bitteraarde 1,23869 Zwavelzure kalkaarde 0,69858 _Chloorpotassium 3135 B, sodium 2%,1901 Aluinaarde Ë 0,1772 Yzeroxyde „ 0,04997 Kiezelaarde „ 9,3981 AR | Te zamen 98,52774 Water en verlies … À 1,47226 _Joodpotassium s k ; Sporen Mangaanoxydeoxydule … E 8 Org. zelfstandigheid ) 100 grm. mineraalwater bevatten erm. Koolzure soda \ 0,03231 fj kalkaarde or > 8 0,00077 B bitteraarde é 0,00067 yzerprotoxyde ° ° 0,00004 wavelzure kalkaarde . . __0,00039 Chloorpotassium 0,00174 sodium 0,013141 0,00009 iezelaarde : 0,00517 | | Te zamen … 0,05459 Koolzuur mangaanprotoxyde ‚ Sporen Joodpotassium Ed >, 2 ;, „ onbepaald »j» 36. „80 De aanwezigheid van koolzuurgas en zwavelwaterstofgas blijkt tevens uit de mededeelingen van den Japanschen schei kundige. , b. De minerale bron Takiwo. Ook deze bron is door den heer Dr. Monnike den 22sten Februarij 1850 bezocht en aldus beschreven. ‚De badinrigting te Takiwo verschilt van die te Oeresino „slechts daarin, dat er hier, behalve zes met afdaken voorziene „bekkens voor de lagere menschenklasse, nog twee andere „„door een’ muur van de eerste gescheidene zijn, die ruim en „zindelijk zijn ingerigt en voorzien van elegante verblijfkamers „tot badplaatsen voor den landsheer en zijne familie. Het mine „„raalwater had bij eene luchttemperatuur van 10,2 C., ’s mid- „„dags 41/, uur, eene warmte van 45,59. C. en was geheel zonder ‚smaak en reuk. Het ontwikkelde slechts spaarzaam blaasjes „van koolzuurgas. De geognostische gesteldheid van het terrein „te Tawiko verschilt niet van die te Oeresino. Bij de intrede „van de voor het volk bestemde bekkens is een vertrek K „waarin elk voor een bad omtrent U, cent moet betalen”. Van dit mineraalwater zijn door den boven bedoelden Ja- panschen scheikundige 30,625 katjes uitgedampt en 137,5 grein, med. gewigt, vaste bestanddeelen verkregen , welke te Batavia gewogen 144,5 grein = 9,408 grm. bedroegen en bij 100° C. gedroogd 10,062 ten honderd water verloren. } 30,625 katjes = 18183,6 grm. water, bevatten dus bij 100°. C. gedroogde vaste bestanddeelen 8,4614 grm.; bedra= gende voor 100 grm. mineraalwater 0,04653 grm. De eigenschappen en het kwalitatief onderzoek van dit zout kwamen bijna geheel overeen met het zout, verkregen door uit- damping van het water te Oeresino; slechts was het iets wit ter van kleur. Door het kwantitatief drdbrsden van het zout is de zamen- stelling van dit mineraalwater gebleken te zijn als volgt: 481 __100 grm. mineraalwater bevatten grm. Be shae Os 0,03007 4 if kalkaarde 8 5 6 k ‚ _0,00028 d bitteraarde ê : se d . _0,00019 A8 yzerprotoxyde Î : : ‚ _0,00006 BZ watelzure kalkaarde … … _. _… _ … 0,00016 Chloorpotassium 8 - : : . __0,00007 Ei), 55 sodium 8 : © Á . _0,00892 Aluinaarde 5 5 ’ - , . _0,00035 Kiezelaarde . ORNE LRE ORNE TO O034 AF E | | Te zamen 0,04447 _ Koolzuurgas . . . . : onbepaald Ä Zwavelwaterstofgas k Gelk p \ Je | ’ Joodpotassium k Ê j , fi „Sporen __Koolzuur mangaanprotoxyde » 3 k ' PR Org. zelfstandigheden à $ Ù oee BERIGTEN VAN VERSCHILLENDEN AARD, Aanteekeningen van de aardschuddingen, waargenono- men te Indramajoe in 18M1 , door S. L. P. D. Nrerce. Tijdstip Getal waarop de aard- schud- schuddingen heb- din- ben plaats gehad. gen. Datum. Nov. 16 {ff uur 45 minut. 1 Zware schok. NEA Bers EES A. Van dezen kan detijd niet wor-_ den opgegeven. Veel zwaarder dan de eerste. Seda Pe oe Mi Î Ligte schudding. GA so Me 5 nn 1 Dito, doch zwaarder. br een ET f Ligte schudding. RM ad) in 1 Ligte schudding. 5 51 6-u. 45 1 _ Idem. sf #30 Lin Î Zware schudding. Van 9 uur tot 5 uur hebben er verschei- dene schuddingen plaats ge- vonden, waaronder die ten 1,3 u. de zwaarste was. so SD Lin. 1 Ligte schudding. ‚pAn SND Jit. EDEN: Î Id. doch nog al van aanbelang. ss 5 vO raf 30 Tin 2 Schuddingen opeenvolgende. Datum. 929 13 u. 9 11 u. cees Reseseses Tijdstip waarop de aard- schud- schuddingen heb- din- hen plaats gehad. gen. 30 m. A5 m. 30 m. „30 am: 45 m. 30 m. 1230,m: ‚30 m. SOrm: „0 m. fonte. A04 m: Ber u. ’s middags ’s avonds 185 Getal de jn en nd ed jb dh 1 1 1 Î f 2 | 1 Î 1 2 | | 1 Ligte schudding. Id. vrij lang van duur. Ligte schudding. Schudding van aanbelang. Ligte schudding. Idem. Idem. Idem. Idem. Idem. Den ganschen nacht heeft men een aanhoudend onderaardsch gedruisch gehoord doch geene schokken gevoeld. Ligte schudding. Idem. Zwaardere schudding. Ligte schudding. Idem. Idem. Idem. Schudding van aanbelang. Ligte schudding. Schudding van aanbelang. Schuddingen. Ligte schudding. Idem. Ligte schudding o. en w. van redelijk aanbelang. 10 11 u. 30 m.’s morg. fÎ Schudding van p. m. 8 sekonden o. en w. van aanbelang. 48 Tijdstip Getal waarop de aard- schud- schuddingen heb- din- ben plaats gehad. gen. Datum. Bur 25. 9m. 130 ms 2 schokken van aanbelang, nog steeds met onderaardsch ge- druisch. Î bb DA 118 0: DO 1 Als boven een schok, zeer he- vig, met onderaardsch ge- druisch. Aardbeving te Kediri. Volgens de Javasche Courant van den 28Ssten Julij 1852 is te Kediri in den morgen van den 2den Julij 1852 eene aardbe- 4 ving waargenomen in de rigting van het zuidoosten, welke — echter geene schade van eenig belang heeft veroorzaakt. Kunstmatige bevruchting der Vanille te Buitenzorg. De heer F. D. J. van per Panr, adsistent bij het landbouw- — scheikundig laboratorium te Buitenzorg heeft, bij brief van den â Yden Julij 1852, der redaktie medegedeeld, dat het hem, na — een mikroskopisch onderzoek der bloem van Vanilla planifolia, — op het landgoed Pondokh Gedeh van den heer Mr. J. H. N GRAAF VAN DEN Boscu, den 2den Julij jl. gelukt is, daarmede Ä kunstmatige bevruchtingen daar te stellen, daar de vier bloe- il men, op genoemden dag geopend, reeds 7 dagen later peulen Ô hadden voortgebragt van een’ vinger lengte en een pink dikte. De heer Van per Pant deelt voorts nog mede, dat bij de bloem der vanille, de anthera aan de achterzijde van de bloem- kroon is vastgehecht en op den stamper sluit, waardoor de benedenwaarts gekeerde holle zijde van de anthera, waarin het „pollen is bevat onzigtbaar is; — dat de opening van het stigma door een klepje is gesloten en het stuifmeel daardoor verhin- 485 | derd wordt er op te vallen; — dat de oppervlakte van dit | 1 lepje kleiner is dan die der anthera en dat, bij het opligten _ van dit klepje, het helmknopje zich naar de opening van het - stigma buigt en bij eene ligte drukking het stuifmeel er op laat vallen ;— dat, wanneer de plaats bevrucht is, de bloem en het daaraan bevestigde vruchtbeginsel zich omkeert en dit ‘laatste na een drietal dagen in lengte en dikte toeneemt. De heer Van per Panr voegt er bij, dat hij nader zal aan- bieden eene naauwkeurige beschrijving van de groeiwijze der plant, der bevruchting enz. met bijvoeging van teekeningen. ‚Het is der redaktie bekend, dat de heer Terissmann te Buiten- zorg, reeds sedert geruimen tijd er in geslaagd is de vanille kunstmatig te bevruchten en dat door zijne zorg eene aanmer- _ kelijke en bloeijende aanplanting van vanille te Buitenzorg is _daargesteld. Omtrent de bijzonderheden der kunstmatige be- vruchtingen was men echter alhier tot nog toe in het onzekere. lets over de Gamlmerkultuur. ‚De gambier is een van die artikelen, welke zoowel voor den handel in Indië als voor de Europesche markt van groot ‘belang zijn. Vroeger werd geheel Indië van gambier uit den Riouwschen Archipel voorzien, doch thans voorziet het schier- eiland Malakka grootendeels of misschien geheel in de behoefte van de Buropesche markt en van het meerendeel der eilan- den, oostwaarts van Java gelegen. ( De gambierkultuur is op Java beproefd en schijnt goed te (slagen. De uitbreiding van die kultuur op Java zou gewis spoedig kunnen bijdragen tot verlevendiging van den handel van dit eiland met den Oostelijken Archipel. Wij vermeenen dus de aandacht te mogen vestigen op deze belangrijke kul- 1 ur, door mededeeling te doen van eenige opgaven betreffen de den bouw en de bereiding van den gambier, welke ons zijn 486 verschaft door den heer J.H. Warsernm, algemeenen ontvanger te Riouw. De gambierkultuur vereischt eenen zeer vruchtbaren grond en voor de bereiding wordt een hout- of boschgrond in de on- middellijke nabijheid gevorderd van ongeveer gelijke oppervlak- te als de bouwgrond. De gambier wordt gezaaid op beddingen van eenigzins voch- tige en zachte aarde, welke vooraf goed omgewerkt. moet worden. De beddingen worden luchtig gedekt met allang-allang of gedroogde klapperbladen, bij wijze van een dak, zoodat zij ook ‘voor de op- en ondergaande zon beschut zijn, tot dat de plant 4 à 5 duim is opgeschoten, wanneer zij overgeplant moet worden in het daartoe ontgonnen terrein. Hiertoe graaft men, op afstanden van 6 voet, vierkante gaten — van U, voet breed en diep, waarin de plant gezet wordt, welke men met 2 à 3 duim aarde bedekt, terwijl het overige onaangevuld wordt gelaten. Men maakt dan een dijkje van hout om de plant, ten einde deze te beveiligen tegen de stor- ting van aarde bij regens, tot dat zij f à {!, voet hoogte heeft. Alsdan moet de grond omgewerkt worden, zonder dat evenwel de plant mest behoeft. De uitschietende takjes moet men ombuigen om de uitspruitsels te vermeerderen. Wanneer goede gronden gebezigd worden, kunnen de bladen binnen 12 of 14 maanden gesneden worden. De inzameling der bladen geschiedt des morgens zeer vroeg en men bezigt hiertoe een snoeimesje van de gedaante _ van een chineesch scheermes; de uitschietende takjes worden afgesnoeid, in manden verzameld en naar de kokerij gebragt, | waar de bladen worden afgestroopt in eenen ijzeren pan van ongeveer Á voet middellijn. De bladen worden met zeer zuiver water afgekookt tot dat het sap er geheel uitgetrokken is. De uitgekookte bladen wor- de er dan uitgehaald en het vocht laat men tot de vereischte dikte inkoken, waarna het in vierkante houten bakjes wordt 487 __ gestort om te stollen. Zonder deskundigen zal eene gambier- (3 plantaadje niet ligt slagen. Eene goede plantaadje kan het geheele jaar door genoegzame __ hoeveelheid bladen opleveren voor het gambierkoken. Eene uitgestrektheid zeer vruchtbaren grond van 900 vade- men in het vierkant (45 bouw), of, wanneer de grond min- __der vruchtbaar is, van 500 vademen in het vierkant, levert dagelijks 60 à 70 katties gambier op. Men berekent 4 à 5000 Amsterd. pond goed zwaar brandhout per pikol gambier te behoeven. Elk kooksel levert 35 katties gambier en men kookt tweemaal daags. Te Riouw zijn voor zulk eene plantaadje benoodigd: één koker, drie koelies om bladen en hout aan te brengen en afte stroopen of te kloven en twee koelies voor het wieden en schoonhouden van den grond, doch deze ver- dienen allen een hoog loon. H. D. A. Sxrs. De Lagam-olie van Sumatra. De civiele en militaire kommandant ter Sumatra's Westkust, de kolonel Van Swieten, heeft, naar aanleiding van hetgeen in den 3den jaargang pg. 332 van het Tijdschrift van Neêrl. Indië omtrent het voorkomen der Lagamolie vermeld is, namelijk dat door den natuurkundige Horner op het eiland Pingie, eene soort _ van vloeibare hars gevonden werd, minjak lagam genaamd, welke in alle zijne hoedanigheden met den Amerikaanschen kopaiva-balsem overeenkomt en uit de ingekapte stammen van eene groote boomsoort in aanmerkelijke hoeveelheid uitvloeit, den adsistent resident van Ajerbangies en Rau, den heer VAN per Vinne opgedragen, eene kleine hoeveelheid dezer olie 4 te vergaderen, ten einde ze aan een nader onderzoek konde | onderworpen worden, om daaruit te ervaren, of zij van nut voor de geneeskunde zoude kunnen zijn. 488 In December 1851 is door den heer Van per Vinne een fleschje dezer lagamolie verzameld en verzonden, met opgave dat de lagamboom op de Batoe-eilanden, op het eiland Pingie, aan den vasten wal te Ajerbangies en langs de rivier bij Moeara Keawe groeit; voorts, dat deze boomsoort nooit in grooten getale vereenigd voorkomt, maar hier en daar in de bosschen enkele boomen daarvan gezocht moeten worden. Het onderzoek dezer olie, dat mij in Januarij 1852 werd opgedragen, heeft de volgende uitkomsten opgeleverd. De lagamolie is vuilwit van kleur, van talkachtige konsis- tentie, smelt bij verwarming onder ontwikkeling van water en aetherische olie-dampen, welker reuk veel overeenkomst heeft met dien van een weinig terpentijnolie bevattenden kopaiva bal- sem. Zij kookt bij vermeerderde verwarming, ontvlamt en brandt met eene heldere sterk licht en roet gevende vlam, Jaat eindelijk eene zeer geringe hoeveelheid, gemakkelijk te verbranden, kool achter, die slechts sporen van eene witte eenigzins graauwachtige asch bevat. De smaak der iagamolie is verkoelend, etherisch, eenigzins kopaivaächtig en laat een scherp gevoel in den mond achter. Aan de lucht in lagen van omtrent een millimeter dikte op glazen platen blootgesteld, droogt de lagamolie allengskens, doch langzaam. Na verloop van 8 dagen was slechts hare oppervlakte geheel droog. Met water gekookt, ontwikkelt de lagamolie met etherische oliedampen bezwangerde water- dampen. Zij nam wel het tienvoudige aan omvang toe, kreeg eerst eene harde boterachtige konsistentie van zuiver witte kleur, werd allengskens hard, stijf en minder homogeen. Het water reageerde nu zwak zuur, had echter slechts sporen er van opgelost, want eene kleine hoeveelheid ín een’ platinalepel verdampt, gaf sporen van een residuum, hetwelk , na het bran- den, een naauwelijks zigtbaar spoor van asch achterliet. Her- haaldelijk met water gekookt tot de dampen naauwelijks nog reuk bezitten, wordt de lagamolie taai, vermindert wederom van omvang en na verdamping van al het water, blijft eene schoone hars achter, die de volgende eigenschappen bezit. _ f 5 HK, EN : } k ä x Vn EERE 489 | _ Deze hars, tot omtrent 60 ten honderd in de lagamolie be- vat, is doorschijnend, van gele lichtbruinachtige kleur, hard, broos, van onregelmatige breuk, laat zich gemakkelijk tot een witachtig, eenigzins zamenhangend poeder wrijven, bezit Mec eenigzins den reuk der lagamolie, en smelt en verbrandt bij vermeerderde hitte, zooals reeds is aangehaald. In water is ze onoplosbaar. In 4 tot 6 deelen kouden alko- hol van 95% lost ze zich op, blijvende slechts eene zeer gerin- ge hoeveelheid niet tot de hars behoorende stof, onopgelost. Deze oplossing is helder, van eenen eenigzins geelachtigen tint, Ee. zonder reaktie op lakmoespapier. In de kookhitte reageert k zij echter zwak zuur. De geringe hoeveelheid onopgelost ge- blevene stof bleef onoplosbaar in kokenden alkohol. Met wa- ter verdund , scheidde zich uit deze oplossing de hars in eenen witten poederachtigen vorm af. De oplossing is kleverig. Eene gepolijste metaalvlakte, daarmede overgoten, was na het opdroogen met een wit, dof, meer of min vast hechtend be- \ kleedsel bedekt. E In gezuiverde terpentijnolie is de tot poeder gewrevene hars gemakkelijk tot op eene zeer geringe hoeveelheid na oplosbaar. _Na verwarming is deze oplossing zeer kleverig, lichtbruinach- "tig geel van kleur en bezit alle eigenschappen van een zeer goed en bruikbaar vernis, hetwelk , op de markt bekend 4 inde, een gezocht handelsartikel zou zijn. Ik heb daarmede shout- en lederwerk en gepolijste metaalvlakten overtrokken, het vernis na verloop van 24 uren bijna geheel opgedroogd bevonden, hetwelk bij andere soortgelijke vernissen gewoon- dijk eenen veel langeren tijd vereischt. Het zoude belangrijk zijn, daaromtrent proeven meer in het groot te nemen. _ In vette olie is de hars oplosbaar. Deze oplossing biedt echter geene bijzonderheden aan. Zij kan slechts tot genees- “kundige doeleinden in aanmerking komen. Overigens is deze hars zeer geschikt om in de geneeskunde het kolophonium te _ vervangen, wanneer het gemakkelijk en niet al te midi __ mogt verkrijgbaar zijn. De etherische oliedampen, die gedurende het koken der 490 lagamolie met water, met den waterdamp zich ontwikkelen, behoorlijk opgevangen en van het water gescheiden zijnde, vormden eene olie, van eene eenigzins dikke olieachtige kon- ‘sistentie met eenen zwak geelachtigen tint. Haar soortelijk gewigt is 0,94; hare reuk kopaivaächtig, hare smaak eerst kopaivaächtig, daarna verkoelend, onaangenaam bitter. In gelijke deelen watervrijen alkohol is zij oplosbaar. Be- vat de alkohol eenig water, dan wordt er meer daartoe ver- eischt. Bij zachte warmte vervlugtigt de olie geheel. Bij ver- meerderde hitte ontvlamt zij en brandt met eene heldere roet gevende vlam. Door herhaalde destillatie met water is deze olie misschien waterhelder te verkrijgen. Zij is tot 24 ten honderd in de lagamolie bevat en zal slechts tof geneeskun- dige doeleinden kunnen worden aangewend. Of zij den kopaï- vabalsem kan vervangen, is mogelijk, doch blijft aan de be- slissing van deskundigen overgelaten (f). Weltevreden 4 Maart 1852. P. J. Marren. Visschen van Solor. De heer Van Srockum, officier vau gezondheid 2de kl. bij de koninklijke marine, heeft de welwillendheid gehad mij _ eenige naturaliën van Solor aan te bieden. Hierbij bevinden zich 3 vischsoorten, verzameld te Katottoe, t. w. Balistes con-_ spicillum Bl. Schn., Ostracion cornutus L. en Ostracion rhino- rhijnchos Blkr. In een vroeger berigt (Nat. Tijdschr. N. Ind. IH. p. 947) heb ik reeds 7 Solorsche vischsoorten vermeld, t. w. Serranus marginalis CV., Caesio coerulaureus Lacép., Chaeto- don vittatus Bl. Schn., Chaetodon unimaculatus Bl., Chaetodon ik (1) Indien ik mij niets vergis, is reeds eenige jaren geleden eene soort — van lagamolie door de heer J. C. A. DrepericuHs onderzocht en door hem op de belangrijkheid daarvan opmerkzaam gemaakt. Deze soort van olie had de konsistentie van den kopaivabalsem en was, geloof ik, te Ben- koelen vergaderd. 491 virescens CV., Acanthurus scopas CV. en Glyphisodon melas K. v. H., zoodat thans Î0 vischspecies van Solor bekend zijn. BLEEKER. Tentoonstelling te Batavia, te houden in 1855. Ten vervolge op het verslag, voorkomende op pag. 9öl van ‚ dezen jaargang, deelen wij thans mede, dat door den resident van Samarang, daar ter plaatse, een kommittee is te zamenge- bragt, doch dat, in weerwil der goede pogingen door de leden van dat kommittee aangewend, aldaar niet veel belangstelling ia deze onderneming betoond wordt. Wij mogen ons evenwel verheugen dat in vele andere ge- westen groote belangstelling aan den dag wordt gelegd, waar- van de aanzienlijke inschrijvingen, welke onlangs zijn ingeko- men, getuigen. | Toen het voorgaande nummer van dit tijdschrift in het licht verscheen , waren bekend: inschrijvingen tot een bedrag van …. …. . … …. f 11603. — sedert zijn ontvangen inteekeningslijsten van OE EL ANNEE el tj AL 2OS Samarang .»„ 667. — Soerabaja (1) stad en voorsteden f 1961. — afdeeling Madura . „ 669, — afdeeling Soemanap en Pamakassan . „ 659. — afdeeling Grissee …. „ 398.50 afdeeling Modjokerto „ 15. — | f 3702. 50 „ 3702. 50 rn TI REET NAMEN 5 EE aes ete age fis oden Totaal f 18792. — (1) Van Soerabaja worden nog eenige lijsten te gemoet gezien. (2) Ook te Batavia cirkuleren nog eenige lijsten; tot dusverre is hier ingeschreven voor f 7656.50. 492 Z. H. de sulthan van Soemanap, de rijksgrooten en regen- ten van Madoera, alsmede de regenten en inlandsehe hoofden in de residentie Cheribon hebben door ruime inteekening be= wijzen gegeven van groote belangstelling in de tentoonstelling. Het is ons ook eene aangename taak te vermelden, dat door de leden van de Vereeniging Musis te Batavia nog is aangeboden eene som van f 240, afgescheiden van de persoonlijke inschrij- vingen van die heeren. In eene algemeene vergadering, gehouden den f5öden Julij, is besloten: om gevolg te geven aan het voornemen om de tentoonstelling in September 1853 tot stand te brengen, waar- van openlijke mededeeling is gedaan in de Javasche couranten van 21 en 24 Julij. De inning van de gelden, te Batavia ingeschreven, is opge- dragen aan den sekretaris der kommissie voor de tentoonstel- ling, den heer Surrs, terwijl de gouverneurs ‘en residenten van de overige gewesten, en de kommitees te Soerabaja en Samarang zijn uitgenoodigd om elders de gelden te willen doen ontvangen en die onder hunne berusting te houden tot nadere beschikking. Wijders is besloten, om al de reeds ingeschreven en nog in te schrijven gelden aan te wenden tot het doen vervaardigen van belangrijke voorwerpen van inlandsche nijverheid , welke niet dan door dadelijken aankoop voor de tentoonstelling ver- kregen kunnen worden. De verzameling van voorwerpen, welke aldus zal worden vergaderd, is men voornemens, na expositie te Batavia, ter beschikking te stellen van het gouvernement, ten einde die goederen ook in Nederland te kunnen doen tentoonstellen op eene expositie van Indische voorwerpen, welke zijne excel- lentie de minister van koloniën in Nederland wenscht te zien tot stand gebragt. De verschillende gouverneurs, de residenten en de kom- mittees te Soerabaja en Samarang zijn uitgenoodigd om, zoo- veel mogelijk , te willen mededeelen, welke voorwerpen voor de tentoonstelling zouden kunnen verkregen worden door vrij- a 495 willige inzending ;— welke belangrijke voorwerpen van inland- _ sche nijverheid opzettelijk voor de tentoonstelling zouden moeten _ worden vervaardigd en niet dan door dadelijken aankoop verkre- gen kunnen worden; — alsmede eene raming van de uitgaven , _ welke gevorderd worden voor den aankoop van die voorwerpen. __Door den heer C. T. Deereman, ingenieur van den water- k staat, is het projekt aangeboden voor een gebouw voor de ten- _ toonstelling. Het programma voor de tentoonstelling wordt nu opgemaakt, f en zal gepubliceerd worden, nadat het zal zijn aangenomen _ door de algemeene kommissie. _ ZLevensherigt van Mr. D. W. J. CG. Baron van Lunpen. De Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië heeft een gevoelig verlies geleden in het haar ontvallen van Mr. D. vd W. J. C. Baron van Lunpen, die in nog jeugdigen leeftijd te id Timor koepang overleden is. | Dirk Wourer Jacop Caren BARON vAN LinpeN werd geboren \ te Wageningen den 23sten December 1818. Zijne ouders waren d Jan CareL Ermas Graar van LINDEN en ANTOINETTa Jacona Mar- 4 GARETHA BARONES VAN Papsr TOT BINGERDEN. Na zijne studiën j aan de Leidsche hoogeschool volbragt te hebben en aldaar in ‚de regten te zijn gepromoveerd, kwam hij in November 1841 f in Nederlandsch Indië, als ambtenaar der Íste klasse. In Janua- rij 1842 werd hij ter beschikking gesteld van den algemeenen sekretaris van de Indische regering en in April 1843 benoemd tot hoofdkommies ter algemeene sekretarie. Spoedig daarna, in b4 Julij 1845, werd hij bevorderd tot referendaris en in Junij 1846 tot adsistent resident van Pontianak, van welke betrek- E king hij in Januarij 1848 ontheven werd, ten einde de rege- _ ring van hem tijdelijk gebruik zou kunnen maken bij de invoering __ der nieuwe regterlijke organisatie in Nederlandsch Indië. Kort 49A daarna werd hij benoemd tot lid ín den raad van justitie te Bata- via. In Oktober 1848 volgde zijne benoeming tot resident van Timor, in welke belangrijke betrekking hij den 22sten Mei 1852, in 33jarigen leeftijd, overleed. Deze korte maar schoone loopbaan had Van Lijnpen te dan- ken aan zijne buitengewone bekwaamheden, welke de regering dezer gewesten wist op prijs te stellen. Zoo afwisselende en belangrijke werkkringen hebben Van LunpeN weinig tijd gela- ten om veel aan den tempel der wetenschap te bouwen, maar toch heeft de wetenschap aan zijnen ijver en kennis twee be- langrijke verslagen te danken over het Stroomgebied der Ka- poeas en over de groep om Timor gelegene en tot de residen- tie Timor behoorende eilanden , beide welke stukken zijn op- genomen in dit Tijdschrift en kunnen getuigen van de kennis en waarnemingsgeest van den schrijver. Maar veel heeft nog Van Lijnpen voor de wetenschap gedaan door de bescherming en ondersteuning , waarmede hij natuurkundige reizigers heeft vereerd en waaraan menige botanische ontdekking is te dan- ken. De heer Zoirincer, de ijverige plantenkundige, die zoo- veel tot de kennis van Java, Sumatra, Bali, Lombokh en Soembawa heeft toegebragt, heeft vroeger reeds hulde gebragt aan dien ijver en zucht van Van LinpenN voor de wetenschap- pen, door een nieuw geslacht van Memecyleae naar hem te noemen (1). (1) Zyndenia laurina Zoll, Mor., beschreven in, Systematisches Verzeich- niss der von H. ZorLINGER in den Jahren 1842— 1844 auf Java gesam- melten Pflanzen, nebst einer kurzen Beschreibung der neuen Gattungen uud Arten von A. Morrrzi, Solothurn 1845—1846, 8° p. 10; en daaruit in het Natuur- en Geneeskundig Archief voor Nederlandsch Indië, Jaarg. IV, 1847 p. 27. 495 Personaliën. Vertrokken. Gewone leden. _ 0. F. W. J. Hucvenin, van Batavia naar Sumatra’s Westkust (in zending). _ Dr. 0. G. J. Mornike , van Batavia naar Sambas (overgeplaatst). __ P. Jakres, naar Nederland (tot herstel van gezondheid). _ Dr. F. C. Scumrrr, van Batavia naar Poerworedjo (overgeplaatst). __H. von Dewarr, na tijdelijk verblijf te Batavia, naar Borneo’s Oostkust (in kommissie) C. F. A. ScHreIDeR, van Batavia naar Palembang (Lahat). 4 V. Baron van TorsrL VAN SEROOSKERKEN, naar Nederland. „Geschenken aan de Vereenigung. Naturaliën. 1. Een kistje met tinerts van Soengieliat (Banka), aangeboden door den heer J. H. Croockewir Hz. 2. Een kistje met kopererts van Sumatra, aangeboden door den heer W.H. Sur, officier van gezondheid 14ste kl. bij Zr. Ms. zeemagt. 3. Een bamboezen koker, inhoudende eenige lood- en koperertsen van Sumatra’s Westkust (aangeboden door den heer H. W. Scuwaren- rerD, lid der vereeniging). Boek werken. Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Weten- schappen Dl. XXIV 1852, 4°. (van het genootschap). Verhandeling over scheikundige metaalverbindingen , door J. H. Crooc- _ kewir Hz. (van den schrijver). Der elektromagnetische Telegraph in den einzelnen Stadiën seiner Ent- wieklung und in seiner Ausbildung und Anwendung, nebst einer Einleitung über die optische uad akustisehe Telegraphie und einem Anhange über die elektrischen Uhren; bearbeitet von H. Scuerren; Braunschweig, 1850 8° (aangeboden door den heer J. H. Croocke- wir Hz.) 496 „ Biang Lala, Indisch Leeskabinet tot aangenaam en gezellig onderhoud, onder redaktie van W.L. Rrrrer en L. J. A. Torrens. Jaarg. L. 1852. Aflev. 3 (van de redaktie). The Journal of the Indian Archipelago and Eastern Asia, edited bij J. R. Loean, vol. VI, aflev. April 1852 (van de redaktie). 3 Bijdrage tot de kennis der Blootkakige visschen van den Indischen Ar- _— chipel, door P. Breeker, Batavia 1851 4° (van den schrijver). Bijdrage tot de kennis der Snoekachtige visschen van den Indischen Ár- chipel, door P. Brreken, Batavia 1851 4, (van den schrijver). Géologie appliquée ou traité de la recherche et de l'exploitation des mi- néraux utiles, par A. Bunar 2° édit. Paris 1846 8, (aangeboden door den heer J. G. X. Broekmeisen, lid der vereeniging). ENMOUD. Aftevereng IV &_NV. Bladz. J. H. Crooekrwir Hz., Uittreksel van het rapport eener reis over het eiland Billiton. é . 355 4 P. Brereker, Zesde bijdrage tot de kennis der ichthyolo- | gische fauna van Borneo. Visschen van Pamangkat, Ban- djermassing, Praboekarta en Sampit. î . 407 P. Breeker, Bijdrage tot de kennis der OER eere fauna van het eiland Banka. … ; . AAS P. J. Maren, Scheikundig onderzoek van eenige op Java voorkomende minerale wateren. De Arragonietheuvels van Koeripan en hunne mine- _ rale wateren. . 461 Warme minerale bron, gelegen op de ordende van Lembang en Djamboedwipa, residentie Prean- ger-regentschappen. À . Al P. J. Marer, Scheikundig onderzoek van twee minerale wateren van Japan. a. De minerale bron Oeresino. . EK . 417 b. De minerale bron Takiwo. Ë ‚480 Berigten van verschillenden aard: Aanteekeningen van de aardschuddingen waargenomen te ta Indramajoe in 1847, door S. L. P. D. Niepcr. . 482 _ Aardbeving te Kediri, waargenomen den 2den Julij 1852. 484 _ Kunstmatige bevruchting der Vanille te Buitenzorg, door F. D. J. van per Pant. $ 8 REL ‚484 De Lagam- olie \ van nst door P. 5 Visschen van Solor, door P. Brrrken. net bj Tentoonstelling te Batavia: ‚te houden in 1E 3 Levensberigt van D. W. dere BARON VAN Lusoex Personaliën. Pa: 4 en Ee L Geschenken aan de Natuurkundige Vereeniging in_N landsch Indië, REEN EEN 2 ' EN E r * hd 4 « IJ IÀ * $ Pr, à bb á n e! ir po, „tired pn | k St, k, 4 4 " > ie sf € ke : 8 ’ 4 . Ee CHEERS oid IDE end Pr 10 He Ì ter pn 6% zeten Hir | « « het e pa _ % wek’ BT EEEN doo ns ulo il afs po LEN . - j p Én k ‚ EE, fd ik ie / r í 2 n n : IJ d t eh * d ak N ape » Ad ke 5 1 SE, Pe diit LJ} x pn ) EF KN ' eN é ran het hd -el ol zb nà 3 A p d eis zig " ps pe de Pee | ij | N | NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT AA Kk VOOR EDERLAND SCH INDIE, | Aden see UITGEGEVEN DOOR ALamafra l À SIJ | 0D ZN Aas ge si As | DE NATUURKUNDIGE VEREENIGING | KE: NEDERLANDSCH INDIE. DERDE JAARGANG. Aflevering VE. BATAVIA, LANGE & C@, 1852. RE at kei k 5 _ B A0 AR At 4 Rb 2 _ OVER HET WATERGEHALTE IN VERSCHILLENDE LUCHT- DROOGE KOFFIJSOORTEN EN DE DAARVAN AFHANGENDE HOEDANIGHEDEN. DOOR en U nn nd k Dr. P. F. KH. FROMBERG. \ 4 lj Tot dit onderzoek, is ter mijner beschikking gesteld ge- __ worden een aantal koffijsoorten van Java, welkeik vooraf kor- telijk zal beschrijven. í De AA ES 8 © panel Beer dev keen sE 5 | Beschrijving der koffij, zooals die was Namen der plaatsen. Ss a® . den bp er bij de ontvangst. Sens feb) apie) voeten Ig 1. Pelmolen te Sisir. 2700 | Ontvangen September 1850. — Graauw- Ae) groen, ongevlekt, vrij gelijk van HZ grootte. _ |II. Pakhuis te Sisir W.| — Ontvangen als boven. — Lichtgroen- AS Ind. bereiding, van de achtig geel; meerendeels groote boo- d | bevolking. nen. den III. Idem gewone be-|f — Ontvangen als boven. — Vuilgeel, mee- Ja reidingswijze. rendeels groote boonen. IV. Genting. 2500 [-Ontvangen 23 December 1851—Gelijk- matig graauwgroen, ongevlekt, on- gelijk van grootte; de meeste boonen 4 ; middelmatig. ‚© |V. Tjigoegoer. 2000 | Ontvangen als boven.— Een deel der ej El boonen graauwgroen, een ander lichter, S tot geelachtig groen, sommige met fas) lichte vlekken, zeer ongelijk van _W grootte. > f VL. Tjiroke. 1700 f Ontvangen als boven. — Alle boonen gevlekt, meestal donker graauw-groen, deels lichter tot vuilwit, de meeste middelmatig, deels zeer groot. BY gte boven de oppervlak- te der zee Beschrijving der koffij, zooals die was E Namen der plaatsen. bij de ontvangst. < Hoo eo) ® ct D | gevlekt, meer licht dan donker ge- kleurd; de meeste graauw-groenach- tig wit; meerendeels kleine boonen, de grootste middelmatig. VII. Baijoening. 2200 | Ontvangen als boven. — Meest alle de boonen gevlekt; de graauw-groene kleur overwegende; zeer ongelijk van grootte. IX. Tjiwalen. 2700 { Ontvangen als boven. — Bij uitstek ge- vlekt, vele meerendeels lichtgroen graauw met enkele donkere vlekken; zeer ongelijk van grootte. X. Soekasahari. 2000 | Ontvangen als boven. — Zeer weinig gevlekt; de meeste graauwachtig groen, watlicht, enkele graauwgeel, de meeste middelmatig, sommige zeer groot, XI. Mandirantjan. 1009 | Ontvangen als boven. — De lichtste van allen; grondkleur vuilgeel, met allerlei nuancen van grijs en graauw- groen op dezelfde boon; zeer ongelijk van grootte. Ee Malejbar. 3500 | Ontvangen 6 Januarij 1852. — De ach- | : Lingadjati. 1500 | Ontvangen als boven. — Alle boonen Ca Re B. ON: terkant der boonen vrij gelijkmatig graauw-groen, de voorkant met graauwgele vlekken; een mengsel van kleine en middelmatige boonen. XII. Pengilingan. 4400 | Ontvangen als boven. — Minder gevlekt, meer bruinachtig van tint, meer on- gelijk van grootte. XIV. Lembang. 3880 | Ontvangen als boven. — Zeer gelijk van kleur, ongevlekt, donkerder dan de beide vorige, bruinachtig van tint; vrij gelijk van grootte. XV. Tjiseroepan. 3770 | Ontvangen als boven. — Meer gevlekt dan die van Malejbar; kleur ongeveer als die van Pengilingan, maar ongelijk bij verschillende boonen; zeer ongelijk van grootte, PREANGER-REGENTSCHAPPEN., Vergeleken met de koffij van Sisir, zijn deze vier soorten (Preanger) bijna blaauw-grijs te noemen, en iets donkerder van kleur. 498 Graad van droogte. ___Het watergehalte werd bepaald, kort na de ontvangst der koffij, en tevens op nieuw dat der drie soorten uit Malang, om _ te weten of het bestendig was gebleven. it De drooging geschiedde bij 106® C.; maar tot op 1209 C. r verliest de koffij nog eenig vocht. | De uitkomsten zijn als volgt: Watergehalte bij de ontvangst. - eos Van den pelmolen te Sisir. O1 dl d ‚… de bevolking W. LL. haak Bane at ik gewone bereiding. 14,7 „ ae N= Gemiddeld dezer twee 14,1o/, R Van Genting. 13,1% Ec „ Tjigoegoer. 13515 © … Tjiroke. 14,5 „ ie ‚‚ Lingadjatí. ’ | 14,5 „ jn ‚ _ Baijoening. 14,6 „ ee „ Tjiwalen. 16,1 „ 6 „ Soekasahari. LAD, RE \ _, Mandirantjan. Pats 4 | Gemiddeld _ 14,5% _=( Van Malejbar. 16,6°/, &) „ Pengilingan. ; 16,4 5 ‚… Lembang. _ 144, EC Tjiseroepan. eve Gemiddeld 15,8% ie Daaruit blijkt: | de. Dat de koffij uit de Preanger-Regentschappen het meeste ki water bevatte; dat die van Cheribon ongeveer gelijk staat met de twee soorten uit Malang, door de bevolking bereid, en dat die van den pelmolen te Sisir een derde minder wa- | ter bevat dan de laatstgenoemde. 9e, Dat die van Sisir 2 proc. water meer inhield, dan voor onge- {veer zeven maanden, door het van tijd tot tijd kortstondig openen der flesch. Hieruit kreeg ik aanleiding, om te onderzoeken , welken in- 500 vloed het klimaat der plaats, waar de koffij bewaard wordt, op haar watergehalte heeft, onafhankelijk van het oorspron- kelijke. De uitkomsten zijn als volgt: é Watergehalte op den 2á4sten _Watergehalte op den Sden Januarúy 1852. Maart 1852. Bevolking W. I. 15,5, ‚‚ gew. bereiding 14,9 „, Gemidd. der twee 14,2/, Boonen. 5 (colin teSisir 8,8, CS Groote Kleine S Van Genting 16,2°/, 15,6°, 14355 je ‚‚ Tjigoegoer. 16,1 „ 16,3 ,, 135% © | „ Tjiroke 16,1 „ 16,0, 15,9 7 hs dingadiati al67:: bk 5 ) » Baijoening TOE „0 100 sl „ Tjiwalen 16,8, 16,5, E (Malejbar 16,7°/, U | , Soekasahari 16,7, 16,7, 5 | Lembans 15,4, ‚ Mandirantjan 16,3 ,, 16,2, 5 Tjiseroepan 16,4 ,, == Gemiddeld 16,5%, 16,3 Gemiddeld 16,2, Zij toonen aan: Îe. Dat hier reeds na 22 dagen, enkel door het nu en dan openen der flesschen, bij al de soorten eene vermeerdering van watergehalte had plaats gehad, — en wel onafhankelijk van den oorspronkelijken graad van droogte, tot een bijna gelijk bedrag. Wat hieraan nog ontbreekt, is alleen een gevolg van het korte tijdsverloop tusschen de eerste en tweede waterbepaling. In- derdaad, schijnen de aanvankelijk droogere soorten minder vocht aangetrokken te hebben, dan de minder drooge, gelijk voor- al blijkt door de koffij van Sisir. Van deze deed ik den Sden Maart op nieuw eene waterbe- paling, en vond toen (bij 100°/, GC. graden gedroogd) 8,8%, dus 0,3%, minder dan twee maanden vroeger. 2e. Dat het watergehalte op dezelfde plaats, bij minder regen- achtige dagen, weder kan afnemen, het meest bij de aan- vankelijk droogere soorten. Doch hierin maakt de Preanger-koffij eene uitzondering; 3e. Dat er geen verschil in watergehalte bij kleine en groote boonen gevonden wordt, of althans spoedig verdwijnt. 501 Er is, naar deze uitkomsten, wel niet te twijfelen aan den _ invloed van het klimaat op het watergehalte der koffij, mis- schien zoo wel bij de oorspronkelijke drooging, als bij de E latere opschuring. Die invloed is echter voor het eerste geval ë van grooter gewigt. k Is op de plaats der bereiding de hoogte der temperatuur on- _ afgebroken en duurzaam genoeg, de lucht langen tijd hel- id der, dan ondergaat de koffij met de sterkere drooging, eene d inkrimping, die het later opnemen van water in de pakhuizen ij vertraagt. E De goede uitwerking daarvan op andere eigenschappen der Á koffij zal straks nader worden aangetoond. Daar de acht pelmolens in Cheribon, waarvan de onder _zochte koffij afkomstig is, allen op veel geringere hoogte liggen, __ dan de vier van de Preanger-Regentschappen, is de gemiddel- ‚de temperatuur er hooger. Van daar dat het watergehalte dezer b Cheribonsche koffij iets minder is. | À Ik heb gepoogd te bepalen, hoeveel water de verschillende Ü koffijsoorten in zekeren tijd kunnen opnemen, bij ruimen toe- Ee gang der lucht onder ligte bedekking, met het doel om te we- eten, of ook dan het oorspronkelijke verschil in watergehalte 4 der koffij van verschillende hoogte herkenbaar blijft. ____De uitkomsten zijn als volgt: En rade { ZST jen) ES ebk em enne Se 2E 5 slo ® ES 5 mn © ® vlo 0 Le en > T ES | s> e IC > a ee sE . = 5 D re) GB) Sa Ee fab) Namen der Koffijsoorten. SEA rp a es | © En) Sja SG on 2 5 vp POD 55 = © 2 a Sheng SES el Ie Banes ken eee Eeen Sisi. 9,1%, [90,99, k 14,8°/ [22,1% if Malang ‚W.L 13,5 E) 86,5 » 9,5 9 22,4 ’ k 3 gewone. tE ON 150 0 AZ Ao POR Pr __Tjiseroepan. DI Td Or ee Li Malejbar. 16,6 , 83,4 „ 6,5 ’ 22,9 ’ __Lembang. 14,4, 185,6, 9,1, 122,9, _ Tjiroke. 4 ZORG IO 1290 NAD Mi 6 DERDE 2e DA Genting. tad N00 Potes __ Tjiwalen. \ LOE IN Ts ba Gemiddeld 22,4e/, 502 Daaruit is af te leiden, dat bij blootstelling der koffij aan de ruime inwerking der dampkrivgslucht, in een besloten gebouw, de oorspronkelijke verschillen in het watergehalte geringer wor-_ den. Vooral blijkt dit uit de koffij van Sisir, die in negen dagen geheel gelijk is gekomen aan het gemiddelde der Che- ribonsche, zoo dat het verschil van 33% geheel verdwenen is. Daarbij wordt dan een maximum bereikt, verre boven het geen de koffij op dezelfde plaats, doch in massa’s bijeenge- pakt, kan opnemen. De in verschillenden graad slechte uitwerkselen van deze ongehinderde wateropneming zullen straks nader worden aan- gewezen. Bij langere blootstelling aan de lucht, verloren zij allen aan gewigt, dat is aan water, blijkens de ondervolgende op- gave. Hoeveelheid water , door langere blootstelling aan de lucht behouden. om. |Z oom {5 „nr IES ele Lal n Namen. PS Ie "El LAas IS vo ESE SE | Ege e Tess | Ag Efe = MEETELT PEET NE TAL EE TED LD Sisir. 9,7400 gr. 9,4910 gr. 2,56%, Malang W. I. 8,170% „0,399, | 8,0604 „|1,34,, „ _ gewone. 7.8750 …„… f0:64,, f- 7740 ETOS Tjiseroepan. 10,4229 „ 10,2440 „11,74, Malejbar. 8,1950 „ [0,49 , | 8,0260 „ [2,06 Lembang. 16,1590. … 10,56 | GOMMERS Tjiroke. 9,140 „ 970T0 ETL OEN Genting. 9,7720 „10,29, | 9,5460 „12,40 „ Tjiwalen. 9,5900 „10,59 | 9,3900R 120 R _Den den dag, op de vorige bladz. als eindterm opgegeven , _ viel op den Î3den Februarij. Moeijelijk is het, juiste rekenschap te geven van de oorzaak if # Á À d 505 waardoor èn de aanvang èn de hoeveelheid van het latere vocht- verlies zoo verschillend was bij deze 9 koffijsoorten. Zij on- dergingen toch allen gelyktydig en op dezelfde plaats den in- vloed der lucht. Ongetwijfeld staat het in verband met den gang der schimmelvorming. Van hoeveel belang eene goede, digte afpakking is, onmid- dellijk na de drooging, om het weder opnemen van water te belemmeren, bleek mij uit de koffij van Sisir. Deze had, in eene blikken bus alhier bewaard, na 16 maanden, slechts een __watergehalte van f9,7/, bereikt. Digte afpakking in balen, of nog beter in vaten, is eene toe- ‚ nadering tot het sluiten in eene blikken bus, en de vertraging in het wateropnemen wordt er dus evenzeer bij nadering door bewerkt. Het kwam mij voor, dat, hetzij ten gevolge van den oor- ‚ spronkelijken droogingsgraad, of wel van de plaats van af- komst, bij deze koffijsoorten een verschil in de vastheid van struktuur moest bestaan, dat de latere wateropmeming eenigzins bepaalde. Om dit te ontdekken, heb ik de volgende soorten, na op 100° C. gedroogd te zijn, gelijktijdig van af den 20sten Januarij, onder ligte bedekking aan den invloed der lucht blootgesteld, en in achtereenvolgende perioden de wateropneming door het gewigt bepaald. Ik zal hieronder slechts de uitkomsten voor de laatste peri- oden opgeven. Vermeerdering van watergehalte na drooging by 100° C. na 18 dagen (20 Januarú tot 7 February). Namen. Watergehalte in 100 deelen koffij. Sisir. iN BA > _ gewone. 20,8 „ Lembang. 20,8 „, Tjiseroepan. 20,6 „ 504 Namen. Watergehalte in {00 deelen kofij. Malejbar. Hs He Pengilingan. 20,6 „ Soekasahari. 25,05 Tjiwalen. kij fi HE Genting. 20,5 Tjigoegoer. 18,9 „ Tjiroke. 16,6 „ Mandirantjan. Mk Baijoening. 20,1 „ Gemiddeld. 201 Zij toonen, onvolledig als zij zijn, aan: Îe. Dat, zelfs na een veel langer tijdsverloop, onder overigens dezelfde omstandigheden, een geringer maximum van wa- terdeelen was aangetrokken, dan voordat de koffij bij 100e C. gedroogd, dat is, bijna watervrij gemaakt was. Zie hiervoren bladz. 501. Bij de laatste was, na negen dagen, het gemiddelde gehalte 22,40/,; bij dezelfde soorten op 100, C. gedroogd, na achttien da- gen slechts 20,1. De wateropneming was hier tevens veel trager geschied. Je. Dat bij de vier Preanger soorten een bijna gelijk waterge- halte bereikt was. De uiteenloopende cijfers bij de Cheribonsche soorten schij- nen niet enkel in verband te staan met haar verschillend voorkomen. In de tweede afdeeling zal ik daarom berigt doen van de uitkomsten van een gelijksoortig onderzoek, ingesteld met Buitenzorgsche koffij, die door mij zelven is bereid op eene met de W.I. overeenkomstige wijze, ten einde te doen blijken, waar- uit dif verschillend water-opnemend vermogen bepaaldelijk kan afgeleid worden. Een te hoog watergehalte in de versch bereide koffij geeft aanleiding tot beschimmeling, kleurverlies, vlekken , vermindering van soortelijk gewigt (ligte koffij), en waarschijnlijk ook, einde- lijk, tot vermindering of verandering van geur en smaak. 505 1. Het beschimmelen der Koffij. Beschimmeling van organische voorwerpen is niets anders, dan eene vegetatie, een wasdom van de laagste plantensoor- ten, schimmels genaamd. Deze verschillen naar de hoeveelheden van wocht, licht en warmte, en waarschijnlijk ook naar de struktuur en zamenstel- | ling der voorwerpen, waarop zij groeijen; maar één voor- waarde geldt voor allen; er moet genoegzaam vocht zijn, om aan de stoffen, waaruit de schimmelplantjes zullen ontstaan en | gevoed worden, de vereischte bewegelijkheid te geven. Zon- der deze, kunnen zij zich niet tot nieuwe plantenvormen rang- schikken, maar blijven zamenstellende deelen van het organi- sche voorwerp. In de koffijzaden vinden wij alle stoffen, in eene groote ma- te, vereenigd, die, bij aanwezigheid van genoegzaam vocht, schimmels kunnen voortbrengen, van , zoo als ik bevonden heb, _ allengs veranderende vormen. Dit proces gaat gepaard met eene trapswijze vernietiging der eigenschappen, ten laatste met die van den vorm der koffij zelve. De koffijmonsters uit Cheribon en de Preanger-Regentschap- pen hebben zich, in dit opzigt, verschillend gehouden. De acht van Cheribon waren allen in zakjes of baaltjes ge- _ pakt; van de vier Preanger soorten was die van Tjiseroepan jn eene geslotene verzegelde flesch, en kon alleen die van Lem- É bang in het baaltje bewaard blijven. De eerste zijn sedert 23 December 1851 , de laatste sedert 46 Januarij 11. in mijn bezit. _ Den 12den April waren deze 9 monsters allen reeds beschim- meld, die van Genting het meest; zij waren dit reeds omtrent _de helft van Februarij. Die van Lembang had een donker asch- _graauw voorkomen door het schimmelachtige stof, waarmede ‚zij overdekt was. Eindelijk die van Sisir, bijna Î!/» jaar lang in eene blikken bus bewaard, waartoe de lucht langzaam toe- gang had, was nog niet zigtbaar beschimmeld; zij had echter niet meer de kleur, welke een ander gedeelte, in eene witte 506 glazen stopflesch aan het licht blootgesteld, nog behouden had. Boven (pag. 503) is reeds gezegd, hoeveel die koffij in waterge- halte was toegenomen. Den 22sten Februarij Il. heb ik het gedeelte der 13 koffijsoor-_ ten, dat van den dag der ontvangst af in glazen stopflesschen gedaan was, met elkander vergeleken, ten opzigte der beschim- meling. Dit was omstreeks zestien maanden, nadat de monsters van Malang, bijna twee maanden, nadat die van Cheribon, en Î maand nadat die der Preanger-Regentschappen ontvangen wa- ren. Zie hier de uitkomsten. Van Sisir. Geen spoor van beschimmeling; volko= men los. ‚‚ Malang bevolk. WI. Idem, doch zamenklevend. 5) 4 ‚… gewone Twijfelachtig, en zamenklevend. „ Tjigoegoer. Idem. idem. „ Genting. Begon te beschimmelen. „ Lingadjati. Idem. idem. „‚ Mandirantjan. Idem. idem. ‚‚ Tjiwalen. lets meer. ‚‚ _Paijoening. Aanmerkelijk beschimmeld. „ Lembang. Áls de vorige. „ Soekasahari. Iets meer. „ Pengilingan. Als de vorige. ‚‚ Malejbar. Als de vorige. „ Tjiroke. “___Meer. „ _Tjiseroepan. Meest van alle. Deze opgave vergelijkende met die van het watergehalte dezer koffijsoorten, blijkt het, dat sommige , alhoewel minder droog, minder beschimmeld waren dan andere droogere. Doch die droogere waren tevens donkerder van kleur, dat é is, rijker aan bladgroen, hetwelk een vereischte tot rassche be- schimmeling schijnt te zijn. De twee graauw- en roodachtig 8 _ gele uit Malang, door de bevolking bereid, hadden genoeg- Ë zaam al het bladgroen verloren. | 507 Eene meer opzettelijke proef omtrent de snelheid en graad van beschimmeling, bij ongehinderden, ruimen toegang der lucht, heeft dit nog meer doen uitkomen. Deze uitkomst is te beschouwen in verband met die der ke wateropneming , vermeld op bladz. 501. De meest beschim- # melde is onderaan geplaatst; en zoo opklimmend, even als op genoemde bladzijde, de na negen dagen, het meest water _ houdende onderaan geplaatst was. 1. Van Sisir Een weinig. 2. „ Malang. W.l. Bijna gelijk. A „ gewone Idem. s 4. Tjiwalen. MS. „ Tjiroke. Weinig verschil. Van Lembang rondom 6. „ Lembang. Id. [beschimmeld. 7. „ Tjiseroepan. Id. 8. „ Malejbar. Iets meer. Bn, Genting. Meest. | Bij de koffij van Tjiroke, Tjiseroepan en Genting, begon de beschimmeling op den 2den dag; bij die van Tjiwalen en Malej- í bar op den dden dag; bij die van Malang W.I. bereiding op den ij: Aden; bij do. gewone bereiding en bij die van Lembang op den EN Bden, en bij die van Sisir op den Ssten dag. Men heeft slechts À hierop te letten, dat de bleeke, gevlekte koffij van Tjiwalen , E ofschoon eerder beschimmeld dan die van Lembang, zulks op den ia Oden dag veel minder was. IE Hierbij is de invloed van het bladgroen bemerkbaar, even als, Ik bij vergelijking van die van Tjiwalen met die van Sisir, de gunstige 4 invloed der meerdere droogte nog daarenboven blijkbaar was. à Doch elf dagen later was de zoo gelijkmatig gekleurde en bn drooge koffij van Sisir, het meest van allen beschimmeld, en werd daarin bijna geëvenaard door die van Lembang en Ma- Ë. lejbar, terwijl de twee andere soorten uit Malang van de bevolking ie slechts in geringen graad beschimmeld waren. Geen wonder, de twee laatste waren dit reeds bij of kort 508 na de bereiding in hoogen graad geweest, de drie eerste niet. Wij zien hieruit mede het verband tusschen de kleur der koffij, en hare neiging tot beschimmeling, en tevens de noodzakelijk- heid om, bij goede drooging, ook voor goede, digte afpakking te zorgen. (Î) Áls slotsom van dit gedeelte mijner onderzoekingen, meen ik de drie volgende punten als zeker te mogen stellen: 1°. Bij even groene of even donker gekleurde koffijsoorten ontstaat beschimmeling het eerste in de meest water- houdende. 20, Bij even waterhoudende koffijsoorten ontstaat beschim- meling het eerste in de meest groene of meest donker gekleurde. 90. Gele veel waterhoudende koffij beschimmelt minder en minder snel, dan groene of donker gekleurde droogere. Hoe drooger, des te donkerder kan zij zijn, zonder spoedig te beschimmelen. Onwillekeurig is hierbij, even «als vroeger het waterge- halte, de beschimmeling in verband gebragt met de kleur der koffij. Dit onderwerp verdient thans eene nadere ontwikke- ling. HM. De kleur der koffij. De stof, die hier, gelijk aan alle bladen en van bladen ge- transformeerde planten-organen, de eigenaardige kleur geeft, is het bladgroen. (1) Uit een wetenschappelijk oogpunt, is het tevens merkwaardig, dat de schimmelplantjes, bij deze gelegenheid gevormd, niet alle van de- zelfde soort waren. De tijd verbood mij, dit in voldoende mate mikroskopisch te onderzoe- ken. Ik voer hier hier slechts aan, dat de koffij van Lembang rondom gelijkmatig bedekt was, met blaauwgroene, lange schimmels; die van Tjiroke stonden meer in afzonderlijke bosjes bijeen, waren korter en niet blaauwachtig; die van Genting zuiver groen, endie van Tjiwalen waren kort, graauwwit en meerendeels van Kleine ronde knopjes voorzien (sporangia). 509 In anders dan groen gekleurde deelen, b. v. de bloemen en de schillen der vruchten, komt zij wel niet als bladgroen voor, maar zij is er toch de oorspronkelijke bouwstof van. Gelijk reeds uit de groote verscheidenheid der kleuren in het plantenrijk is op te maken, is deze stof voor velerlei ver- anderingen vatbaar, dat is, uiterst ligt ontleedbaar, waarbij chemische invloed en chemische veranderingen plaats hebben. Immers het feit alleen, dat de kleur anders wordt, duidt op eene verandering van stof; want zonder deze, zou de te- rugwerking op het licht, de ontleding de zonnestralen, niet kunnen veranderd worden. Het isde invloed van het zonnelicht, die de vorming, en, bij de groeygende plantendeelen, het blijvend bestaan der groene plantenkleur bewerkt. Door behulp der vochten in de planten, bij vrije inwer- _ king des lichts, wordt er onophoudelijk nieuw bladgroen ge- vormd. Die nieuwe hoeveelheid staat, bij volwassene- bladen, onge- veer gelijk met die, welke onophoudelijk uit dezelfde bla- den verwijderd wordt, door den ontledenden invloed des lichts; eene verwijdering, die voor het leven der planten noodig is. Bij jonge bladen wordt steeds meer bladgroen gevormd, dan verloren; dit is noodig voor het toenemen van den groei. Vruchten zijn getransformeerde bladen. Jonge vruchten ver- houden zich ten opzigte van het bladgroen, als jonge bladen; _ ouder wordende, bevatten zij hoe langer hoe meer van deze stof. Onripe koffijzaden worden dus minder donker groen, en moeten, onder gelijke omstandigheden, de kleur eerder ver- liezen, dan rijpe. | Bij verre de meeste vruchten, gaat het bladgroen bij de rijpwording, in eene andere kleur over; zoo ook in het be- kleedsel der koffijvrucht. Maar in de kern, die tot het laatste toe van den dadelijken toegang des lichts is afgesloten, blijft de grondstof van het _ bladgroen, zelfs tot aan de rijpwording toe, in den toestand, 510 waarin zij nog voor groen worden vatbaar is. Versch gepelde koffijzaden zijn bijna wit, doch worden spoedig parelkleurig: die kleur kunnen zij lang behouden, zoo men ze op eene koele, volkomen donkere plaats bewaart. Alzoo vermeld hebbende de groote veranderlijkheid dier stof en tevens die van hare kleur, is het naauwelijks noodig te zeggen, dat zij, bij organische voorwerpen, die niet meer in staat van groeying zijn, allengs eene andere kleur aan- neemt; te eerder naarmate de oorzaken harer verandering, (vocht en zonnelicht) te zamen, in ruime mate, op haar kun- nen inwerken. Zoo lang de koffij aan den boom bevestigd is, krijgt zij er aanhoudend nieuwen toevoer van; afgeplukt zijnde, houdt die toevoer op; en de kleur, die de koffij na het droogen en gedurende het bewaren, allengs aanneemt, is een uitwerksel van de wijze, waarop het bladgroen verder ontleed wordt. Geschiedt die ontleding snel, dat is, onder medewerking van veel vocht, dan heeft er beschimmeling plaats ten koste van de hoedanigheid van het bladgroen , waar- bij de groene kleur in eene vuilwitte of geelachtige overgaat. Pas afgevallene bladen nemen, langzaam verdroogende en droog blijvende, meestal eene bruine of bruinachtig gele kleur aan, die echter bij koffijbladen zeer langzaam tot stand komt; maar op vochtige plaatsen, vooral in het donker, beschimmelen zij spoedig, en doorloopen verschillende nuancen van kleuren. Uit het bovenstaande blijkt, welk verband er bestaat tusschen de beschimmeling en de kleurverandering der koffij. Eenige eenvoudige waarnemingen, die ik daaromtrent gedaan heb, zullen de waarheid van het gezegde als handtastelijk maken. Zij volgen hieronder. De negen koffijsoorten, waarvan op bladz. 501 de gang der verandering in vochtgehalte, en op bladz. 507 die der schimmel- vorming ‘is aangegeven, hadden op laatstgenoemde datum (2% Februarij), dus na 20 dagen, de volgende veranderingen in kleur ondergaan. 51 | Van Sisir. Slechts groene vlekjes overgebleven; gea- derd; het donkere ineensmeltend met geelachtig groen. Malang W.L. Geen spoor van groene tint meer; hooger geel; geringe overblijfsels van groen aan mi) regen eene zijde. Dn Fi … __„ gewone. Geel, hooger van tint, dan de vorige. Ë „ Fjiseroepan. Het blaauwachtige in zuiver graauw ver- E anderd, met gele en geelbruine vlekken. Ë „ Malejbar. Graauwwit, nog een weinig blaauwe tint; iá de lichtere partijen zijn geel of geelach- ij tig geworden. Ë > Lembang. Het bruinachtig graauw overgegaan in ver- ú schillende lichtere nuancen, met geel- achtige puntjes. Me, Tjiroke. _ Enkele boontjes onveranderd; bij de mees- Ki te zijn, de bleekgroene vlekken licht- bp groenachtig tot oranje-geel geworden, en meer uitgebreid. ie „ Genting. Bijna alle boonen vuil oranje geel, met licht- groenachtig - graauw deels vermengd deels gevlekt. n Tjiwalen. Zeer gevlekt, witgeel, met graauwgroen; deels de gele, deels de groenachtige tint in overmaat. Ë In het algemeen hadden de donker gekleurde de meeste ver- * andering ondergaan, waarschijnlijk, omdat de lichtere die ver- anderingen reeds vroeger hadden doorloopen. jj Alles duidt hier op eene verandering, welligt ook wvermin- dering van de stof, die de oorzaak is van de groene kleur der koffij en wel ten gevolge der beschimmeling, onder den in vloed van het ingesloten vocht. ik Dat het wel wezenlijk het laatste en niet het licht is, waar- door dat verlies van kleur ontstaat, blijkt uit de eenvoudige ke ak dat de koffij van Sisir, met slechts 7°, water, 16 512 maanden lang in eene geslotene witte flesch aan het licht bloot- gesteld, niet merkbaar in kleur verloren had, terwijl een an-_ der gedeelte, even lang in eene blikken bus bewaard, een’ geel-_ achtigen tint had aangenomen, en tevens tot een watergehalte van 13,7% geklommen was. Onder de 14 andere monsters (waaronder de Cheribonsche en de Preanger slechts ongeveer 2 maanden lang, evenzeer in- geslotene witte flesschen, aan het licht waren blootgesteld), had bij al de Cheribonsche het geel de overhand gekregen. Linga- djati en Baijoening , maar vooral Mandirantjan, waren bijna ge- heel vuilgeel geworden. Ook de Preanger hadden gele tinten gekregen; het meest Tjisoeroepan, het minst Lembang en Pengilingan. Lembang had, bij de laatste vergeleken, nog een’ bruinachtigen tint; de laatste was, op de donkere plaatsen, zuiver graauw. Nog een ander opmerkelijk verschil bestaat er bij dezelfde koffijsoort, tusschen de groote en Kleine boonen, namelijk, dat de laatste steeds donkerder en minder gevlekt zijn. Hier- & bij komt nog, dat dit verschil, in den regel, geringer is, naar- mate de boonen zelve minder ongelijk van grootte zijn (ik zal de hiertoe betrekkelijke beschrijving kortheidshalve terughou-_ den). j Hoe minder verschil in kleur tusschen groote en kleine boonen (dat in zekere mate met het verschil in grootte zamenhangt) ‚_ hoe beter de koffij gedroogd is geweest. Echter is, bij slechte drooging voor koffij van een warmer klimaat, steeds grooter verschil in dit opzigt te wachten. Maar door beschimmeling ontstaan ook veranderingen in de stof der koffij, die zich niet door de kleur verraden en er toch mede in verband staan, Is beschimmeling eene vegetatie, ten / koste van de hoedanigheid der koffij, waarbij het bladgroen van kleur verandert, dan moet daarbij eene volume-verandering plaats hebben in het celweefsel, dat als het ware het skelet van het zaad uitmaakt. Dit moet zich verraden door eene ver- andering van 513 HI Het soortelijk gewigt der koffij. Over dit onderwerp heb ik eene reeks van onderzoekingen 6 gedaan, die voor bijnaalle de behandelde monsters verschillende uitkomsten gaven (1). Daarbij vertoonde zich een doorgaand ver- $ band tusschen de grootte of het zoogenoemde absoluut gewigt, de Kleur, de beschimmeling en het watergchalte. Ik zal eerst naar de uitkomsten verwijzen, verkregen van de Ë koffijsoorten, zoo als ze mij zijn toegezonden, dat is, gemengd, | en ook van de groote en Kleine boonen afzonderlijk. Namen. Hek el Groote. Kleine. kander. Beep ( Pelmolen te Sisir. 124,1 124,5 129,1 Â5 | Malang W. 1. 106,3* 101,3 113,0 5 5 gewone. 100,0* 91,3 107,9 $ Genting. 113,3 _ 110,0 114,5 £\ Tjigoegoer. 4150 4140 rn 414,7 DD 5 | Tjiroke. 1e 108 bar 150 1 feD B / Lingadjati. 106,1 * 1009 114,8 Te 5 | Baijoening. 108,2* 110,1 106,8 5 e= f Tjiwalen. 110,2* 108,9 111,4 e Of Soekasahari. zE Oe | 1 12,9 5 __\ Mandirantjan. Â0z Oe dû de O6 A iks: Pengilingan. 1205: … 121,2: „419,6 EN ep} Lembang. SO A LA Der ae We OP E _& } Malejbar. 119,8 118,7 118,9 IS & \ Tjiseroepan. 116,9 * 1128 119,4 Kf De met“ geteekende gaven onzekere uitkomsten, deels meer, deels minder dan de hier medegedeelde cijfers, en wel tus- j schen de limiten van Η3. De ongelijke verhouding van groote re Hierbij moet ik mededeelen, dat de getallen, op de tabel voorkomende, KS. betrekkelijk ed zijn, datis ten opzigte van elkander, en daarvan heb ik mij door herhaalde proeven verzekerd. Ai Naarmate men water, olie of alkohol bezigt om deze wegingen te doen, tom: men bij herleiding op gedestilleerd water, voor dezelfde koffij door- gaans verschillende uitkomsten. _ De bovengenoemde zijn, op een paar uitzonderingen na, door weging in gedestilleerd water verkregen. B Re 38 514 en kleine boonen in de onderzochte hoeveelheid , was daarvan de oorzaak ; en bij deze was dan ook het onderscheid in soor- telijk gewigt van de groote en kleine zeer aanmerkelijk. Er is eene niet te miskennen toenadering tot een gemid- deld soortelijk gewigt, dat verschillend is voor de koffij der drie residentiën, afgeleid uit dat der kleine boonen, die bij de on- volkomen gedroogde in den regel meer bestendig van hoe- danigheid zijn gebleven. | De twee Malangsche soorten, van de bevolking, als beneden alle vergelijking slecht bereid, heb ik hierbij buiten rekening gelaten. De vraag, of dit verschil is toe teschrijven aan de struktuur der nog groegende koffij, en dus aan den invloed van het kli- maat op de plant, dan wel aan dien invloed gedurende de be- reiding der koffij, of ook aan de bereidingwijze zelve, deze vraag heb ik getracht te beantwoorden , door versche roode koffij uit Buitenzorg, op verschillende wijze en tot een verschillend watergehalte door mij gedroogd, op het soortelijk gewigt te onderzoeken (rie 2de Afdeeling.) Het is opmerkelijk, in verband hiermede, dat blijkens bladz. BOL ook het watergehalte voor de koffij der drie residen- tiën eene verschillende grens heeft, en dat de koffij, van dek Preanger-Regentschappen zich door eene blaauwachtige tint ken- merkt. Deze tweg eigenaardigheden zijn ongetwijfeld het uit- werksel van den invloed van het klimaat op de koffij, onder: bereiding zijnde. Het verschil tusschen het soortelijk gewigt van de groofe en’ kleine boonen, is in de koffij van Tjiseroepan veel grooter dan: in de drie andere Preanger soorten en tevens in omgekeerde orde van twee daarvan. Zij is ook de meest gevlekte van de vier. En toch ligt Tjiseroepan op veel geringere hoogte dan Pengilingan. Ö Ofschoon al de onderzochte koffijsoorten, op een na, zwaar- der dan water waren, was toch bijna in alle eene zeer verschillende hoeveelheid van drijvende boonen. Ik heb bevon den dat de verhouding, kort na de ontvangst, was als volgt: Onder 200 stuks waren: } Koffij van Drijvende Zinkende Lt sf Sisir. 0 200 S ©J Malang W. I. Ah 156 8 all E gewone. 127 73 Genting. 5 195 3 Tjigoegoer. a) 197 _ © \ Tjiroke. JJ 167 5 AQ Y Lingadjati. 93 178 __ 4 Baijoening. | 169 B 2 /. Tjiwalen. 40 160 jg f_ Soekasahari. 12 188 __Mandirantjan. 42 158 5 Malejbar. 5) 197 ep } Pengilingan. 1 199 s Lembang. 0 200 <5 ( Tjiseroepan. , 197 Hierbij zij aangemerkt, dat ten tijde van dit onderzoek, de koffijmonsters uit Cheribon en de Preanger Regentschappen „pas ontvangen, en dus in veel gunstiger omstandigheden wa- ren, dan de overige drie, welke reeds meer dan een jaar aan het Laboratorium bewaard waren. Blijkens de opgave op bladz. 497 en 499, hadden Genting en Tjigoegoer de donkerst gekleurde koffij geleverd, onder de Cheribonsche, en ook ten opzigte der zwaarte kwamen zij met ‚de Preanger bijna overeen. | ie Doch even als de koffij van Lembang, ofschoon al de boon- tjes in ’t water zonken gelijk die van Sisir, en in het geheel „de Preanger koffij (blijkens bladz. 513), minder soortelijk ge- Swigt had dan die van Sisir, zoo was die van Genting en “Tjigoegoer op hare beurt minder zwaar dan de Preanger- soorten. Om te ontdekken, of dit verschil bestendig was, of wel het gevolg van eene voortgaande vermindering in zwaarte, deed jk den 13den Mei, dat is ruim 2'/, maanden later, op nieuw de verhouding van drijvende en zinkende boontjes bepalen (de koffij van Sisir, waarvan ik het soortelijk gewigt zoo lang na de bereiding bepaald heb, mag geacht worden, daarin niet merk- 516 baar verloren te hebben: zulks zal nader blijken bij vergelij- king met de door mij zelven versch bereide en goed gedroog- de koffij van Buitenzorg). De uikomsten van dit tweede onderzoek waren als volgt: Onder 200 stuks waren: Koffij van _ Drijvende. Zinkende. 4esf Sisir. 0 200 9 © Malang W. I. 104 96 Zi … gewone. 126 7Á Genting. 40 160 e Tjigoegoer. 84 116 © Tjiroke. 52 148 Gr Lingadjati. 90 110 an Baijoening. 40 160 < f_Tijiwalen. 82 118 zj | Soekasahari. 114 86 \_Mandirantjan. 58 142 K Malejbar. 2 198 ep / Pengilingan. 0 200 5 Lembamg. 3 198 5 ( Tjiseroepan. 16 184 Deze cijfers spreken duidelijk. De koffij van Sisir is bestendig gebleven; drie der Preanger- soorten mede; doch het zeer korte tijdsverloop , met den duur van bestendigheid der Sisir-koffij vergeleken , in aanmerking nemende, en ook de blijkbare zwaarte-vermindering van die van Tjiseroepan, is eene langzame afneming bij al deze soor- ten meer dan waarschijnlijk. Eene proef met zout water zou dit bewezen hebben. Eindelijk , de Cheribonsche hebben alle in zwaarte verloren; het meest die van Genting, Tjigoegoer, Lingadjati en Soekasahari, welke vroeger de zwaarste onder deze waren. Het verband tusschen deze vermindering, het kleurverlies en de beschimmeling, vroeger van deze Cheribonsche koffij monsters vermeld, springt in het oog. J __De hoofdoorzaak van dat alles was een fe groot waterge- — halte, en de reden waarom het nog grootere watergehalte der 517 Preanger koffij aan deze minder kwaad heeft gedaan, acht ik eenigzins verklaarbaar, door het koudere klimaat, waardoor in deze koffijsoorten onder de bereiding, het bladgroen en de eiwitstof in hare eerste ontbinding vertraagd zijn. De Malangsche koffij, van gewone bereidingswijze, schijnt de grens van uitzetting bereikt te hebben, en dus voor geene vermindering van hoedanigheid meer vatbaar te zijn. Dit feit, in verband met andere, reeds vermelde hoedanig- heden, spreekt niet ten voordeele van deze bereidingswijze. De vermindering in soorteljk gewigt (zwaarte) is een gevolg der uitzetting of opzwelling, en daar deze bij de kleine boonen het geringste is, wordt de ongelijkheid der koffij er merkelijk door vergroot. Dit, en de meerdere ruimte die wordt inge- nomen, ook door de groote boonen op zich zelve, door eene ligtere stof (het water) uitgezet, is oorzaak, dat in eene ge- gevene ruimte, een zeer verschillend gewigt dezer koffijsoor- ten kan bevat worden, gelijk blijkt uit de volgende uitkomsten. Een vrij naauw glas, dat 205 wigtjes gedestilleerd water kon bevatten, werd met elk der koffijsoorten gelijkmatig gevuld, de oppervlakte gelijk gestreken, en de inhoud gewogen. Namen. Gewigt. Van Sisir. | Î43 wigtjes. „… Malang W. I. AIS KE, 4 gewone. 10 ons ‚ Genting. 1e) PER e5 „ _Tjigoegoer. NAR En N, Tjiroke. Phn vert a „ __Lingadjati. MAAR ss 2 … _Baijoening. Minas 5 8, Tjiwalen. j Hf EDEN 5 ‚ Soekasahari. 100: En …‚ _Mandirantjan. HO8 IT „, _Malejbar. POR Nn: „ Pengilingan. 1 NEVER se „ _Lembang. BAO oel 5 5 _„ Tjiseroepan. rs phi osn Die van Sisir had dus verre weg het grootste gewigt; die uit 518 Cheribon het minste (de twee andere uit Malang buiten aan- merking latende). | Ook hier vinden wij weder een vrij standvastig verschil , tusschen de soorten uit de drie residentiën, gelijknamig met de vroeger aangetoonde, in het gemiddelde. Deze wegingen zijn geschied, ongeveer gelijktijdig met het eerste straks genoemde onderzoek naar de verhouding der drij- vende boonen. De vermelde uitkomsten van het latere onderzoek hieromtrent doen het als zeker schijnen, dat de ongunstige verhouding, vooral der Cheribonsche koffij, met den tijd nog ongunstiger wordt. Afgescheiden van de meer wezenlijke hoedanigheden, waar- mede gelijkmatigheid van grootte der koffij in verband staat, ìs dit niet zonder belangrijken invloed op de scheepsruimte bij het transport. Immers dezelfde ruimte waarin 100,000 pikols koffij, gelijk _ die van Sisir, kunnen geborgen worden, zal slechts bevatten — 86,700 pikols Preanger koffij en 79,000 pikols koffij uit Che- ribon; beide laatste cijfers zijn maxima, daar, naarmate deze _ onvolkomen gedroogde koffij langer naar de inpakking wacht, zij ook allengs meerdere ruimte zal noodig hebben. | Wij zien dus, dat eene slechte of onvolkomene drooging van koffij, bij de bereiding, alsmede eene slechte afpakking of opschuring, ook deze gevolgen heeft: 1°. Dat zij er door verliest in soortelyk gewigt, in hoeda- nigheid van zwaarte (en dus ook in marktwaarde ); dat # ten gevolge daarvan: 20. voor hetzelfde gewigt meer scheepsruimte noodig is, en 90. ook werkelijk een deel harer eigene zelfstandigheid als schimmels te loor gaat, waardoor een direkt verlies aan gewigt en hoeveelheid ontstaat. 519 Om eene nog duidelijker voorstelling te krijgen van het verband tusschen de beschimmeling der koffij en haar verlies in soortelijk gewigt (zwaarte), heb ik van de koffij, vroeger ter beschimmeling overgelaten, het soortelijk gewigt op nieuw be- paald, waarvan de uitkomsten hier vermeld zijn. Soortelijk gewigt Namen. Oorspron- Nadebe- Verlies. kelijk. schimmel. Sisir. 124,1 118,5 5,8 Lingadjati. 106,1 103,5 2,6 __ Malang gewone. 100,1 92,6 7,4 Biss, W.L 106,3 101,4 4,9 Tjiseroepan. 116,9 112,9 4,0 Malejbar. 119,8 115,6 4,2 Soekasahari. 111,6 104,1 7,5 Lembang. 119,5 119,4, 0,1 Pengilingan. 120:5: 449,1 1,4 Tjigoegoer. 115,0 108,5 6,5 _ Tjiwalen. 110,2 108,0 2,2 Mandirantjan. 107,6 195,0 2,6 | Tjiroke. 113,3 4 108840 21, A48 Ë Genting. 113,3 109,3 4,0 _ Baijoening. 108,2 105,9 9.3 Deze, bij verre de meeste aanzienlijke, vermindering in __ zwaarte, was ontstaan, toen de koffij slechts 25 tot 29 da- 8 gen aan beschimmeling had blootgestaan. Opmerkelijk is het, dat de reeds zoo ligte koffij uit Ma- F lang, van gewone bereidingswijze, daarbij nog ( nevens die _ van Soekasahari ) het grootst verlies in zwaarte (uitzetting ) ondergaan had. De koffij van Lembang was zeer weinig uitgezet geworden, en dus het soortelijk gewigt bijna niet verminderd door de _ beschimmeling. Ik moet dit, behalve aan de hooge ligging, _520 deels toeschrijven aan den (betrekkelijk ) grooten ouderdom van zeer vele koffijboomen, nabij Lembang; vruchten van zulke boomen zijn in den regel van een vaster weefsel, dan andere. Immers de koffij van Malejbar en Tjiseroepan, of- schoon minder beschimmeld dan die van Lembang, had veel — meer in zwaarte verloren, en beide zijn op bijna dezelfde E hoogte gegroeid; terwijl die van Pengilingan, dat op veel grootere hoogte ligt, zich meer had uitgezet dan die van Lembang. Doch het is ook zeer waarschijnlijk, dat de Pre- anger koffij, door haar groot watergehalte, die uitzetting (en het gevolgde verlies in zwaarte) reeds vroeger had on- dergaan, welke die van Sisir eerst nu ondervond. Pe skan dergelijk onderzoek met de groote en kleine boonen af- zonderlijk gedaan, heeft mij getoond, dat in het algemeen, de Kleine door beschimmeling minder in soortelijk gewigt of zwaarte afnemen, dan de groote. Eindelijk heb ik getracht te bepalen in welken graad elke dezer koffijsoorten vatbaar was voor vermeerdering van soor- telijk gewigt, dat is voor inkrimping, na dat zij, door droo- ging bij 100°. C. van bijna al het water beroofd waren. Ook hierin heb ik verschillen gevonden, die geheel in over- eenstemming zijn met de overige, vroeger reeds aangewezen. De uitkomsten zijn als volgt: Soortelijk gewigt. Namen. Oorspron- Water- lan kelijk. vrij. Pelmolen te Sisir, 124,1 130,7 6,6 Malang gewone. 100,0 99,1 — 5 MAND 103,4 105,4 2,0 Tjiseroepan. 116,9 123,4 6,5 Malejbar. 119,8 122,4. 2,6 Lembang. 119,5 126,4 6,9 Tjigoegoer. 115,0 117,6 2,6 Tjiroke. 113,3 117,3 4,0 Genting. 143,30 AA 1E 3,8 521 Zij leeren, dat onder deze negen soorten, de drie donkerst gekleurde het meeste waren ingekrompen, en zij daarin ougeveer gelijk stonden. Dit schijnt aan te toonen, dat de koffij uit de Preanger oorspronkelijk vaster van weefsel is, dan die uit Malang. Deze meer donkere soorten hadden dus bij de drooging min- der lucht voor het verlorene water opgenomen, dan de lich- ter gekleurde. De eigenlijke beteekenis van eene goede drooging der koffij is in deze woorden zamen te vatten. Daardoor wordt aan het zoo veranderlijke bladgroen ( en de eiwitstof) eene voorwaarde tot verandering ontnomen; alle nieuwe vegetatie (beschimmeling) wordt onmogelijk ge- maakt, en zelfs de invloed van het licht kan geene verande- ring te voorschijn roepen. Dit is duidelijk gebleken uit de reeds boven vermelde verschillende verhouding der koffij van Sisir in eene volko- men geslotene witte glazen flesch, en eene niet volkomen slui- tende blikken bus. En toch was in de laatste de langere duur van den in- vloed eener goede drooging daarin merkbaar, dat zij ongevlekt was gebleven. __ De algemeene indruk, door de medegedeelde onderzoekin- ; gen bij mij te weeg gebragt, is deze: Zoo de koffij van den aanvang af, goed en onafgebroken wordt gedroogd, en wel op de W.L. of eenige daarmede _overeenkomsige wijze, dan is het doenlijk, om van alle plaatsen van Java fraage, in Europa het duurst betaalde koffij te be- komen, van bijna even goede uitwendige hoedanigheid. Doch indien dit eerste vereischte verzuimd wordt, indien _men de eerste schadelijke oorzaak , wochtigheid , in wezen laat, dan komt de invloed van plaatselijke omstandigheden , klimaat hoogte, temperatuur ‚in werking. Dit doet de koffij anders uit- _ vallen, of zoo men wil, de verschillende soorten ontstaan, die 532 men (naar ik geloof ten onregte ) onafscheidelijk acht van de plaats der bereiding. | Volgens een, vroeger door mij ontvangen berigt van een’ _ bevoegden koffij-makelaar in Holland, zou koffij, die men een jaar of langer op Java laat, om den smaak te verbeteren, eenen mer- kelijk hoogeren prijs halen, indien zij daarbij de groene kleur behield. Die, welke den besten smaak hebben, zijn bijna alle bruine en gele soorten: bonte en roode koffij is weinig gewild. Wij hebben gezien, dat die van Cheribon alle gevlekt zijn of — spoedig worden; ook, ofschoon minder, die der Preanger-Re- gentschappen; bont is mede de koffij van Kadoe, en vermoe- — delijk al die koffij, welke door drooging in de roode schil bereid wordt. Na den afloop der bovengenoemde onderzoekingen, heb ik gemeend, niets beters te kunnen doen, dan versche koffij van _ Buitenzorg, door mij zelven bereid, en op verschillende wijzen gedroogd, op het watergehalte, het soortelijk gewigt en de la- tere vatbaarheid tot opneming van water te onderzoeken, met beschrijving der kleur, niet alleen onmiddellijk na de bereiding, maar ook na voortgezette ruime inwerking der-lacht; het waar- schijnlijk achtende, dat zulk een ruime inwerking voor kor- ten tijd tamelijk gelijk staat aan eene beperkte inwerking voor langeren tijd (gedurende den overvoer naar Nederland). Ì Daardoor hoopte ik de volgende vragen, vroeger reeds ter loops behandeld, met daadzaken te kunnen beantwoorden. | 1°. Welken invloed heeft de bereidingswijze op de hoedanig- heid der koffij. | 2°, Moet men, bij het droogen der versche koffij, invloed toekennen aan het klimaat der plaats, waar zij gedroogd _ wordt. ä J°. Is die invloed alleen bij onwolkomene of ook bij goede — drooging werkzaam. “ he, In geval van het laatste, kan men dan daarin voorzien, ; 523 door kunstmatige drooging , zonder nadeelige werking op de blijvende hoedanigheid der koffij. 5°, Is die in het laatste geval met voordeel aanwendbaar voor plaatsen, op groote hoogte of in een zeer vochtig kli maat gelegen. De verkregene uitkomsten doen zien: 1°. Tot welken graad van droogte versch bereide koffij in het zeer vochtige klimaat van Buitenzorg te brengen is, door blootstelling aan de zonnewarmte in bepaalde tijdruimten, zoo wel in de roode, als in de hoornschil. Waterverlies door drooging in de zon. hoornschil. Watergehalte op 100° C. In bepaald. de 13 uren in de zon gedroogd. , 21 ’ 2 ) » 26,9%, 25 ’ ” ’ ’ 17,6 ’ 39 1 ’ ’ 2 10,8 ’ 52 ’ 2 2 ’ 7,5 DE) |_ Zonder Thermometerstand in de zon. Oe aren am. bijnasal? C.= Si E. 1 OPE ee ne CE, RD ss ME elk Bs BE 1. … p.mbijna 34° „ ZN ENDE 2 RA _ Daaruit blijkt, dat in het minimum weerwil van het verschil van klimaat. OD, „… 89,6° … 91,49 „…92,6° ede Oe 2 In de roo- de schil. 10,29, 8,4, van watergehalte geen verschil bestaat voor de afdeelingen Malang en Buitenzorg, in Doch hetis zeker, dat bh de koffij in Malang, in korteren tijd tot denzelfden graad van droogte kan gebragt worden, dan te Buitenzorg, wegens het mindere watergehalte der lucht, bij dezelfde temperatuur. Tij- dens mijn verblijf te Sisir (in September 1850) was er in vier dagen slechts eens en nog wel zeer weinig regen geweest. De thermometer stond er ten 8 uren a. mm. 211/,° Cd Hera ters 28/ „ In Oktober, in 2 a 3 dagen geen spoor van regen, en in den koffijtuin Weoedoeng, op de lagere helling van den Ardjoe- no boven Sisir, wees de thermometer ten 81/, uren a. m. 25/o C. een hoogte van temperatuur, aan de terugkaatsing op dezen hellenden , met steenen bedekten wadas-grond toe te schrijven. — Het gemiddelde mijner waarnemingen te Buitenzorg, van den sten April tot den töden Mei 1852, heeft gegeven, voor de temperatuur 8 uren a. m. 24,94° G. Prbintktk AP 28,62} De uitersten, ten 2 uren, waren 23° en 31°. Waarnemingen ten 12 uren heb ik te Buitenzorg niet gedaan, doch dan is de temperatuur in den regel (namelijk, nief, als de regen invalt) beneden die van 2 uren p. m. Onder die 45 waarnemingsdagen, waren alhier slechts 14 drooge of bijna drooge. Wel zijn de maanden September en Oktober doorgaans min- der vochtig, dan de maand April; doch alleen voor de lagere landen, en in het O. gedeelte van Java, niet voor Buitenzorg; alwaar volgens vroegere waarnemingen van Dr. Swavine, in April 18, in Mei 5, in September 16, in Oktober 19 regendagen zijn. Volgens deze gegevens, is dus hoogst waarschijnlijk , te Sisir, of in geheel Malang, de koffij spoediger, meer onafgebroken tot een watergehalte van 7/ a $8°%/, te brengen, dan in Buitenzorg. Met Lembang zal het wel omgekeerd zijn, en zelfs twijfel ik aan de mogelijkheid, om daar, door enkele drooging in de lucht, koffij tot 8&8°/ watergehalte te droo- gen, want ik vond daar de temperatuur, in November 1848 _ ten 2 uren pm. 24,2 G. ze UO Ave 21e AG: 525 | Dit was een dag geheel zonder regen. In November 1851 vond ik het gemiddelde te Buitenzorg aldus. 2 uren pm. 28,5 6, út 25,2 Voor 2 uren waren de uitersten 24° en 31° en BOB ON op 0 af DHO 1075 derhalve voor Buitenzorg eene temperatuur van ruim 4° hoo- ger dan te Lembang. Doch daar de waarnemingsdag te Lembang zonder regen was, zou de vergelijking met het gemiddelde van zeven regen- looze dagen te Buitenzorg (in de maand November 1851) juis- ter zijn. Over die dagen vond ik het gemiddelde alhier 2 uren pm. 25e Opie hoes 26,3° Dit geeft voor Buitenzorg ongeveer 5° hooger temperatuur, dan voor Lembang. En ofschoon, naar ik geloof, aldaar min- der regen valt, dan te Buitenzorg, moet toch door zulk een verlaging van temperatuur, eene aanmerkelijke vertraging in het droogen ontstaan, die weder eenen langeren duur van helderheid noodigt maakt, dan aldaar wel te verwachten is. Dezelfde redenering geldt van de andere droogplaatsen, in de Preanger-Regentschappen en Cheribon, en in het algemeen voor het westen van Java; want daar bestaat overal dezelfde eer- ‚ste oorzaak, in tegenstelling van het oosten, namelijk, meerdere f ontwikkeling van land en grootere afkoeling der lucht. Het is die droogheid en helderheid der lucht in Malang, ge- durende het grootste gedeelte van het jaar, welke het mogelijk maakt, dat aldaar, op bijna 2000 voeten meerdere hoogte dan Buitenzorg, de thermometer, op den middag althans, even hoog stijgt. Die droogte, met luchtbeweging vergezeld, is nog van meer belang voor de koffij-bereiding, dan eene wat hoogere tempe- _ ratuur en zij maakt, dat in den nacht, ofschoon die te Sisir veel kouder is dan te Buitenzorg, de onder behandeling zijnde koffij geen water kan opnemen. Er is dus alleen een verschil van lengte in tyd, en niet een En kn af 1 © ® mi Bl oo s 5 bo a © nn =S - fb] © ks © md Gant Bs 8 o 5) es H. B et | NN De ie 8 hs e 5 o € € ‘G Ens e . . e . ° . ° p s . 7 e GL L/ k RT jen © 5 5 je ED 5 pn Jo G q 2 k ae = e e . . . . . . . . . . . . Li 004, éé Er heel = 2 en Á: jk Ne lo6 4 3 3 . . . . id . . . € € 9 ee) feb) keb) = M= ln” o € . . . . . ° ij il hd > 009 er ef er, e E= 8 Jo LZ ‘ ‘ N . . . . . . . . . . . . 66 STA ee 6 tp B en VS © a 3 BOE À « Ken jer) . . 66 5 B 5 A A 5 © Cl pre 6 dé Vee eene Bere Se o0Z G in Ep En jd ler nd Ke, COL 88 E é . . . . . . . . . € 0099 € Q es en) Le) 0) © N _— 5 VAS LL je «6 66 REDEN: HR EEE REE Bn Rs Amten 5 a SS sd e o8 6 . . . . € J ‘ BRS 5 Vee RE Ee OL “ot ie: S ee pe R= be o 4 . . . . e . . e . . . € 09 Lis L 3 5 eK nu Ss 5 Doy | ENT Be ki En ns a SE ae {5 de) 2 ee) a Ee 6 LI Pr eé ll SE Od Om > OV O o jr [ VA! e . . e . 009 8 EE ZEGE Sr Ee (iq en y mn NR 5 0 © Job 9% J ok H 5 Se © E En Ee ae Oo — £ EN Ke ‘pyosurooy "[yosutooy spryosutooy [myosulooy *pysuLooU Rn: B « 8 Tuos dopuozg | uy dopuoz | uy Jepuoz | uy dopuoz | uf Iepuoz | ur Et ® »= e, . SEE BEE 8 9POOL ozopur ruozopur vuozopur “ruozoput “uor dpa 5 Daf A De n FgJeooA *n ss 7 3 ns pa GEJLLOOA *DEGJLIOOA "DEEJLIOOA *n FgJeLOOA DEI J sE EM pe See Ë ad “uoaapgobraao annypaoduor opuorpyosvaa GQ onvyobrorm at a) =, To wesSess mn 4 SES & : ef TL af DAE sd SS o 8D mms B 527 Verschillende droogtegraden zijn hier voorgesteld. Uit een praktisch oogpunt is alleen eene hoeveelheid water van 7°/, tot 10°/ wenschelijk. Drooger dan 7, zijnde, zou de koffij, bij het pellen uit de hoornschil, ligt breken; vochtiger dan 10% zou zij plat worden, en moeielijk te ontdoen zijn van het vliezig bekleedsel. De warmtegraden zijn die van Celsius; 60 a 70° GC. gelijk 140° a 158° F.is zeker eene wat te hooge warmte, om daarin de koffij om te werken. Om dit noodeloos te maken, zou men de te droogen laag koffij in verscheidene dunnere kunnen scheiden door de droogkamer, regts en links van den ingang, met vier, vijf, zes, horizontale verdeelingen te voorzien: dan ware geene omwerking noodig. Bij mijne droogproeven in het klein, stond de met koffij ge- vulde , tot de ledige ruimte, ongeveer als een tot acht. De oprigting van droogkamers kan geen bezwaar opleve- ren. Reeds sedert twee jaren wordt op Ceylon de koffij kunst- matig gedroogd ( Quarterlij Journal of Agriculture, etc. of Scotland No. 33. van Julij 1851), wat mij, na de vol- tooijing van dit verslag, bekend werd. Een planter, de heer Crrrmew, is het eerst op dit denk- beeld gekomen. In de koffijdistrikten aldaar zijn geene hel- dere dagen genoeg, om de koffij, zonder gevaar voor schade, door te groot watergehalte, naar Colombo te voeren, al- waar de drooging in de zon gemakkelijk is. De inrigting bestaat daarin, dat men een groot gebouw of pakhuis (van 120 v. of meer lang, en ongeveer Á40. v. diep ), volkomen digt maakt, en er, door wijde ijzeren pij- pen, heete lucht invoert, daarbij door wanners eenen ster- ken togt onderhoudende. Daarvoor heeft men, in plaats van acht, slechts vier of vijf dagen noodig, om de koffij genoeg- zaam te droogen voor het vervoer naar Colombo. De planters en handelaars beide, hebben daarbij het pakken der koffij in vaten zoo veel voordeeliger gevonden, dan in 528 zakken, dat zij zich gaarne de hoogere vracht getroosten; een ton koffij, in vaten bevat slechts 16 cents, in zakken 18 cents, koffij. Doch de bovengenoemde wijze van kunstmatige drooging schijnt mij niet aanbevelingswaardig toe. {9 Om de groote kosten van liet gebouw. f6000 voor eene 20. Se plantagie van 100 tot 140 bouws. Om de gebrekkige benuttiging der warmte. Kon de tijd- ruimte van acht dagen tot één of twee, in plaats van vier of vijf, ingekort worden, dan zoude een gebouw van veel geringeren omvang voldoen. Maar voor die ras- schere drooging zou eene groote vermenigvuldiging van pij- pen, en een zeer ruime vuurhaard noodig zijn. Zelfs dan zou, naar ik geloof, de meest voordeelige tempe- ratuursverhooging bezwaarlijk te bewerken zijn. Mijne proeven hebben mij, in het algemeen, geleerd, dat de tijd van drooging sneller verkort wordt, dan de tem- peratuur , waarbij men droogt, toeneemt. Eene gemetselde droogkamer, van veel minder omvang, dan boven gezegd is, met openingen beneden en boven, om koude lucht in, en heete, vochtige lucht uit te laten, en met gebogene pijpen voorzien, die den vuurhaard met den schoorsteen in verbinding brengen, zou, naar ik geloof, ruim zoo dienstig zijn, als de droog-pakhuizen op Ceylon. Welken invloed deze verschillende droogwijzen hebben op de struktuur der koffij, en dus ook, op hare zwaar- te of soortelijk gewigt, zie hieronder. Het watergehalte is hier weder opgebragt. del 529 Soortelijk gewigt der Koffij naar de droogwijze. Gewigt van Soortelijk Waterge- f 1000 boonen rie Kite aol op 8, water Aanmerkingen. ijk herleid. en 117,3 De Nos. beteekenen de- 8,5 » 118,5 Ed zelfde koffijmonsters, yer) 119,2 En als op bladz. 53Í. 10,8 s 119,9 2 25b beteekent de in eene 11,5 » 120,1 5 blikken bus bewaarde _ 8,8 » 121,6 5 koffij van Sisir. 9,8 » 1222 25d dezelfde na drooging 52» 122,4 el bij 100° C. 10,s 122,8 En 25e is die koffij, ín eene 5,0» 122,8 Eb geslotene witte flesch 10,7 » 123,0 5 bewaard, bij 100° G. 1,5» TL He gedroogd. | 13,0 » 123,6 Tr De 16 eerste, alle van 9,5» 123,8 z Buitenzorg, „, zijn in 7,9» 123,8 ee opklimmende orde ge- 15 124,5 Er rangschikt. 9,1» 124,1 5 | Ws 0 119,7 I= 0, » 130,7 45 0, » 114,7 Die van Sisir is, tot vergelijking, er bij gevoegd. ‚ De nadeelige invloed, dien de gewone bereidingswijze ( da- lelijke drooging, in de roode schil) op de koffij heeft, blijkt r_ duidelijk uit (ik heb die drooging met alle zorg ver- igt). Hieruit is te besluiten, dat bij deze methode, de koffij zich adelijk uitzet, ten gevolge eener aanvankelijke gisting in het tikerhoudende sap der vrucht, zonder in het latere tijdperk er drooging, tot haar vorig volume in te krimpen. Aldus oet de koffij grooter en minder zwaar van boon worden, ar wanneer die oorzaak van uitzetting wordt weggenomen , po als hij de W. I. bereidingswijze. F ier heeft, bij de drooging, dadelijk inkrimping plaats; van HI. 9 En. 530 daar de meerdere zwaarte en de mindere grootte der boo- nen, bij goede bereiding namelijk. Behoudens enkele uitzonderingen, schijnt met de afneming van het watergehalte, de zwaarte toe te nemen, en eene ver- « snelde drooging, zelfs bij 75° CG. (1690 F.) hierbij geen mer- kelijk nadeel te doen. | Ook kan, naar het blijkt, de koffij die sterkere drooging verdragen, na de pelling uit de hoornschil, zonder uadeel voor hare kleur. De twee laatste cijfers, bij de koffij van Sisir, doen zien, dat ook deze, bij inwerking der lucht, allengs door drooging niet meer inkrimpt; doch in den normalen toestand is er groote overeenkomst in soortelijk gewigt of zwaarte, tusschen de koffij van Sisir, en de zwaardere van Buitenzorg, door mij bereid. j | Naar den maatstaf, dat een glas van 205 wigtjes water in-_ houd, 143 wigtjes dezer koffij kan bevatten, weegt 1. N. kan der koffij, 80% water houdende, ongeveer 7. N. oncen. Dit middel zou in het groot kunnen dienen, om te bepalen, of zij genoeg gedroogd is. _ 40, Welken invloed daarbij wordt uitgeoefend op de ei- genschap der koffij, om in een zeer vochtig klimaat, binnen bepaalde tijdruimte, weder zekere hoeveelheid water op te nemen; tot welk maximum die opneming gaan kan, voorts, daar ook dit met de wijziging der _ struktuur zamenhangt 8 5°, Hoe zich daarbij het uiterlijk voorkomen der koffij ver houdt, —of zij bij de eene of andere droogwijze, meer odd minder aan beschimmeling of kleurverandering onderhevig is; ik moest daarbij door ruime toetreding der lucht, den korteren duur der inwerking eenigzins vergoeden. | ee. 55 | “peu —-wiyoseg Stam uooIdHoorg “prewwigoseg Stura ‘eZuuyor PI Lyosaq slUT l =fo983, UL aToJUK pt “pjourmmgos pt ‘WPT =2Y SiulIIA UO BE. “Burjeumryos =2q uea uarods * ug01d Aneers) “Wopt f usord neen) "Butjewwigosog ue Joods ua “uaoi8 Bnyoeaneris) “Sutjoruumrgosod gea doods uoa8 * uaoiBanerig “Sutjoruurmosad aleq)diz UaaB *uoordaneerg “Durjewurrgoseg ur Joods ua93 "wopr eulig “jpurwimgosag ueA 1zoods ueo8 “YoArg 1e “wood zoArnz eulig gom zeep vo aorqy * Anvergsliae Nx bh “13e UoSep ZF “uopI “ueep}uo jtyosuzooy op ueA yltpopep Surproreq op vu apron gE va 7 ‘OT GG & “Jul JA -nera8 Jom sjoop * usordoord ‘Se Cr "wop[,-98 (ra “usor Snqyoeanverg “argo UALeN op do ‘uooi8 Sffgoeaneerg «LOT «68T « 71 “jUI} 9ANEEIS JIUE UIOID| « 6°LT ‘gaouenu 9u9018 —Anveld jour *usordmneerg “jung oane 19Yo ou WAP] “JUI} AMNEETT Jow UIOIL) “jun omneerg 1opuoz f uaord oord “uoorsaneerg Sneunlijes (ia, “uao1s Ancerg "uooIsaneerg “jut 9us0181995 ‘Siplosad op EN NAT en L 005 “1ojer uaô GED Ag ep 9 EEE ERD EN CEN BEEREN, taareyeBzore A a} “ytyostrooy J9PuUOz usotp gr ASVEET ap UAIEA Gy 'SON «Tor TAA! «e°gT « ‘ZT «6°21 « „°gT «TAI « TCI « Gal «geil «ge ‘QoQAliquemiguep | pt 68 — TtOSUIOOY op UI ZL «OSI «Tor ‘Qo09 (iq vomgezuep | PL Sg "[tosuJooY Jopuoz, TI «BOI «GTI “) 0G9 Ìiq vern 9 uep | PE ae “uopI or «Tt egg “Q 004 (iq vern Tg uep | PE 68 "[tuosurooy op UIG Ca en 40 87 PE 68 “_"wop] Ê «g°, “Pi GG" TEYLSLUIOOY Japuoz Z CGL Pl 508 ‘uopI__ 9 «O'T) «6'2 ‘OQ 009 fq aam ig | uep ‘pl 68 ‘wapI S «FG « 2 ‘OT “pt 68 “uap] T «6°EI| « 8“OT ‘Q 009 lq vorn g ap GP 5 1 ‘mop 8 «q‘orl «gest “uoz ap UI 'n 65 ‘wopI 5 ‘9 034 lq aan ig vep Me DV or rij /eg gr |“ woz op vijve eg —[tosuroor op UI F “Jaret uod “ryan Aap Ouwbaoz uawent hq * Burtopunroarnaggy “zojer | “Suip uad | -1alod ap eN | “SuiSoorp uea ozli wo Loom woa Ouruaysopunp ie ade ie - Ee, 8 vn Tg EN pe a 7 he lide nds nnn ale Ar EPE Ee WEE tn B | en id ER heef «egirl eo'or) «T'erf «Ap T|-Burprosog ouomo8 «pt _ ‘wopr « [95 * “pjewwigosag “joosrinA q' c c c À 3 L El “opioyuop syo! “uoouenu odoYoly « ‘8 pt „SIS ue Po 4 zow fuoois Styyoejoos Hood ; ts and | 85 - ‘pjewwurgosaq Jaru f 1ajAo ‘uooue | «gf «z' É f : : ‘ Anere1Sugo18 uoBtuwog : pt DRE ont Aftma zou * usorBHoord ar TCOPSe si 8 or P: 66 za | 4d REE UOEP T: AP EA TRR ii naaa oord «5'°9I CE IEC TET < T°Z 9 °) 004 ftq vaan Fy uep "uiryosog Soro “A98 uid “uorsorA | «gt é jn deal 66 Agel, id poor soap, ‘poa8 ER otor nops Ae dbeaial d El «6 TIJ CT ZI €78 3 0007 Iq ‘ns PER 004 (iq 'n ft “wrurrgosag StuIoa fuoyyora | Bild Bur «ger! «ear p Br 65— Ee ee 05 oanee1g uo ojo8 zou woord ‘pr | Ke 0 An "9 e00F iq uep EN | “wiyosog «A uoaods * uoysora Bd fi re BE sal Gr en tr jour soiroadinke ord “OLE CL GE CL GH 0 9 o00T Lig uep ““Q 009 (iq "a ee) Sutp 'pt G5—"[tYosuIOOY Jo puo’ “pjewwigoseg |ezor ezel «zat 0 | topuoz gr uoyuey op do anee18 *pr 'pI " RS EO [iq uep _n “pjewwrgoseqg zoru “uoord ‘Bnyoejeo3 uojues Kq‘atr! c c c he Be EEP SP EIA zurig scep vo zorg ua0s8{009 Su Ed en EAS 9 9T «TIL «GE FI “OG KH ea (id go jk ip uep “pjouwtyosog Sturoa *prour ‘apueeSIaAo ou | «67 € 6 À ap —ieue8 uaoIdjoo8 uo he zou e: ua01BAneeig 6 ZP ST AI ST TI <5 6 dd 9 G4 lid dE ae “mids Joru * UoIUE ‘ouroId se | « «et! ( É hd " JEE är =Uorf 9[9 JUS 19 UAOIdANeeIg JY U jeisoouw { uaordyor iele Ja. pt Ee ga er “pjowuuos | zun sancerd [A5 BENT LINT vr /eo 01 Ene d 4 ee 191558 ee a D 004 fiq worn 4g uep keke uaol [29 uo ie dd oANLEI: ® uw uaols) | “pt 88—"TtYISUIOOY Janez €) TE AGE BTS ELINE MEST TELE ATERLENE CAGE NEED "1978 “1ajer | “Jot 5 “layer uosep zy ‘Surpielog op EM HD ved der, En 5 EEP SEE PDA | EPT LOPEN "Buigooip ue ozfin 8 (TIE | ‘oreyeSrere M 3 555 Ee Hierbij dient aangemerkt te worden, dat geene dezer koffij- | _ monsters beschimmeld was na 25 dagen. Zij waren echter ge- heel in dezelfde omstandigheden geweest als de vroeger (bladz. ik. 1507) vermelde. Onder deeerste zestien dagen waren negen drooge; onder Be volgende negen vijf genoegzaam drooge dagen; onder de laat- ste zeventien waren slechts zes bijna drooge dagen. Op den dag s vóór de laatste weging was het steeds regenachtig. Het weder was toen dus vochtig genoeg, om den invloed op de verschil | ij lende gedroogde monsters te kunnen vergelijken. Die, opgegeven als zonder hoornschil, waren in de twee eer- | ij ste dagen in de hoornschil gedroogd, om die bros te maken. Die, welke in de hoornschil gedroogd en bewaard werden, KU hadden in den regel het meest de kleur behouden. De invloed j der bewaring in de hoornschil blijkt uit No. f—6. Deze waren ee gedurende de laatste 16 dagen van de hoornschil ontdaan, en | | toch bleven zij goed van kleur. No. 9, 10, 13, en 18 waren dade- ME lijk na de bereiding gepeld geworden, en gedurende de 43 da- s gen, dat zij aldus aan de lucht blootgesteld waren, hadden 9 en 10 zich tamelijk wel, 13 en vooral f8, zich minder goed _ gehouden; dus door drooging, zelfs in de hoornschil, bij te hooge temperatuur en te langdurig (bijv: 75° à 109° C.) wordt _de kleur reeds in den aanvang door de warinte verstoord, ter- wijl sommige, buiten de hoornschil gedroogd, die later door beschimmeling nog meer verloren hadden ( bv. No. Î4en 15). Volgens deze uitkomsten kan men de fen eerstgemelde resul taten bijna alle goed, de zes volgende tamelijk en de zeven laat- ste slecht noemen. Het is opmerkelijk, dat de koffij van ge- wone bereiding, ofschoon met zorg gedroogd, en het geringste soortelijk gewigt had en het meest ontkleurd was. De lucht, die ten gevolge der niet dadelijke inkrimping, het water in de- ze koffij verving, heeft het bladgroen doen ontkleuren. Ten deele althans was die lucht een produkt der gisting, uit het De koffij schijnt wel, naar deze uitkomsten , later minder wa- ter aangetrokken te hebben, naarmate zij in den aanvang drooger 534 was; maar dit hangt daarvan af, dat, bij aanwending van kunst- warmte, de temperatuur langzaam en niet te hoog geklommen is (No. 10 en ff). Daarbij schijnt de kleur het meest besten- | dig te worden, ofschoon die weder, naar de temperatuur, ver- $ schillend uitvalt. Nemen wij in aanmerking, welk groot verschil in prijs er is tusschen de verschillend gekleurde koffijsoorten , dan is het ze- ker niet ondienstig te beproeven, of ook op groote schaal die nuancen willekeurig te verkrijgen zijn, welke ik in het klein bekomen heb. Het zou goed zijn te beproeven, welke kleur de koffij bekomt, wanneer zij, zonder blootstelling aan de zon , dadelijk in de droogkamer gebragt wordt. De bruine en gele koffij zijn waarschijnlijk (donker en licht) groen geblevene, die door zeer lang bewaren, in geur en smaak gewonnen, maar de kleur verloren hebben. De fluktuatie in den prijs der gele soorten echter maakt het wenschelijk , om koffij van donker groene, in bruin overgaande kleur, te bereiden. Niet noodzakelijk schijnt echter die kleurverandering te moe- ten volgen, tenzij de even hoog betaalde, blaauwe koffij welligt door korter bewaren denzelfden geur verkregen hebbe. De blanke en mindere soorten moeten de groene kleur reeds vroeg verloren hebben, en daarmede veel van die stoffen, welke la- ter de koffij geurig maken. Al mijne monsters hadden, versch bereid, geheel den reuk van versche thee. Eerst thans (half Mei) begint de koffijreuk kenbaar te worden. Dewijl de goede hoedanigheden van de koffij van Sisir ook zijn daar te stellen in hetzoo vochtige klimaat van Buitenzorg, kunnen de gebreken van de Preanger koffij, en vooral van de Cheribonsche, bezwaarlijk alleen aan het klimaat worden toegeschreven. Te kortstondige drooging komt daarbij, voor een groot gedeelte, mede in rekening. | Daar bij de gewone droogwyze het in gisting gerakende sap der vrucht een onherstelbaar nadeel aan de kern toebrengt, zoo behoorde men die, om koffij van hooge marktwaarde te krijgen, geheel te verlaten. __ Op Java van de hoornschil bevrijd zijnde, zoude de koffi 555 f „nog met voordeel een of twee’ dagen in de zon, of liever een ee paar uren bij 60 a 70° C. (140° à 158° F.) kunnen gedroogd Îe. De verschillen in kleur en zwaarte verraden eene onvol- komene drooging der koffij; want dan komt de invloed van hef klimaat in werking, waardoor witzetting of op- zwelling , beschimmeling en kleurverandering ontstaan. 2e, Bij goede aanhoudende drooging, tot op een gehalte van dol, a 9!, water, heeft noch het klimaat, noch de ge- middelde temperatuur der plaats, eenigen wezenlijken invloed op de kleur en de zwaarte der koffij. f ge, Doch er kunnen plaatsen zijn, waar steeds of dikwijls ge- brek is aan heldere lucht en zonnelicht, en dus eene snelle, onafgebrokene, volkomene drooging onmogelijk wordt. Daar behoort gelegenheid te zijn voor kunstmatige drooging. De medegedeelde proeven toonen duidelijk aan, welk ver- band er bestaat, tusschen de hoogte en den duur van warm- tegraad ter eene, en het watergehalte, de zwaarte en do blijvende Kleur der koffij ter andere zijde. De kunstmatige drooging zou, op verre de meeste plaat- sen van Java voordeelen aanbieden boven de natuurlijke drooging. | 4°. De gewone droogwijze, in de roode schil, is onvoorwaar- delijk af te keuren. Het staat dus in onze magt, de koffij uit, ten aanzien van hoogte en klimaat verschillende, streken van Java ongeveer dezelfde blijvende goede eigenschappen, Kleur en zwaarte te doen bekomen. Buitenzorg, 16 Mei 1852. ONDERZOEK VAN KOPERZAND UIT HET GEBERGTE TAMPI, NABIJ DE GROOTE PENITI-RIVIER IN DE AFDEELING SAMBAS. DOOR P. J. MAIER. In den tweeden jaargang van dit tijdschrift bladz. 346 is melding gemaakt van eene mineraalsoort, welke door den gou- verneur van Singapore was toegezonden aan het Nederlandsch- Á Indische bestuur. Uit het aldaar vermelde onderzoek is geble- ken, dat zij grootendeels bestaat uit zuiver koper, gemengd met een weinig roodkopererts. Het kopergehalte werd daarin ë và op ruim 80 pCt. bepaald. Omtrent het voorkomen van dezen erts echter was niets vermeld. Het sedert dien tijd door den heer Van Deventer, kapitein der genie, op uitnoodiging van den resident van de Westeraf-_ ling van Borneo in het werk gestelde onderzoek op de plaats zelve, heeft aanleiding gegeven tot het hier onder medegedeelde verslag. 537 Verslag eener zending tot onderzoek van koperzand in het gebergte Tampi, nabij de groote Pemti-rwier, in de afdeeling Sambas. Bijlagen: Een pakje, inhoudende eenige stukjes gedegen koper. Een fleschje, inhoudende steenen met aanslag vaa koperoxijde. Twee flesschen zand. sIn den avond van den f2den Julij 1851 begaf ik mij per »gouvernements bandang Bertibi op reis en kwam in den och- stend van den 1Sden voor de monding der groote Peniti. Aan- »gezien het water zeer laag was en alzoo de bandang niet __ sover de bank kon komen, ging ik in een schuitje de rivier sbinnen, naar het chinesche dorp, gelegen aan den linkeroever, seen kwart uur roeijens de rivier op. Ik vernam hier, dat het s niet mogelijk was, in één dag de plaats, waar de landweg sbegon , te bereiken en maakte mij alzoo dien ochtend ten snutte, om de chinesche kampongs aan Soengi Poerong ketjil sen Poerong besaar te bezoeken.” »Naar de laatste begaf ik mij over zee en van daar naar de __»eerste over een’ tamelijk goeden landweg, door schoone sa- E » wahvelden.” ___»Van daar teruggekeerd en het water in dien tusschentijd ge- » wassen zijnde, voer ik tegen 2U, uur per bandang de rivier ‚_» Peniti binnen, eerst in eene oostelijke , later in eene o.n.o. sen n. 0. rigting.” s Vroeger bestond aan den regteroever, waar het riviertje s Sikadang in de Peniti viel, nog eene goede chinesche kampong 4 » van omtrent 40 huizen, waarvan nu echter niets meer te svinden is. f » Tegen 6 uur werd de rivier zoo naauw, dat de bandang _ »niet verder kon voortgaan. Hier bleef ik overnachten. 4 »Den volgenden morgen werden de noodige goederen en __ sgereedschappen in twee praauwtjes geladen en ging ik hier- »mede tegen 7!/, uur de rivier verder op, langs de mondingen __» van Soengie Ngara en Kajoe tanam, tot omstreeks 10!/, uur, 538 »als wanneer ik aan den linkeroever in eene kleine pondok s aan wal stapte, om de mij vergezellende menschen te laten » eten. » Van hier voerde vroeger ook een weg naar de goudmij- snen van den Bang-Pingsang (chinesche benaming van drie s heuvels, waarvan de Daijahsche benamingen zijn Djerat Se- » mata, Tjainpi en Singjangan), welke weg echter geheel ver- » groeid is s Nog 1/, uur voortroeijende, kwam ik tegen 1!/, uur aan » den voet des heuvels Bang-Pinsang (Djerat Semata), waar de » weg over land begon. ’ » Dit eerste heuveltje bestaat uit zeven kleine toppen, waar- » over de zoogenoemde weg voert, loopende in eene bijkans »0. Z. Oo. rigting en waarover ik %, uur besteedde. Vervolgens » komt men aan eene kleine vlakte, een kwart uur lang, en van » daar aan den heuvel genaamd Tampi. Nog %, uur over den »top dezes heuvels in n.o. strekking geklommen zijnde, kwam »ik aan de plaats, waar vroeger koper was gevonden. » De chinesche goudmijn alhier scheen pas onlangs verlaten te » zijn en er stonden nog drie ledige huisjes, waarin ik besloot » mij voorloopig op te houden, om naar het koperzand onderzoek » te doen. »De mij mede gegeven chinesche gids San Tore Laornars » van Soengie Poerai ketjil of liever van Panirimang is nooit »goudgraver geweest en wist plaatselijk hier niets, zoo dat ik » zeer gelukkig was, dat, ten gevolge eener vertrouwelijke me- » dedeeling van den resident, pangerang Ssanter Monamman , » gewezen civielen gezaghebber van Mampawa , zekeren Inrsr » MAGNAT, zOOn van Inrse SAMSOEDIN, had uitgenoodigd met mij »te gaan. » Deze verhaalde mij, dat hij voor omtrent 8 jaren was uit- » gegaan om kajoe garoe te zoeken en alstoen in dit geberg- ste Tampi vermeend had sporen van goud te zien; dat hij zich » daarop hier had gevestigd en werkelijk goud gevonden had; » dat hij bij die wasschingen ook koper had gezien en dit den ssulthan van Pontianak en genoemden pangerang Ssarier Mo- 559 wraMMAD had gezonden, echter allijd in zeer kleine hoeveelhe- » den; dat hij volstrekt niet wist of hier ooit een Europeaan » was geweest en of er ooit veel koper was gevonden; dat, stoen later de Chinezen zich hier hadden gevestigd als goud- »gravers, de sulthan hem had terug geroepen. » Het gebergte Tampi is noch bij de Chinezen, voor zoo ver sik heb kunnen onderzoeken, noch bij de Maleijers te Pontia- snak bekend. Alleen Inrsr Maanar gaf het dezen naam en zei- » de mij dat lwsor of boeksor tampi zooveel beduidde als: langs » den voet van den Tamp. | » Het gemis van handen door het verlaten dier chinesche pa- »rit, alsmede mijn verlangen om nog van latere bewoners in- »lichtingen te bekomen, deed mij besluiten San Tona naar Man- » dor te zenden, ten einde van daar vier chinesche koelies te » halen, zoo mogelijk, die hier vroeger gewerkt hadden. Den » volgenden dag in den namiddag kwam hij met twee Chinezen » aan, hebbende ik in dien tusschentijd, nadat de matrozen van de » kruispraauw , welke mij waren medegegeven „ mijn goed her- « waarts hadden gebragt, onder leiding van ÍNrse Marmar op » verschillende plaatsen laten graven. sDeze eerste proeven waren zeer gelukkig, vooral in zoover- »re zij aan mij als leek in de mineralogie en geologie de over- » tuigendste bewijzen gaven van het aanwezig zijn van koper, » vermits zij zuivere stukjes gedegen koper bragten, hierbij over= »gelegd. Het was echter in zoo geringe hoeveelheid, dat ik »op meer andere plaatsen, steeds langs den voet en eenigzins » hooger op aan de z. o. helling van den Tampi gaten liet graven. » Nadat de bovenste aarde was weggenomen, welke eene ver- _» schillende dikte had van 0,5 à 1,00 el, kwam ik steeds op witte, » ook wel graauwe en leiblaauwe ktei, waaronder weder steen. » Uit deze klei werd door wassching zand verkregen , waarin » vele schitterende punten en bij de eerste malen gedegen koper s gevonden werd. - » Dit zand, dat, nat zijnde, zwart, — droog, lichtblaauw is, heb »ik verzameld. Het aanwezen van koper bleek mij, behalve uit »de zuiver verkregen stukjes, uit de koperzouten , welke aan pas 540 s de steenen overal, waar beekjes liepen, waren aangeslagen en » welke de inlanders taht tambaga noemden, waarvan ik hier s ook eenige exemplaren overleg. » Het eerst aangetroffen zuiver koper werd gevonden in bij het » goudzoeken reeds omgewoelden grond, zoo dat ik, zoo wel » hooger als lager dit terrein in den omtrek onderzoekende „ ner- » gens die resultaten kreeg. » De witte en blaauwe klei, waaruit ik het medegebragt zand » bij wassching heb verkregen, was langs de geheele z. o. hel- » ling van den Tampi, waar ik ook maar graven liet, door- sloopende en zulks over omstreeks 500 tot 600 ellen lengte en »50 à 60 ellen breedte en had op sommige plaatsen eene »dikte van 0,30 tot 1,00 el. » Of dit zand nu zoo rijk koperhoudend is, als Scuwanrer » dit heeft aangegeven, betwijfel ik; waarschijnlijk is de proef s geschied op het in mijn oog reeds zuivere koper. » Wie verder radja Brooke van het hier aanwezige koper » kennis heeft gegeven, is mij ook onbegrijpelijk. Nooit zou » hier een Europeaan geweest zijn en zoowel maleische als chi- » nesche goudgravers, die hier vroeger gevestigd zijn geweest, » beweren, dat de produktie van zuiver koper steeds zeer gering » is geweest, » Ten slotte heb ik het bedoelde zand wegens de moeijelijk- » heid van vervoer, niet in zoo groote hoeveelheid medegebragt, »als ik in den begijne van plan was; te meer, daar ik er niet »zeker van was, werkelijk kopererts mede te voeren. » Proeven met salpeterzuur en ijzer , zoo wel te Pontianak — sals te Sambas genomen, hebben mij steeds bewijzen van aan- — » wezigheid van koper gegeven; tot eene behoorlijke analijse » ben ik echter niet in staat, maar ik vermoed, dat dit zand s veel zwavelkoper bevat. »Mogten echter gelukkige resultaten verkregen worden , dan »zal het aanleggen van een’ eenigzins bruikbaren landweg niet » veel moeijelijkheden in zich hebben en zal die van 1%, uur stot 2 uur lang zijn. een nde Eee 541 | | __» Verder zal de erts met kleine praauwen de rivier Peniti be 5. y saar moeten afgevoerd worden. ___»Ook zou men eenen landweg naar Mandor of Kopian kun- he snen aanleggen; de eerste bestaat , maar moet laag en mod- 4 sderig zijn; dan echter is men in de gelegenheid, erts of koper smet praauwen naar Pontianak af te voeren.” Sambas, den fÎ6den Augustus 1851. De kapitein der genie. (Ww.g.) Van DEVENTER. ___Den ffden September 1851 werd mij het onderzoek opge- dj dragen der twee flesschen zand, van het pakje, inhoudende eenige stukjes gedegen koper en van een fleschje, inhoudende K steenen met aanslag van koperoxyde. | 1. Wat den kopererts betreft, heeft het onderzoek volgende uitkomsten opgeleverd. Het is een mengsel van: 4 a. Kopermetaal en weinig roodkopererts; het is gemakkelijk ik af te zonderen; deze is dezelfde kopererts, waarvan in dit tijd- vi schrift gewag is gemaakt; men leest daar op bladzijde 346 van den 2den jaargang „bedoelde erts enz.” Bevrijdt men het zooveel mogelijk van de bijgemengde deelen, ‚ dan kan het kopergehalte klimmen tot 95 of 96 ten hon- k derd. Enkele stukjes van dit kopermetaal, dat bij sommige exem- ki plaren duidelijk kristalvorm vertoont, met soda en kool voor 5 de blaasbuis in de herleidingsvlam behandeld, lieten na bekoe- k ling zich gemakkelijk tot dunne blaadjes uitslaan, waaruit mij gebleken is, dat de hoedanigheid van het koper vrij goed is. eb. Eene voor deze hoeveelheid erts betrekkelijk rijke hoe- veelheid gedegen goud, sporen van zilver bevattende. c. zwavelkoper en kristallen van zwavelyzer. d. Kwarts, fragmenten van feldspaath en van siltkaten. Een onderzoek naar platina ondernomen, gaf geen resultaat. baar in het rapport van den heer Van Deventer uitdrukke- 542 lijk vermeld is, dat het eerst verkregen koper in den door de vroegere goudgravers reeds omgewoelden grond gevonden is, komt het mij voor, dat deze erts het overblijvende is geweest van tot het wasschen van goud gediend hebbend zand, waar het goud grootendeels was uitgezocht. Het rapport is ten deze opzigte echter wat al te kort, om met zekerheid omtrent het voorkomen van dezen erts te kunnen besluiten. 2. De steentjes, die in het fleschje waren bewaard, waren gedeeltelijk met een malachietachtig bekleedsel bedekt, ge- deeltelijk van malachiet (koolzuur koperoxydehydraat) doordron- gen. Deze laatste kunnen, wanneer ze in eene belangrijke hoeveelheid mogten voorkomen, met voordeel tot uitsmelting _— van koper worden aangewend. | 9. Aangaande de twee met koperzand gevulde flesschen zijn de volgende uitkomsten verkregen. A. Flesch a. Ke es Deze was omtrent 2, met zand gevuld, welks gewigt 1551 grm. bedroeg. Al dadelijk overtuigde men zich van de aanwe- zigheid van koper. Met weinig moeite heb ik in een uur tijds 0,790 grm. koperstukjes er kunnen uitzoeken; deze koperstuk- jes zijn van dezelfde soort, als boven sub _{ ais vermeld en welke ruim 80 ten honderd koper bevatten. Het zand bevat echter meer koper. Ten einde het gewigt daarvan te bepalen, heb ik 500 grm. fijngewreven zand met genoegzame hoeveelheid salpeterzuur , zoutzuur en water in de warmte behandeld, het zuur reagerende filtraat met zwavelwaterstofgas ontleed, van het gevormde zwavelkoper afgefiltreerd, het laatste in salpeterzuur opgelost, en de gefiltreerde oplossing met potasch ontleed, het praecipitaat gewasschen, gedroogd en gegloeid. Het keper- oxyde woog 9,527 grm. en beantwoordt aan 7,6063 grm. koper. 100 grm. zand bevatten dus 1,5213 grm. zuiver koper. Zoo als reeds vermeld is, waren uit de geheele hoeveelheid zand 0,790 grm. koperstukjes uitgezocht, voor 100 grm. zand 0,0509 grm. bedragende, en beantwoordende (80 ten honderd ruim koper bevattende) aan 0,0407 grm. zuiver koper. Deze bij de din kar naad ide Ne tn EE B eme ë er sp h t E 53 reeds verkregene hoeveelheid gevoegd, geeft voor 100 grm. zand 1,552 grm. zuiver kopermetaal. Het koper is slechts voor een klein gedeelte als koper- metaal daarin aanwezig; het meeste in vorm van enkelwoudig _ zwavelkoper (zoogenoemd koperindigo of corellit in eenen eenigzins aardachtigen vorm). Op dit laatste mineraal is bij- zonder te letten. Het heeft een soortelijk gewigt van 9,8 en kan dus gemakkelijk , wanneer het zand gewasschen wordt, mede worden weggewasschen en op deze wijze verloren raken. Van daar ook stellig de opgave, dat het zand weinig koper bevat. Men had waarschijnlijk meer op het koper in metaalvorm gelet, het- welk door de goudgravers daar ter plaatse na het wasschen voor een groot gedeelte was overgebleven en gedeeltelijk verzameld. Het koperindigo stelt kleine, zwartblaauwe, aardacbtige stukjes daar, die in een open glazen buisje verhit , onder ont- wikkeling van zwaveligzuur met eene blaauwe vlam branden. De zoo geroosterde massa smelt op kool tot een’ magnetischen kogel en toont voorts voor de blaasbuis de gewone koperreaktie. Het zand zelf heeft een soortelijk gewigt van h1A4A, is onregelmatig grofkorrelig, bevat, behalve de reeds vermelde mi- neralen, eene zekere hoeveelheid zwart ijzerhoudend zand, door den magneet uit te trekken; voorts eene kleine hoeveelheid goud; vele kristallen van zwavelijzer, die het zand een glin- sterend aanzien geven, en eindelijk stukjes van kwarts en van silikaten. Het in het zand bevatte koper is van eene goede hoedanig- heid. Van de boven verkregene 9,527 grm. koperoxijde heb ik een gedeelte met kool en wat borax in een kroesje in de witte gloeihitte behandeld , ten einde het koperoxijde tot ko- per te herleiden; het verkregen koper was zuiver. B. Flesch b. Deze was bijna geheel met zand gevuld; het zand had een geringer soortelijk gewigt, dan het zand in flesch a, namelijk 4,059; bevatte veel minder zwart ijzerhoudend zand, ook veel minder goud en was veel grofkorreliger. Shih Geen koper in metaalvorm kon men daarin ontdekken — echter betrekkelijk veel van het bovenvermelde enkelvoudige zwavelkoper. In het rapport van den heer Van Deventer is vermeld, dat het natuurlijk voorkomende zand op de plaats zelve door _ wassching van de kleiaarde bevrijd is. Speciale opgaven om- trent deze wassching zijn niet vermeld. Het verschil dezer twee soorten kan of natuurlijk, of door de bewerking veroor- zaakt zijn. Door het gehalte aan zwavelkoper is dit zand evenzoo belangrijk als het zand in flesch a. | NIEUWE BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER ICHTHYOLOGISCHE FAUNA VAN AMBOIN A. DOOR Dr. P. BLEEN ER. Na in een paar artikels, opgenomen in het Natuurkundig tijdschrift voor Nederlandsch Indië (fl), te hebben kunnen bij- dragen tot de. kennis der visschen van de Moluksche eilan- c en, en in het bijzonder tot die van Banda, Amboina en Ceram, zie ik mij op nieuw in staat gesteld, iets aan die kennis te kunnen toevoegen. In Junij 1852 ontving ik weder eene be- langrijke verzameling visschen van Amboina, welke ik te dan- ken heb aan de vriendschap en wetenschappelijken ijver van den heer Dr. J. Harrzrerp, chirurgijn majoor ter hoofdplaatse van het gouvernement der Molukken. Deze verzameling bevat 63 soorten, allen in uitmuntenden toestand van bewaring, 4 (1) Bijdrage tot de kennis der ichthijologische fauna van de Bauda-ei- landen. Nat. Tijdschr. N. Ind. IL. 1851 p. 225 — 261. k Bijdrage tot de kennis der ichthijologische fauna van de Moluksche eilanden. Visschen van Ambcina en Ceram. Nat. Tijdschr. Ned, Ind. UI 1852 p. 228 — 309. ä UI 10 546 meerderen nieuw voor de kennis van Amboina en de Molukken _ en enkelen ook nieuw voor de wetenschap. De bedoelde 63 soorten zijn de hieronder genoemde. | 1. Apogon Hartzfeldii Blkr. 2. » melas Blkr. 3. Serranus cyanostigma K. v. H. Á. » pardalis Blkr. 5 » mieroprion Blkr. 6. Mesoprion octolineatus Blkr. rf » Russellii Blkr. 8 2) » bottonensis Blkr. k » fulviflamma Blkr. 10. » striatus Blkr. 1á. » marginatus Blkr. 12. Holocentrum sammara CV. 18. Upeneoïdes variegatus Blkr. 14. Pterois zebra CV. 15 » _ volitans CV. 16. Apistus fusco-virens QG, ? 17. » _ taenianotus CV. 18. Scorpaena diabolus CV. 19. Diagramma punctatum Ehr. . Scolopsides bilineatus CV. . Lethrinus opercularis CV, fen) bo . Caesio coerulaureus Lac. Ko bo Ie he Js ke) ‚ Gerres oyena CV. 24. Chaetodon vagabundus Bl. 25. » virescens CV. 26. Zanclus cornutus CV. 27. Scatophagus argus CV. 28. Toxotes jaculator CV. 29. Chorinemus sancti Petri CV. 30. Caranx Forsteri CV. 31. Carangoïdes blepharis Blkr. 32. Amphacanthus dorsalis GM 33. » Kopsii Blkr. AQ dezer soorten kwamen niet voor in de verzamelingen, welke ik vroeger van Amboina ontving en 19 zijn nieuw voor de kennis der Moluksche eilanden. In mijne bovenbedoelde bij drage werd het aantal van Amboina bekende vischsoorten op= 34. Priodon annularis CV. 35.*Keris amboinensis Blkr. 36. Callionymus dactylopus Ed. Benn. 37. Amphisile scutata Cuv. 93. Fistularia immaculata Comm. 99. Amphiprion chrysurus CV. 40. » melanopus Blkr. 41. Pomacentrus melanopterus Blkr. 42, Julis (Julis) lunaris CV, N 43. » (__» ) dorsalis QG. 44. » (Halichoeres) interruptus Blkr. 45. » (_“» _) Hartzfeldii Blkr. © 46. Novacula julioïdes Blkr. 47. Belone cylindrica Blkr. Ei 48. Hemiramphus Quoyi CV.? 49. Plotosus lineatus CV. el 50. Saurida nebulosa CV. 51. Echeneis neucrates L. 4 52. Rhombus sumatranus Blkr. 53. Balistes lineatus Bl. Schn. 54. » praslinus Lacép. l © aculeatus Bl. Schn. á RE vidua Soland. 57. Tetraödon hijpselogeneion Blkr. 58. » laterna Richards. 59. » papua Blkr. 60. Diodon punctatus Cuv. 61. 7» novemmaculatus Cuv. 62. Pegasus volans L. Lac. El 63. Taeniura lymma MH. 8 BMT gegeven te bedragen 116. Thans zijn mij, voor zoo ver ik heb Kunnen nagaan, met zekerheid als Amboinasche vischsoorten _ bekend de {53 hieronder genoemde. Achter hare namen zijn ú gevoegd de aanhalingen der plaatsen, waar ik ze in vroegere __ verhandelingen heb beschreven. 1. Apogon melas Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 2 » roseipinnis CV. Nat. T. Ind. III p. 253. 9. » orbicularis K. v. H. ibid. p. 254. 4. » Hartzfeldii Blkr. ibid. p. 254. 5. Ambassis Dussumierii CV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 6. » urotaenia Blkr. Nat. T. N. Ind. III p. 257. 7. Cheilodipterus quinquelineatus CV. ibid. II p. 253. 8. Serranus microprion Blkr. 9, » cyanostigma K. v. H. Verh. Bat. Gen. XXII Perc. E10. » leucogrammicus Rwdt. ibid. 1. _» _ crapao CV. ibid. © 12. __» amboinensis Blkr. Nat. T. N. Ind. III p. 258. E13. » pardalis Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Percoid. E14. » biguttatus CV. 415. Mesoprion Russellii Blkr. Verh. B. Gen. XXII Perc. 8 16. » fulviflamma Blkr. = Diacope fulviflamma CV. Re 17. » marginatus Blkr. == Diacope marginata CV. ? MS. >» octolineatus Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII. Perc. A 19, » amboinensis Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 259. E20. » unimaculatus QG. Verh. Bat. Gen. XXII Perc. E 21. bottonensis Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 170. e 22. Therapon theraps CV. Verh. Bat. Gen. XXII Perc. Ee BO > servus CV. bid. _ 24. Priacanthus japonicus CV? Nat. T. N. Ind. H p. 174. 25. » macracanthus CV. Verh. Bat. Gen. XXII Perc. 26. Myripristis parvidens CV? Nat. T. N. Ind. III p. 260. 27. » microphthalmus Blkr. ibid. III p. 261. a 29. Y Holocentrum sammara CV. » diadema CV. Nat. T. N. Ind. III p. 259. . Sphyraena obtusata CV. Bat. Gen. XXII Perc. » Commersonii CV. ibid. ‚ Upeneoïdes bivittatus Blkr. ibid. » variegatus Blkr. ibid. „ Dactylopterus orientalis CV. Nat. T. N. Ind. HI p. 264. ‚ Pterois volitans CV. Verh. Bat. Gen, XXII Sclerop. __» antennata CV. 548 . Pterois zebra CV. Nat. T. N. Ind. III p. 265. . Scorpaena diabolus CV. ibid. III p. 266. . Apistus fusco-virens QG,? ibid. III p. 269. » taenianotus CV. e al je En » longispinis CV. / Pean punctatum Ehr. CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Sciaen. „ Scolopsides bilineatus CV, ibid. » Iycogenis CV. ibid. . Chrysophys bifasciata CV. „ Caesio coerulaureus Lac. Verh. Bat. Gen. XXIII Maen. . Emmelichthys leucogrammicus Blkr. ibid, ‚ Gerres oyena CV. ibid. „ Chaetodon princeps CV, ibid. Chaetodont. » vittatus Bl. Schn. ibid. » virescens CV. ibid. » oligacanthus Blkr. ibid. » vagabundus Bl. ibid. » strigangulus Sol. Nat. T. N. Ind. II p. 239. . Heniochus macrolepidotus CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Chaetod. . Taurichthys viridis CV. ibid. . Zanelus cornutus CV. ibid. . Scatophagus argus CV, ibid. » ornatus CV. . Platax Blochii CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Chaetod. . Pempheris mangula CV. ibid. ‚ Toxotes jaculator CV. ibid. 63. Scomber loo CV. ibid. XXIV Makr. Visschen. 64. Chorinemus sancti Petri CV. ibid. 65. » tol CV. ibid. 66. Megalaspis Rottleri Blkr. ibid. vl 67. Selar trachurus Blkr. €83. _» boöps Blkr. Verh. B. Gen. XXIV Makr. Visschen. 69. Caranx Forsteri CV. ibid. 70. » _ ekala CV. ibid. TIE » —_ Peronii CV. 72. Carangoïdes blepharis Bikr. Verh. B. Gen. XXIV Makr. Vissch. 1e » opkthalmotaenia Blkr. Nat. T. N. Ind. UI p. 271. 74. Temnodon saltator CV. 75. Amphacanthus dorsalis CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Teuth. 76. » margaritiferus CV. 71. » Kopsii Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. II p. 488. 78 . Acanthurus hepatus Bl. A "" dt” B ak à ak in rar ri od BEE hese 7 549 ‚ Priodon annularis CV. 80. 81. 82. 83. 84. 55. 86. 87. 83. 89. 90. O1 02. 93. 94. 95. 96. 97. 98. 99: 100. 101. ‚ 102. 103. 104. 105. 106. R07. 108. 109. 110. di. 112. 113. 114. 115. 116. 117. 118. m9, 120. Keris amboinensis Blkr. Nat. T.N. Ind. III p. 272. Atherina cylindrica CV. » lacunosa CV. Petroskirtes anema Blkr. Nat. T. N. Ind. III p. 273. Gobius cyprinoïdes Pall. » caninoïdes Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 274. Periophthalmus Schlosseri Bl. Schn. Verh. B. Gen. XXII Gobioid. Callionymus filamentosus CV. Nat. T. N. Ind. III p. 278. » sagitta Pall. ibid. IT p. 31. » ocellatus Pall. » dactylopus Ed. Benn. Antennarius hispidus Comm. Nat. T. N. Ind. III p. 280. Fistularia inmmaculata Comm. ibid. II p. 281. Amphisile scutata Cuv. ibid, II p. 245. » velitaris Cuv. Amphiprion bifasciatus Bl. Schn. Nat. T. N. Ind. III p. 232. » chrysurus CV, » melanopus Blkr., Pomacentrus nematopterus Blkr. Nat. I. N. Ind. III p. 285. » prosopotaenioïdes Blkr. ibid. III. p. 286. » melanopterus Bkr. Glyphisodon rahti CV. Nat. TI. N. Ind. III p. 287. » melas K. v. H. Verh. Bat. Gen. XXI. Kamsch. Labroïd. Heliases analis CV. Dascyllus aruanus CV. Nat, T. N. Ind. II p. 247. Julis (Halichoeres) interruptus Blkr. ibid, II p. 252. né » ) Hartzfeldti Blkr. » (Jelis) lunaris CV. Verh. Bat. Gen. XXII. Gladsch. Labr. » (_» ) dorsalis QG, Novacula julioïdes Blkr, Nat. T. N. Ind. II p. 254. Gomphosus Cepedianus QG. Epibulus insidiator CV. Verh. B. G. XXII Gladsch. Labr. Plotosus lineatus CV. ibid. XXI Siluroid. batav. Hemiramphus Quoiji CV. Nat. T. N. Ind. II p. 491. » Dussumierii CV. Belone cylindrica Blkr. Verh. B. Gen. XXIV Snoek. Alausa melanurus CV. ibid. XXIV Har. Vissch. Saurus myops CV. » trachinus T.Schl. Nat. T. N. Ind. II pg 201 Saurida nebulosa CV. ibid. III p. 292. Tetragonopterus argenteus Less. 550 121. Echeneis neucrates L. Verh. B. G. XXIV Chir. ete. 122. Muraena colubrina Richards. 123. Rhombus sumatranus Blkr. Nat. T. N. Ind. IT p. 409. 124. » poecilurus Bikr. ibid. III p. 293. 125. Solea trichodactyla Cuv. 126. Plagusia Kopsii Blkr. Nat. T. N. Ind. IT p. 494. 127. Balistes lineatus Bl. Schn. ibid. II p. 260. 128. » vidua Soland. 129. » _ aculeatus Bl. Verh. B. Gen. XXIV Balist. 130. » praslinus Lac. ibid. 181. » ambonensis Gr. Hardw. 2. Monacanthus tomentosus Cur. Verh. Bat. Gen. XXIV Balist. ò. Fetraödon laterna Richards. Nat. T. N. Ind. III p. 299. 4. » virgatus Richards. ibid. III p. 299. 135. » hypselogeneion Blkr. ibid. III p. 300. 156. » kappa Russ. ibid. III p. 304. 137. » papua Blkr. Verh. Bat, Gen. XXIV Blootk. Vissch. 138. > margaritatus Rüpp. Nat. T. N. Ind. II p. 302. 189. Diodon novemrmaculatus Cuv. 149. Triodon bursarius Kwdt. Verh. B. Gen. XXIV Blootk. Vissch. 141. Ostracion cornutus L. ibid. XXIV Balist. Ostr. 142. » ecubicus Bl. ibid. 143. Syngnathus haematopterus Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 259. 144. » fasciatus Gr. Hardw. 145. Syngnathoïdes Blochii Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 259. 146. Hippocampus taeniopterus Blkr. ibid. IL p. 306. 147. » moluccensis Blkr. ibid, III p. 306. 148. Solenostoma paradoxum Laccp. ibid. HI p. 309. 149. Pegasus volans L. ibid. III p. 307. 150. » draconis L. 151. Carcharias (Prionodon) amboinensis MH. 152. Pristis cuspidatus Lath. | 9. Taeniura lymma MH. Verh. B, Gen. XXIV Plagiost. Álle soorten, achter welker namen de plaats der beschrij- vingen is aangehaald, bevinden zich in’ mijne verzameling. Serranus microprion, Pomacentrus melanopterus, Amphiprion melanopus en Julis (Halichoeres) Martzfeldii beschouw ik als nieuw voor de wetenschap. Behalve de beschrijvingen dezer vier nieuwe soorten heb ik hieronder nog laten volgen, die van Mesoprion marginatus Blkr, Mesoprion fulviflamma Bikr 551 Holocentrum sammara CV, Apistus taendanotus CV, Priodon annularis CV, Callionymus dactijlopus Ed. Benn, Amphiprion _ manthurus CV, Julis (Julis) dorsalis QG., Balistes vidwa Soland. | en Diodon Nnovemmaculatus Cuv, welke soorten grootendeels nieuw: zijn voor mijn kabinet, en welker diagnosen bij de _ verschillende schrijvers in meerdere of mindere mate te wen- \ schen overlaten. DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE, Serranus microprion Blkr. Serran. corpore oblongo compresso, altitudine 5% ad 34 in ejus longi- tudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acuúto 34 ad 34 in longitudine corporis; altitudine ecapitis 14 circiter in ejus longitudine; oculis- diametro 5 et paulo in longitudine capitis; linea rostro-frontali de- clivi rectiuscula; rostro maxillaque superiore alepidotis; maxilla inferiore | inferne tantum squamosa; maxilla superiore inferiore breviore, post ocu- lum desinente, dentibus pluriseriatis, serie externa conicis, seriebus in- ternis setaceis antice longioribus in thurmas 2 collocatis et insuper cani- | nis 2 medjocribus; maxilla inferiore dentibus antice pluriseriatis serie in- terna longioribus, antice caninis 2 vel 4 parvis; praeoperculo rotundato angulato, margine posteriore denticulis vix conspicuis; suboperculo inter- | operculoque margine tactu scabriusculis denticulis inconspicuiss operculo spinis 3, media longiore, inferiore breviore; dorso elevato valde convexo; ventre rectiusculo; squamis lateribus ciliatis 75 p. m. in serie longitudi- . mali; pinnis dorsali et anali radiosis rotundatis; dorsali spinosa dorsali radiosa paulo humiliore, spinis mediis et posterioribus subaequalibus cor- pore triplo circiter humilioribus; pectoralibus acutiuscule rotundatis 4 et paulo, ventralibus acutiusculis 6 ad 62, caudalí rotundata 5% ad 6 in longi- tudine corporis; anali spina media capite paulo plus duplo breviore; cO- lore corpore pinnisque fusco vel nigro; capite ocellis parvis confertis / coeruleis nigro cinctis; squamis lateribus singulis macula parva trigona nigra; pinnis verticalibus margines versus profundioribus. | Be 7D. 9/15 vel 9/16. B: 2/14, V. 1/5, A rDAE EVEL en lat. brev. Habit. Amboina, Batavia, in mari. Longitudo 3 speciminum 140’ ad 156’//. Aanm. Deze soort heeft in habitus veel van Serranus ro- gaa CV. Büpp., doch zij kan deze niet zijn, vermits van Ser- — ranus rogaa opgegeven wordt, dat zij eene regthoekig geknotte — staartvin bezit, tot formule heeft D. 9/18. P. 19. A. 3/10 d (RürrerL) of D. 9/17. P. 16. A. 9/9 (Cuvier), en voorts de E 553 Ë kaken beschubt. Mijne drie specimina zijn afkomstig van Ba- _ tavia en Amboina. De twee Bataviasche hebben het ligchaam \ fraai bruin, het Amboinesche ligchaam en vinnen zwart. if Mesoprion fulviflamma Blkr. Mesopr. corpore oblongo compresso, altitudine 32 circiter in ejus lon- gitudine, latitudine 24 ad 2 et paulo in ejus altitudine; capite 34 circi- Ster ín longitudine corporis; altitudine capitis 12 circiter in ejus longitu- "i dine; oculis diametro 8% ad 4 circiter in longitudine capitis; linea rostro- RN frontali declivi rectiuscula vel convexiuseula; osse suborbitali sub oculo ie junioribus oculo plus duplo, aetate provectioribus oculo duplo circiter humi- Jd lore; maxillis aequalibus, superiore sub dimidio oculi anteriore desinente, | _dentibus serie externa conicis antice caninis 4 ad 6 mediocribus; maxilla „ inferiore dentibus serie externa conieis, Jateralibus aliquot caninoïdeis an- j tieis majoribus; praeoperculo postice et inferne denticulato, incisura su- E' perficiali; operculo spinis 2 planis parum conspicuis; dorso elevato; squa- _ mis lateribus 50 p. m. in serie longitudinali; pinna dorsali parte spinosa Ee parte radiosa altiore, spina 1* ceteris breviore, 4° ceteris longiore 21 ad Wo: in altitudine corporis, parte radiosa rotundata; pinnis pectoralibus b acutis 4 circiter, ventralibus acutis 6 ad 64, caudali expansa truncata vel _ subtruncata angulis acuta'41 gd42 in longitudine corporis; anali spina me- dia ceteris vulgo longiore, parte radiosa angulata dorsali radiosa altiore ; | ‚ eolore corpore superne' rostroque olivaceo, lateribus inferneque flavo; fas- cis cephalo-caudalibus utroque latere 6 vel 7 aureis, fascia superiore in ‚linea laterali; macula magna rotundata nigra sub initio dorsalis radiosae usque sub spinas dorsales posteriores sese extendente dimidio inferiore li- ‚nea laterali percursa; pinnis flavis vel aurantiacis. 7D. 10/13 vel 10/14. P. 2/14, V. 1/5. A. 3/8 vel. 3/9. C. 17 et lat. brev. ( Ei Synon. Sciaena fulviflamma Forsk. Faun. arab. p. 45 n° 45. Perca fulviflamma Bl. Schn. Syst. posth. p. 28. Centropomus hober Lae. Poiss. IV p. 249, 255, 256, 268. Sciëne hober Bonnat. Planch. Encyclop. méth. Diacope fulviflamma CV. Poiss. II p. 319. Rüpp. Atl. R. N. gfrie, sE. RM, p.-72 tab. 19 fig 2. Diacope hober CV. Poiss. II p. 319. Abou nocta, Babar, Hober, Haalbiri Arab. Jkan Djennahah Mal. Batav. Habit. Amboina, Batavia, in mari. _ Longitudo 5 speciminum 160’ ad 233'/, | __Aanm. Zooals ik elders reeds heb opgemerkt, kunnen Dia- ed 554 cope en Mesoprion niet als twee geslachten gelden. De ge- 4 slachtsnaam Mesoprion is te verkiezen boven Diacope, eens- deels omdat de naam Diacope reeds door HüBnrr aan een ge- slacht van Lepidopteren gegeven is en ten andere, omdat de naam Diacope (insnijding) eene onjuiste beteekenis zou hebben wanneer men hem toepaste op de soorten, bij welke het prae- operkel geene insnijding heeft. De heer Rürperr (Neue Wirbelth. F. Abyss. F. R. M. p. 94) brengt tot de synonymen van Mesoprion fulviflamma ook Me- soprion monostigma CV. De soort, welke ik in mijne Bijdrage tot de kennis der Percoïden van den Indischen Archipel (Verh. Bat. Gen. XXII), heb beschreven als welligt te zijn Mesoprion monostigma CV. is bepaald eene andere als Mesoprion fulvi- flamma, onderscheidende zich, wanneer men exemplaren van dezelfde grootte vergelijkt, de eerste van de laatste door hoo- gere onderoogkuilsbeenderen, afwezigheid der overlangsche goud= kleurige banden, Î straal meer in de rugvin enz. In mijn groot ichthyologisch plaatwerk over den Indischen Archipel, welks uitgave door de zeer groote daaraan verbondene kosten, nog geen begin heeft kunnen nemen, zijn die verschillen door naauwkeurige afbeeldingen aanschouwelijk gemaakt. Mesoprion marginatus Blkr. Mesopr. corpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus lon-- gitudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite 82 eirciter in lon- gitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus longitudine; oculis — diametro 4 circiter in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi rec- — tiuscula; osse suborbitali sub oculo oculo minus duplo humiliore; ma- xillis subaequalibus, superiore sub oculi dimidio anteriore desinente, den- tibus serie externa conicis, antiore caninis 4 vel6 parvis; maxilla inferiore — dentibus serie externa conicis lateralibus aliquot ceteris paulo majoribus; praeoperculo postice et inferne denticulato, angulo rotundato dentibus ma=- joribus, supra angulum incisura profunda, margine posteriore supra inci- suram denticutis minimis; operculo spinis 2 planis, obtusis, parum con- spicuis; dorso elevato; squamis lateribus 50 p. m. in serie longitudinalis; pinna dorsali parte spinosa parte radiosa paulo altiore, spina 1* ceteris — breviore, spina 4° ceteris longiore 22 in altitudine corporis, parte radiosa rotundata; pinnis pectoralibus acutis 4, ventralibus 6, caudali extensa trun= 555 cata vel vix emarginata angulis acuta 5 in longitudine corporis; anali spi= ns , 2" spina 3 vix longiore, parte radiosa rotundata dorsali radiosa altiore; colore corpore superne olivaceo-roseo inferne flavo; rostro violacco; pin- fs pa dorsali rubra superne late violacea, radiosa flavo marginata; pectora- ‚ libus roseis; ventralibus analique aurantiaco-flavis; anali apice fuscescente; caudali fuscescente-rtbra, postice violacea flavo marginata. N BRA DeatOAlAsvel 10/15. B..2/14. V. 1/5, A.-3/8 vel 3/9. C. 17 et lat. brev. Synon. Diacope marginata CV. Poiss. II p. 320? Diacopz bordée CV. ibid. ? ä Nakadisé Incol. Ponticer? Diacope vanthopus CV. Poiss. III p. 865? Habit. Amboina, in mari. Longitudo speciminis unici 202” Aanm. Mesoprton marginatus komt mij voor dezelfde soort te zijn als Diacope marginata CV. van Pondicherrij en Oualan, doch het niet bestaan eener voldoende beschrijving van laatst- genoemde, maakt de gelijkstelling onzeker zonder vergelijking der specimina. Bij mijn specimen zie ik geen spoor van don- kere zijvlek. Ik vermoed, dat ook Diacope mvanthopus CV. van Ceijlon tot dezelfde species behoort, en het verdient nog na- der aangetoond te worden in hoeverre Diacope ae is CV: er soortelijk van verschilt of niet. I olocentrum sammara CV. Poiss. III p. 161. Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. p. 55. _Holoc. corpore oblongo compresso, altitudine 83 ad 44 in ejus longitu- dine, latitudine 12 ad 12 in ejus altitudine; linea rostro-frontali convexa; capite acuto 34 ad 32% in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circi- er in ejus longitudine; rostro acuto oculo breviore; oculis diametro 24 d 3 in longitudine capitis; osse suborbitali vix emarginato dentibus bene Gonspicuis postrorsum spectantibus; maxilla superiore inferiore breviore, alde protractili, sub pupilla desinente; dentibus supraorbitalibus et oper- Cularibus numerosis; spina praeoperculari oculo plus duplo breviore, non enticulata, aperturam brancialem attingente sed non vel vix superante; perculo spinis 2 validis subaequalibus, margine infra spinis non curvato lentibus parvis aequalibus armato; vertice lateribus striis 9 p. m. diver- fentibus; linea dorsali convexa, linea ventrali rectiuscula; squamis lateri- us 35 ad 40 in serie longitudinali; pinna dorsali usque ad basin incisa, 356 spina 8* ceteris longiore, spinis 2 ultimis spina 1* plus duplo brevioribus, parte radiosa angulata obtusa parte spinosa vix vel non altiore; pinnis pectoralibus et ventralibus subaequalibus, acutis, 54 ad 6 in longitudine corporis; anali spina 3* maxima 5 ecirciter in longitudine corporis parte radiosa angulata altiore; caudali profunde incisa lobis acutis rotundatis 5% ad 54 in longitudine corporis; colore corpore dorso violascente vel rubro- violaceo, lateribus inferneque roseo-argenteo; pinnis roseis, ventralibus tantum albescentibus. B. 8. D. 11/12 vel 11/13. P. 2/11 vel 2/12. V. 1/7. A: 4/8 vel 4/08 C. 5—19—4 vel 4194, 8 Var. a. Vittis longitudinalibus fuscis vel violaceis 8 ad 12, genis ni- gro guttatis, pinna dorsali antice macula magna nigra, pinna caudali fasciis 2 longitudinalibus violascentibus. b. Vittis et guttis ut supra, pinna dorsali macula nigra nulla, pinna caudali fasciis 2 longitudinalibus violascentibus. ce, Corpore vittis longitudinalibus guttisque capite nullis vel sub- inconspicuis; pinna dorsali antice macula nigra et inter singulas spinas superne et inferne macula lutea, pinna caudali non fasciata. d. Corpore vittis longitudinalibus guttieque ecapite nullis vel sub- inconspicuis, pinna dorsali antice macula nigra, caudali fasciis 2 longitudinalibus violascentibus. Pynon. Schouwerdick Ren. Poiss. Mol. I. tab. 29 fig. 156 ? Sciaena sammara Forsk. Descr. anim. p. 48 No. 58. Lac. Poiss. IV p. 814. Labrus angulosus Lac. Poiss. III p. 480. Labre anguleur Lac. ibid. III tab. 22 fig. 1 Perca samara Bl. Schn. Sijst posth. p. 89. | Holocentrus samara Rüpp. Atl. R. N. A. F. R. M. p. 85 tab. 22 fig. 8. Holocentre sammer CV. Poiss. III p. 161. Holocentrum christtanum Ehr. CV. Poiss. III p. 162. Holocentre chrétien CV. Poiss. III p. 163. Abou ümsammer, Homri, Farer vel Elagmar Arab. Habit. Amboina, Sumbawa, in mari. Longitudo 5 speciminum 60” ad 136” Aanm. Mijne verzameling bevat thans 5 soorten van Holo- centrum, t. w. Holocentrum leonoïdes Blkr., Holocentrum orten- tale CV, Holocentrum diadema Lac., Holocentrum operculare CV. en Holocentrum sammara CV. Deze laatste is van de _everige Á gemakkelijk te onderscheiden, doordien er de prae-_ ‘slechts van voren eene zwarte vlek heeft of in het geheel niet zwart is enz. Ik bezit er thans 5 specimina van, waarvan ech- ter geene twee in kleurteekening geheel op elkander gelijken, 4 zoodat de soort vele varieteiten schijnt te bezitten. De groote _ zwarte rugvinvlek is slechts bij drie dezer specimina aanwezig; \ de zwarte wangvlekjes zie ik slechts bij 4 hunner en verschil- Jen weder bij die 4 in talrijkheid; de donkere overlangsche _ staartvinbanden bestaan slechts bij de drie grootste specimina, 5 wat op eene leeftijds-verscheidenheid schijnt te duiden; de over- SCLEROPAREL. | Apistus taenvanotus GV. Poiss. IV p. 298. Richards. Voy. Samar. Ichth. p. 5 tab. 4 fig. 1,2. Apist. corpore oblongo compresso, altitudine 84 circiter in ejus longi- tudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite obtuso & in longi- _tudine corporis, paulo longiore quam alto; linea rostro-frontali concava;5 \oculis diametro 34 circiter in longitudine capitis, minus diametro ì ap- _proximatis; rostro paulo ante frontem prominente; spinis suborbitalibus E2, superiore inferiore longiore sub pupilla desinente; rictu parvo; maxil- lis aequalibus, superiore sub oculi parte anteriore desinente, inferiore cir- ris nullis; dentibus maxillaribus, vomerinis et palatinis minimis; prae- _operculo spinis 5, superiore acuta spina suborbitali superiore non breviore, inferioribus brevibus; linea laterali prope basin pinnae caudalis desinente; _squamis corpore minimis conspicuis, confertissimis; pinna dorsali integra, fronte ante oculum incipiente, spina 1* oculo vix longiore, 2 corpore vix _humiliore spinis ceteris longiore, spinis mediis spina 22 duplo et spinis ‚ posticis paulo brevioribus; membrana inter spinas anteriores margine su- „periore convexa; dorsali radiosa rotundata cum basi caudalis unita, cor- pore humiliore; peetoralibus rotundatis, radio libero nullo 22, ventralibus acutiusculis 54 circiter, caudali obtusa convexa 4 fere in 1öiitddies cor- poris; amali spina 3* ceteris longiore corporis altitudine minus duplo bre- viore, parte radiosa rotundata; colore corpore fuscescente; pinnis fusces- cente- =viridibus favescente-aurantiaco marginatis, dorsali analique radiosis 558 et caudali postice binten caudali radiis singulis medio puncto nigro. Bo. De hi/e Pi A2. NV. 1/5: AL 3/5, 05 LAret Tab Een. Synon, Sambia dourie Vlam. Rec. No. 247? Taenianote large=raie Luacép. Poiss. IV tab. 3 fig. 2 (exclus. descript.) Habit. Amboina, in mari. Longitudo speciminis unici 86'//. Aanm. Van Apistus taenianotus GV. schijnen eenige varie- teiten te bestaan, onderling verschillende door min of meer bruin gevlekt zijn van rugvin en ligchaam en door ligte ver-_ schillen in de getallen der vinstralen. | | TEUTHIDES. Priodon annularis GV. Poiss. X p. 228 tab. 094. QG. Loöl. Voyag. Freycin. p. 877. Priod. corpore ovali, altitudine 24 in ejus longitudine, latitudine 3 et paulo in ejus altitudine; capite obtuso 43 in longitudine corporis, altiore quam longo; linea rostro-frontali concava; oculis diametro 22 in longitudine capitis; rictu parvo, longe ante oculum desinente; dentibus maxillis apieem versus den- ticulatis, acutis, confertis, parvis; praeoperculo operculoque oblique ro- tundatis; dorso et ventre subearinatis, valde convexis, dorso ventre con- > vexiore; cute toto corpore squamis minimis scabriusculis quasi arenata vel granulata; cauda laminis 2 parvis rotundis non armatis; linea laterali con- spicua; pinna dorsali non emarginata, spinis scabris, 1° spinis sequentibus vix et radiis anterioribus non longiore, 8% circiter in altitudine corporis; peetoralibus obtusiusculis oculo duplo circiter longioribus; ventralibus acu- tis sub pectoralibus insertis; anali dorsali humiliore spinis scabris 2° spina l* longiore sed radiis breviore; caudali extensa subtruncata 5 circiter in longitudine corporis; cblore corpore luride viridi fuscescente irregulariter \ nebulato; cauda annulo dilutiore cincta; pinnis fuscescente-viridibus vel viridibus; caudali violacea flavo marginata. B. 4. D. 5/29. P. 2/16. V. 1/3. A. 2/28. C, 16 et lat. brev. Synon. Priodon annulaire CV. Poiss. X p. 223 tab. 294, Habit. Amboina, in mari. Longitudo speciminis unici 112, Aanm. Mijn specimen is aanmerkelijk grooter dan het ter aangehaalde plaatse afgebeelde. Ik tel er fÎ kieuwvliesstraal en ook f rugvin- en aarsvinstraal meer dan in de groote Histoire 559 ___ CALLIONIJMOÏDEL Callionymus dactylopus Ed. Benn. GV. Poiss. XII p. K Callion. corpore elongato depresso, altitudine 9 circiter, latitudine ma- xima 6 circiter in ejus longitudine; capite acuto, convexo, subtrigloïdeo, 5 et paulo in longitudine corporis, paulo longiore quam lato; altitudine __capitis 2 fere in ejus longitudine; oculis 4 circiter in longitudine capitis, minus diametro £ a se invicem distantibus; orbitis glabris; rostro acuto, oculo vix hs id if nh ï co vel glabro; foramine branchiali postera, basi pinnae pectoralis superiori Ak: 5 $ p : 5 , E ___opposita; appendice anal oblonga obtusa; linea laterali bene conspicua capite \ de : à 8 A longiore; opereulo non producto; processu praeoperculari oculo breviore, mar- __ gine externo dentibus 8 antrorsum spectantibus, margine interno denticulo uni- simplice nen divisanec opercula versus descendente; pinna dorsali spinosa E spinis filiformibus superne liberis, inferne omnibus membrana unitis, anticis caudam attingentibus; dorsali radiosa corpore altiore postice angulata: pecto- H et radio 1° a cetera pinna distinctis, spina brevi, radio 1° radio 2° multo Kd ralibus flabelliformibus 7 circiter in longitudine corporis; ventralibus spina ki longiore apice membranaceo, parte pinnae radiosa convexa postice angu- 4 lata, membrana cum media basi pinnae pectoralis unita, 5 circiter in lon- ij gitudine corporis; anali corpore altiore postice angulata; caudali rhomboï- ee dea, 3 eirciter in longitudine corporis; colore corpore superne profunde ___olivaceo nigricante nebulato, lateribus inferneque dilute viridi; capite, ros- Kn tro genisque et corpore lateribus et inferne guttis et ocellis numerosis coe- __ ruleis nigro vel violaceo annulatis; mento flavo; pinna dorsali spinosa fus- m eescente maculis oblongis coeruleis, spinam 8* inter et 4m macula oblonga & nigra coeruleo marginata; pinna dorsali radiosa viridi-fuscescente vittis lon- À gitudinalibus irregularibus profunde fuscis 5 vel 6; pinnis peectoralibus su- } 4 perne viridibus inferne flavis, radiis superioribus fusco variegatis, mem- N brana inferne praesertim guttulis coerulescentibus; ventralibus et anali viridi-fascis ocellis et maculis parvis coeruleis nigricante cinctis, basi in- (À super guttulis fuscis; caudali dimidio superiore fasciis transversis latis 5 L © fuscis fasciis aurantiacis alternantibus et vittulis coeruleis nigro marginatis limbatis, dimidio inferiore aurantiaco-flava vittulis pluribus longitudinalibus _ eoeruleis nigricante marginatis et insuper maculis parvis numerosis oblongis pigris apicem versus multo majoribus. BB. 6. D. 4—9 postic. 83 simplic. P. 1/18. V. 2 + 4, A, 8 omn. sim- B pie. C. 1/8/. ij 560 Synon. Callionyme à doigt libre CV. Poiss. XII p. 232. Habit. Amboina, in mari. Longitudo speciminis unici 156” Aanm. Deze bij uitnemendheid fraaije en merkwaardige « soort is in het groote vischwerk niet zeer naauwkeurig beschre- ven en hare woonplaats niet opgegeven. De staartvin is bij mijn specimen ruitvormig en niet afgeknot. De kleuren zijn er zeer goed bewaard gebleven. LABROÏDEI CTENOÏDEL Amphiprion, vanthurus GV. Poiss. V p. 302. Amphipr. corpore oblongó compresso, altitudine 21 circiter in ejus lon- gitudine, latitudine 22 circiter in ejus altitudine; capite obtuso convexo 44 circiter in longitudine corporis, altiore quam longo; linea rostro-fron= tali convexa; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis; fronte ale- pidota porosa; osse suborbitali sub oculo oculo duplo circiter humiliore, dentato, inferne spina deorsum spectante; maxilla inferiore prominente, su- periore sub oculi margine anteriore desinente; dentibus masxillis conicis valde conspicuis; rictu curvato; praeoperculo subreetangulo, angulo rotun= dato, postice denticulis valde conspicuis; ossibus opercularibus eceteris spi= noso-dentatis spinis gracilibus; squamis lateribus 48 p. m. in serie longi- tudinali; linea laterali simplice sub pinnae dorsalis postica parte interruptas pinna dorsali partem spinosam inter et radiosam incisa, parte spinosa ra= diosa humiliore spinis 8* et 4* ceteris longioribus, parte radiosa rotundata; pectoralibus, ventralibus et caudali obtusis 4 et paulo in longitudine cor- poris3 anali postice angulata dorsali radiosa non humiliore; caudali vix emarginata angulis obtusa radiis 2 infila brevissima productis; colore cor pore antice rubro et aurantiaco-rubro , postice nigricante-fusco, cauda flavo; fasciis corpore 3 margaritaceo-coeruleis transversis, 1* nucho-operculari, 2*_ dorso-anali, 3* caudali; pinnis, dorsali nigra, pectoralibus, ventralibus ana= lique aurantiacis, caudali flava; anali nigro marginata. \ B. 5. D. 10/15 vel 10/16. P. 2/17. V. 1/5. A. 2/14 vel 2/15. C. 14 et lat. brev. - ' Synon, Jourdin Ren. Poiss. Mol. I tab. 7 fig. 49? Kk Chaetodon, lineis utringue 2 candidis; laminis operculorum serratis_ et cauda alba aequali Seb. Thes. III p. 70 tab. 26 fig. 24? Spare Mylius Dict. Class. Hist. Nat. ? Anthias Clarckii Benn. Ceyl. Fish. p. 29 tab. 29. 561 p Amphiprion à queue jaune CV. Poiss. V p. 502. Amphiprion Clarküù CV. Poiss. IV Pe. 372, Amphiprron de Clarck CV. ibid. Amphiprion chrysargurus Richards. Ichth. Chin, Jap. in Repe 15'% Meet. Brit. Assoc. 1845 p. 254. Pol Kitjyah Cingalens. Hae kin ju Chinens. Habit. Amboina, in mari. Longitudo speciminis unici 103” ___Ik geloof dat de aangehaalde afbeeldingen van Sena en Ben- _ ner tot Amphiprion xanthurus te brengen zijn. De beschrijving _ van Sera beantwoordt vrij wel aan de bovenstaande, en de ach- _ terste dwarsche band, door Srra niet vermeld, moet ook bij _ Jang in wijngeest bewaarde exemplaren niet meer van den gelen 1 staartte onderkennen zijn. Anthias Clarckii Benn. beantwoordt | geheel aan mijn specimen, met uitzondering slechts, dat de aarsvin _ van Anthias Clarckú zwart is afgebeeld, terwijl zij bij mijn spe- _cimen oranjekleurig is en slechts zwart gerand. De beschrij- _ ving van Amphiprion chrysargurus Richards. past volkomen op mijn specimen. Het zou ook wel kunnen zijn, dat Amphiprion chrysopterus CV. tot dezelfde soort behoort. Amphiprion melanopus Blkr. Ì Amphipr. eorpore oblongo compresso, altitudine 24 circiter in ejus lon- DS gitudine, latitudine 22 circiter in ejus altitudine; capite obtuso convexo 4 et paulo in longitudine corporis, altiore quam longo; linea rostro-frontalt convexa; oculis diametro 4 cireiter in longitudine capitis; fronte alepidota porosa; osse suborbitali Sub oculo oculo minus duplo humiliore, dentato; quasi eroso, inferne spina deorsum speetante; maxilla inferiore prominente, superiore sub oculi limbo anteriore desinente; dentibus maxillis conicis valde conspicuis; rictu curvato; pracoperculo subrectangulo angulo rotundato , postice denticulis param conspieuis; ossibus opercularibys ceteris spinoso-den- tatis spinis gracilibus; squamis lateribus 48 p. m. in serie longitudinali; li- nea Jlaterali simplice sub pinnae dorsalis parte postica interrupta; pinna dorsali partem spinosam inter et radiosam parum emarginata, parte spi- Rosa radiosa humiliore, spinis mediis ceteris longioribus, parte radiosa HL ái been vol NE ij k Ve re, Ús il 4E EER Tes A ain FP « ser A ‚he é EN 562 rotundata; peetoralibus obtusis rotundatis 42, ventralibus obtusis 54 eirci- ter, caudali convexa 5 fere in longitudine corporis; anali posticé leviter angulata dorsali radiosa vix humiliore; colore corpore antice fuscescente- rubro, postice nigricante-fusco, cauda postice aurantiaco; fascia nucho- operculari margaritaceo-coerulea; pinnis dorsali fuscescente-rubra, pectora- libus aurantiaco-rubris; ventralibus analique nigris, caudali flavo-aurantiaca. _ B. 5. D. 10/17 vel 10/18. P. 2/17. V. 1/5. A. 2/14 vel 2/15. C. 15 W vel 16 et lat. brev. Habit. Amboina, in mari. Longitudo speciminis unici 95” Aanm. Deze soort is de eenige mij bekende van Amphi prion, welke slechts een’ enkelen dwarsband bezit en is reeds daaraan gemakkelijk te onderkennen. Deze herkenning wordt voorts gemakkelijk gemaakt door het zwarte achterlijf, de zwarte aars- en buikvinnen en de oranjekleurige bolle onge- vlekte staartvin. Pomacentrus melanopterus Blkr. Pomac. corpore oblongo compresso, altitudine 3 circiter in ejus longi= tudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite obtuso, convexo, 44 5 circiter in longitudine corporis, aeque alto ac longo; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis; linea rostro-frontali convexa; osse suborbi- tali sub oeulo oculo plus duplo humiliore, non dentato; dentibus utraque maxilla p. m. 32 conicis; praeoperculo subrectangulo, margine posteriore dentibus valde eonspicuis; operculo postice spinulis 2 planis; dorso ventre altiore et convexiore; squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinalis lie nea laterali sub anteriore parte pinnae dorsalis radiosae interrupta; pinnis dorsali et anali radiosis obtusis rotundatis subaequialtis, dorsali spinosa spina postica spinis ceteris longiore; pectoralibus obtusis 44, ventralibus radio 19 paulo producto 44, caudali leviter emarginata lobis obtusis rotun= datis 42 circiter in longitudine corporis; lobo caudali superiore inferiore: longiore; spina anali 2* dorsali postica longiore; colore corpore pinnisque pectoralibus nigricante-viridi, pinnis ceteris violaceo-nigro; pinna pectorali_ basi macula magna nigra. Ë B. 5. D. 18/18 vel 13/14. P. 2/14. V. 1/5. A. 2/18 vel 2/14. CAM et lat. brev. | Habit. Amboina, in mari. Longitudo speciminis unici 101” 563 borstvinnen en 2' aarsvindoorn, stompe afgeronde straalachtige _ rug- en aarsvin enz. _ Julis (Halichoeres) Hartzfeldii Blkr. ‚Jul. (Halichoer.) corpore oblongo compresso, altitudine 44 circiter in _ ejus longitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite convexo, „82 circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus s maxillis dentibus medioeribus, antice ecaninis 2 medioeribus, maxilla superiore postice dente angulari parvo; labiis carnosis; linea laterali sin- gulis squamis fubulo simplice notata; squamis lateribus 30 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali basi glabris postice-angulatis; pecto- in longitudine corporis; colore corpore superne olivaceo , lateribus aureo, in- _ferne flavo et viridi-margaritaceo; capite pulchre viridi, rubro-violaceo vittato, vittis oculo-maxillaribus et inframaxillaribus utroque latere 2, vit- b tis opercularibus utroque latere 3; lateribus vittis 2 serpentinis longitudi- nalibus purpureis coeruleo limbatis, superiore operculo-caudali, paulo post limbata, dimidio superiore pulchre flava superne vitta longitudinali coerulea; dorsali radiosa basi inter singulos radios ocello coeruleo violaceo cincto; pectoralibus flavis, basi superne macula profunde coerulea; ventralibus flavis; anali aurantiaca dimidio basalí vitta longitudinali coerulea violaceo margi- nata; caudali aurantiaca maculis elongatis rubro-violaceis fascias 3 trans- versas similantibus; iride carmosina; dentibus viridibus. NB. 6. D. 9/11 vel 9/12. P: 2/11. V. 1/5. A. 3/11 vel 3/12, €,,12 vel 14 ‚et lat. brev. : Habit. Amboina, in mari. , __Longitudo speciminis unici 163 564 Aanm. Deze soort heeft groote overeenkomst met Julís zeijlonicus Benn. wat de kleurteekening betreft, doch verschilt er toch genoegzaam van, om er zich niet mede te laten vereeni- gen (|). Ik kan haar tot geene der mij bekende soorten bren- gen. Zij is een der sierlijksten van haar geslacht. Julis (Julis) dorsalis QG. Voy. Astrolab. tab. 15 fig. 5. CV. Poiss. XIII p. 329. Jul. (Jul.) corpore oblongo compresso, -altitudine 4 circiter in ejus longitu- dine, latitudine 24 circiter in ejus aititudine;s capite convexo 4 circiter in lon- gitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus longitudine; oculis ‚ diametro 44 ad 54 in longitudine capitis, diametro 2 ad 4 a linea rostro- frontali convexiuscula remotis; rostro oculo longiore; maxillis dentibus me- dioeribus antice caninis medioeribus, dentibus angularibus nullis; labiis car- nosis; linea laterali singulis squamis valde ramosa; squamis lateribus lon- gitudinaliter striatis, lateribus 27 p. m. in serie longitudinali; squama hu- merali maxima; pinnis dorsali et anali basi squamosis postice angulatis, dorsali spinosa radiosa humiliore; pectoralibus acutiuscule rotundatis 5, ventralibus acutis 9 circiter in longitudine corporis; caudali convexa ra- diis externis junioribus non, aetate provectioribos paulo productis 6 circi- ter in longitudine corporis; colore corpore superne pulehre viridi, lateri- bus flavescente-viridi» inferne margaritaceo ; capite toto violaceo vittis ru- (1) De beschrijving van Julis zeylonieus Benn. luidt als volgt: „Jul. pin= 5 na caudali rotundata; lutescens, capite plumbeo, aurantiaco rivulato; pin- nis verticalibus, vitta ad basin pinnae dorsalis coerulea inferne marginata, — vitta interrupta apud lineam lateralem ducta, fascia longitudinali laterali superne inferneque coeruleo marginata, ramis inde plurimis abbreviatis ventrem versus ductis, lineaque obliqua per basin pinnae pectoralis ad ven- trem extensa, aurantiacis; pinna dorsali ad basin linea crassa brevi obli- qua inter singulos radios, secunda in medio ad radios partis mollis, gutta- que versus apicem, coeruleis notata ; pinnae analis vitta media alteraque E subapicali, pinnaeque caudalis rivulis subinterruptis verticalibus tribus coe- — ruleis. D. 9/11. A. 8/11. Ad ecommissuram oris utrinque dentes majores 2 approximati; in maxilla superiore antice dentes maximi 2, duos majo- res anteriores maxillae inferioris inter se recipientes. Proceed. Zoöl. So- ciet, II. 1832 p. 183 Confr. et Cuv. Val. Hist. Nat. Poiss. XIII p. 345. 565 __ bro-violaceis oeulo-maxillaribus et opercularibus utroque latere 2; dorso la- _ teribusque superne fasciis latis transversis violaceo-nigris 6, 1* dorso-pecto- Î ‘rali, 2°, 3* et 4° dorso-lateralibus, 5* et G* caudalibus brevibus; fascia in- si super cephalo-eaudali rubro-violacea; pinna dorsali flava, junioribus antice tota violaceo-nigra, aetate proveectioribus faseia longitudinali violaceo-nigra;s i pectoralibus flavis apice violaceo=nigris, basi superne macula profunde coe- 5 rulea; ventralibus flavo-aurantiacis; anali flavo-aurantiaca, antice macula Ld violacea; caudali flava, medio postice et radiis subexternis violaceis. BBD 8/18. vel B/14. P. 2/14. V. 1/5. A. 3/1 vel 3/12, C. 14 et lat. brev. Synon. Phaisant Ren. Poiss. Mol. I tab. 28 fig. 155. Labrus pulcherrimus Forster ap. CV. Poiss. XIII p. 330. Julis prostigma K. v. H. Ieon, inedit. Spare Mardwicke Benn. Geyl. Fish. p. 12 tab. 12. Girelle à dorsale rayée CV. Poiss. XIII p. 329. Mal- Girawah Cingalens. Julis semifasciatus CV. Poiss. XIII p. 328. Girelle semi-fasciée CV. ibid. Habit. Amboina, in mari. Longitudo 2 speciminum 95” et 150”. Aanm. Deze soort is dubbel beschreven in de groote His- _toire naturelle des Poissons, eerst als Julis semifasciatus en daarna als Julis dorsalis QG., hoezeer de heer Varencrennss zelf zegt, dat de laatste misschien slechts eene varieteit is van de eerste. Bij het kleinste mijner twee specimina ontbreekt de over- | langsche donkere rugvinband, terwijl er in het algemeen de _ kleuren minder helder en scherp zijn. Kuur en Van Hasserr vonden deze soort bij Tjiringin in westelijk Java en noemden haar Julis prostigma. BALISTINL. WBalistes vidua Soland. Richards. Voyag. Sulph. Ech- thyol. p. 128 tab. 59 fig. 9, 10. wr __Balist. corpore oblongo compresso, altitudine 2 circiter in ejus longitu- Dn ae ir . an 566 dine, latitudine 34 circiter in ejus altitudine; capite 3% circiter in longi- tudine corporis, altiore quam longo; oculis diametro 4 circiter in longi- tudine capitis, 24 circiter in longitudine rostris vertice convexo; linea rostro-frontali declivi rectiuscula vel convexiuscula; rostro ante oculos sul- | co triangularis; labiis carnosis; dentibus utraque maxilla 8, mediis ceteris majoribus; apertura branchialí ante basin superiorem pinnae pectoralis de- sinente; Scutis lateribus 65 p. m. in serie longitudinali usque ad aper- turam branchialem; cauda compressa spinis nullis armata, medio duplo altiore quam lata; pinna dorsali spinosa spina ls rostro paulo breviore, crassa, obtusa, scabra, membrana longe ante pinnam dorsalem radiosam 4 desinente; dorsali radiosa antice acuta angulata, corpore minus triplo hu- miliore, multo longiore quam alta; pectoralibus rotundatis 24 circiter in Jongitudine capitis; ventralí spina crassa brevi, obtusa, denticulata, ra- diis gracilibus geminis p. m. 26 cutem vix superantibus; anali antice a- cuta angulata, dorsali humiliore et corpore paulo plus triplo humiliore, multo longiore quam alta; caudali convexa 7 fere in longitudine corporis; colore corpore toto nigro; pinnis dorsali spinosa et ventrali nigris; dor- < sali radiosa, anali et caudali dilute flavis vel albis, dorsali radiosa et a- nali totis nigro limbatis; pectoralibus flavo-viridibus nigro marginatis. D/E 1/13 Ár 9/98. 0; Synon. Aokenbouti Renard Poiss. Mol. I tab. 17 fig. 96. Balistes fimbriatus J. G. Forst. in Bibl. Banks. Ae lee tica vel Ori Otaitens. Habit. Amboina, in mari. Longitudo speciminis unici 134///. Aanm. Blijkbaar heeft tot deze soort betrekking de zeer gebrekkige afbeelding van Kokenbouti van Rrnarp. De afbeel-_ ding van den heer Rrcuarpson is zeer naauwkeurig, doch laat te weinig buikvinstralen zien. Deze afbeelding is bijkans 50” langer dan mijn specimen en heeft de buitenste staartvinstra- Ì len eenigzins verlengd, wat waarschijnlijk aan een’ ouderen leeftijdstoestand eigen is, bestaande daarvan bij mijn specimen _ geen spoor. î 567 GIJMNODONTES. Diodon novemmaculatus Cuv. Ann. Mus. Hist. Nat. IV tab. 6. Diod. eorpore oblongo quadrilatero, depresso, latiore quam alto, latitu- dine ad basin pinnarum pectoralium 22 circiter in cjus longitudine; capite quadrilatero, obtuso, depresso, longitudine 8 circiter in longitudine cor- poris; lineis interoculari et rostro-frontali concavis; oculis sup@ris diametro A cireiter in longitudine capitis, diametris 24 circiter a se invicem distan- ‚ tibus; cute supraorbitali ecirro carnoso apice dichotomo; papilla utroque latere oblonga obtusa loco narium; mento bipapillato; spinis capite totoque corpore longis gracilibus postice membrana humili, rotundis, basi radicibus pluribus; rostro, pinnarum radicibus caudaque postice gla- bris; spinis inter oculos serie antica 5, serie 2* 8, serie longitudinali a rostro usque ad caudam p. m. 24, serie transversali inter pinnas pectorales p. m. 13; apicibus spinarum bases spinarum sequentium superantibus vel attingentibus; pinnis obtusis rotundatis, caudali 64 ecirciter in longitudine corporis; colore corpore snperne lateribusque olivaceo, inferne albo, pinnis viridi; capite vertice fascia transversa lata nigra flavescente limbata; late- ribus maculis 2 magnis nigris, 1% infra-oculari, 2* operculari; dorso maculis magnis irregularibus nigris 4 flavescente cinctis , maculis 2 linea dorsali media ‚ ante pinnam dorsalem sitis, anteriore ante pinnam dorsalem, posteriore basin pinnae dorsalem cingente, maculis 2 lateralibus paulo supra et post __pinnas pectoralessitis; lateribus maculis numerosis minoribus rotundis nigris. B D. 2/13 vel 9/14. P. 1/22 vel 1/23. A. 2/12 vel 2/18. C. 1/1/L ___ Symon. Diodon 6 maculatus Cuv. A. Mus. Hist. Nat. IV. tab. 7. Habit. Amboina, in mari. Longitudo speciminis unici 112”, _ wemmaculatus Cuv. te moeten brengen ofschoon het met de aangehaalde afbeelding van Cuvier in eenige opzigten verschilt E: ten opzigte der kleinere ronde vlekken, welke op de zijden _ van mijn specimen veel talrijker zijn, dan op de afbeelding P- van Cuvier is aangegeven. Mijn specimen beantwoordt ook vrij wel aan de afbeelding van Diodon 6 maculatus van Cuvier, doch hier bevindt zich eene groote vlek tusschen de oogen en geene vlek onder de oogen en op de operkelstreek. Deze ge- i Aanm. Boven beschreven specimen meen ik tot Diodon no- # ringe verschillen zijn waarschijnlijk aan ligte varieteiten toe te schrijven. Het komt mij voor dat Diodon novemmaculatus T. Schl.,_ afgebeeld in de Fauna japonica (Poiss. tab. 128 fig. 2) tot eene ‘ andere soort behoort, zoowel wegens hare andere vlekteeke- ning als betrekkelijk langere doornen. Scripsì Batavia Calendis Augusti upecaun. DIAGNOSTISCHE BESCHRIJVINGEN VAN \ NIEUWE OF WEINIG BEKENDE VISCHSOORTEN VAN SUMATRA. DOOR Dr. PP. BLEEKER. TIENTAL I-=-IV. Á Reeds in meerdere vroegere ichthyologische bijdragen heb ik beschrijvingen medegedeeld van nieuwe vischsoorten van Su- matra. Ik werd daartoe in de gelegenheid gesteld door tal- rijke verzamelingen, welke de welwillendheid van eenige vrien- den en ambtgenooten mij deden toekomen, en aan deze we- _ tenschappelijke bereidvaardigheid om de schatten van Sumatra’s belangrijke vischfauna mij te doen geworden, hebben ook de | Onder volgende beschrijvingen hun ontstaan te danken. Het is | mij eene aangename taak hier openlijk mijne erkentelijkheid uit te drukken aan de heeren P. Jakres, Dr. O. Konmanpr, _H. W. Scuwaneneerp, Dr. F.C. Scraurrt en J.M. van Leem, aan HI. 42 welke ik talrijke verzamelingen heb te danken, welke mij meer dan 260 soorten van Sumatrasche zee- en zoetwatervischen hebben doen kennen. De toezending van verzamelingen nog steeds aanhoudende, hoop ik in eene latere verhandeling een « overzigt te geven van het geheel der mij bekend gewordene soorten van de Sumatrasche vischfauna. Vrij talrijke nieuwe _ Sumatrasche soorten bevinden zich echter reeds zoo lang in mijn bezit, dat ik gemeend heb er toe te moeten overgaan om hare beschrijvingen bekend te maken. Ik zal deze beschrijvin- gen bij tientallen mededeelen en daarbij weder mijne gewoon- te volgen, om ook van die soorten diagnosen te geven, welke vroeger reeds meer of min bekend waren, doch welker ken- merking in meerdere of mindere mate te wenschen overlaat. PERCOÏDEL Serranus punctulatus GV. Poiss. II p. 275. Serran. corpore oblongo compresso, altitudine 4% circiter in ejus lon- ® gitudine, latitudine 12% in ejus altitudine; capite acutiusculo, 3% circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus longitudine; — oculis diametro 54 circiter in longitudine capitis; linea rostro-frontali con- vexiuscula; rostro maxillisque alepidotis; maxilla superiore inferiore bre- ' viore sub medio oculo desinente, dentibus pluriseriatis, serie externa co- Ì nicis, seriebus internis setaceis anticis longioribus in thurmas 2 colloca= $ catis et insuper caninis 2 magnis; maxilla inferiore dentibus pluriseria= tis, serie interna majoribus, antice caninis 2 mediocribus utroque latere medio caninis 2 vel 3 magnis; rictu valde obliquo; praeoperculo rotun- dato vix angulato, postice denticulis vix conspicuis; interoperculo sub- operculoque margine glabris; operculo spinis 5 planis spina media ceteris mul- 4 to longiore, dorso humili; squamis lateribus ciliatis 100 p. m. in serie” longitudinalis pinnis dorsali et anali radiosis valde acutis; dorsali spinosa dorsali radiosa humiliore spina ultima ceteris longiore 3 in altitudine corporis, spina prima ceteris breviore; pinnis pectoralibus acutiuscule ro= tundatis 64, ventralibus acutis radio 1° paulo producto 6 fere, caudali = emarginata radiis externis valde productis, lobo superiore longiore 34 circiter in longitudine corporis; anali spina tertia ceteris longiore 22 in longitudine ecapitis; corpore pinnisque verticalibus pulchre carmosinis gut- : 571 Beede 9/15 P. 2/16. Ver1/5. A. 3/8. vel 3/9. C. 17 et Tat. brov. Synon. Jkan Soesalat Valent. Ind. Amb. III p. 412 fig. 205? Sousalath Ren. Poiss. Mol. I tab. 41 fig. 207 ? Jacob Hverse, Lucessie et Sousalath Ren. ibid. II tab. 21 fig. 300? Labre moucheté Lacép. Poiss. III p. 377 tab. 17 fig. 2. Labrus panctulatus Laeép. ibid. Mérou moucheté CV. Poiss. II p. 275. Habit. Padang, Ternate, in mari. Longitudo speciminis unici 275'//, Aanm. Van deze soort bestaat nog geene goede afbeelding en de bestaande beschrijvingen laten veel te wenschen over. De vlekjes van ligchaam en vinnen zijn donker paars. De soort is merkwaardig door de groote hondstanden zijdelijk in de onderkaak. Serranus aurantvus GV. Poiss. II p. 226. Serran. corpore oblongo compresso, altitudine 88 ad 32 in ejus longitu- dine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acuto 84 circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 12 circiter in ejus longitudine; ocu- lis diametro 5 ad 54 in longitudine capitis; linea rostro-frontali declivi con- caviuscula; rostro maxillisque squamosis; maxilla superiore inferiore bre- viore sub oculi limbo posteriore vel vix post oculum desinente, dentibus _ _pluriseriatis, serie externa conicis, seriebus internis setaceis anticis longi- oribus in thurmas 2 collocatis et insuper caninis 4 vel 2 crassis; maxilla inferiore dentibus pluriseriatis, serie interna majoribus, antice caninis 2 vel 4 medioeribus; praeoperculo rotundato, postice denticulis vix conspi- “ cuis; interoperculo et suboperculo denticulatis; operculo spinis 3 planis 4 subaequalibus; dorso subelevato; squamis lateribus ciliatis 85 p. m. in se- _ rie longitudinali; pinnis dorsali et anali radiosis rotundatis ; dorsali spinosa __ radiosa paulo humiliore, spinis mediis ceteris longioribus, 5% 22 circiter in altitudine corporis; pectoralibus rotundatis 4ad 43, ventralibus acutis 6 ad # 6E, caudali rotundata 52 ecirciter in longitudine corporis; anali spina media 24 ad 3 in longitudine capitis; colore corpore pinnisque pulcherrime ear- ___mosino; capite dorsoque antiee punctulis fuscescentibus; dorsali radiosa et % eaudali junioribus rubro, flavo et nigro, anali radiosa nigro marginatis. ME B.7. D. 9/15 vel 9/16. P. 2/16. V. 1/5. A. 3/9. C, 37 et lat. brev. Synon. Mérou orangé CV. Poiss. II p. 226. k Serranus roseus CV, Poiss. II p. 228? | p Habit. Padang, in mari. ___Longitudo 4 speciminum 170” ad 232” 572 Aanm. Deze soort moet groote overeenkomst hebben met Serranus Sonneratii CV. Poiss. Il p. 222, bij welke echter de kop met een net van blaauwe strepen bedekt is, waarvan bij mijne boven beschrevene specimina geen spoor te zien is, al- hoewel de kleuren goed bewaard zijn. Bij mijn grootste spe- cimen ontbreken de zwarte vinranden. Bij een ander zijn de vertikale en de buikvinnen naar de vrije randen toe violetach- tig zwart. De beschrijving van Serranus aurantiacus CV. (van de Séchellen) in aangehaald vischwerk is zoo onvolledig, dat eene nadere vergelijking der daartoe gediend hebbende speci- mina met de bovenstaande beschrijving niet overbodig is. Waar- schijnlijk ook behoort Serranus roseus CV. van Otaheite tot „dezelfde species en welligt ook nog Serranus analis GV. van Nieuw Ierland. | Priacanthus Schmitt Blkr. Priac. corpore oblongo compresso, altitudine 32 fere in ejus longitudine; capite 34 fere in longitudine corporis; oculis diametro 24 circiter in lon- gitudine capitis; linea rostro-frontali ante oculos rectiuscula; fronte inter oculos depressa; ore simo rictu subverticali; maxilla inferiore prominente; praeoperculo obtusangulo denticulato, angulo spina mediocri aperturam branchialem vix superante superne et inferne denticulata; operculo spinis 2 parvis; squamis lateribus 65 p. m. in serie longitudinali; lineis dorsali et ventrali regulariter convexis; pinna dorsali spinosa spinis posticis spinis _ ceteris longioribus, spina posteriore oculo breviore; pinna dorsali radiosa — dorsali spinosa altiore obtusa rotundata; pectoralibus oculo vix longiori- bus; ventralibus acutis, analem pon attingentibus, spina 7 in longitudine corporis; ‘anali obtusa rotundata spina 3° ceteris longiore, oculo breviore; caudali truncata 5 circiter in longitudine corporis; colore corpore roseo- © rubro; pinnis roseis vel rubris; ventralibus rubro-violaceis , membrana ra- dium 5m inter et ventrem alba macula magna rubro-violacea. Á B. 6. D. 10/13. P. 2/16. V. 1/5. A. 3/13 vel 3/14. C. 16 et lat. breve Habit. Padang, in mari. Longitudo speciminis unici 185” Aanm. Priacanthus Schmittij Blkr. is na verwant aan Pria- canthus japonicus CV? (Nat. Tijdschr. v. N. Ind. II. 1851 p. 174) doch onderscheidt zich daarvan voldoende door plat voorhoofd, — langeren dubbel getanden praeoperkeldoorn, kortere buikvin- 573 ke nen die paars-rood gekleurd zijn enz. Ik bezit thans 5 soor- ‚ten van Priacanthus, welke zich nog het gemakkelijkste van elkander laten onderkennen door de kleurteekening der vinnen. Deze 5 soorten zijn Priacanthus macracanthus CV., Priacan- thus holocentrum Blkr., Priacanthus carolinus GV., Priacanthus k japonicus CV? en de boven beschrevene. Priacanthus carolinus CV. onderscheidt zich van die alien door de zwarte rug- en staartvinvlekjes. De vier overigen zijn kenbaar aan de kleur der buikvinnen. Bij Priacanthus macracanthus CV. zijn deze \ vinnen wit en ongevlekt; bij Priacanthus holocentrum Bikr., wit met talrijke zwarte vlekken; bij Preacanthus japonicus CV. ? violet en bij Priacanthus Schmitti Blìkr. paars, behalve het vlies, dat den achtersten straal met den buik vereenigt en wit E js en met eene groote paarse vlek geteekend. Ik draag deze nieuwe soort op aan dengheers Droit Scnmirr aan wiens belangstelling in de ichthyologie hare ken- nis te danken is. _Dules marginatus GV. Poiss. III p. 87 tab. 52. 4 ____Dul. eorpore oblongo compresso, altitudine 32 circiter in ejus longitu- _ dine, latitudine 22 fere in ejus altitudine; capite acuto 42 ad 42 in lon- EN . d p : 0 ; Ô E __ gitudine corporis, vix longiore quam alto; oculis diametro 3 fere in lon- gitudine capitis; linea rostro-frontali declivi recta; maxilla superiore inferiore _ breviore, sub medio oculo desinente; dentibus maxillaribus, vomerinis et 9 palatinis parvis; osse suborbitali et praeoperculo denticulis minimis sed 4 conspicuis; praeoperculo subrectangulo; operculo spinis 2; linea laterali bd antice leviter convexa postice rectiuscula; squamis lateribus 45 p. m. in serie longitudinalis lineis dorsali et ventrali convexis; pinna dorsali pro- _ funde incisa, parte spinosa rotundata spina 5° spinis ceteris longiore, cor- 5 pore duplo humiliore, spina penultima spina ultima multo breviore, spi- na ultima parte radiosa vix humiliore; dorsali radiosa angulata margine Ei superiore rectiusculo; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis, longitudine “gequalibus, 7 circiter in longitudine corporis; ventralibus post basin pec- _ toralinm insertis; anali spina 8° spinis ceteris longiore et radio 1° vix bre- 4 viore, parte radiosa dorsali radiosa humiliore margine inferiore rectiuscu- Jo; caudali emarginata lobis acutis 432 circiter in longitudine corporis; Colore corpore superne griseo inferne argenteo; pinnis griseo-flavescenti- 1 bus; dorsali radiosa antice superne nigra; caudali medio fascia transversa __migricante margini posteriori nigro subparallela, / H K 574 B. 6. D. 10/11 vel 10/12. P. 2/11. V. 1/5. A. 3/12 vel 3/13. C. 12 et lat. brev. Synon. Doules bordé CV. Poiss. III p. 87 tab. 52. Barolo Insul. Vanicol. Habit. Padang, in mari. (F.C. Schmitt). Longitudo 3 speciminium 116''’ ad 160/'/. Aanm. Kunz en Van HasseLrT ontdekten deze soort op Java, alwaar ik haar echter tot nog toe niet heb aangetroffen. Het bovenbeschrevene specimen van Padang is het eerste, wat mij onder de oogen is gekomen. Zooals bekend is, leeft Dules marginatus CV. ook in de zoete wateren van het eiland Va-_ nicolo. SCIAENOIDEL PrIsTIPoOMOIDES Blkr. Pinna dorsalis unica non divisa. Membrana branchiostega radiis 7. Pinnae dorsalis et analis alepidotae, caudalis squa-_ mosa. Maxilla inferior poris nullis conspicuis. Dentes maxil- E lares laterales uniseriati, antici pluriseriati, seriebus internis minimi setacei, serie externa conici majores caninis 2 vel 4. Praeoperculum denticulatum. Aanm. Dit geslacht staat in verwantschap tusschen Pristi poma en Scolopsides. Van Pristipoma verschilt het door de afwezigheid van onderkaaksporiën en door sterk schubbige staart-_ vin; van Scolopsides door f straal meer in het kieuwvlies en afwezigheid van onderoogkuilsdoorn; en van beiden door zijn tandenstelsel en habitus. In habitus en vorm van vinnen heeft de eenige mij tot nog toe van dit genus bekende soort vrij veel van eenige Oost-Indische soorten van Denter, b. v. Den- tex Peronit CV., doch reeds het getand zijn van het praeoper-_ kel sluit haar van dit geslacht en volgens Cuvier’s bepaling ook î van de Sparoyden uit. Ik behoef hier overigens niet te herin- neren, dat de groote Cuviersche familiën der Percoïden, Sciae- noïden, Sparoïden enz. vatbaar zijn voor splitsing in meerdere — andere familiën, waarvan door de nieuwen ichthyologen reeds 575 meer of min gelukte proeven zijn geleverd. Houdt men daarbij de natuurlijke verwantschappen in het oog, dan zal het blij- ken, dat sommige geslachten der Sparoïden met sommige der Sciaenoïden zich gevoegelijk tot zelfstandige familiën laten bren- gen. Pristipomoïdes typus Blkr. Pristipomoïd. corpore oblongo compresso, altitudine 44 ad 42 in ejus longitudine, latitudine 2 eirciter in ejus altitudine; capite convexo, 44 circiter in longitudine corporis; linea rostro-frontali convexa; oculis dia- metro 84 fere in longitudine capitis; rostro alepidoto oculo non vel vix breviore; maxilla superiore vix protractili, maxilla inferiore breviore, sub oculi dimidio anteriore desinente; osse suborbitali alepidoto, hb ocu= lo oculo duplo humiliore;s praeoperculo angulo rotundato limbo posteriore late alepidoto, margine denticulis aequalibus bene conspicuis; squamis ctenoïdeis lateribus 50 p. m. in serie longitúdinali; linea laterali lineae. dorsali rotundatae subparallela; pinna dorsali non incisa parte spinosa parte radiosa altiore, spinis gracilibus, mediis ceteris longioribus, corpo- re duplo eirciter humilioribus; pinnis dorsali et anali radiosis radio ulti- mo producto radio penultimo duplo eirciter longiore; pinnis pectoralibus acutis capite vix brevioribus, radiis 4, 5, et 6 ceteris longioribus; ven=- tralibus acutis pectoralibus paulo brevioribus; caudali tota fere squamosa profunde incisa lobis acutissimis, superiore inferiore multo longiore sub- producto, 84 circiter in longitudine corporis; colore corpore pinmisque roseo; pinna dorsali basi, margine superiore et fascia media interrupta vi- _ridi-flavis. BD OZIT P.2/14. V.-1/5 A 3/8 C.:17 et, laticbrev. Hab. Sibogha, Sumatrae occidentalis, in mari. Longitudo 2 speciminum 275''/ et 298''/, Scolopsides personatus GV. Poiss. V p. 259. Scolops. corpore oblongo compresso, altitudine 83% circiter in ejus lon- ‚_gitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acutiusculo 4 et ‚paulo in longitudine corporis, aeque alto ecirciter ac longo; linea rostro- frontali declivi rectiuscula; fronte inter oculos squamosa; oculis diametro 81 in longitudine capitis; osse suborbitali sab oculo oculo duplo circiter _ humiliore, spinis 3 ad 6, spina superiore inferioribus plus duplo longiore; Osse maxillari superiore glabro; rostro oculo vix longiore; labiis carnosis; EN _ praeoperculo subrectangulo angulo rotundato, margine posteriore leviter emarginato dentibus valde conspicuis; squamis laterìibus ciliatis, 50 p. m. jm serie longitudinali; pinna dorsali spinis mediocribus, 3°, 4* et 5* ceteris Da nen „A A 576 longioribus, corpore triplo circiter humilioribus, parte radiosa parte spi- nosa paulo altiore rotundata; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis 5e circiter in longitudine corporis; ventralibus radio 1° in filum breve pro- ducto; anali spina 8* ceteris longiore parte radiosa rotundata humiliore; caudali emarginata lobis acutis 44 circiter in longitudine corporis; colore_ corpore superne viridescente-margaritaceo, inferne margaritaceo; vitta in= teroculari coerulea; rostro olivaceo, fascia oculo-caudali lata profunde flava; pinnis flavis, caudali postice medio violascente marginata, | B. 5. D. 10/9 vel 10/10.-P.- 2/16: V."1/5 ; ALS ARIB 0 PENN lat. brev. Synon. Scolopside à marque CV. Poiss. V p. 259. Habit. Sibogha, in mari. Longitudo speciminis unici 260/'/, Aanm. Quo en Garmarp vonden deze soort te Batavia, alwaar ik haar echter tot nog toe niet heb waargenomen. Boven beschreven specimen van Sibogha is het eenige, wat mij onder de oogen is gekomen. SPAROIDEL. Denter mulloides Blkr. Dent. corpore elongato compresso, altitudine 5 in ejus longitudine, la-_ titudine 12 in ejus altitudine; capite convexo obtuso, 44 fere in longitu- dine corporis, longiore quam alto; oculis diametro 28 ad 3 in longitudine capitis; linea rostro-frontali convexa; rostro vix convexo, oculo non vel vix breviore; osse suborbitali postice oblique obtuse rotundato angulo oris oeulo duplo fere humiliore; maxillis aequalibus, superiore sub oculi lim- bo anteriore desinente; dentibus maxillaribus pluriseriatis, serie externa conicis majoribus, maxilla superiore caninis 6 vel 8 conicis brevibus, maxilla inferiore caninis nullis; praeoperculo squamis in series 3 disposi- tis; squamis ciliatis, lateribus 50 p. m. in serie longitudinali; pinna dor sali spinis gracilibus, flexilibus, mediis ceteris longioribus, corpore pau- lo humilioribus, membrana inter singulas spinas profunde incisa emar- ginata, parte radiosa parte spinosa multo humiliore leviter rotundata; pin nis pectoralibus acutiusculis, capite brevioribus, 6 in longitudine corporis; ventralibus radio 1e producto 5 in longitudine corporis, apalem non at- _tingente; anali spina 8* spinis ceteris longiore et parte radiosa vix kumi-_ lore; caudali profunde emarginata lobis acutis, superiore longiore 4 et „paulo in longitudine corporis; colore corpore pinnisque roseo; pinna dor- sali ad spinas flavescente; anali fasia media longitudinali diffusa flaves-- cente. Ee B. 6. D. 10/9 vel 10/10 P. 2/15. V. 1/5. A. 3/7 vel 3/8. C. 17 et lat. brev. Habit. Sibogha, in mari. Longitudo 2 speciminum 225''’ et 235'//. Aanm. Deze soort behoort tot de groep van Dentex met Muillusachtigen habitus, zooals Dentex ruber GV., Denterx tam- bulus CV., Dentex taeniopterus CV., Dentex Blochit Blkr., Denter nematopus Blkr., Dente tolu CV. enz. doch is van die allen voldoende te onderkennen door hare 8 hondstanden in de bovenkaak, het gemis van hondstanden in de onderkaak, de buigzaamheid en lengte der rugdoornen, het diep ingesne= den zijn van het vlies der doornachtige rugvin, de draadvor- mige verlenging van den eersten buikvinstraal, het niet of | naauwelijks gestreept zijn van den praeoperkelrand enz. OSPHROMENOÏDEL. À T richopus Leer Blkr. Trichop. corpore oblongo compresso, altitudine 33 in ejus longitudine, EES Nenz PS \Jatitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite acuto 44 fere in lougitu- dine corporis; altitudine capitis 12 in ejus longitudine; linea rostro-dorsali vertice obtusangula, fronte rostroque declivi rectiuscula vel concaviuscula; oculis posticis diametro 8 et paulo in longitudine capitis; ossibus subor- 8 bitalibus, praeoperculo inferne et angulo et suboperculo denticulatis; maxil- lis aequalibus; linea laterali flexuosa; squamis ctenoïdeis, lateribus 45 p. _m. in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali spinis posticis spinis ce- teris longioribus; dorsali brevi, acuta, in medio dorso sita; anali longis- sima, rotundata, cum basi pinnae analis-unita; pectoralibus obtusis capite vix brevioribus; ventralibus radio 1° simplice elongato pinnam caudalem attingente, spina brevissima; caudali emarginata lobis obtusiusculis 4 fere Bin longitudine corporis; colore corpore viridi, ventre dilutiore; fascia _maxillo-oculo-caudali nigra; toto corpore, capite excepto, maculis parvis rotundis confertis viridibus corpore dilutioribus; pinnis viridibus, dorsali et anali maculis rotundis confertis dilutioribus, caudali membrana punctis ee Snigris in series 7 vel 8 transversas dispositis; pectoralibus ventralibusque immaculatis. k B. 6. D. 7/9. P. 2/8. V. 1/5. A. 13/28 (fere omnes simplices). C. 16 et lat. brev. É Habit. Palembang, in fluviis. Ii MP Sp k: keongitudo speciminis unici 101///, Bin. 43 E: “ rinis uniseriatis canincïdeis; squamis cycloïdeis, lateribus 55 p. m. in se= - ejus longitudine; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; fronte et vertic& EN pe! pd KAREN GAE Ie RIEN OT VATANEN UND, h bele Hs En lk p N _ a Wree he! N EA ne 1 id 570 Aanm. Deze soort laat zich bij den eersten oogopslag van Trichopus trichopterus Lac. en Frichopus vittatus Blkr. onder- kennen door hare eigenaardige kleurteekening. Zij is ranker E van ligchaam en spitser van kop dan Zrichopus trichopterus * Lac. doch hooger en stomper dan Zrichopus vittatus Bikr. Ik heb deze soort genoemd ter eere van den verdienstelijken toezender, den heer J. M. van Lrer, officier van gezondheid der eerste klasse te Palembang. Ophicephalus urophthalmus Blkr. pad Ophiceph. corpore elongato compresso, altitudine 5 circiter in ejus lon- gitudine, latitudine maxima 14 circiter in ejus altitudine; capite acuto, conico-subpyramidali, 4 fere in longitudine corporis; latitudine capitis 2, altitudine 12 circiter in ejus longitudine; linea rostro-frontali declivi rec- tiuscula; fronte et vertice planis declivibus; oeulis diametro 7 circiter in longitudine capitis; diametro 13 circiter a se invicem distantibus; maxilla inferiore superiore longiore, antice dentibus pluriseriatis parvis, lateribus biseriatis serie interna caninoïdeis 6 ad 8; maxillä superiore paulo post oculi marginem posteriorem desinente, 22 circiter in longitudine capitis, dentibus pluriseriatis parvis, caninoïdeis nullis; dentibus palatinis et vome- rie longitudinalis linea laterali antice paulo descendente postice rectiuscu la; pinnis rotundatis; pectoralibus ventralibus longioribus 1# circiter im longitudine capitis; caudali 6 fere in longitudine corporis; eolore corpore superne nigricante-viridi inferne argenteo; lateribus guttis sparsis nigris ef albis notatis; operculo et media basi pinnae caudalis macula magna ros tunda niera annulo coeruleo cincta; pinnis pectoralibus membrana flava radiis viridibus; ventralibus flavescentibus; pinnis verticalibus viridi-vios lascentibus, dorsali et anali basi guttis nigris et flavescentibus. B. 5. D- 1/39 vel 1/40. P. 1/17. V. 1/5: A. 1/28 vel 129 Cn lat. brev. | Habit. Palembang, in fluviise Longitudo speeiminis unici 345'//. $ Ophicephalus polylepis Blkr. Ophiceph. corpore elongato, antice cylindraceo postice compresso, alti tudine 7 circiter in ejus longitudine; capite prismiatico quadrilatero, 8% circiter in longitudine corporis, paulo latiore quam alto, altitudine 22 im planis declivibus; oculis diametro 5 eireiter in longitudine capitis,-diames 579 À tro 1 circiter a se invicem distantibus; maxilla superiore inferiore breviore sub oculi dimidio posteriore desinente, 8 in longitudine capitis; maxilla _superiore dentibus pluriseriatis parvis; vomere et palato dentibus aliquot | __eonicis caninoïdeis; maxilla inferiore antice dentibus pluriseriatis parvis, . Be lateribus dentibus biseriatis, serie externa conicis caninoïdcis; squamis sr eycloïdeis, lateribus 58 p. m., capitis parte postoculari 16 p. m. in serie tereitndineli linea laterali antice rectiuscula sub radio dorsali 16° eirciter à ke deflexa, postice recta; pinnis dorsali et anali postice rotundatis; caudali, ed pectoralibus et ventralibus rotundatis, peetoralibus ecapite duplo breviori- bi bus sed ventralibus multo longioribus; ecaudalí 6 eirciter in longitudine bod corporis; colore corpore superne viridi-nigricante inferne viridi; lateribus inferne fasciis oblique-transversis diffusis viridi-nigricantibus p.m. 12; pin- 5 nigris in series 2 longitudinales dispositis; pinnis ceteris maculis nigri- Î B | Î | nis viridibus, dorsali et anali fasciis 2 longitudinalibus uigris vel maculis ‘cantibus variegatis. EB. 5. D. 1/40. P. 2/16. V. 1/5. A. 1/30. C. 12 vel 14 et lat. brev… Habit. Solok, Sumatrae occidentalis, in fluviis. Longitudo speciminis unict 114///, __Aanm. Deze soort is gemakkelijk herkenbaar aan hare kleine _operkelschubben, tandenstelsel, korte bovenkaaksbeenderen, _ getallen der vinstralen en kleuren. Haren naam heb ik ont- _Jeend aan de talrijke operkelschubben. B ___ SCOMBEROIÏIDEL | Carangoïdes talamparoïdes Blkr. É. _Carangoïd. corpore oblongo compresso, altitudine 28 ad 25 in ejus Jon- * gitudine, latitudine 3 circiter in ejus altitudine ; capite 88 ad 32 in longitudine b orporis, vix altiore quam longo; linea rostro-dorsali valde convexa, an- tice obligua, ante oculos paulo concava; oculis in medio capite sitis, dia- smetro 3 circiter in longitudine capitis, vix diametro } a linea frontali remotis; fronte cultrata; osse suborbitali angulo oris oculi diametro pau- Jo humiliore; rostro ocnlo vix longiore; maxillis dentibus minimis vix conspicuis, superiore paulo breviore valde protractili sub oculi limbo ante- ‘riore desinente; dorso elevato ventre multo convexiore; genis et operculis superne squamosis; triangulis pectoralibus lateralibus et inferiore totis a= lepidotis; linea laterali usque sub 8° quarta parte pinnae dorsalis radiosae curvata (curvatura valde aperta), postice scutis 25 ad 30 parvis vis ar- matis, latissimis 16 circiter in altitudine corporis; carinis caudalibus late- Sralibus bene conspicuis; pinnis acutis radio in filam producto nullo; dor- sali spinosa 34 circiter in alfitudine corporis, radiosa et anali corpore 1 M IN pe 560 plus duplo humilioribus; pectoralibus capite longioribus; spinis analibus parvis posteriore longiore; pinna caudali lobis aequalibus 44 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne griseo inferne argenteo; ma- | cula operculari fusca; pinnis hyalinis et flavescentibus. B. 7. D. 1 proeumb. + 71/22 ad 81/23. P. 2/17. V. 1/5. A5 21/18. C. 17 et lat. brev. Habit. Sibogha, in mari. Longitudo 2 speciminum 220''" et 250/''. Aanm. Deze soort staat in verwantschap tusschen Carangoï- des chrysophryordes Blkr. en Carangoïdes talamparah Blkr. {Caranx malabaricus CV.) en heeft het meeste van laatstge- noemde. Zij onderscheidt er zich echter van door aanmerke- lijk schuinscher profiel, hoogere onderoogkuilsbeenderen, klei- nere tanden en minder holle buiklijn, verschillen, die zich uit-_ muntend bij vergelijking van specimina van dezelfde grootte laten waarnemen. In de overige wezenlijke punten komen | beide species nagenoeg volkomen met elkander overeen. Het profiel. der bovenbeschrevene species beantwoordt vrij wel aan dat van Carangoïdes chrysophrys Blkr. (Caranx chrijso- phrys CV. Poiss. IX. p. 58 tab. 247) doch zij verschilt hier van door grootere oogen, lagere tweede rugvin en aarsvin en_ door talrijker rug- en aarsvinstralen. TEUTHIDES. Amphacanthus canaliculatus Bl? ‘ Amphacanth. corpore oblongo compresso, altitudine 23 ad 22 in ejus longitudine, latitudine 3 et paulo in ejus altitudine; capite convexo 48 ad 42 in longitudine corporis, aeque longo circiter ac alto; linea rostro- frontali ante oculos convexa, rostro concava; linea rostro-pectorali thorace convexa; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis; osse suborbitali supra angulum oris oculi diametro humiliore; operculo, praeoperculo et osse scapulari valde striatis; squamis parvis bene conspicuis; pinna dorsali par- tem spinosam inter et radiosam vix incisa, spinis validis, mediis ceteris- longioribus, 1“ ultima multo breviore, parte radiosa parte spinosa altiore, angulata; pinnis pectoralibus obtusiusculis capite brevioribus; anali spinis validis, mediis antica et postica longioribus; caudali leviter emarginata, angulis acuta; colore corpore superne viridi-fuscescente inferne margaritaceo- — 581 coerulescente et viridescente; fronte et rostro vittis transversis coeruleis; dorso lateribusque guttis numerosis eoeruleis; pinnis aurantiaco-viridibus, ventralibus et pectoralibus dilutioribus. ‚B.…,5. D. 1 procumb. + 13/10. P. 2/14. V. 1/3/1. A. 7/9 vel 7/10. C. 17 et lat. brev. Synon. Chaetodon canaliculatus Mungo Park Trans. Linn. Soc. II p. 33? Chaetodon cannelé Lacép. Poiss. IV. p. 473? Habit. Padang, in mari. Longitudo 2 speciminum 183” et 195” Aanm. Deze soort is in habitus en kleurteekening verwant aan Amphacanthus virgatus CV. doch heeft langwerpiger lig- chaam en veel talrijker blaauwe rugvlekjes, terwijl zij de schuin- sche borst- en operkel-rug-banden mist. Van Amphacanthus corallinus CV. verschilt zij voornamelijk door veel stomper pro- fiel van kop en snuit en andere kleurteekening van kop en buik; van Amphacanthus margaritiferus CV. door hooger lig- chaam, gebogen profiel van den kop en sterk uitgedrukte oper- kel- en praeoperkelgroeven. Ik vermoed dat de bovenbeschrevene soort dezelfde is als de door Murco Park kortelijk beschrevene, welke in de groote Histoire naturelle des Poissons met Amphacanthus margaritife- rus CV. van Amboina en Vanikolo vereenigd is, doch welke daarmede niet vereenigd kan blijven , indien mijn vermoeden omtrent de identiteit, voornamelijk gegrond op de plaats van voorkomen , juist is. De onderwerpelijke species kan voorts niet verward worden met Amphacanthus sutor CV. bij welke de kop bijkans 6 maal gaat in de lengte des ligchaams. GOBIOÏDEL. Amblyopus urolepis Blkr. Amblyop. corpore elongato compresso, altitudine 9 ecirciter in ejus lon- ‚ gitudine, antice vix altiore quam lato; capite obtuso, 7 circiter in longi- tudine corporis, aeque lato ac alto, sed longiore quam alto; linea rostro- frontali declivi convexiuscula; oculis minimis vix conspicuis; dentibus ma- xillis pluriseriatis, gracilibus, leviter curvatis, parvis sed oculo nudo con- ‚spicuis; rictu subverticali; maxilla inferiore valde adscendente et ante ma- _ xillam superiorem prominente; cute laevi, pinnas non includente; cauda rr Ee 0 PE DELA U eN Pias ETE ee ji kk DDA POC KNLEAE RIS ON DEE HEEREN OPG PEGA KEREN bi UE U En AE GAAS Een 0 loket postice squamis econspicuis;s pinnis dorsali et anali antice corpore muito humilioribus; caudali acutiuscule rotundata 52 eirciter in longitudine cor- — poris; pectoralibus rotundatis latioribus quam longis; ventralibus pectora= libus longioribus capite minus duplo brevioribus; colore corpore virides- k cente, pinnis flavescente. Bus Dre/Ban ds al4, Pe AerTVe lS An 1/33. Habit. Palembang, in fluviis. Longitudo speciminis unici 81°” Aanm. Deze soort onderscheidt zich van de bekende spe- cies van Amblyopus voornamelijk door kortheid van ligchaam, veel minder talrijke rugvinstralen en duidelijk beschubten staart bij overigens geheel gladde huid. LABROÏIDEI CTENOÏDEL Glyphisodon bonang Blkr. Glyphis. corpore suborbiculari-ovali, altitudine 2 et paulo in ejus longi- tudine; capite 4} circiter in longitudine corporis, altiore quam longo; li- nea rostro-frontali convexa; osse suborbitali alto rotundato; praeoperculo subrectangulo angulo rotundato; squamis lateribus 28 p. m. in serie longi- tudinali; pinnis dorsali et anali rotundatis; dorsali spina ultima spina pe=_ nultima longiore; caudali parum excisa lobis obtusis rotundatis; ventrali- bus radio 1° paulo producto; colore eorpore pinnisque fuscos pinnis dor- sali, anali et ventralibus marginem et apicem versus nigricantibus; basi pinnae pectoralis superne macula nigra; junioribus capite corporeque pune- tis luteis et dorso macula magna fasciore luteo cincta ad basin pinnae dorsalis radiosae partis posterioris; adultis guttis et macula vix vel non conspicuis sed marginibus squamarum medio profundioribus. B. 6. D. 13/16. P. 2/18. V. 1/5. A.-2/3 vel 2/14. C. 15 et lat. brevs Habit. Padang, in mari. NE Longitudo 2 speciminum 110” et 150°” Aanm. Deze soort is verwant aan Glyphisodon lacrymatus CV. doch daarvan duidelijk onderscheiden door het aantal vin- doornen en stralen. Glyphisodon septemfasciatus GV. Poiss. V p. 346? Kk _Glyphis. corpore ovali compresso, altitudine 24 fere in ejuslongitudine; — capite 4 circiter in longitudine corporis, altiore quam longo; linea rostro- 305 © frontali convexa; osse suborbitali alto rotundato; praeoperculo obtusan- gulo rotundato; squamis lateribus 28 p. m. in serie longitudinali; pinnis SS dorsali analique angulatis rotundatiss dorsali spinis 5° et 6“ spinis ceteris lon- T 9 et 8° dorso-ventralibus, 4° et 5* dorso-analibus, C* caudalis fascia 7° 5 nigra; pinnis olivaceo-viridibus, dorsali spinosa et anali marginem versus À nigricantibus. B. 6. D. 13/13. P. 2/16. V. 1/5. A. 2/19 vel 2/13 C. 15 et lat. brev. R Synon. Glyphisodon à sept bandes CV. Poiss. Vp. 346? & Habit. Padang, Sumatrae occidentalis, et Pagotang, Javae meridiona- ú lis, in mari. \< Longitudo 2 speciminum 110” et 163” SILUROIDEL Silurus limpok Blkr. ni Silur. corpore elongato compresso, altitudine 5 eirciter in ejus longitu- el dine; capite acutiusculo depresso 72 eirciter in longitudine corporis; alti- | __tudine capitis 14, latitudine 14 circiter in ejus longitudine; linea rostro- | _dorsali vertiee concava; oculis posteris diametro 84 circiter in longitudine s capitis, diametris 24 circiter a se invicem distantibus; rostro oculo paulo 1d longiore; maxillis dentibus pluriseriatis parvis aequalibus, acutis, inferiore B superiore paulo breviores dentibus vomerinis parvis in vittam brevem dentibus intermasxillaribus parallelam dispositis; cirris 4, supramaxillari- bus posteriorem dimidiam partem pinnae analis attingentibus, inframaxil- EE laribus pinnae analis initium longe superantibus; loco pinnae dorsalis ra- ‚dio brevi unico filiformis pinnis peectoralibus capite vix longioribus spina _ postice leviter denticulata; ventralibus pectoralibus plus duplo brevioribus; „ anali longissima caudali contigua; caudali profunde incisa lobis acutis Vi svbaequalibus 7 et paulo in longitudine corporis; colore corpore dilute 5 viridi, pinnis hyalino; macula scapulari profundiore. EB. 12. D- 1 (fl. hrev-). P. 1/14, WV. 1/1. A. 79.-C. 17-et lat. brev. Habit. Palembang, in fluviis. Longitudo speciminis unici 175/'’, Aanm. Deze soort is het naaste verwant aan Silurus mo- nonema Blkr. van Java, doch onderscheidt zich daarvan door | betrekkelijk grooteren kop, door konkaaf profiel en langere Sboven- en onderkaaksdraden. 584 Silurus palembangensis Blkr. Silur. corpore oblongo compresso, altitudine 4 et paulo in ejus longi- tudine;s capite obtuso depresso 7 et paulo in longitudine corporis; altitu- dine et latitudine capitis 14 circiter in ejus longitudine; linea rostro-dor- sali vertice concavajs oculis posteris diametro 2} in longitudine capitis, diametro 14 circiter a se invicem distantibus; rostro oculo breviore; ma- xillis dentibus pluriseriatis parvis aequalibus, inferiore superiore.paulo breviore; dentibus vomerinis parvis in vittam dentibus intermaxillaribus parallelam dispositis; cirris 2 supramaxillaribus pinnam analem fere at- tingentibus; cirris inframaxillaribus nullis; loco pinnae dorsalis filo brevi unicos pinnis pectoralibus obtusiusculis capite multo longioribus, spina ossea longitudine caput aequante, postice denticulis minimis scabra; ven- tralibus pectoralibus plus quadruplo brevioribus; anali longissima a cau- dali spatio brevi remota; caudali profunde incisa lobis acutis 54 cir- citer in longitudine corporis; colore corpore viridescente; pinnis pecto- ralibus et anali membrana et caudali postice nigricante. B. 9. D.1 (fl- brev.). B. 3/11, MN. 6-A. 70: Co 17 eben: Habit. Palembang, in fluviis. Longitudo speciminis unici 169” Aanm. Deze soort onderscheidt zich van Siülurus bicirrhis CV., aan welke zij zeer na verwant is, voornamelijk door veel sterker konkaaf profiel en aanmerkelijk talrijker aarsvinstralen. Nog grootere verwantschap heeft zij met Silurus lats Blkr. van Borneo, doch onderscheidt zich ook hiervan door veel sterker — konkaaf profiel en door veel kortere bovenkaaksdraden, welke bij Silurus lats Blkr. tot nabij het midden der aarsvin reiken; E voorts nog door ligt getanden borstvindoorn, langwerpiger ligchaam enz. Silurus leptonema Blkr. Silur. corpore elongato compresso, altitudine 64 circiter in ejus longi- tudine; capite acuto depresso 5% circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 2, latitudine 12 circiter in ejus longitudine; linea rostro-dorsali k vertice concava; oculis diametro 5 circiter in longitudine corporis, diame- tris 24 circiter a se invicem distantibus; rostro oculo duplo vel plus du- — plo longiore; maxillis dentibas pluriseriatis aequalibus, inferiore valde an- te superiorem prominente; dentibus vomerinis in vittam semilunarem, den- tibus intermaxillaribus parallelam dispositis; cirris 2 supramaxillaribus gra= cillimis oeulum attingentibus; cirris inframaxillaribus nullis: pinna dorsali 505 nulla econspicua; pinnis pectoralibus acutiusculis capite brevioribus, spina ossea capitis parte postoculari longiore dentibus inconspicuis; ventralibus pectoralibus paulo plus duplo brevioribus; anali longissima spatio bre- vi a pinna caudali remota; caudali profunde incisa lobis acutis superiore inferiore paulo breviore 64 circiter in longitudine corporis; colore corpore pinnisque viridescente. DOE. 1/14 V. 1/8. A. 75. C. 17 et lat. brev. Habit. Palembang, in fluviis. Longitudo speciminis unici 268” Aanm. Deze soort is het naaste verwant aan Silurus heza- pterus Blkr. van Borneo, welke insgelijks slechts twee boven- kaaksdraden en geene rugvin bezit. Bij Süurus hexapterus Blkr. evenwel gaat de kop ongeveer 8 maal in de lengte des ligchaams, reiken de bovenkaaksdraden tot aan de operkels, zijn de borstvinnen een weinig langer dan de kop en de ge- tallen der stralen =B. 12. P. 1/16. V. 1/7. A. 76. De talrijke soorten van Silurus CV., thans reeds in mijne verzameling aanwezig en allen afkomstig van de zoete wate- ren der drie Soenda-eilanden, nopen mij, al weder daarvan een analijtisch overzigt te geven. In Mei van dit jaar bezat ik nog slechts 3 soorten van Wallago Blkr. en 8 van Silurus Blkr., terwijl mijn kabinet thans bevat 4 soorten van Wallago en Πvan Silurus, dat is 18 soorten van het geslacht Sitwrus CV. of 4 soorten meer, dan in 1839 door den heer VALENCIENNES van de geheele aarde beschreven zijn. WALLAGO Blkr. 1. Cirri A. A. Rictus longe post oculum productus. Wallago Mülleri Blkr. — Java. B. Rictus sub oculo desinens. Wallago bimaculatus Blkr.= Stlturus bimacu- latus Bl. — Java. Mes Cirri 2. A. Pinna analis radiis p. m. 95. P. 1/20. Wallago dinema Blkr. — Borneo. a ze 4 UL 586 B. Piínna analis radijs p. m. 70. P. 1/15. Wallago Leer Blkr. — Borneo, Sumatra. N SILURUS Blkr. : ECirri À. Piuna dorsalis radiis pluribus. … d. Oeculi superi. Maxillae aequales. aa. Cirri supra- et inframaxillares initium pinnae ana-_ lis multo superantes. A. 59. Silurus phaiosoma Blkr. — Borneo. b. Oculi posteri. Maxilla inferior superiore longior. aa. Cirri supramaxillares pinnam caudalem fere at- tingentes. A. 79. | Suurus macronema Blkr. — Java. 1 e. Oeculi inferi. Maxilta inferior superiore longior. aa. Cirri supramaxillares pinnam analem attingen- tes. A. 77. Silurus hypophthalmus Blkr. — Java. B. Pinna dorsalis radio unico filiformi. a, Maxilla superior inferiore longior. aa. Caput 8 fere in longitudine corporis. Cirri om= nes pinnae analis initium longe superantes. NT. | Stturus limpok Blkr. — Sumatra. Db. Caput 9 in longitudine corporis. Cirri suprama Xillares pinnae analis initium multo superan- tes, inframaxillares pinnas ventrales atlingentes. A. 79 p. m. | Silures mononema Blkr. — Java. b. Maxilla superior inferiore brevior. - aa. Caput 6 in longitudine corporis. Cirri suprä- maxillares oculum attingentes. A. 93. 5867 Silurus micronema Blkr. — Java. Weastieri 2. A. Pinna dorsalis radio 1° filiformi. _Maxilla superior in- feriore longior. a. Cirri supramaxillares pinnam analem vix vel non attingentes. aa. Caput 7 ad 73 in longitudine corporis. Pela 5DeD: me Biedt Silurus bicirrhis CV. — Java, Borneo. Tr A. 66. B. 9. Altitudo corporis 43 in ejus lon- gitudine. & Silurus laxs Blkr. — Borneo. Tir A. 70. B. 9. Altitudo corporis 4 et paulo in ejus longitudine. Silurus palembangensis Blkr. — Sumatra. b. Cirri supramaxillares pinnas pectorales vix attingen- tes. Caput 6 circiter in longitudine corporis. A. BBB Alen Stlurus eryptopterus Blkr. — Borneo. B. Pínna dorsalis nulla. Cirri supramaxillares caput non superantes. Maxilla inferior superiore longior. a. A. 92. B. 15. Caput 6 fere in longitudine corporis. Silurus phalacronotus Blkr. — Borneo. BEA 75 ìp:-m. aa. Caput 53 ecireiter in longitudine corporis. Silurus leptonema Blkr. — Sumatra. bb. Caput $ circiter in longitudine corporis. Silurus hexapterus Blkr. — Borneo. HI. Cirri nulli. Pinna dorsalis nulla. 588 Silurus apogon Blkr. — Borneo. Bagrus hypselopterus Blkr. vide tabul. Bagr. corpore elongato compresso, altitudine 5} circiter in ejus longi- gitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; dorso valde elevato et angulato; capite acuto 91 fere in longitudine corporis, aeque alto circiter ac longo sed longiore quam lato; linea rostro-dorsali concava; oculis dia- tro 8 circiter in longitudine capitis; cute capite poris conspicuis; scuto capitis cristaque interparietali glabris; crista interpariëtali plus duplo lon- giore quam basi lata, tota conspicua, os interspinosum sulcosum attin- gente; cirris 8, nasalibus opercula, supramaxillaribus os humerale, infra- maxillaribus externis aperturam branchialem vix attingentibus; cirris in- framaxillaribus internis externis multo brevioribus; rostro rotundato ocu- lo plus duplo longiore; maxilla superiore dentibus parvis pluriseriatis; maxilla inferiore ante superiorem prominente, dentibus tri- vel quadriseri- atis setiformibus dentibus supramaxillaribus multo longioribus; vitta den- tium vomero-palatinorum continua simplice; osse scapulari rugoso acuto; pinna dorsali radiosa spina longissima et radio 1° corpore plus duplo alti- oribus, spina postice denticulata superne flexilis; dorsali adiposa longis- sima dorsali 1l** contigua, corpore absque pinna caudali minus duplo breviore; pinnis pectoralibus acutis capite longioribus, spina ossea longi- tudine caput aequante, postice denticulata; ventralibus acutis longitudine pectorales aequantibus; anali obtusa corpore humiliore basi 5 et paulo in longitudine pinnae adiposae; caudali usque ad basin fere incisa lobis acu- tissimis 8 fere in longitudine totius corporis; corpore rufo et fusco toto nebulato; pinnis nigris, adiposa et caudali tantum fuscescentibus. B. 7. D. 1/7. P. 1/10. V. 1/5. A. 5/10. C. 17 et lat. brev. Habit. Palembang, in fluviis. Longitudo speciminis unici 260’, Aanm. Deze merkwaardige soort is zeer kenbaar aan haren _ hoogen als gebogchelden rug, hooge rugvin, groote vetvin, eigenaardige kleuren enz. Pangasius hevanema Blkr. Pangas. corpore elongato compresso, altitudine 54 fere in ejus longitu- dine, latitudine 1} circiter in ejus altitudine; capite obtuso leviter convexo, â 6 in longitudine corporis; altitudine capitis 14, latitudine 14 circiter in ejus longitudine; linea rostro-frontali leviter convexa; oculis posteris dia- — „metro 24 circiter in longitudine capitis, superne diametro 14 circiter, in- E ferne minus diametro 1 a se invicem distantibus; cirris 6, supramaxilla- 589 ribus pinnam analem, inframaxillaribus externis et internis subaequalibus os humerale attingentibus; maxillis dentibus pluriseriatis parvis, inferiore superiore breviore; dentibus vomero-palatinis in thurmas 2 oblongas sub- contiguas collocatis, parvis; scuto capitis cristaque interparietali glabris; linea laterali rectiuscula; linea ventrali linea dorsali convexiore; pinna dorsali acuta non emarginata corpore humiliore, spina postice serrata; pinna adiposa minima parti pinnae analis posteriori opposita; pinnis pec- _ toralibus acutis capite longioribus, spina postice serrata; ventralibus pec= toralibus duplo brevioribus; anali 84 ecirciter in longitudine corporis; cau- dali profunde incisa lobis acutis inferiore superiore longiore 42 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne plumbeo inferne argenteo; pinnis flavescente-hyalinis, pectoralibus membrana et caudali margine pos- teriore nigricante arenatis. BDE TA P. 1/9. V. 1/5. A. 4/36.°0. 17 et lat. brev. Habit. Palembang, Batavia, in fluviis. Longitudo 2 speciminum 102''’ et 152’, Aanm. In de groote Histoire naturelle des Poissons wordt slechts eene enkele soort van Pangastus vermeld, te weten Pangasius Buchanani CV. vaú de Ganges. Ik heb het eerst het voorkomen van dit geslacht in den Zndischen Archipel aan- getoond, en thans ken ik er reeds 6 soorten van, 3 van Java, Pangasius djambal, Pangasius hexanema en Pangasius micro- nema; 2 van Borneo, Pangasius rios en Pangasius macronema, en 2 van Sumatra, Pangasius hevanema en de hieronder be- schrevene. Pangasius hexanema onderscheidt zich van alle deze soorten door de aanwezigheid van 6 baarddraden, bezittende alle overige bekende soorten er slechts Á. Door deze soort moet de diagnose van het gelacht, duidende op de 4 cirri, eene wijziging ondergaan, tenzij men in de 2 cirri méér een geslachtskenmerk wilde vinden, evenals Silundia, welk geslacht men als van Pangasius verschillend beschouwt, 2 baarddraden minder heeft dan Pangasius. De verschillen in de getallen der baarddraden schijnen mij echter toe hier, op zich zelve geno- „men, geen gewigt genoeg te bezitten om ze tot geslachtsken- merken te verheffen. Pangasius juaro Blkr. Pangas. corpore elongato compresso, altitudine 52 in ejus longitudine, 590 latitudine 14 eirciter in ejus altitudine: capite ovtnso antice convexo, 64 in longitudine corporis; altitudine capitis 14, latitudine 14 eirciter in ejus longitudine; linea rostro-frontali convexa; oculis subposteris diametro 4 in longitudine capitis, superne diametris 34, inferne diametris 24 a se in- vicem distantibus; ecirris 4, supramaxillaribus os humerale attingentibus, inframaxillaribus oculo brevioribus; maxillis dentibus multiseriatis, parvis, aequalibus; maxilla inferiore superiore breviore; dentibus vomerinis et pa- latinis parvis conicis, vomerinis in thurmam magnam quadratam, palatinis in thurmas 2 oblongas parvas ad latera thurmae vomerinae collocatis; scuto capitis cristaque interparietali rugosis; linea laterali rectiuscula ramosa; linea dorsali linea ventrali convexiore; pinna dorsali radiosa acuta non emarginata corpore humiliore, spina postice serrata; pinna adiposa gracili pinnae analis parti posteriori opposita, multo altiore quam longa, altitu- | dine oculum subaequante; pinnis pectoralibus acutis capite paulo breviori- bus, spina postice serrata; ventralibus pectoralibus multo minus duplo : brevioribus, analem attingentibus; anali 34 circiter in longitudine corporis; caudali profunde incisa lobis (partim abruptis); colore corpore superne plumbeo-coeruleo, inferne argenteo; pinnis viridescentibus vel flavescenti- bus, dorsali, pectoralibus ventralibusque marginem posticum versus mem- brana nigricantibus. B. 7. D1/1..PS 1125, MV. 1465 A. 4/30. Co717. Stolntenkneg Synon. Jkan Juaro Palembang. Habit. Palembang, in fluviis. Longitudo speciminis unici 336'/’, Aanm. Deze soort is na verwant aan Pangasius polyurano- don Blkr. van Borneo, doch heeft minder aarsvinstralen, kor- tere voeldraden, de oogen hooger aan den kop geplaatst enz. Arius melanochtr Blkr. Arius corpore elongato compresso, altitudine 6 in ejus longitudine; ca- pite acuto convexiusculo a rostro usque ad aperturam branchialem 5, a rostro usque ad apicem cristae interparietalis 84 circiter in longitudine corporis; latitudine capitis 12 circiter in ejus longitudine; oculis diametro 8 in longitudine capitis, diametris 3 circiter a se invicem distantibus; li- — nea rostro-frontali declivi rectiuscula, rostro tantum convexa; scuto capi= e tis irregulariter sulcato et granulato, sulco antico lato glabro cordiformi, $ granulis medio numerosis; crista interparietali duplo longiore quam basi ( lata, tota sulcata et granulata, apice leviter emarginata os interspinosum — parvum granulosum attingente; cirris 6, supramaxillaribus apicem ossis hu- . meralis paulo superantibus, inframaxillaribus externis basin pinnae pecto- Ex toralis, inframaxillaribus internis aperturam branchialem attingentibus; ma= W ed 591 xillis dentibus pluriseriatis parvis aequalibus, superiore inferiore longiore; ore infero; dentibus palatinis conicis parvis in thurmas 2 parvas oblongas antice et lateraliter in palato collocatis; osse scapulari glabro; spinis dor- sali et pectoralibus crassis, subaequilongis, capite paulo brevioribus, antice granulosis, lateribus striatis, postice serratis, non in fila productis, 54 circiter in longitudine corporis; pinna dorsali radiosa acuta corpore non humiliore; pinna adiposa anali paulo longiore, longitudine 14 circiter in longitudine capitis, oblonga, rotundata, plus duplo longiore quam alta; pinnis pectoralibus acutis capite paulo brevioribus; ventralibus obtusis ro- tundatis pectoralibus paulo brevioribus, analem attingentibus, radio postico basi tumido cartilagineo; anali acuta angulata non emarginata aeque alta ac longa; caudali profunde incisa lobis acutis superiore longiore 4} in lon- gitudine corporis; colore corpore superne plumbeo-coeruleo, inferne argen- teo; pinnis, adiposa immaculata viridi excepta, medio nigris marginibus viridibus vel flavescentibus. BERDE MDN AE. 1/12. Vol/5. A. 7/13, Co417. jet: Tat. brev. Habit. Palembang, in fluviis. Longitudo speciminis unici 302/'/, Aanm. Deze soort laat zich bij den eersten oogopslag van de bekende soorten van Artus onderkennen door hare lange vetvin, en zwarte straalachtige vinnen. Pimelodus platiypogon K. v. H. GV. Poiss. XV p. 118. Pimelod. corpore elongato compresso, altitudine 7% ad 54 in ejus lon- gitudine; capite antice semicirculariter rotundato, 5 circiter in longitudine _ corporis; altitudine capitis 2 ad 18, latitudine 14 ad 14 in ejus longitu- dine usque ad apicem opercularem; linea rostro-dorsali convexa; oculis diametro 8 ad 11 in longitudine capitis; scuto capitis cristaque interparie- tali glabris; crista interparietali longiore quam basi lata, apice acuta os interspinosum glabrum subattingente; cirris 8, nasalibus oculum non at- tingentibus, labialibus basi latis Oopercula paulo superantibus, inframaxil- Jaribus externis pinnam pectoralem attingentibus, inframaxillaribus inter- pis aperturam branchialem inferiorem vix superantibus; maxilla superiore inferiore longiore; rictu latitudine capite paulo plus duplo breviore; cute laevi; pinnis radio nullo producto; dorsali radiosa angulata non emargi- nata spina postice superne denticulata corpore non vel vix humiliore; dor- _ sali adiposa oblonga rotundata, anali non breviore; pectoralibus longitu- dine caput aequantibus, spina valde serrata spina dorsali longiore; ventra- libus rotundatis vel angulatis pectoralibus brevioribus; anali rotundata cor- pore paulo humiliore; caudali profunde emarginata lobis subaequalibus acutiusculis rotundatis 44 ad 5 in longitudine corporis; vesica natatoria ha en 5 ie 592 nulla; colore corpore superne lateribusque viridescente-fusco, inferne au= rantiaco ; linea laterali flavescente vel aurantiaca; pinnis dorsalibus ma- xima parte fuscis; caudali basi utroque lobo maxima parte fusca; pinnis eeteris aurantiacis plus minusve fusco tinctis. 9 B, 9D. 1/5. P. 1/8, V. 1/5. A 4/8 vel 3/9. Cl Zvetelat,- breve Synon. Pimelodus gymnocephalus K. v. H. Mss. Pimélode à barbillons plats CV. Poiss. XV p. 118: Ikan Djengal Sundanens. kan Leleh gunung. Mal. Batav. Habit. Pajakombo, Sumatrae occidentalis, in fluviis. Batavia, Tjampea, Buitenzorg, Tjipannas, Javae insulae, in flu- vijs. Longitudo 11 speciminum 60/'/ ad 100//, Aanm. Deze soort ontving ik van Sumatra van den heer P. JakLesS en van Buitenzorg en Tjipannas van den heer J. E._ TerismanN. Zelf vond ik haar te Tjampea en te Batavia Te Batavia wordt zij zelden gevangen en slechts na hooge rivier- standen in de westmoesson. Zij werd er door mij slechts aan- getroffen in de maand April 1851 gelijktijdig met twee nog onbeschrevene soorten, Pümelodus zonatus Blkr. en Pimelodus pleurostigma Bkr. CYPRINOÏDEL. Barbus gobioïdes Blkr. Barb. corpore subelongato compresso, altitudine 5 fere in ejus longitu- dine, latitudine 2 fere in ejus altitudine; capite convexiusculo subacuto 48 circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 12, latitudine 2 i ejus longitudine; oculis diametro 34 circiter in longitudine capitis, dia= metro 1 in capitis parte postoculari;, distantia interoculari 22 circiter in longitudine capitis; rostro convexo oculo longiore; maxilla superiore in- feriore paulo longiore, verticaliter deorsum medioeriter protractili, longe ante oculum desinente, labio tenuis; ore subinfero; maxilla inferiore sym= physi uneinata; cirris labialibus maxillaribus longioribus oculum non ate tingentibus, maxillaribus nares non attingentibus; dentibus pharyngealibus triseriatis serie externa 5 subuncinatis; osse scapulari trigono obtuso; linea rostro-dorsali vertice leviter convexa; dorso humili sed ventre con vexiore; lineis dorsali et ventrali rotundatis; linea laterali lineam rostro _caudalem attingente vix curvata; squamis parte libera longitudinaliter stri- atis, lateribus 38 p. m. in serie longitudinali, 13 p. m. in serie transversalis 595 inguinibus squamis elongatis nullis; pinnis dorsali et anali basi vagina | - hee ht 4 _ squamosa nulla; dorsali ante ventrales incipiente, acuta, emarginata , cor= f pore paulo humiliore, spina ossea, gracili, flexili, non dentata; pinnis __pectoralibus et ventralibus acutis, pectoralibus ventralibus paulo longiori- bus sed capite brevioribus; pectoralibus ventrales non et ventralibus ana- lem non attingentibus; anali acuta non emarginata, corpore multo humi- liore; caudali profunde incisa lobis acutis subaequalibus 32 circiter in lon- gitudine corporis; colore corpore superne viridi inferne argenteo; pinna dorsali nigra angulo postico rubra et fascia obligua media lata rubra; pectoralibus analique elbis; ventralibus albis medio roseis; caudali viridi utroque lobo medio fascia longitudinali violascente. B. 3. D. 4/3 vel 4/9. P. 1/15 V. 1/8 A. 3/5 vel 3/%. C. 19 et lat, brev. Habit. Palembang, in fluviis. Longitudo speciminis unici 105”. Aanm. Deze soort is het naaste verwant aan Barbus nudi- cephalus K. v. H. vooral door overeenkomstigen vorm van kop en zamenstelling van bek, snuit en oogstreek. De fraaije kleu- ren van hare rugvin en de overlangsche violette banden der staartvin doen haar gemakkelijk onderkennen. Capoeta padangensis Blkr. Capoet. corpore oblongo compresso, altitudine 44 circiter in,ejus lon- gitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite convexo 54 cir- s citer in longitudine corporis; altitudine capitis 1E, latitudine 13 circiter _ in ejus longitudine; oculis diametro 8 circiter in longitudine capitis, dia- metro 1 circiter a se invicem distantibus; rostro laevi, convexo, obtuso, _ oculo multo breviore; maxilla superiore inferiore longiore, sub oeuli mar- _ gine anteriore vel vix ante oculum desinente; citris labialibus gracillimis oculo plus duplo brevioribus; dentibus pkharyngealibus triseriatis serie ex+ terna 4 subuncinatis; osse scapulari trigono apice rotundato; lineis dor- sali et ventrali rotundatis, dorsali ventrali multo convexiore; linea rostro- _ dorsali vertice concaviuscula; linea laterali antice declivi, posticee rectius- Ö cula, lineam rostro-caudalem vix vel non attingente; squamis parte libera __striis parcis divergentibus, lateribus 38 p. m. in serie longitudinali, 12 Se eirciter in serie transversalis pinna dorsali supra pinnas ventrales inci- 5 piente, acuta, vix emarginata, corpore humiliore, spina dentata capite paulo breviore; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis, subaequalibus, Ee: eireiter in longitudine corporis, pectoralibus ante ventrales, ventralibus 4 ante analem desinentibus; anali acuta non emarginata, corpore plus du- HIL A5 ä kumiliore; caudali profunde incisa lobis acutis 4 fere in longitudine 594 corporis; colore corpore superne coerulescente-viridi inferne argenteo; squamis lateribus plurimis stria transversa nigricante; pinnis flavescentibus Î vel hyalinis, dorsali et caudali leviter nigro marginatis. B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/14. V. 1/9. A. 3/8 vel 3/9. C. 19 et lat. brev. Habit. Padang, in fluviis. Longitudo speciminis unici 103'//, Aanm. Deze soort schijnt na verwant te zijn aan Capoeta fundulus CV. van Armenië en Georgië, doch bij deze zou de kop niet meer dan het 1/, van de geheele lengte des ligchaams uitmaken, de voeldraden vrij lang zijn en de snuit uitpuilende en poreus. Van de overige bekende soorten is zij insgelijks zeer gemakkelijk te onderkennen door haar slank ligchaam, getanden grooten rugdoorn, 8 of 9 verdeelde aarsvinstralen, enz. Capoeta ampalong Blkr. Cap. corpore oblongo compresso, altitudine 44 circiter in ejus longitu- dine, latitudine 2 fere in ejus altitudines capite acuto 4 in longitudine corporis; altitudine capitis 18, latitudine 24 in ejus longitudine; oculis diametto 42 circiter in longitudine capitis, 2 in capitis parte postocularis distantia interoculari 4 fere in longitudine capitis; rostro acuto non con= vexo, oculo longiore; maxillis aequalibus, superiore sub oculi margine aunteriore desinente, inferiore symphysi subuncinata; ecirris oculum attin= gentibus; dentibus pharyngealibus biseriatis, serie externa 5 gracilibus quo= rum 3 subuncinatis; osse scapulari trigono obtuso rotundato; linea ros- tro-dorsali non concava, rostro deelivi rectiusculas; linea dorsali convexa, k ventralt rectiusculas linea laterali concava lineam rostro-caudalem attin= gente; squamis parte libera radiatim striatis, lateribus 28 p. m. in serie; longitudinali, 9 p. m. in serie verticalis inguinibus squamis elongatis;® pinnis dorsali et anali basi vagina squamosa; pinna dorsali initio ventras libus opposita, acuta, leviter emarginata, corpore vix humiliore, spina gra=| cili leviter denticulata capite breviore; pectoralibus ventralibusque acu-® tis capite multo brevioribus; pectoralibus ventralibus paulo longioribuss et eas non attingentibus; ventralibus analem non attingentibus; anali acuta, paulo emarginata, corpore multo humiliore; caudali profunde incisa lobis: acutis 4 et paulo in longitudine corporis; colore corpore superne viridi, anteriore supra pinnam ventralem, posteriore supra vel vix post finem pianae analis; pinnis flavis, verticalibus medio rubescentibus. î 595 B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/14. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 et lat. brev. Habit. Palembang, in fluviis. Longitudo speciminis unici 120’//, Aanm. In habitus heeft deze soort veel van Capoeta ma- crolepidota CV. doch verschilt daarvan ten duidelijkste door gedoornde rugvin, door hare twee zwartachtige ronde zijvlek- ken enz. Mampalong is een der Maleische namen van Capoeta. Dangila microlepis Blkr. Dangil. corpore oblongo compresso, altitudine 44 circiter in ejus longi- tudine; latitudine 2 in ejus altitudine; capite obtusiusculo superne pla- piusculo, 6 et paulo in longitudine corporis; altitudine capitis 14, latitu- dine 12 circiter in ejus longitudine; oculis diametro 3 circiter in longitu- dine capitis, diametro 1 in capitis parte postoculari; distantia interoculari 2 et paulo in longitudine capitis; rostro convexiusculo, oculo paulo bre- viore, paulo ante os prominente, poris vix conspicuis; maxilla superiore inferiore longiore, verticaliter deorsum parum protractili, ante oculum 4 desinente; cirris maxillaribus rudimentariis, labialibus pupillam attingen- _tibus; labiis superiore papillis brevibus, inferiore duplicato; dentibus _ pharyngealibus triseriatis rectiusculis; osse scapulari trigono acutos li- nea rostro-dorsali vertice rectiuscula, rostro et fronte convexiuscula; lineis dorsali et ventrali rotundatis, dorsali ventrali paulo convexiore; linea la- terali vix curvata lineam rostro-caudalem postice tantum attingente; _squamis striis concentricis vix conspicuis, lateribus 65 p. m. in serie lon- gitudinali, plus quam 20 in serie verticalis inguinibus squamis elon- gatis; pinna dorsali ante ventrales incipiente, acuta, emarginata, cor- pore multo humiliore, longitudine 2# in longitudine corporis; pectorali- _bus et ventralibus acutis subaequalibus, capite vix brevioribus; pectorali- _ bus ventrales non, ventralibus analem non attingentibus; anali acuta vix vel non emarginata, dorsali humiliore; caudali profunde incisa, lobis a- E utis, superiore longiore AL circiter in longitudine corporis; colore cor- pore superne coeruleo inferne argenteo; lateribus maculis 2 rotundis ni- gBrieantibus, anteriore ad lineam lateralem ante pinnam dorsalem, poste- riore in linea laterali ad basin pinnae caudalis; pinnis flavescente-viridi- Ee dorsali membrana superne violascente. B. 3. D. 4/27 vel 4/28. P. 2/14. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 et lat. rev. Habit. Palembang, in fluviis. _ Longitudo speciminis unici 185” A ENDERS MAR 596 Aanm. Deze fraaije soort is zeer gemakkelijk herkenbaar | aan hare kleine schubben, lange rugvin en zwarte zijvlekken. Dangila sumatrana Blkr. Dangil. corpore elongato compresso, altitudine 5% circiter in ejus lon- gitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite convexo 64 fere in longitudine corporis; altitudine capitis 14, latitudine 1% circiter in ejus longitudine; oculis diametro 8 eirciter in longitudine capitis, diametro 13 circiter a se invicem distantibus; linea interoculari convexa; rostro cou- vexo, obtusiusculo, oculo longiore, antice poris numerosis maxime con- spicuis; maxilla superiore inferiore vix longiore, deorsum parum protractilí, ante oculum desinente; cirris labialibus cirris maxillaribus duplo circiter longioribus pupillam attingentibus; labiis non papillatis; deutibus pharijn- gealibus triseriatis, leviter curvatis, serie externa 5; osse scapulari trigono apice acute rotundato; linea dorsali rotundata linea ventrali multo con- vexiore; linea laterali antice declivi postice rectiuscula, lineam rostro-cau- | dalem postice tantum attingente; squamis parte libera longitudinaliter stria- tis, lateribus 34 p. m. in serie longitudinali, 19 p. m. in serie transversalis pinna dorsali longitudine 34 ad 834 in longitudine corporis, corpore paulo humiliore, acuta, vix emarginata; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis, « subaegualibus, 7 circiter in longitudine corporis, pgetoralibus ante ven- trales, ventralibus ante analem desinentibus; anali acuta vix emarginata, corpore multo humiliore; caudali profunde incisa lobis acutis 4 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne viridi, inferne argenteo, pinnis rubescente. B. 3. D. 4/23. vel 4/24. P. 1/15. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 190608 lat. brev. Habit. Solok, Sumatrae occidentalis, in fluviis. Longitudo speciminis unici 185” 3 Aanm. Deze soort is na verwant aan Dangila Cuvieri Val. doch verschilt er van door rankere vormen, betrekkelijk kor- tere rugvin, langeren snuit, grootere snuitporiën, kortere lip- draden, ongetepelde lippen enz. Van de overige bekende soor- ten is zij insgelijks ligt te onderkennen. De kleuren van mijn specimen hebben door den wijngeest zeer geleden. À Flohita enneaporos Blkr. Rohit. corpore oblongo compresso, altitudine 44 fere in ejus longitudine, | latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite obtuso, convexo, 6 circiter 597 in longitudine corporis; altitudine ecapitis 14, latitudine 14 circiter in ejus longitudine; oculis diametro 4 ecirciter in longitudine capitis, diametris 2} circiter a se invicem distantibus; linea interoculari convexa; vertice econvexo; rostro convexo oculo duplo ecirciter longiore, ante os promi- nente , antice poro unieo medio majore poris 8 valde conspicuis cincto; maxilla superiore maxilla inferiore longiore ante oculum desinente; cirris maxillaribus labialibus brevioribus angulum oris non superantibus, labia- libus oculum attingentibus; labiis valde latis papillis conicis subfimbria- tis; dentibus pharijngealibus triseriatis, subclavatis, vix curvatis, serie ex- terna 5; osse scapulari trigono apice acutiuscule rotundato; lineis dorsali et ventrali convexis; dorso ventre multo altiore; linea laterali rectiuscula lineam rostro-caudalem non attingente;s squamis parte libera longitudina- liter striatis, lateribus 32 p. m.in serie longitudinali, 11 p. m. in serie trans- versali; pinna dorsali ante pinnas ventrales incipiente, acuta, emarginata, longitudine 5 ecirciter in longitudine corporis, corpore paulo humiliore; pinnis pectoralibus et ventralibus acutis 64 circiter in longitudine corporis, pectoralibus ventrales non, ventralibus analem non attingentibus; anali acuta, emarginata, corpore multo humiliore; caudali profunde incisa lobis acutis AA circiter in longitudine corporis; colore corpore superne viridi inferne argenteo, pinnis flavescente vel roseo. BALI vel.4/13. BP. 1/15. V. 1/8. A. 3/5 vel -3/6. C. 19-et lat. brev. Habit. Padang, in fluviis, Longitudo speciminis unici 246” Aanm. Deze soortis na verwant aan Rohita erythrurus CV., ‘doch laat zich gemakkelijk onderkennen aan hare snuitporiën, __ welke ten getale van 8, grootere, kringsgewijze geplaatste, zeer zigtbaar zijn en eene nog grootere porie midden op den snuit omringen. Bij alle mijne grootere en kleinere specimina, welke ik beschouw als tot Rohita erythrurus te behooren, zijn die poriën slechts ten getale van drie aanwezig en de middelste betrekkelijk veel grooter dan bij bovenbeschre- vene soort. _Rohita cyanomelas Blkr. ‘$ Rohit. corpore oblongo compresso, altitudine 8% circiter in ejus longi- tudine, latitudine 2 in ejus altitudine; capite obtuso, superne planiusculo 5: circiter in longitudine corporis; altitudine et latitudine capitis 14 cir- eiter in ejus longitudine; ocnlis diametro 44 circiter in longitudine capitis, EE circiter in capitis parte postoculari; distantia interoculari 13 circiter in 598 longitudine capitis; rostro obtuso, rotundato, valde ante os prominente, poris numerosis valde conspicuis obsito, oculo duplo longiore; maxilla superiore inferiore longiore longe ante oenlum desinente; cirris maxillari- bus labialibus longioribus, angulum oris superantibus, labialibus oculum attingentibus; labiis carnosis, superiore papillis brevibus, inferiore papillis longis gracilibus fimbriato; dentibus pharijngealibus triseriatis, apice ni- gris, serie externa 5 paulo curvatis; osse scapulari trigono obtuso; linea rostro=dorsali vertice leviter concavas dorso valde elevato, ventre multo convexiore; linea laterali leviter curvata, non infra lineam rostro-caudalem descendente; squamis parte libera longitudinaliter striatis, margine libero angulato, 43 p. m. in serie longitudinali, 15 p. m. in serie verticali; in- guinibus squamis elongatis; pinna dorsali ante pinnas ventrales incipiente, acuta, valde emarginata, corpore multo altiore, basi 32 circiter in longi- tudine corporis; pectoralibus et ventralibus acutis, emarginatis, postice | rotundatis, capite longioribus; pectoralibus ventralibus brevioribus sed ven- trales attingentibus; ventralibus analem attingentibus; anali acuta emargi- nata, corpore paulo humiliore; caudali semilunariter excisa, lobis acutis, superiore longiore 8% in longitudine corporis; colore corpore pinnisque _ violaceo-nigricante. : ' B. 3. D. 4/18 vel 4/19. P. 1/17. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 et lat. brev. 4 Habit. Palembang, in fluviis. Longitudo speciminis unici 380°” Aanm. Deze soort is na verwant aan Rohita Reynauldt GV. van Rangoon, doch onderscheidt er zich van door hoogere en E langere rugvin, andere kleur des ligchaams enz. Zij is ook zeer verwant aan Rohita chrysophekadion Blkr., waarvan zij echter verschilt door geheel andere kleurteekening. | Rohita triporos Blkr. Rohit. corpore oblongo compresso, altitudine 4 in ejus longitudine, la- titudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite obtusiusculo 5% circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 14, latitudine 12 circiter in ejus_ longitudine; oculis diametro 34 in longitudine capitis, 1 et paulo in ca- k pitis parte postoculari; distantia interoculari 2 in longitudine capitis; ros- tro convexo rotundato, oculo longiore, paulo ante os prominente, antice poris 3 valde conspicuis, poro medio poris lateralibus majore; maxilla superiore inferiore longiore, longe ante oculum desinente; labiis carnosis papillis valde conspicuis eiliatis; cirris labialibus cirris maxillaribus longio- 1 4 599 scapularì trigono acuto; linea rostro-dorsali vertice vix econcaviuscula; dorso elevato ventre multo convexiore; linea laterali rectiuscula lineam rostro-caudalem attingente; squamis parte libera longitudinaliter striatis, lateribus 34 p. m. in serie longitudinali, 11 p. m. in serie verticalis in- guinibus squamis elongatis; pinna dorsali ante pinnas ventrales incipiente, acuta, paulo emarginata, corpore humiliore, basi 44 circiter in longitudine corporis; pectoralibus et ventralibus aequalibus, capite paulo brevioribus; peetoralibus obtusiusculis ventrales non, ventralibus acutis analem non attingentibus ; anali acuta, vix emarginata , corpore duplo fere humiliore5 caudali profunde incisa lobis acutis, subaequalibus 4 in longitudine corpo- ris; colore corpore superne viridi inferne argenteo; fascia cephalo-caudali fusca diffusa; pinnis viridibus. B. 3.D. 4/11. vel 4/12. P. 1/14. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/5. C. 19. et lat. brev. Habit. Palembang, in fluviis. bek Longitudo speciminis unici 150”. Aanm. Deze fraaije en duidelijk kenbare soort schijnt nog de meeste verwantschap te hebben met Rokita cursis CV. Zij verschilt daarvan echter voornamelijk door grootere schubben, langere baarddraden en andere kleuren. Zij behoort tot de groep van Rohita erythrurus GV. en Rohuta vittata CV. van Java welke zich doen kennen door de drie groote poriën voor aan den snuit. ‚ Leuciscus thynnoïdes Blkr. 8 es ' Eden , n 5 Leucise. corpore elongato ecompresso, altitudine 5 eirciter in ejus lon- gitudine, latitudine 2 in ejus altitudine; capite acuto, 4 et paulo in lon- Ss gitudine corporis; altitudine capitis 12, latitudine 2 et paulo in ejus lon- gitudine; oculis posteris diametro 4 et paulo in longitudine capitis, 2 in parte ‚postoculari; distantia interoculari 3 fere in longitudine eapitis; rostro acuto mon convexo, oculo paulo longiore; maxilla superiore, ore clauso, vix ij ante maxillam inferiorem prominente, deorsum mediocriter protractili, erna 5; osse scapulari trigono obtuso; linea rostro-dorsali capite declivi pectiuscula; lineis dorsali et ventrali rotundatis, dorsali ventrali convexiore; inea laterali antice declivi paulo curvata postice rectiuscula, vix infra ineam rostro-caudalem descendente; squamis lateribus longitudinaliter api- e transversim striatis, striis oculo nudo vix conspicius; squamis lateribus 8 p. m. in serie longitudinali, 20 p. m. in serie verticali; inguinibus 600 squamis elongatis; pinna dorsali supra pinnas ventrales incipiente , acuta, emarginata, corpore vix humiliore; pectoralibus et ventralibus acutis, aequalibus, capite multo brevioribus; pectoralibus ventrales non, ventra- hibus analem non attingentibus; anali acuta, emarginata, corpore multo humiliore; caudali profunde incisa lobis acutis, inferiore paulo longiore 4 et paulo in longitudine corporis; colore corpore superne coeruleo, in- 8 ferne argenteo; membrana operculo- branchiali macula nigra; pinnis fla- vescente-viridibus, dorsali et caudalí ex parte violascentibus. | B. 3. D. 4/8 vel 4/9. P. 1/18. V. 2/8. A. 3/5 vel 83/5. C. 19 et lat. brev. | Habit. Palembang, in fluviis. 222 Longitudo speciminis unici 135”. Aanm. Ik noem deze soort (hynnoïdes, omdat de physiogno- mie van haren kop eenigzins gelijkt op die van den kop van Thijnnus thunnina GV. Reeds daardoor laat zij zich van alle bekende soorten van Lewciscus onderscheiden. | Leuciscus trinema Blkr. Leucisc. corpore elongato compresso, altitudine 6 circiter in ejus lon-_ gitudine, latitudine 2 fere in ejus altitudine; capite acuto 5 et paulo in longitudine corporis; altitudine capitis 1% circiter in ejus longitudine; oculis superis, diametro 4 et paulo in longitudine capitis, 2 fere in capi- tis parte postoculari; distantia interoculari 3 circiter in capitis longitudine; rostro acuto non convexo, oculo longiore; maxilla superiore inferiore bre-, viore, sub oculo desinente, deorsum valde protractili; maxilla inferiore oblique adscendente, symphysi uncinata; dentibus pharyngealibus triseria= tis, curvatis, serieexterna 5; osse scapulari trigono acuto ; linea rostro-dor- sali capite concaviuscula; lineis dorsali et ventrali rotundatis, dorsali vens trali convexiore; dorso crasso transversim rotundato; ventre subcultrato; linea laterali valde curvata, lineae ventrali multo magis quam lineae dor= sali approximata; squamis parte libera radiatim striatis, striis valde con= spicuis; squamis lateribus 45 p. m. in serie longitudinali , 8. p. m. in serie verticali; inguinibus squamis elongatis; pinna dorsali longe post pinnas ventrales inserta, parte postica parti analis anteriori opposita, acuta, paulo emarginata, corpore multo humiliore; pinnis pectoralibus acutis, capite paulo longioribus, ventrales attingentibus; ventralibus acutis pec toralibus brevioribus, radio 1° in filum, analem attingentem, producto; anali acuta vix emarginata, radio simplice in filum breve producto; cau= dali profunde incisa, lobis acutis inferiore longiore 44 circiter in longitus dine corporis; colore corpore superne viridi inferne argenteo; lateribus maculis rotundis fuscis in seriem longitudinalem dispositis et cauda im 601 fasciam latam trigonam nigram longitudinalem transeuntibus; pinnis flavis, dorsali et anali radiis aliquot macula fusca; caudali lobis medio fascia longitudinali nigricante, fascia lobo superiore fascia caudali continua. B. 3. D. 2/7 vel 2/3. P. 1/15. V. 1/3. A. 3/5 vel 3/7. C. 19 et lat. brev. Habit. Palembang, in fluviis. Longitudo speciminis unici 175”, Aanm. Deze fraaije soort is insgelijks bij den eersten oog- opslag herkenbaar aan hare eigenaardige vormen en kleuren. De achterwaartsche plaatsing der rugvin, de wijde bekspleet, de gehaakte onderkaak, de groote borstvinnen, de draadvor- mige verlenging der buik-en aarsvin en de kortheid der aars- vin, gepaard aan de eigenaardige kleurteekening, vormen eene zamenvoeging van karakters, welke men bij geene der beken- de soorten van Zeuciscus terugvindt. Leuciscus sumatranus Blkr. Leucise. corpore elongato compresso, altitudine 5 eirciter in ejus longi- tudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acuto 5 ecirciter in Jongitudine corporis; altitudine capitis 12, Jatitudine J2 eirciter in ejus longitudine; oeculis diametro 3 ad 834 in longitudine capitis, diametro 12 ‚ad 12 a se invicem distantibus; rostro acuto oeculo non vel vix breviore; _ maxillis aequalibus, superiore parum protractili vix ante vel sub oculi jk margine anteriore desinente, inferiore symphijsi subuncinata, valde adscen- f dente ; dentibus pharijgealibus triseriatisserie externa 5 longis subunecina- tis; osse scapulari trigono apice rotundato; linea rostro- dorsali vertice de- clivi rectiuscula; dorso ventre non altiore, ventre non cultrato ; linea laterali concava, lineae ventrali valde approximata et parallela, ad basin pinnae cau- Ke. desinente; squamis parte libera longitudinaliter striatis, lateribus 23 p. m. in serie longitudinali, 6 vel 7 in serie transversali; pinna dorsalt pinnas ventrales inter et amalem sita, acuta, non emarginata, corpore vix „humiliore; pinnis pectoralibusacutis 54, ventralibus acutis 6 circiter in lon- gitudine corporis; anali brevi, acuta, emarginata, corpore humiliore; Bena profunde incisa, lobis acutis 4 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne viridi inferne argenteo; marginibus squamarum in- ein coloratis; pinnis viridibus vel rubescentibus. 1 EB. 3.D. 1/7 vel 1/8. P. 1/13. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 17 et lat. brev. Á Habit. Solok, in fluviis. | Longitudo 3 speciminum 85” aa pt A Hi Ä5. 602 Aanm. Deze soort staat in verwantschap tusschen Leuciscus dusonensis Blkr.en Leuciscus cephalotaenia Blkr., doch verschilt van deze en andere verwante soorten door grootere schubben, gemis van band- en vlekteekening op het ligchaam, slanke vor- men, enz. Voor de juistheid der boven opgegeven kleuren kan ik niet instaan, daar zij door den wijngeest zeer schijnen gewij- zigd te zijn. Cobitis hymenophysa Blkr. Cobit. corpore elongato compresso, altitudine 54 eireiter in ejus longi- tudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite suilloideo, acuto, 44 fere in longitudine corporis; altitudine capitis 12, latitudine 3 fere in 5, ejus longitudine; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; oculis in postico dimidio capitis sitis, lineam rostro-frontalem non attingentibus, diametro 5 eireiter in longitudine capitis, plus diametro la se invicem distantibus; spina suborbitali antico-infera, bifurcata, ramo inferiore longiore longitu- dine oculum aequante; rostro valde acuto, carnoso, ante os prominente, oculo plus duplo longiore; maxilla superiore inferiore longiore longe ante oculum desinente; cirris 6, supramaxillaribus 4 basi unitis, internis exter- nis longioribus, oculum fere attingentibus, labialibus spinam infraorbita- lem attingentibus; linea dorsali linea ventrali multo convexiore; squamis oculo nudo vix conspicuis; linea laterali rectiuscula per media latera decurrente; vesica natatoria bipartita, membranacea, in cavitate ventris li- bere suspensa; pinna dorsali supra pinnas ventrales incipiente et paulo ante analem desinente, angulata, non emarginata, corpore paulo humiliore; pinnis pectoralibus acutiusculis, capite minus duplo brevioribus, ventrales non attingentibus; ventralibus acutiusculis, capite duplo brevioribus, analem non attingentibus; anali angulata, non emarginata, dorsali humiliore; cau- dali profunde incisa lobis acute rotundatis subaequalibus, 42 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne viridi, inferne dilutiore; cor- pore fasciis 12 vel 13 transversis coeruleis coeruleo profundiore marginatis; pinnis dorsali, pectoralibus caudalique viridibus, ceteris flavis; dorsali fasciis obliquis 5 coerulescentibus in fascias corporis transeuntibus, apice violaceo- nigricante; caudali utroque lobo vittis 8 p. m. transversis co@- ruleis. B. 3. D. 3/12 vel 3/13. P. 1/14. V. 1/7. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 et lat. brev. Habit. Palembang, in fluviis. Longitudo specimìinis unici 95”. Aanm. Deze fraaije soort is zeer kenbaar aan haren spitsen eet di dd dat enn dte ln an hens nn “a a 605 snuit, 6 voeldraden, groote onderoogkuilsdoornen, boven de buik- vinnen beginnende rugvin, gespleten staartvin en fraaije kleur- teekening. Zij behoort tot de groep van dit geslacht, voor welke de heer MacCrrrranp den…geslachtsnaam Hymenophysa heeft voorgesteld en waartoe Cobitis geta Ham. Buch, Cobitís dario Ham. Buch. en Botia grandis Gray van Hindostan en As- sam behooren. hs Cobitis macracanthus Blkr. Cobit. corpore oblongo compresso, altitudine 4 circiter in ejus longitu- dine, latitudine 2 in ejus altitudine; capite acuto convexo 44 ad 42 in longitudine corporis; altitudine capitis l et paulo, latitudine 2 ad 12 in ejus longitudine; linea rostro-frontali convexa; oculis in posteriore dimi- dio capitis sitis, lineam rostro-frontalem non attingentibus, diametro 4 ad ad 44 in longitudine capitis, diametro 13 ad 2% a se invicem distantibus; spina suborbitali ante oculum sita, bifurcata, ramo inferiore ramo superiore et oculo multo longiore; rostro acuto convexo oculo duplo fere vel plus duplo longiore, carnoso, ante os prominente; maxilla superiore inferiore longiore, longe ante oculum desinente; cirris 8, supramaxillaribus 4 basi unitis, externis internis longioribus, labialibus oculo vix longioribus, in- framaxillaribus labialibus multo brevioribus; squamis oculo nudo conspicuis; linea laterali recta per media latera decurrente; vesica natatoria magna, simplice, membranacea, libere in cavitate ventris suspensa; pinna dorsali ante pinnas ventrales incipiente et paulo ante analem desinente, acutius- eula, non emarginata, corpore multo humiliore; pinnis pectoralibus et ven- tralibus acutiusculis; pectoralibus capite brevioribus, ventrales non attin- gentibus; ventralibus pectoralibus brevioribus analem subattingentibus; ana- li acuta, non emarginata, dorsali vix humiliore; caudali profunde incisa, lobis acutis aequalibus, 34 circiter in longitudine corporis; colore copore superne roseo-rubro inferne dilutiore; fasciis corpore 8 latis nigris, 1’ ocu- lari, 2* dorso-ventrali, 3* dorso-anali; pinnis caudali , pectoralibus rubris, wentralibus rubris medio fuscis, dorsali et anali fere totis nigris. B. 3. D. 3/8 vel 3/9. P. 1/13 vel 1/14. V. 1/8. A. 3/5 vel 3/6. C. 19 et lat. brev. Synon. Zkan Matjan Mal. Sum. Habit. Palembang et in flumine Kwanten, Sumatrae occidentalis, XIIE inter et VII Kotta. Longitudo 3 speciminum 60” ad 132, 604 Aanm. Ook deze soort behoort tot dezelfde afdeeling als de boven beschrevene en beantwoordt daaraan ook in de voor- naamste kenmerken. In habitus heeft zij het meest van Cobitis dario Ham. Buch. , doch deze is ranker van ligchaam, zou slechts 6 voeldraden hebben, heeft veel talrijker en anders geplaatste ligchaamsbanden enz. ; Het kleinste mijner specimina heb ik ontvangen van Palem- bang van den heer Van Leer, de beide grootere van den heer SCHWANENFELD. Cobitis Jaklesiù Blkr. Cobit. corpore elongato, antice cylindrico, postice compresso, altitudine 8 ad 81 in ejus longitudine; capite convexo 6 in longitudine corporis, duplo longiore quam alto; oeculis diametro 5 circiter in longitudine capi- tis, in medio capite sitis; rostro convexo rotundato; spinis suborbitalibus nullis; ossibus suborbitalibus pluribus; ecirris 6, supramaxillaribus internis oculum attingentibus, supramaxillaribus externis et labialibus oculum su- perantibus; linea dorsali convexa; squamis oculo nudo conspicuis; pinna dorsali dimidio anteriore ventralibus opposita, angulata, corpore altiore; pinnis pectoralibus rotundatis, capite vix vel non brevioribus sed ventrali- bus rotundatis longioribus; Anali corpore non vel vix altiore; caudali se- milunariter emarginata, lobis acutis 44 ad 42 in longitudine corporis; co- lore corpore rubro-fusco, fusco profundiore nebulato vel fasciis 11 vel 12 transversis latis fuscis profundioribus; pinnis viridibus, dorsali et caudali radiis viridi profundiore maculatis; caudali basi macula fusca. B. 3.:D. 2/10, P_A/TE MVM. 1/7. Ar 8/6 'C. 19 ret Tats Heere Habit. Pajacombo, in fluviis. Longitudo 4 speciminum 66/'’ ad 82''/, Aanm. Ik ontving deze soort door de welwillendheid van mijnen vriend en ambtgenoot, den heer P. Jagres, die haar te Pajakombo ontdekte. Zij heeft in habitus veel van Cobitus chrysolaimos , doch laat zich daarvan bij den eersten oogopslag onderkennen door hare bruinroode kleur. NOTOPTERL. Notopterus hypselonotus Blkr. Notopter. corpore oblongo compresso, altitudine 8% circiter in ejus lon- É | , 605 gitudine, latitudine 34 circiter in ejus altitudine; capite acuto 44 eírciter Sin longitudine corporis, aeque alto, ac longo; linea rostro-dorsali vertice ‚valde concava; altitudine capitis supra medium oculum 3 et paulo in ejus \ Jongitudine; oculis diametro 64 circiter in longitudine capitis, 44 circiter ‚jn capitis parte postoculari, 3 et paulo in latitndine praeoperculi; osse suborbitali antice sub oculo oculo triplo fere humiliore; rostro rotundato \ oeulo non vel vix breviore; maxilla superiore longe post oculum desinente; dentibus lingualibus anticis sequentibus longioribus eurvatis; praeoperculo À rotundato squamis parvis in series 20 p. m. transversales dispositis; fossa mucosa temporali plus quintuplo longiore quam lata; dorso valde elevato, rotundato; linea ventrali-caudali vix angulata; ventre utroque latere den- tibus 42 p. m. serrato; squamis cycloideis basi subradiatim striatis, late- ribus 220 p. m. in serie longicudinali; pinna dorsali oblonga rotundata, antice in posteriore dimidio corporis sita, altitudine 2 circiter in longitu- dine capitis; pinnis pectoralibus acute rotundatis, 14 eirciter in longitudine capitis, radium analem 10% circiter attingentibus; ventralibus basi unitis \oculo plus duplo brevioribus; anali radiis longissimis 24 circiter in longi- | tudine capitis; caudali obtusa rotundata; colore corpore superne griseo- fuscescente, inferne dilutiore; axillis macula magna nigerrima; pinnis vi ridi-fuscescentibus. BED. P. 1/15. V. 5. A. 125. C,14. Habit. Palembang, in fluviis. Longitudo speciminis unici 872''’. __Aanm. Deze soort heeft groote verwantschap met Notopte- rus Buchanani GV., doch mist de staartvlekken en dwarsche banden daarvan. Volgens de beschrijving van den heer VareN- CIENNES gaat voorts bij laatstgenoemde soort de kop slechts 41/, maal in de lengte des ligchaams, heeft de borstvin 14 stralen, de aarsvin 110, de rugvin 9 en het kieuwvliesS8 stralen, ter- wijl er 240 schubben op eene overlangsche rei gaan. GIJMNODONTES. Tetraödon palembangensis Blkr. | k Tetraöd. corpore oblongo depresso, altitudine et latitudine 34 circiter in ejus longitudine; capite acuto depresso 24 circiter in longitudine cor- poris, multo longiore quam alto et lato; linea rostro-frontali rostro con- vexa fronte concava; oculis lineam rostro-frontalem attingentibus, diame=- it o 54 circiter in longitudine capitis, diametris plus quam 2 a se invicem à istantibus; fronte media inter oculos protuberantia eutanea annularis 606 maxilla superiore prominente; papilla nasali utroque latere unica indivisa apice perforata; corpore spinuloso, spinulis dorso lateribusque valde con- spicuis; rostro, mento caudaque postice glabris; linea laterali maxime conspicua sulciformi oculum cingente, dorsum versus adseendente et cur- vatura magna caudam versus descendente; pinnis obtusis rotundatis vel convexis, dorsali et anali aeque latis cireiter ac altis; colore corpore su- perne profunde viridi inferne flavescente; ventre toto lineis violascentibus reticulato; lateribus maculis rotundis nigris in setiem longitudinalem dis- positis; pinnis viridibus. D:'2/8. PA 102 A. lont. Synon. Jkan Buntal Palembang. Habit. Palembang, in fluviis. Longitudo speciminis unici 210///. Äanm. Deze soort heeft in kleurteekening het meeste van Tetraödon reticulatus, welke ik in eene verhandeling over de Blootkakige visschen van den Indischen Archipel naar twee zeer kleine specimina beschreef, alsmede met Tetraödon linea- tus Blkr. De overlangsche rei van ronde zwarte vlekken en het ongevlekt zijn der vinnen doen haar genoegzaam onder-_ kennen. LOPHOBRANCHII. Pegasus pristis Blkr. Pegas. corpore elongato depresso, tetragono, altitudine 13 p. m. in efts _ longitudine; latitudine maxima 6 in ejus longitudine; capite angulato, de- presso, acuto, 3 et paulo in longitudine corporis; rostro elongato 5 ad 54 S in longitudine corporis, basi et medio apice latiore, depresso, utrinque 4 denticulis conspicuis serrato, apice obtuso glabro, latitudine media plus jé quam sexies in ejus longitudine; oculis diametro 4 ad 5 in longitudine rostri; scutis lateribus 4, cauda 11 vel 12 in serie longitudinalis; scuto d caudali postico utroque latere spina valde conspicua acuta; pinna dorsali $ anali opposita, corpore vix altiore; pectoralibus flabelliformibus analem nou attingentibus; analì brevi corpore vix altiore; caudali integra, truncata; corpore superne fuscescente guttulis et punctis numerosis confertis fuscis; ventre flavescente; pinnis dorsali, pectoralibus et caudalì fusco punctatis; ventralibus analique flavescentibus. DB. Be beard Alsdan Synon. Cataphractus rostro spatuliformi truncato Gronov. Zoöphyl. No. 357 p. 115 tab. 11 fig. 2. 3? 607 Pegasus natans et Pegasus volans Richards. Voy. Sulph. Zoöl. p. 118 Fish. tab. 50 fig. 5 ad 10 (nec BIJ. Habit. Padang, in mari. Longitudo 5 speciminum 85''’ ad 101'//. Aanm. Deze soort is vrij goed afgebeeld in het aangehaalde werk van den heer RricuarpsoN en ook in het Zoophylacium van Gronovius. In laatstgenoemd werk zijn echter de bruine vlekjes van ligchaam en vinnen niet teruggegeven doch wel het gezaagd zijn van de zijden des snuits. In de afbeelding van Pegasus natans van Broen ( Ausl. Fisch. tab. 121 fig. 3, 4), ontbreken niet alleen die vlekjes maar de snuit is er tevens Z00 se ekend, dat hij slechts aan de spits tanden vertoont en volstrekt niet aan de zijden. TRIJGONES. Trygon macrurus Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV. Plagiost. Fryg. corpore disciformi, disco paulo latiore quam longo, antice acuto, linea rostro-pectorali rectiuscula vel antice concaviuscula; pinna pectorali ‘angulo posteriore rotundata; capite longitudine 3 circiter in latitudine disci | maxima; rostro acuto 42 ad 42 in latitudine disci; oculis diametro 3 ad He: in longitudine rostri, diametris 2 circiter a-se invicem distantibuss; _foramine temporali paulo curvato oculo non vel vix minore; valvulis na- sales anterioribus rictum non attingentibus, aetate provectiore ciliis valde P conspicuis; rictu undulato, latitudine 21 ad 3 fere in longitudine rostri praeorali; velo postmaxillari superiore fimbriato; fundo cavitatis oris bi- papillato; dorso toto glabro vel linea media tantum tuberculo unico; cau= da disco plus triplo longiore, spina magna excepta, tota glabra, vestigio _pinnac nullo; appendicibus genitalibus pinnis ventralibus brevioribus, co- tis, postice sulcatis, non valvatis; corpore superne fuscescente-viridi, immaculato vel maculis rotundis flavescentibus, inferne albescente; cauda fusco et flavo annulata. Synon. kan Pareh Mal. Batav. __ Habit. Padang, Batavia, Samarang, in mari. 4 Longitudo 6 speciminum 180/'’ ad 295''', 7 Aanm. Het grootste mijner exemplaren, een wijfje, heeft den rug geheel glad, even als twee kleinere mannetjes. Bij de 608 overige specimina bevindt zich een wit beenachtig knobbeltje in de middellijn van den rug nabij den kop. Uit mijne aan Trijgon-soorten rijke verzameling ben ik tot de opmerking gekomen, dat men aan het ruw of glad zijn van den rug bij de soorten van dit geslacht meer waarde mag hechten, dan daaraan door de heeren J. Mürrer en Henre wordt toegekend. Bij mijn grootste specimen zijn de in jeugdigen leeftijd duide- lijke geelachtige rug- en borstvinvlekken verdwenen. Scripsi Batavia Calendis Maji apeceLn. SCHEIKUNDIG ONDERZOEK VAN MINERALE WATEREN van ner EILAND BAWEAN, iN | DOOR n JS. P. VAN ROUVEROY VAN NEEUWAAL. L. Bron van Sangkapoera. In den tweeden jaargang van dit tijdschrift bladz. 272 is elding gemaakt van vijf minerale bronnen, welke de heer . pe Groor, ingenieur van het mijnwezen in Nederlandsch In- dië op het eiland Bawean heeft aangetroffen en van welke door hem kleine hoeveelheden water aan het scheikundig laborato- rium te Batavia zijn gezonden. _ Op verzoek van den heer P. J. Marek heb ik het onderzoek van dit water gaarne op mij genomen en deel ik hier de uit- komsten van de analyse van het water mede, aangetroffen in de kalklagen in de nabijheid van de baai van Sangcapoera (f). Dit water heeft bij eene temperatuur der lucht van 26,79 C. eene temperatuur van 45° G. Het is reukeloos en heeft eenen zwak | zoutachtigen smaak. Bij verwarming heeft er sterke gasontwik- skeling plaats, terwijl het troebel wordt; het soortelijk gewigt bij BZC. is 1,002. Blaauw lakmoespapier, in het water gehouden, DE GRooT. IL 47 610 wordt rood. Deze roode kleur verdwijnt bij de drooging. Na verwarming wordt rood lakmoespapier blaauw gekleurd. Het kwalitatief onderzoek heeft de volgende stoffen aange- toond: Koolzuur, Chloor, Potassa, Soda, Kalkaarde, Bitter- aarde, IJzerprotoxijde, Kiezelaarde en Aluinaarde. KWANTITATIEVE ÁNALYSE. 1. Bepaling der Vaste deelen. _208,758 grm. water uitgedampt tot droogwordens, gaven na zachte gloeijing 0,172 grm. zout. 100 grm. water 0,0824 grm. zout. 2. Bepaling van het Chloor. 158,358. grm. water gaven 0,0085 grm. bij 100 C. ge- droogd chloorzilver waarin 0,0021 grm. chloor. 100 grm. water 0,00133 grm. chloor. 9. Bepaling van het Potassium. 112,856 erm. water, gaven 0,030 grm. bij 100 C. gedroogd chloorplativa-chloorpotassium , waarin 0,00474 grm. potassiam. 100 grm. water, 0,0042 grm. potasstum. 4. Bepaling der Kiezelaarde. Het zout, bij de eersle bepaling verkregen, gaf 0,00581 rug gegloeide kiezelaarde. 100 grm. water 0,00279 grm. kiezelaarde. 5. Bepaling der Alwinaarde. Het fillraat der kiezelaarde met chloorammonium en am- monia behandeld , gaf alwinaarde , door sporen van ijzeroxijde gekleurd , wegende gegloeid 0,00436 grm. 100 grm. water 0,00209 grm. 611 6. Bepaling der Kalkaarde als Koolzure kalkaarde. Het filtraat der aluinaarde gaf 0,08576 grm. bij 100° C. ge- droogden koolzuren kalk. 100 grm. water 0,04108 grm. koolzure kalkaarde. 4. Bepaling der Bitteraarde. Het filtraat van den koolzuren kalk gaf 0,037 grm. gegloeide _ phosphorzure bitteraarde, waarin 0,01356 grm. bitteraarde, ge- vende met 0,01446 grm. koolzuur. — 0,02802 erm. koolzure bitter- aarde. 100 grm. water 0,01342 grm. koolzure bitteraarde. 8. Bepaling van het Chloorpotassium. 100 grm. water gaven 0.00133 grm. chloor, welke met 0,00147 grm. potassium, 0,00280 chloorpotassium geven. 9. Bepaling der Koolzure potasch. Het zout, bij de eerste bepaling verkregen, werd met gede- stilleerd water behandeld, de oplossing met chloorwaterstofzuur overzadigd, tot droog wordens uitgedampt en zacht gegloeid, ver- volgens in water opgelost en hierin het chloor bepaald. Men verkreeg 0,108 grm. bij 00° C. gedroogd chloorzilver, waar- in 0,0267 grm. chloor. Ì 100 grm. water 0,0128 grm. chloor. , 100 grm. water van de 2de bepaling gaven _0,00133 grm. chloor. Het verschil chloor 0,01147 grm. beant- woordt aan 0,00711 grm. koolzuur. ï Van de verkregene hoeveelheid potassium zijn 0, 00147 grm. gebonden aan het chlorium, het verschil = 00273 „ geeft met 0,00056 „ zuurstof en 0,00154 „ koolzuur. 0,00483 „ koolzure potasch. Ì 612 10. Bepaling der Koolzure soda. Het verschil koolzuur 0,00558 grm geeft met 0,00786 „ soda 0,01344 grm. koolzure soda. Resultaat. 100 grm. water bevatten grm. _ Koolzure potasch - vie : : 0,00483 soda d > É A 0,01344 ’ De kalkaarde - ' à 0,04108 Rt bitteraarde é ° sine en \ 0,01342 Chloorpotassium À 5 \ à 0,00280 Kiezelaarde $ t : $ f É 0,00279 Aluinaarde met sporen van ijzeroxijde - ; 0,00209 0,08045 Het kalksediment, hetwelk deze bron afzette, heeft eene grijze kleur , bestaat uit eene opeenstapeling van min of meer vaste lagen, is zandachtig op het gevoel en bevat koolzure kalk- aarde en bitteraarde, kiezelaarde, aluinaarde met sporen van | ijzeroxijde en geringe sporen van phosphorzuur. DE VOEDINGSMIDDELEN VAN JAVA, SCHEIKUNDIG ONDERZOCHT DOOR DD. WW. KOST VAN TONNINGEN. L. CASSAVE-MEEL. Het stuk, dat ik het genoegen heb bij deze het publiek aan te bieden, is het begin eener reeks van scheikundige analijsen, welke ik wensch in het werk te stellen, van de voedingsmid- delen, welke op Java reeds algemeen gebruikt worden of, na het nemen der hiervoor noodige proeven, blijken mogten in heilzaam „gebruik te kunnen worden gesteld. Het doel, dat men zich voor- stelt met het doen dezer analijsen te bereiken, ís eene schif- ting daar te stellen tusschen goeden minder goed voedsel, ge-’ “grond als deze wezen moet op wetenschappelijk onderzoek en bewezen door de praktijk, in het algemeene leven opgedaan. Reeds lang was ik hiertoe van onderscheidene zijden aange- zocht en zelf overtuigd van het belang, hetwelk deze proefne- mingen èn voor de wetenschap èn voor de Indische maatschap- pij in het algemeen hebben konden, heb ik niet langer willen aarzelen om een begin te maken met het onderzoeken der stof- fen, waarmede de Javaan zich voedt of voeden kan. Niemand | die wèl denkt en met kennis van zaken oordeelt, zal een der- se Dat ik met het Cassave-meel een’ aanvang maak, is na- 614 gebruikelijk volksvoedsel op Java is te beschouwen, maar heeft daarin zijnen grond, dat mijn geachte vriend, de heer TrysmanN van Buitenzorg, hierover heeft geschreven in een stukje (Nat. Tijdschr. van N. IL jaarg. II p. 311), dat voorname-. lijk ten doel had, om aan te sporen zich door het kweeken van nog andere gewassen als rijst te vrijwaren voor de schrome- lijke gevolgen, welke eene mislukking dezer kultuur kan ver- oorzaken en waarbij onder vele andere planten ook meer be- paaldelijk de Cassave (Manihot utilissima Pohl=Obi dangdur) werd aangewezen. Het was dus van gewigt, om het produkt dezer plant zoo als het als voedsel door den Javaan, vooral in een gedeelte der residentie Bantam wordt genuttigd, aan de weten- schap te toetsen en het is door de welwillendheid van boven- genoemden heer dat ik dan ook in staat gesteld ben, om daar- mede een’ aanvang te maken, voor welke welwillendheid ik bij deze de vrijheid neem hem mijnen dank te betuigen. Verder moet ik nogmededeelen, dat, alhoewel na den afloop — van elk’ onderzoek der voedsels in het bijzonder, eenige re- gelen zullen gevoegd worden over het al of niet wenschelijke van een begin of voortzetting van de kultuur der planten zelve, het echter tot het laatste toe bespaard zal blijven, om bij een k algemeen overzigt, tevens eenen eenigzins ruimeren blik te werpen op de resultaten, welke ten voordeele der bevolking hieruit zouden kunnen worden getrokken. Volgens mijne wijze ( van zien, zal deze manier van werken de beste wezen. Ô Bepaling der Organische bestanddeelen. (Drooging der stoffen bij 100° G.) 8 Bepaling van het Zetmeel. 30 gramm. meel werden in eenen doek met water zóólang gekneed, totdat de laatste doorloopende vloeistof niet meer troebel was; daarna de gezamenlijke vochten op eenige filtra ge= daan zijnde, werd het teruggeblevene zetmeel uitgewasschen em gedroogd; het had een gewigt van 20,047 grm. dat is dus 66,823%% zetmeel. | G15 Bepaling van het Planteneiwit. De vloeistof waaruit het zetmeel was afgescheiden, werd tot aan het kookpunt verhit en na bekoeling en afscheiding van het eiwit, dit laatste afgezonderd en gedroogd;—het woog 0,182 grm. dus 0,607, planteneiwit. Bepaling van de Plantenlijm. De in den doek teruggeblevene celvezels werden met ster- ken wijngeest gekookt en daarna afgefiltreerd; de doorgeloopene alkoholische vloeistof verdampt en op een waterbad gedroogd liet na 0,024 grm. derhalve 0,08% plantenlijm. Bepaling van het Acidum pecticum. Laatstbedoelde celvezels werden na de behandeling met wijn- geest eenigen tijd bij zonnewarmte met zeer verdunde potassa caustica uitgetrokken, afgefiltreerd en in de doorgeloopene vloeistof het acidum pecticum met verdund acidum hijdrochlori- cum nedergeslagen, afgezonderd en gedroogd; het woog 0,017 _grm. ergo 0,057%, acidum pecticum. Bepaling van de Cellulose. Nadat de vezels goed met water waren uitgespoeld, werden zij \ gedroogd en wogen 4,149 grm., dat is 13,83°% cellulose. Deze N cellulose liet bij het verbranden nog eenige asch terug, waarom ‚ deze laatste bepaald en van het bovengenoemde cijfer afgetrok- _ ken werd. î 2,071 grm. celtalose lieten bij verbranding 0,206 grm. asch Rierus, dat is op 13,83 grm. 1,375 grm. asch, zoodat de som È der zuivere cellulose hierdoor tot 12,455°/, werd gereduceerd. Re Bepaling van het Vet. 6,465 grm. werden eenige dagen met ether getrokken en 616 deze laatste vervolgens door een fillrum afgezonderd, op een waterbad uitgedampt en gedroogd; het overblijvende woog 0,163 grm. dus 2,521°%% vet. Dit vet was van eene bruine kleur en olieachtig voorkomen ; het loste weinig in alkohol maar spoedig in de alcalia caustica op, uit welke oplossing door zuren witte vetzuren werden ge- praecipiteerd. Bepaling van de Gom. 90 grm. werden even als bij de bepaling van het amijlum aangeduid is, in eenen doek met water gekneed; het doorge- loopene vocht werd van amijlum en planteneiwit door affiltre- ring en verhitting bevrijd en op een waterbad uitgedampt en daarna met alkohol behandeld. De door dit laatste ligchaam gepraecipiteerde stof op een filtrum gebragt, met alkohol uit- gespoeld en gedroogd zijnde, woog 0,597 grm., dus 1,99% gom. Deze gom, welke volkomen in water oplosbaar was, liet na verbranding nog een spoor van asch terug, van welke evenwel geene bepaling gedaan is, omdat de hoeveelheid te gering was, dan dat zij eenigen beduidenden invloed op de waarheid der cijfers zoude kunnen uitoefenen. Bepaling der Swiker en Extraktiefstof. De alkoholische vloeistof, waaruit de gom was nedergeslagen , werd op een waterbad verdampt en woog 0,986 grm. dat is 3,286%. Het was eene bruine extraktachtige massa van eenen zoeten onaangenamen smaak, welke na eenige dagen sterk de vochtig- heid der lucht aangetrokken had en waaruit zich eenige kris- tallen, welke niet verder onderzocht zijn, aan hef schaaltje, waar- in het bevat was, hadden afgezet; bij verbranding bleef alme- de eenige asch terug. 617 Bepaling van het Water. No. f. 3,153 grm. meel verloren bij 1000 C. gedroogd 0,348 grm. = 11,0370/, No. 2. 2,942 „ meel verloren bij 100° C. gedroogd 0,335 grm. = 11,386%, Dus gemiddeld 11,2120/, water. Verzameling. 100 deelen Cassave-meel bestaan. Zooals het voorkomt, uit Watervrij uit 66,823 zetmeel 75,261 zetmeel | 12,455 cellulose 14,028 cellulose 0,607 planteneiwit 0,683 planteneiwit f 0,080 plantenlijm 0,099 plantenlijm | 0,057 acid. pecticum 0,064 acid. pecticum 2521 vet 2,839 vet É 1,990 gom 2,241 gom é 3,286 suiker en extraktiefstof 3,701 suiker en extrak- é tiefstof | 11,212 water te zamen 99,031 te zamen _98,907 verlies 0,969 verlies 1,093 100,000 100,000 Bepaling den Anorganische bestanddeelen. (Wat niet gegloeid is, is bij 1009 C. gedroogd ). Bepaling der Asch. Ki No. 1. 2,278 gr. meel liet na verbranding 0,036 grm. asch % terug = 1,58% No. 2. 1,217 gr. meel lieten na verbranding 0,018 gr. asch % terug = 1,479% 618 Zoodat gemiddeld op 100 deelen Cassave-meel zijn bevat 1,529°/. Genoemde asch was helder wit en loste zich nagenoeg geheel onder sterke ontwijking van koolzuur in zuren op. Bepaling der Silica. 0,341 grm. asch werden in verdund acid. nitrieum opgelost, de oplossing van de silica afgefiltreerd en deze laatste gedroogd en gegloeid: zij woog 0,00% grm. dat is 1,173, silica. Bepaling van het Chloor. In de vloeistof waaruit de silica verwijderd was, werd nitras argenti gevoegd en het nedergeslagene chloruretum argenti afge- zonderd en gedroogd; het woog 0,017 grm. = 4,985 chloruretum argenti ergo 1,232°% chloor. Bepaling van het Zwavelzuur. Nadat men het overtollige zilver door acidam hydrochloricum had verwijderd, voegde men chloruretum barii toe, filtreerde den gevormden sulphas barijtae af, droogde dezen en verkreeg 0,024 grm. = 7,038 sulphas barijtae., derhalve 2,419% zwavelzuur. Bepaling van het Phosphorzuur. 0,306 gr. asch werden in acidum hydrochtoricum opgelost en van de silica door affiltrering bevrijd; daarna in de oplossing wat chloridum ferri en overvloedige acetas sodae gevoegd zijnde tot dat de vloeistof eene heldere roode kleur aangenomen had, werd alles eenige oogenblikken gekookt, waardoor de vloeistof kleurloos werd en een bruin praecipitaat ontstond. Dit laatste werd nog warm afgefiltreerd en hetgeen op het fil- trum terug was gebleven, goed nagespoeld: hierna het prae- cipitaat met acidum hydrochloricum behandeld zijnde, tot dat alles was opgelost, voegde men acidum tartaricum en ammonia met sulphas magnesiae en chloorammonium toe, filtreerde het zich afgescheiden hebbende nederslag af, spoelde goed uit, droogde en gloeide; het woog 0,082 grm. = 26,797 pyrophosphas mag- nesiae, dat is 16,979%/% phosphorzuur. GI9 Bepaling van het Koolzuur. Van 0,520 grm. asch werden op bekende wijze en met de noodige voorzorgen, door middel van een kaliapparaat met ‚eene vooraf gewogene hoeveelheid oplossing van potassa caustica voorzien, door acidum hydrochloricum het aanwezige koolzuur uitgedreven en dit laatste vóór het in den potassa-toestel aan- kwam, over buizen, met chloorcalcium gevuld, geleid, ten einde het gas droog in de potassaoplossing zoude aankomen: na we- ging had de toestel 0,092 grm. aan gewigt toegenomen, ergo 17,131 % koolzuur. Bepaling van den Kalk. In de vloeistof, waaruit het phosphorzuur was verwijderd ge- worden, werd ammonia en chloorammonium gedaan ; zij bleef volkomen helder. Door bijvoeging van oxalas ammoniae werd de kalk als oxalas calcis nedergeslagen, afgefiltreerd en ge- droogd; hij woog 0,048 grm. = 15,686 oxalas- calcis; derhal- ve 6,017°%% kalk. Bepaling der Magnesia. Nadat de kalk was verwijderd, werd de magnesia door phos- phas ammoniae gepraecipiteerd, op een filtrum gebragt en na gedroogd te zijn gegloeid. Men verkreeg aan pyrophosphas magnesiae 0,086 grm. = 28,104 en dus 10,296% magnesia. Bepaling der Potasch. De eerstgenoemde oplossing der asch, waaruit het chloor was 4 bepaald en de kalk met de magnesia verwijderd waren, werd _ met chloorbarium gekookt, het ontstane praecipitaat afgezon- derd en de overvloedige barijta door carbonas ammoniae als car- _bonas barijtae verwijderd; daarna uitgedampt en de zoutmassa gegloeid zijnde, werd deze in een weinig water opgelost en de _ potassa door alkohol en chloridum platinae uitgescheiden, afgefil- treerd en gedroogd; men verkreeg 0,740 grm. = 217,009 chlo- | ridum platinae et potassae, ergo 41,875°/, potasch 620 Bepaling der Soda. In de nu nog overblijvende vloeistof werd het overvloedige platina door ammonia afgezonderd , de vloeistof uitgedampt, een weinig acidum sulphuricum toegevoegd en gegloeid; men woog aan sulphas sodae 0,0075 grm. = 2,287 en dus 0,998% soda. Verzameling. 100 deelen asch van het Cassave-meel bestaan Met het koolzuur en verlies Zonder het koolzuur en verlies | berekend, uit - berekend, uit 1,173 silica Î,4AS silica 1,232 chloor 1,521 chloor 2,419 zwavelzuur 2,987 zwavelzunr 16,979 phosphorzuur 20,965 phosphorzuur 6,017 kalk 7,430 kalk 10,296 magnesia 12,713 magnesia 41,875 potasch 51,704 potasch 0,998 soda 1,232 soda 17,781 koolzuur te zamen 98,720 te zamen 100,000 1,280 sporen van ijzer en verlies 100,000 Zoo als uit de anorganische analijse der Cassave blijkt, is er nagenoeg geen ijzer in aangetroffen; eene oplossing van eenige decigrammen asch in acidum hijdro-chloricum gaf met cijanuretum ferri et potassiij wel is waar eene geringe blaauwe kleuring, doch wanneer men de zure oplossing naauwkeurig neutraliseerde en een stroom gas hijdrogenium sulphuratum hierin doorstroomen liet, zag men nagenoeg geen spoor van sulphuretum ferri ont- staan. Wat de berekening der anorganische deelen betreft, zal het weinig opheldering behoeven, waarom ik bij de tweede berekening het koolzuur weggelaten heb; als een produkt door de verbranding van het cassave-meel gevormd , stelt het, wanneer het in de berekening ten honderd opgenomen blijft, veel min- der de waarheid voor dan thans; vooral was zulks hier van d belang, omdat toch reeds zoo veel onzekers, veroorzaakt door de reducerende werking van gloeijende kool op de oorspronke- lijke anorganische verbindingen bestaat; om dezelfde reden is ook voor als nog geene poging gedaan om de zuren met de bases als zouten voor te stellen; welligt dat bij meerdere analijsen der as- schen van andere voedingsmiddelen, hieromtrent een meer zeker weg zal aangewezen worden. De soda had ik, zonder vrees voor fouten te maken, met het chlorium als chloorsodium kunnen opnemen; iets dat evenwel bij een meer algemeen overzigt even goed kan geschieden. Uit de som van beide stoffen blijkt trou- wens genoegzaam, dat het verschil, hierdoor ontstaan, slechts weinig invloed op de cijfers der analijse zelve kan uitoefenen. Tot het doen der elementaire analijsen en vooral het bepa- len der stikstof van het cassavemeel, ontbreekt mij voor als nog de gelegenheid en alhoewel men reeds lang van het denkbeeld is teruggekomen om het voedend vermogen der voedsels alleen naar hun gehalte aan stikstof af te meten, is het toch ontegen- zeggelijk, dat de opgaven van het stikstofgehalte „ als punten van vergelijking met de gevondene stikstof houdende zelfstandigheden, groote waarde hebben. Ik wil dan ook gaarne de verzekering geven, dat het van mij niet zal hebben afgehangen, wanneer zij bij _ het einde dezer onderzoekingen, niet gevolgd zijn. Ik ben evenwel instaat om voorloopig op te geven , wat ik bij eenen soortgelijken arbeid der West-Indische voedingsmiddelen in de jaren 1847 en 1848, toen ik het voorregt had om onder de leiding van den Á hoogleeraar Murper, in het chemische laboratorium te Utrecht mij Á in de scheikunde te kunnen oefenen, hieromtrent gevonden heb. _Stikstofbepaling van het meel der West-Indische Zoete Cassave. __0,5816 grm. aschvrije stof gaven bij 17° temp. en 756 m. m. _barometerstand 3,5 kub. C. nitrogenium, waaruit blijkt, dat A 100 deelen van dit meel 0,698 stikstof bevatten. _Stikstofbepaling van het meel der West-Indische Bittere Cassave (1). £ _ 0,7755 grm. aschvrije stof gaf bij 18° temp. en 760 m. m. (1) De heer TEYsMANN vermoedt, dat de cassaveplant alhier gekweekt , eene andere soort is als de zoete en bittere der West-Indiën, k $ 622 barometerstand 6,5 kub. C. nitrogenium, zoodatop 100 deelen van dit meel 0,973°/, stikstof bevat zijn. | Verder bevatte het meel der bittere cassave 3,52°/ en dat der zoete 4,075°/, asch, dus het dubbele van het in het cassave- meel van Java’s bodem voorhandene. Het is duidelijk, dat dit laatste geheel van den aard der gronden afhangt, waar de plant wordt gekweekt; vele dergelijke verschillen in het aschgehalte van dezelfde soorten van planten, zouden zulks kunnen staven. Hoe schraler de grond, des te slechter het produkt dat er op ontkiemen en leven moet. | | Wanneer ik mijn gevoelen, gegrond op de resultaten, welke dit onderzoek heeft opgeleverd, mededeel , dan stem ik geheel toe, dat het cassavemeel bij een misgewas der rijst voortreffe- lijke diensten aan de bevolking zoude bewijzen. Bij genoegza- men voorraad zoude althans van hongersnood geen denkbeeld wezen, maar als er sprake is van volksvoedsel in de ware en veelomvattende beteekenis, welke in dat woord opgesloten ligt, dan zoude ik verre de voorkeur geven aan een gewas, welker kultivering wat meerdere moeite en betere gronden dan de Ma- nihot utilissima eischte. Zooals evenwel reeds is aangehaald zal hierover later uitvoeriger worden gehandeld. Eindelijk neem ik de vrijheid op te merken, dat de heer TeysmanN groot nut zal kunnen stichten, wanneer hij wilde voortgaan ook omtrent andere gewassen, ten deele reeds in zijn stukje over de cassave genoemd, die inlichtingen en waarne= mingen te geven en te doen, welke vooral betrekking hebben op de kultuur, het min of meer in gebruik zijn bij de bevol- king, de onkosten aan de kweeking verbonden enz., juist zoo- als dat van de cassave geschied is. Alleen daardoor toch, dat theorie en praktijk hand aan hand gaan, is het mogelijk, tot eene gewenschte ontwikkeling vaneen zoo belangrijk vraagpunt, als waarvan in dit stuk sprake is, te geraken. In eene der volgende afleveringen van dit tijdschrift hoop ik een tweede onderzoek van een ander Javaansch voedsel mede te deelen. Weltevreden, 29 Augustus 1852. HANDLEIDING TOT HET ZADEN EN LEVENDE PLANTEN EN Ld HET BEWAREN VAN HERBARIA OF HET DROOGEN VAN PLANTEN. DOOR IJ. E. FEIJSMANN. (4) Men zoeke bij voorkeur zeer jonge of pas ontkiemde plantjes, die gemakkelijk met een kluitje aarde kunnen worden uitgesto- _ ken of des noods geheel zonder aarde kunnen worden over- _ gebragt, mits men vooral zorg drage, dat de jonge fijne wor- Ö teltjes niet beschadigd en onmiddellijk in losse aarde in de eerste de _ beste voorhandene kist geplant worden. Goede rijpe zaden zijn _ even goed en in vele gevallen te verkiezen, vooral van die soor- “ (1) Bij de meer en meer toenemende belangstelling in de werkzaamhe- ji den der Vereeniging, blijkende onder anderen uit veelvuldige toezen- # dingen van levende en gedroogde planten en plantendeelen uit verschil- # lende gedeelten van den Indischen Archipel, wordt het nuttig geacht, _ aan deze handleiding, door opname in het tijdschrift, eene algemeene be- _ kendheid te geven, ten einde aan de goede bedoelingen van vele inzen- 8 ders, minder met de behandeling van levende en gedroogde planten be- kend, beantwoord kunne worden, % & Kep. 624 ten, welke groote zaden hebben. Men kan ze alzoo eenigen tijd in die kisten kweeken, mits ze behoorlijk vochtig gehouden | worden en ook direkt per eerste scheepsgelegenheid verzenden. Voor de zeereis is het zeer noodzakelijk, dat er een afdak van. id, d planken over de kist gemaakt wordt b. v. | b |: IN ais a RENE de gewone kist; b het schuinsche dak van voren gezien; a c de regte opstand van ter zijde gezien; d is eene dekplank. Het stuk c boven a kan tegen de kist worden aangespijkerd, doch indien men er opzettelijk nieuwe kisten voor laat aanmaken , dan is het doelmatiger om a c uit regtopstaande stukken, die van boven tot beneden reiken, te laten vervaardigen. Hierop komt de dekplank d en van ter zijde of eigenlijk van voren het schuin- sche dak b, watonder d moet aansluiten en beneden op a rus-_ ten. In e van het dak b wordt een rond gat geboord, en ter plaatse, waar dit gat bij de sluiting valt, in den rand van c eene ijzeren pen geslagen, die juist in het gat van past, hetwelk voldoende is voor de sluiting en gemakkelijk kan open en digt gemaakt worden, zoo dat deze daken bij gunstig weder kun- nen worden afgenomen, doch anders gesloten blijven, welk afsluiten de planten minder leed zal doen, dan het blootge- steld zijn aan eene ruwe behandeling of ongunstig weder. Men zorge voorts, dat er geen zout water in de kist kome en bij eene lange zeereis, des noodig, voor eene kleine begieting met zoet water. Bij alle zendingen van planten over zee, is het een eerste vereischte, dat ze met hare kisten, op het dek geplaatst worden, ten einde ze zooveel mogelijk licht kunnen genieten , zon- der evenwel aan te sterke zonnehitte te zijn blootgesteld. Het plaatsen van kisten met planten tusschendeks, heeft al spoedig den dood der meesten planten ten gevolge , waardoor alle moeite en kosten onherstelbaar verloren gaan. Bij aankomst ter bestemde plaatse dienen de kisten met plan- ten zoo spoedig mogelijk aan wal gebragt en doelmatig ver- _pleegd te worden. 625 Daar de meeste groote zaden, hier in Indië, bij de drooging, tevens hunne kiemkracht verliezen , wordt het noodzakelijk , om ze dadelijk in kisten te planten, doch kan men ze ook in bamboezen kokers, met niet al te vochtig zand aangevuld, verzenden, mits ze daarin niet al te lang behoeven opgesloten te blijven, en dienen ze daartoe, zoo wel als bij het planten in kisten, van hunne vleezige schillen of omkleedsels ontdaan te worden, die anders al spoedig tot gisting en rotting zou- den overgaan. Houtachtige of hardeschillen dienen er evenwel om gelaten te worden. De fijnere niet vleezige zaden kunnen gedroogd en in pa- pieren zakjes gedaan worden, terwijl de kleine doch vleezige zaden almede in bamboezen kokers met zand verzonden die- nen te worden. | Onder deze laatsten worden verstaan die, welke, hoe- wel klein van vrucht, slechts een of weinige zaden, die vlee- ‘zig zijn, bevatten: terwijl vleezige of sappige vruchten, die vele fijne en drooge zaden hebben, onder diegenen kunnen ge- srangschikt worden, welke gevoegelijk kunnen gedroogd wor- den, hetzij door ze in hun geheel in de zon te droogen, of wel door ze in water uit te wasschen, om het sappige ge- deelte van de zaden te verwijderen. Als voorbeeld dienen de volgende meest bekende soorten, die na de drooging hunne kiemkracht verliezen (waartoe zelfs oogenschijnlijk ook som- fe palmzaden, zoo als Areca (pinang), Saguerus (aren), Cala- hoeroesoorten), Theobroma cacao (kakao), Lansium (doekoe), Barcinia (mangies), Nephelium (ramboetan), Mangifera (manga), ambosa (jamboe) enz. | _ Tot fijnere, zoo drooge als sappige vruchten, waarvan de 48 626 den, behooren alle Filices (varens of pakoe) (f). Voorts Gramineae (grassen of rompoet), Orchideae (angrek), Scita- mineae (gember, kurkuma, kardamon, langkwas of ladja pi- sang , enz.), Solanum (tehrong), Sesamum (widjen), Achras (boe- wa souw), Ísonandra gutta (getah pertja), Nijmphaea (taratteh) , Flacourtia (roekem), Carica (papaija), Hibiscus (kembang spatoe en waroe), Gossijpium (kapas) ‚ Lagerstroemia (boengor). Me- lJastoma (harendong), Melaleuca (kajoe poetie), meest alle Le- guminosae, als Indigofera (indigo), Pisum (erwten), Erijthrina (dadap), Phaseolus (boontjes), Tamarindus (tamarinde), Acacia enz. Hoe spoediger echter een en ander naar zijne bestem- ming wordt overgezonden, hoe meer kans er tot een welsla- gen bestaat, al zijn het dan ook slechts eén paar soorten te gelijk, en daar nu het zenden van zaden, het zij in papier, het zij in bamboezen kokers, weinig moeite en geene uitgaven na zich sleept, ten zij men voor de inzameling eene kleinig- ® heid dient te betalen, wat door de ontvangers volgaarne zal | worden teruggegeven, is het niet moeijelijk , een en ander te verzamelen en aan belanghebbenden te doen toekomen, waartoe alles behoort, wat eenigzins belangrijk mogt voorko- men, van af de varenkruiden en de nietige grassoorten of dergelijke kleine planten, tot de meer volkomene heesters en < boomen; en bovenal in het wild groeijende palmsoorten. Bij elke soort wordt een nummer gevoegd en daarvan « eene Lijst aangehouden, waarbij zoo veel mogelijk de in- landsche naam en het gebruik of de hoedanigheid der plant worden aangewezen. Daar het niet altijd uit jonge planten of zaden kan bewezen ® worden, welke soort het is, en daar er zoo veel hoop be- staat, om uit dezen Archipel nog vele nieuwe onbeschrevene ® (1) Voor dezen is het vooral van belang, om kiem of vruchtdragende $ bladen te verzamelen, en daarbij te zorgen, dat deze kiemen of zaden, die op de onderzijde van het blad geplaatst zijn en die bij de drooging J als stof uitvallen, niet verloren: gaan : kunnende deze bij wijze van her- barium gedroogd en de kiemen tevens ter voortplanting gebezigd worden. 627 soorten te erlangen; en ten einde zich al dadelijk van de | echtheid der soort te overtuigen, en de nieuwe sijstematisch te kunnen beschrijven (waarbij steeds de naam van den ijjverigen zender wordt herdacht), worden daartoe ver- eischt, gedroogde takjes met bloem, blad en vruchten: de laatste zoo veel mogelijk in rijpen toestand. Zijn die echter te groot of te sappig, om tusschen papier gedroogd te kun- nen worden, dan kunnen ze afzonderlijk gedroogd, of wan- peer ze daardoor hunnen vorm verliezen of tot ontbinding 3 overgaan, op spiritus worden bewaard , waartoe men genever of gewonen arak en zelfs olie bezigen kan; ook houtazijn, | een deel op zeven deelen water, is hiertoe voldoende. Mog- \ ten deze ingrediënten soms niet voorhanden zijn, dan kan eene sterke oplossing van keukenzout in water almede van _ dienst wezen, hoewel de voorwerpen daarin veelal hunne kleuren E verliezen , zoo dat spiritus altijd de voorkeur verdient. } Bloemen, die zeer klein zijn en bij de drooging als herba- rium te zeer inkrimpen om naderhand goed te kunnen on- derzocht worden, kunnen, even als de groote vruchten, op spi- ritus bewaard worden, waardoor ze haren vorm behouden en ‚ten allen tijde goed zullen te herkennen zijn. | __ Tot het droogen van herbarium (gedroogde takjes, zoo als hiervoren bedoeld ) laat men vervaardigen twee sassaks van „bamboe of waar deze ontbreekt, houten hordjes, wijd open & elek ed gevlochten, b. v. |I 11 || À WEE | uitgespreid vel papier en neemt hiervoor gemeen grof chi- _ peesch vloeipapier , wat weinig waarde heeft en tot f8 à f 10 de pikol verkocht wordt. Daar het nu een eerste vereischte is, om de bloeijende takjes zoo spoedig mogelijk te droogen, een weinig grooter dan een „om het verrotten, verwelkenen afvallen der bloemen, bladen | vruchten te voorkomen, legt men ze dadelijk na de verkrijging tusschen papier, doch indien men de te droogen exemplaren van verre halen moet alvorens ze te kunnen in- eggen (dat is tusschen papier uit te spreiden), dan zal men 628 ze tot zoo lang het best bewaren, door ze in eene tikar of mat op te rollen, wat de uitwaseming en bijgevolg de ver- welking zal verhinderen. Zoo men ze evenwel al te lang aldus opgesloten bewaart, zullen ze zonder behoorlijke uitwa- seming beginnen te broeijen en verrotten en de bladen enz. almede spoedig afvallen. Tot de inlegging overgaande, kiest men daartoe die takjes, welke geheele, onbeschadigde bladen en bloemen hebben en waar- aan ook nog bloemknoppen voorhanden zijn, en legt op eene sassak een paar vellen van het voornoemde papier, waarop men de te droogen takjes uitspreidt, zorgende dat de bladen en bloemen gelijk, zonder vouwen en niet op elkander komen te liggen, en dekt dit te gelijk met een paar vellen papier, waarna men eene tweede, derde Jaag, enz . leggen kan. Hoe minder lagen op elkander, des te gemakkelijker geschiedt de drooging, vooral bij die planten, welke groote bladen heb- ben of zeer saprijk zijn, waarom men dus meerdere sassaks _ dient te laten aanmaken. Zijn de bladen evenwel te groot, om door het papier te kunnen gedekt worden, zooals b. v. van vele palmen, dan snijdt men die zoodanig langs de aan- hechtingen uit elkander, dat ze naderhand gemakkelijk weder aan een te voegen zijn, en blijven de enkele stukken, als dan nog telang, dan vouwt men die dubbel, om geene dwars- snede door de bladen te maken. Het ingelegde gereed zijnde, legt men hierop de tweede sassak en bindt ze rondom met bamboezen touwtjes stevig te zamen , waardoor de bladen geperst worden en niet kunnen omkrullen. Het vloeipapier trekt nu veel vocht uit de op deze manier behandelde planten, doch dit is nief voldoende | om ze spoedig genoeg droog te maken, waarom men hierin te hulp komt door zeinsterk zonnelicht te leggen en dikwijls om te keeren. Bij gebrek aan zonnehitte kan men ze even goed , zoo niet nog volmaakter boven den haard of ander daartoe ingerigt vuur droogen, mits ze in meerdere vellen papier gepakt zijn, opdat de rook de planten niet kan berei- ken, maar enkel door de hitte, de sappen spoediger worden 629 uitgedreven. Voorts dient het papier bij saprijke planten soms verwisseld en door droog vervangen te worden. Ook is het steeds nuttig, om bij de drooging, de pakken om den anderen dag los te maken, en na te zien of de drooging gelijkmatig heeft plaats gehad, en legt dan de minst gedroogde in de bui- tenste lagen. Dit omleggen gaat nu zeer gemakkelijk , daar de planten reeds eenen platten vorm hebben aangenomen en dus niet op nieuw behoeven behandeld te worden, zoo als hij het eerste inleggen het geval was. Nadat men zich overtuigd heeft, dat alles kurkdroog is geworden, kan men den inhoud van meerdere sassaks in een enkel paar daarvan te zamen binden en in eene kist goed digt gespijkerd verzenden , met aanbeve- ling om ze voor nat te bewaren. Zaden, vruchten, planten en herbarium van dezelfde soort komen steeds onder hetzelfde nummer voor. Voor num- mer bij de planten kan men kleine stukjes bamboe van een duim rijnl. breed en twee duim lang bezigen en daarop het nummer met verw schilderen, of men bestrijkt-het bamboesje met den vinger met eene dunne laag witte verw, en schrijft daar- in het nummer dadelijk met potlood, wat even duurzaam is. Voor vruchten op spiritus enz. neemt men dezelfde soort van bam- boesjes, doch snijdt de nummers daarin, om dat de verw meestal beschadigd wordt, b, v. ek En Ee en 4 oe BA ne t0. 11. 24. 31. EVIL IX. X. vl, vol. vvv, enz en voor het herbarium bezigt men stukjes papier met gewone cijfers. Bij het verzenden van planten, zijn ook nog gemakshalve de volgende nummers in gebruik. Be 0e 16. SAUS het At, 12, 13, es As IN. fh TA Ta. Tal. TaZ, Tal.’ onz. 20. 21. 100. 101. 4110. 200. 500. 1000. 1001. 5000. ee ll Dol AS IX. IKL VX 650 Het zal echter goed zijn, om ter voorkoming van vergissing bij de aan te houdene lijst, waarbij deze nummers mogten gebruikt worden, ook daar naast de gewone cijfers te voegen, Buitenzorg, 22 Julij 1852. DE BEREIDING VAN KAMFER IN JAPAN _ 1 (N F 7, EN DE INRIGTING VAN EEN SCHEIKUNDIG LABORATORIUM ALDAAR. DOOR P. WJ. MAEE EE: ine eens tee ae (Met afbeeldingen). Ten gevolge der beantwoording van den op bladzijde 382 | van den {sten jaargang van dit tijdschrift vermelden Japanschen | brief, zijn mij door den Japanschen scheikundige op eenige aan hem gerigte vragen inlichtingen geworden, die omtrent de j uitoefening der scheikundige wetenschap in Japan vrij be- langrijke ophelderingen geven. De vragen waren. 1. Hoe zijn de scheikundig laboratoria in Japan ingerigt? 2. Hoe wordt de kamfer bereid? d. Hoe wordt de Yosirome voornamelijk — en welke metalen in het algemeen worden in Japan in gedegen staat ge- vonden ? De Íste vraag is letterlijk aldus beantwoord : __s»De scheikunde is de nuttigste kunst en wetenschap; en „ofschoon ik die kunst sedert vele jaren wil leeren, is dezel- | „ve echter te Japan niet genoegzaam bekend en beschaafd; E, de scheikundige onderzoekingen, bestaan alleen uit de boek- 8. 652 „werken van Europesche scheikundigen b. v. Ípy, SmarrenBure, „Boommes, Berzerius en Tromsporr, weshalve wij het gepaste „toel daarvan niet kunnen bereiken. Eene zenuwziekte, waar- „aan ik sedert vele jaren lijd, belet mij onderzoekingen te doen; „niettegenstaande dit, leer ik met vlijt de natuur en schei- „kunde, omdat deze wetenschappen voor ons onontbeerlijk „en nuttig zijn. Dus is het scheikundig laboratorium gesticht, „waarvan het volgende eene ruwe opgave van geeft.” »Plaat 2 stelt den oven daar, waarin zwavelzuur bereid „wordt; het bovenste gedeelte van den oven dient ter berei- „ding van potasch en van andere zouten. Van binnen wor- „den kalk en andere stoffen gebrand. » Een kieine oven met destileertoestel voorzien, dient ter be- „reiding van wijngeest, alkohol enz. ; met vele ijzere pannen „wordt aether enz. bereid; door middel van vaten met water „vangt men gas op. »In andere scheikundige laboratoria wordt been gebakken „en er sal ammoniae van bereid. „In een trapsgewijs gebouwde, met kalk gemetselde oven, „bereid men salpeter. Voorts zijn er twee galvanische toestellen voorhanden. Ook blijkt uit eenige aan mij gerigte vragen dat er te Japan nog verscheiden praeparaten bereid worden; ik zal eenige dier vragen hier mededeelen. „Te Japan bereid men Magnesia alba volgens scheikundige „wijze — maar verkrijgt niet ligtste witte en beste; dus vraag ìk de beschrijving der bereidingen van die, welke te Am- „sterdam bereid en met het Hollandsche handelschip alhier aan- „gebragt wordt. Ter bereiding van chloorzure potasch wordt in Japan de oudste wijze van bereiding gevolgt; de Japansche scheikundi- ge deelde mij mede, dat hij op deze wijze slechts eene zeer geringe hoeveelheid van dit zout verkrijgt en vraagt dus eene betere methode om gemakkelijker en meer chloorzure potasch te kunnen bereiden. __ De beantwoording der 2de vraag is aldus: 653 De bereiding van Kamfer. „Om kamfer te bereiden, wordt te Japan de kamferboomen „in stukken gesneden. Plaat f stelt een daarvoor gebruikelijke „oven met de benoodigde gereedschappen daar. figuur 2 plaat „tt. ABCDEFGHIKLM is een van klei en zand vast „gebouwde oven, waarop een deksel A’ rust, die goed slui- „ten moet. Buiten is de oven met iijjzere platen belegd; c is „is een lang uitgehold houten met bamboes bij elkander „gebonden vat van boven en beneden met openingen voorzien; „in dit vat komen de in stukken gesneden kamferboomen ; „op hetzelve rust eene houten plank, waarop de ovale be- „vestigd is: de ronde plank, dient tot onderlaag van het ten „onderste boven gekeerd porcelein vat a. „f is eene met water gevulde ijzere pan, waarop de hou- „ten deksel d rust, waarin e vast zit, waarmede dus de „ijzere pan met het houten vat e verbonden is. „De oven wordt nu vol op met brandhout voorzien, de „B’ gesloten en het branden gedurende 24 Hollandsche uren „onderhouden. Naarmate het water in de ijzere pan door de „verdamping vermindert, wordt er nieuw water bijgevoegd. „Op deze wijze wordt der kamfer door de warmte uitgedre- „ven en verzamelt zich in a. __Door den Japanschen scheikundige zijn mij tevens twee zeer jonge kamferboomen toegezonden, die naar het scheikundig laboratorium alhier overgeplant, zich gedurende omstreeks 8 maanden bijzonder goed hebben ontwikkeld en na eenigen tijd tot bereiding van kamfer kunnen dienen. De beantwoording der Jde vraag was zeer kort, namelijk: „ Yosirome is in de steen prachtig en met verscheidene metalen „gemengt; wanneer het eens gesmolten en in een pot gego- „ten is, verbindt het zich meer vast. Voor het overige wordt „niet geschreven.” ee NOTULEN VAN DE GEWONE VERGADERING DER NATUURKUNDIGE VEREENIGING IN NEDERLANDSCH INDIE, GEHOUDEN OP ZATURDAG AVOND DEN 4DEN SEPTEMBER 1852 TEN HUIZE VAN DEN PRESIDENT DER VEREENIGING. Tegenwoordig zijn de Dirigerende leden: de HH. P. Brrrxgen, President. 5 J. Grou. Is P. Baron Mervirr van Cannaee. 2 H. D. A. Surrs, Sekretaris. Het Honoraire lid: de Hr. W. Boscn. De Gewone leden : de HH. L. W. Beierinck. he A. G. Brouwen. ak J. A. KRAJENBRINK. ds A. ScHARLEE. ip C. H. G. SreveRwaLD. terwijl als gasten de vergadering met hunne tegenwoordigheid vereeren. _de HH. C. J. Senrf. ne L. C. Van per VEEN. 655 Na opening der vergadering deelt de president mede , dat met de jongste overlandmail brieven ontvangen zijn van de korres- ponderende leden der Vereeniging, de heeren C. L. Brome, R. Loparro, R. van Rees, G. Simons en W. Vrouk, ken- nis gevende, onder voor de Vereeniging zeer vleijende bewoor- dingen, dat zij hunne benoeming als korrespondenten hebben aangenomen en toezegging inhoudende, dat zij niet zullen nalaten te trachten tot den bloei der Vereeniging mede te werken. De president berigt voorts der vergadering, dat de voor- raad beschikbare bouwstoffen: voor het tijdschrift het heeft noodzakelijk gemaakt, aan den derden jaargang een’ buitenge- woon grooten omvang te geven. Het 6de nummer bijkans ge- heel afgedrukt zijnde, is besloten de uitgave daarvan, welke in de Ïaatste maand dezes jaars behoorde plaats te hebben, te vervroegen en in den loop des jaars nog een supplement-num- mer uit te geven. Voorts wordt aan de vergadering medegedeeld, dat het gou- vernement dezer gewesten de Vereeniging heeft uitgenoodigd, een onderzoek te doen naar het voorkomen enz. van de getak pertja in den Indischen Archipel; dat de pogingen, door het bestuur in het werk gesteld, om aan het verlangen der re- gering te voldoen , aanvankelijk reeds gunstige uitkomsten heb- ben gehad, en dat verschillende leden der Vereeniging, ge- plaatst op die eilanden van den Archipel, welke met zekerheid of waarschijnlijkheid de getah pertja opleveren, zich op uitnoo- diging van het bestuur beiijjverd hebben, niet alleen om de ver- langde opgaven in te zenden, maar ook om de getah-soorten zel- ve, vergezeld van de levende planten of van takken met bla- den, bloemen en vruchten, herwaarts te zenden. Deze naspo- ringen, gepaard aan het botanisch en scheikundig onderzoek van die planten en van de verschillende getah-soorten, opgedragen _ aan het lid der vereeniging, den heer J. E. TeysuanN en aan het besturend lid den heer D. W. Rosr van ToNniNGeN, zullen zonder twijfel binnen kort tot uikomsten leiden, welke van in- Li vloed zullen zijn op de uitbreiding eener kultuur, van welke EN men ook voor de Nederlandsche bezittingen in deze gewesten 636 zoo rijke vruchten mag verwachten. Een voorloopig berigt van den uitslag der bedoelde pogingen is reeds het gouvernement aangeboden. De heer KRraAsenNBrinK houdt eene voordragt over het verband tusschen de verschillende natuurwetenschappen. De heer Groru brengt ter tafel eene kalkuleermachine en verklaart de werking daarvan. De heer Brerrenr deelt mede, dat zijne verzameling afbeeldingen van Nederlandsch-indische vischsoorten , welke voor zijn ich- thijologisch plaatwerk over den Indischen Archipel vervaardigd wordt, thans reeds meer dan 330 soorten omvat. Hij vertoont de afbeeldingen van de soorten, welke sedert de laat- ste gewone vergadering in teekening zijn gebragt en bijkans alle tot door hem ontdekte soorten betrekking hebben. Van de tot nu toe afgebeelde soorten behooren tot Apogon 18, Cheilodipterus 2, Ambassis 7, Serranus 8, Mesoprion 5, Du- les 1, Priacanthus f , Myripristis 5, Holocentrum 5, Percis 2, Polijnemus 3, Upeneus 3, Upeneoïdes 3, Apistus 3, Oto- lithus 2, Pristipomoïdes fÎ , Scolopsides 1, Lethrinus 2, He- terognathodon 4, Pentapus fÎ, Dentex 2, Caesio 3, Chaetodon 2, Decapterus f , Carangoïdes 4, Equula 7, Gobius f ,‚ Ele- otris Î , Periophthalmus 3, Petroskirtes 5, Catopra 2, Plesiops 1, Cichlops ΂, Amphiprion f‚, Pomacentrus 7, Glyphisodon 7, He- liases Î, Labroïdes fl, Tautoga 1, Julis (Halichoeres) 27 , Julis (Julis) 2, Novacula f , Cossyphus 2, Cheilinoides f ‚, Scarus 14, Wallago 4, Silurus Î4, Pangasius 6, Bagrus 5, Bagroïdes f, Batrachocephalus 1, Ketengus f, Arius 2, Pimelodus 2, Cy- prinus fÎ , Barbus 29, Systomus 7, Capoeta 6, Dangila 9, Gobio 2, Cirrhina f, Rohita 10, Lobocheilos 6, Leuciscus 13, Cobitis 3, Homaloptera 1, Luciocephalus f , Sardinella 1, Coilia 1, Saurus f, Saurida f , Machaerium fÎ, Anguilla 3, Ophisurus 8, Leiuranus f , Dalophis f, Muraena Íl, Sym- branchus 1 , Monopterus 1, Tetraödon 7, Sijngnathus 3, Hip- pocampus 3, Solenostoma Î. Andere afgebeelde soorten zijn reeds door den druk bekend gemaakt. 637 Op eene gemotiveerde voordragt van het bestuur worden benoemd tot Gewone leden : de HH. E. F. Graar van Benrtanimm TerKreENBURG Rurpa, adsis- tent-resident van Maros. F. U. van Heneer, Predikant te Batavia, Besturend lid van het Bataviaasch genootschap van kunsten en we- tenschappen. J. E. Hrrperscener , Suikerfabriekant te Pekalongan. Mn. L. W. G. Krucnentus, Raadsheer in het hoog ge- regtshof van Nederlandsch Indië, Besturend lid van het Bataviaasch genootschap van kunsten en weten- schappen, te Batavia. B. M. F. Puriperau, Fabrikant te Lembang. J. P. van Rouveroi van Nieuwaar, Apotheker der 2de kl. bij het scheikundig laboratorium, te Batavia. E. A. Scuir, Ontvanger der uitgaande en inkomende regten te Batavia, Besturend lid van het Bataviaasch genootschap van kunsten en wetenschappen. W. M. Surr, Officier van gezondheid fe kl. aan boord Z. M. fregat Prins Hendrik der Nederlanden, Rid- der der orde van den Eikenkroon. Mr. A.J. Swart, Raadsheer in het hoog geregtshof van Nederlandsch Indië, Besturend lid van het Bata- viaasch genootschap van kunsten en wetenschappen , te Batavia. J. Frome, Hoofdingenieur van den waterstaat, Bestu- rend lid van het Bataviaasch genootschap van kun- sten en wetenschappen, Ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw. Jkhr. R. G. B. pr Vaunes vaN BrakerL, Kolonel, Di- rekteur der genie, Besturend lid van het Bataviaasch genootschap van kunsten en wetenschappen, Kom- mandeur der orde van den Eikenkroon, Ridder der orde van den Nederlandschen leeuw. 638 ks Mr. CG. Visscuer, Lid in den raad van Nederlandsch | Indië, Vice-president van het Bataviaasch genoot- schap van kunsten en wetenschappen, Ridder der orde van den Nederlandschen leeuw. | Niemand daarna verder het woord verlangende of iets voor te stellen hebbende, wordt de vergadering gesloten, Baravia, 4 September 1852. Mij bekend: De Sekretaris, H. D. A. Surrs. Ó à l: R } j { | t 5 Á BERIGTEN VAN VERSCHILLENDEN AARD, Aardbeving te Banjoemas. In de Javasche kourant van den 22sten September 1852 komt volgend berigt voor: „In den nacht van den f2den op den {3den September jl. „Zijn te Banjoemas, omstreeks kwart voor elf uur, eenige ach- „tereenvolgende vrij hevige schokken van aardbeving ontwaard, „door welke echter geene merkbare schade aan de gebouwen „is veroorzaakt. „Van ongeveer één uur voor tot onmiddellijk na de aardbe- „ving, werd bevonden dat de thermometer 3° gestegen was; „men meent bespeurd te hebben dat de schokken eene rigting „hadden van n. n. w. naar z. z. 0.” Eruptie van den vulkaan van Poeloe Kombha. In de laatste dagen van Julij 1852 kruiste Z. M. schooner Sijlph op de hoogte van Batoe Tara (P. Komba). Dat eiland verkeerde nog steeds in eenen hevigen staat van eruptie. Ook de andere vulkanen in die streken waren werkzaam. Behalve Batoe Tara zag men nog vier vulkanen in hevige werking. Berigt betreffende de werkzaamheden van den geogra- phischen ingenieur S. H. pr Lance. De direktie der Vereeniging heeft van het gouvernement \ ontvangen twee verslagen van den geographischen ingenieur den heer S. H. pe Lanae, betreffende zijne zending naar Me- 640 nado, ten einde daarvan het wetenschappelijke gedeelte te pu- bliceren. Na de benoodigde waarnemingen tot bepaling der breedte en lengte van Batavia verkregen te hebben, is de heer Dr Lane. den 23sten Januarij jl. met 4. M. schooner Aruba naar Mena- do vertrokken om die plaats geographisch te bepalen en zoo- veel meerdere punten in den omtrek, als in het belang der hy- dro- en geograpbie wenschelijk is te achten. Wij vleijen ons, dat de heer Dr Lance, na afloop zijner reis, een volledig verslag daaromtrent zal geven; wij bepalen ons nu tot het mededeelen van een kort overzigt van zijne verrigtin- gen en van de waarnemingen, welke gediend hebben tot bepa- ling der breedte en lengte van eenige punten, welke op de reis naar Menado zijn aangedaan. Den f7den Maart ontscheepte de heer Dr Lanar te Kema, na alvorens Makassar, Boeton en Ternate te hebben bezocht. Sedert heeft hij de bergen Klobat en Lokoön beklommen, een aantal pun- ten in breedte bepaald en van daar azimuthen genomen op den Klobat, terwijl ook een aantal maansdoorgangen te Menado zijn waargenomen. De breedte van den vlaggestok van het fort Rotterdam te Ma- kassar is bepaald op 5° & 7”, 7 z. en het verschilin tijd met den tijdbal te Batavia op 50" 25’, 08 door drie tijdmeters. Te Boeton werd de z. w. punt van het eiland Celebes be- paald op 5° 26’ 14”, 5 z. b. en het verschil in tijd met den vlag- gestok van fort Rotterdam bevonden 12" 52’, 72, alsmede het tijdsverschil van den laatstgenoemden met het fort te Boeton 12= 47, 06, door vier tijdmeters. De breedte van den vlaggestok te Ternate is bepaald op 0° AT 12”, 46 n. en het verschil in tijd met den vlaggestok van het fort Rotterdam op 31" 58°, 10, door vier tijdmeters, welke evenwel 9’, 21 uiteenloopen. Verder werd de hoogte van den piek van Ternate gemeten 1580,5 ellen. Te Kema werd de breedte waargenomen vóór de loge en be- vonden 19 21’ 44” n. en het tijdsverschil met den vlaggestok “te Terddte OEI, D. 641 Door eene reeks van barometer=waarnemingen op den top van den Klobat en gelijktijdige waarnemingen te Menado, is de hoogte van dien berg bevonden te bedragen 1972.7 N. ellen. | Scheiding van het Nikkel van Kobalt, Mangaan, IJzer $ en van ondere metalen. Vele methoden ter zuivering van het nikkel zijn in scheikun- dige handboeken vermeld. Evenwel zijn ook de moeijelijkheden bekend, welke aan de getrouwe nakoming dier voorschriften verbonden zijn. De heer P. J. Marer, onder wiens leiding ik sedert eenigen tijd in het scheikundig laboratorium te Weltevreden werkzaam ben, heeft mij onlangs verzocht, zuiver salpeterzuur nikkeloxy- dule te bereiden en mij tot dat einde gegeven een’ nikkelerts, | van Europa afkomstig. Alhoewel ik bij dit berigt geen nieuws _ heb mede te deelen, daar de opgevolgde scheidingsmethode slechts eene kombinatie is der in verschillende handboeken opgegevene wijzen, zoo voldoe ik evenwel gaarne aan het verzoek van den eee heer Mater, namelijk: om die methode hier naauwkeurig op te geven, daar zij zeer bevredigende resultaten heeft opgele- verd. | | De nikkelerts werd met gekoncentreerd zoutzuur behandeld. Gedurende deze bewerking ontwikkelde zich veel zwavelwater- stofgas; wegens de moeijelijke oplosbaarheid van den erts in het zuur, werd er ten laatste eene geringe hoeveelheid salpeterzuur bij- gevoegd, de oplossing met water verdund, van de uitgeschei- dene kiezelaarde afgefiltreerd en vervolgens de zuur reagerende vloeistof met zwavelwaterstofgas behandeld. Ik kreeg een bruin- zwart praecipitaat, hetwelk , door onderzoek, gebleken is te be- staan uit zwavelkoper, zwavelarsenik en zwaveltin. Na eene genoegzame doorleiding van het gas, filtreerde ik de oplossing af, verwarmde ze ter verwijdering van het overvloedige gas en kookte ze, onder bijvoeging van een weinig salpeterzuur ter hoogere oxydatie van het ijzer, met eene genoegzame hoeveel- DIL 49 642 heid azijnzure potasch, waardoor basisch azijnzuur ijzeroxyde uitgescheiden werd. Na de oplossing afgefiltreerd te hebben, praecipiteerde ik daaruit, door het lang doorleiden van zwavel- waterstofgas, zwavelnikkel en zwavelkobalt; al het mangaan bleef opgelost, benevens een klein gedeelte nikkel - en kobalt- zout, uit welke oplossing de beide laatste metalen verkregen werden, door ze met potassa te behandelen, het nederplof- sel, na behoorlijke uitwassching, met eene oplossing van kool- zure ammonia te digereren en uit de ammoniakale oplossing het nikkel en kobalt als zwavelmetalen door zwavelwaterstof uit te scheiden. Ten einde de zekerheid te erlangen, dat de uit de azijnzure oplossing gepraecipiteerde zwavelmetalen volkomen vrij van zwavelmangaan zijn, heb ik ze met verdund azijnzuur la- ten trekken, vervolgens op een filtrum verzameld en uitge wasschen; hierna in gekoncentreerd zoutzuur, onder druppels- gewijze bijvoeging van salpeterzuur, wegens de moeijelijke op- losbaarheid dier sulphureta in het eerstgenoemde zuur, opge- lost. Het overvloedige zuur voorts door uitdamping van de op- lossing verwijderd hebbende, werd deze met veel water ver- dund en met chloorgas volkomen verzadigd, koolzure barietaar- de in eene toereikende hoeveelheid bijgevoegd en daarmede on- der gedurig omroeren eenen geruimen tijd koud gedigereerd. Het kobalt werd daardoor als oxyde uitgescheiden en zette zich met de overvloedig bijgevoegde koolzure barietaarde op den bodem van het glas af. Uit de oplossing werd nu, na het af- filtreren, de barietaarde door zwavelzuur verwijderd, en het nikkel door behandeling der oplossing met koolzure potasch als basisch koolzuur nikkeloxydule verkregen, hetwelk volkomen vrij van kobalt en derhalve zeer geschikt was tot de daarstel- ling van zijn zuivere zouten. W. R. SEVERING. 643 Produktie van gom elastiek (hollelet) in Tjirvengin, residentie Bantam. Volgens een berigt van den adsistent resident van Tjirien- | gin komt de Ficus elastica (karet gambier, of karet betoel, of kol- lelet) in groot aantal voor in de distrikten Panimbang en Tji- ; biliong. De inlanders verkrijgen daaruit, door middel van diepe inkervingen in de schors, eene onzuivere elastieke gom. Een volwassen zwaarstammige boom kan reeds door inkervingen al- leen, van 1 tot 1!/, pikol gom elastiek opleveren, terwijl de- ze bewerking na 5 jaren herhaald wordende, weder een even gun- | stig resultaat oplevert. Bedoelde ambtenaar berigt verder, dat _ ofschoon in de afdeeling Tjiriengin de handel in de kollelet | reeds jaren geleden was bekend, de produktie echter zeer ge- _ ring was en de verzamelde gom elastiek grootendeels door de g bevolking gebruikt werd voor obors of flambouwen, doch dat | sedert 1851 die handel aanmerkelijk is toegenomen en zich nog dagelijks uitbreidt, zoodat tot in Augustus dezes jaars reeds ruim _ 1500 pikols naar Batavia waren uitgevoerd. De bevolking er- k Mlancde vroeger voor deze getah van f 6 tot f 8 per pikol, | doch thans wordt zij gretig opgekocht voor f 15 tot f 17 de _ pikol. | Uit deze mededeeling laat zich opmaken, van hoe groot be- : lang de kultuur van de karet of kollelet is voor de inlandsche bevolking, eene kultuur, die geene bijzondere zorg of moeite 4 vereischt en aanmerkelijke winsten belooft. Het kan niet anders dan wenschelijk zijn, dat de inlandsche bevolking ook in andere residentiën van Java op deze kultuur meer en meer worde | oplettend gemaakt. land Nieuwe visschen van Banda Neira. De heer Dr. E. H. H. Muurerr heeft de welwillendheid ge- ° had eenige vischsoorten aan mij af te staan, welke hij te Banda Neira had verzameld. Bij deze soorten bevonden er zich vijf, welke nog niet van Banda bekend waren t. w‚ Apis- 644 tus fusco-virens QG., Antennarius polyophthalmus Bkr. Am- phiprion chrysargurus Richards., Julis (Halichoeres) dieschis- menacanthus Blkr. en Saurida nebulosa CV. Hierdoor wordt het aantal bekende vischsoorten van Banda op 84 gebragt. Am- phiprion chrysargurus Richards. hield ik nog kort geleden voor dezelfde soort als Amphiprion zanthurus GV. doch sedert heb ik laatstgenoemde species te Batavia aangetroffen en ver- geleken met mijn specimen van Amboina, hetwelk ik als Am- phiprion zanthurus CV. beschreven heb doch tot Amphiprion chrysargyrus moet gebragt worden. Daaruit heb ik ontwaard, dat Amphiprion chysargurus Richards. inderdaad soortelijk van Amphiprion zanthurus CV. verschilt, niet alleen door oranje- kleurige borst-, buik- en aarsvinnen, maar ook door hooger lig- chaam, boller profiel, naar beneden uitstekenden doorn van de onderoogkuilsbeenderen enz. Antennarius polyophthalmus en Julis (Halichoeres) dieschis- menacanthus houd ik voor nog onbeschrevene soorten. Eerstgenoemde is zeer na verwant aan Churonectes pardalis, CV. van Gorée, doch heeft langeren snuitdraad, veel minder talrijke rug- en rugvin-, en talrijker staart- en aarsvinvlekken. De rangschikking der vlekken bij Chironectes pardalis GV. is ook eenigzins anders en volgens de afbeelding er van in de groote Histoire naturelle des Poissons tab. 863 is de buikvin er vierstralig, het vlies des achtersten rugdoorns veel korter enz. Ik heb den soortnaam ontleend aan de talrijke oogvor- mige vlekken, waarmede ligchaam en vinnen geteekend zijn. Julis (Halichoeres) dieschismenacanthus is kenbaar, behalve aan hare eigenaardige kleuren, aan de eerste rugvindoornen , welke aanmerkelijk divergeren en van welke de derde langer js dan de 2 voorste en de eerst op hem volgende. Aan deze divergentie heb ik den soortnaam ontleend. De beschrijvingen van beide soorten volgen hieronder. Antennarivus polyophthalmus Blkr. Antenn. corpore ovali compresso, altitudine 2 et paulo in ejus longitu- dine, latitudine 12 eirciter in ejus altitudine; oculis diametro 4 circiter in À Ad k 645 longitudine maxillae superioris; rictu subverticali postrorsum descendente; dentibus intermaxillaribus et inframaxillaribus pluriseriatis conicis subac- qualibus; vomero-palatinis in thurmas 4 oblongas areum efficientes dispo- sìtis, thurmis spatio glabro a se invicem remotis; apertura branchiali ro- tunda oculi diametro subaequali; eute toto corpore spinulis parvis, plu- rimis bifurcatis, conspicuis scabra; fimbriis capite corporeque parcis con- spicuis; radio rostro libero tuberculo scabro apice rostri inserto, 4 circí- ter in longitudine corporis, apice clavato, fimbriato; pinna dorsali spi- nosa spina l° libera, obtusa, oblique antrorsum flexili, spina 2* spina Ì* duplo fere altiore, obtusa, maxilla superiore paulo breviore, membrana scabra; dorsali radiosa et anali rotundatis, altitudine aequalibus, dorsali: anali duplo longiore; caudali rotundata 4 ecirciter in longitudine corporis; ven- tralibus digitatis maxilla superiore paulo brevioribus; colore corpore pin- nisque sordide flavo corpore viridi-fuscescente nebulato; corpore pinnis- que ocellis majoribus et minoribus nigris flavo annulatis, ocellis dorso la- teribusque parcioribus, ventre erebrioribus; lateribus insuper ocellis 3 di- lutioribus pupilla flava, ocello 1° suprapectorali, 2° supraanali, 3° cau- dali; ocellis pinna dorsali p. m. 8 biseriatis serie superiore 5, pinna cauú- dali plus quam 20 pluriseriatis, pinna anali p. m. 10, macula basi macu- lis ceteris, omnibus majore; radio rostrali libero fusco annulato., B. 6. D. 2—12 (2 poster. fissi). P. 10 (simpl.). V. 5 (simpl.). A. 7 (5 post. fiss.). C, 9 (omn. fiss.). Habit. Banda Neira, in mari. Longitudo speciminis unici 105''’. Julis (Halichoeres) drieschismenacanthus Blkr. Jul. (Halichoer.) corpore oblongo compresso, altitudine 44 circiter in ejus longitudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite acuto 44 eirciter in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus lon- gitudine; oculis diametro 44 circiter in longitudine capitis; linea rostro- frontali declivi reetiuscula; labiis carnosis; dentibus maxillaribus conicis rectis anticis 2 caninis medioecribus curvatis; dentibus oris angularibus magnis conicis; linea laterali ramosa; squamis lateribus 27 p. m. in serie _ longitudinali; pinnis dorsali et anali basi glabris, postice angulatis, dor- sali spinis 4 anticis divergentibus 83°, 2° et 4 longiore; pectoralibus in inferiore dimidio corporis insertis, obtusis, 7 et paulo, ventralibus acutis ‚8 et paulo, caudali convexa 6 circiter in longitudine corporis; colore ‚_ corpore superne antice rubro-violaceo postice aurantiaco, inferne auran- ‚ tiaco-flavo; dorso lateribusaue ubi rubro-violaceis fasciis 3 longitudinali- bus fuscis; cauda fascia longitudinali fusca; capite superne rubescente in- ‚ferne aurantiaco, vittis oculo-maxillari, suboculari et operculo-praeoper- eulari rubro-violaceis; pinna dorsali flava ecellis aurantiacis in series 3 hed dn dof Oe Eed 646 longitudinales dispositis, spinam 4" inter et 6" macula magna profunde coerulea; pinna ante Spinam 4" violascente carmosino marginata; pecto- ralibus roseis basi flavis; ventralibus flavis radio 1° rubroviolaceo; anali aurantiaca medio vitta longitudinali rubra et ocellis rubris in seriem lon- gitudinalem supra et infra vittam dispositis; caudali aurantiaca guttulis rubris. B. 6. D. 9/11 vel 9/12. P. 2/12. V. 1/5. A. 3/11 vel 3/12. C. 14 et lat. brev. Habit. Banda Neira, in mari. „7, Longitudo speciminis unici 90°”, Scripsi Batavia Calendis Septembris mpeeern. BLEEKER. 647 Tentoonstelling te Batavia, te houden in 1855. Sedert het berigt is gegeven, voorkomende op pag 491 van dezen jaargang, zijn nog bekend geworden de navolgende in- schrijvingen , als: Te Padang. k - [ 210. — „‚ Riouw. ê f 3 „45. — NELMOT. é „ 26. — > _Amboina. 3 „1D ‚ Makassar. ì d $ ' \ d „ 495. — ‚„ Batavia. i : MAA ’ f_ 1095. — Zoodat de inschrijving nu is gestegen tot f 19895 (1). De resident van Soerakarta heeft een kommittee vereenigd, be- staande uit de heeren J. M. Treprman, J. A. Wikgens, D. H. R. van Gerper, J. J. Norren en de pangerans Noro KOESOEMO» MANGKOEBOEMIE en KoOrSOEMO DININGRAT. Te Makassar is een kommittee opgerigt bestaande uit de heeren P. Vreepe Bik, president, CG. van pe Vere, E. F. GRAAF van Benruem TEEKLENBURG Ruepa, J. A. Baxkens, L. Warren, J. G. Wersergane, W.L. Mesman, R. Wrv…vnen thesaurier en P. S. WynNMaren, sekretaris. Te Padang hebben zich in kommittee vereenigd de heeren J. VAN SWIETEN, president, H. M. Anpnúe Wirrtens, J. L. van GenneP, R. H. A. Hripsieck, D. Errpracuar, J. GC. Loper, N. M. Warp, F. Screnek, thesaurier en sekretaris. Van de kommittees te Padang en Soerakarta, alsmede van de residenten van de Preanger-regentschappen, Rembang . Bag- len, Banjoemas en Banka, van den gouverneur der Molukken ‚en van de adsistent residenten van Banjoewangi en Patjitan zijn reeds opgaven ingekomen van de voorwerpen, welke in die “gewesten voor de tentoonstelling verkregen kunnen worden. In de Preanger-regenschappen zijn reeds meer dan 220 voor- (1) Bij de opgave van de Preanger-regentschappen (pag. 352) is f 10 te min gesteld,  dd id 648 werpen bijeengebragt , welke alle kosteloos voor de tentoon- | stelling verkregen zijn, en ook van Rembang, Baglen , Banjoe- mas, Patjitan en Banka zullen volledige verzamelingen verkre- gen worden, geheel door vrijwillige inzending, doch ter west-_ kust van Sumatra, te Soerakarta , Banjoewangi en Amboina zal een aantal voorwerpen moeten worden aangekocht, ten ein- de volledige verzamelingen te erlangen. Inmiddels heeft de kommissie te Batavia bekend gemaakt het Programma voor de tentoonstelling. Art. Í. In de maand September 1855 zal, ingevolge mag- liging van zijne excellentie den gouverneur generaal van Nederlandsch Indië, kenbaar gemaakt bij besluit van den 2östen Februarij 1852 No. 5, te Batavia eene tentoonstelling worden gehouden van voortbrengselen der natuur en van land- bouw en nijverheid van Nederlandsch Indië. Art. 2. Deze tentoonstelling heeft ten doel, om bekend te geraken met den tegenwoordigen toestand van Nederlandsch Indië, zoo wat betreft den rijkdom van de voortbrengselen van den grond als de ontwikkeling van de verschillende vol- keren van dezen Archipel, hunne nijverheid en behoeften, ten einde in lateren tijd, door vergelijking met den tegen- woordigen toestand, te kunnen oordeelen over den vooruit- gang dezer gewesten; alsmede om te beslissen, welke midde- len aanwendbaar zijn om de produktie van den grond te ver- meerderen en te verbeteren, de nijverheid en den smaak van den inlander op te wekken en te veredelen, en ook, om in wetenschap gesteld te worden met memige, nog weinig of niet algemeen bekende voortbrengselen van den grond of van nijverheid, welke eenmaal aan handel en vertier meerdere levendigheid zouden kunnen verschaffen. Door de tentoonstelling worden beoogd, zoowel zedelijke als stoffelijke voordeelen, welke krachtigen invloed zullen kunnen uitoefenen op de ontwikkeling der welvaart en den bloei van deze gewesten en van het moederland. W Art. 649 Pd 5. Het is wenschelijk, dat uit elk gewest worden in- gezonden: A. VOORTBRENGSELEN DER NATUUR; GRON D- E d, STOFFEN VOOR DE INDUSTRIE. DELSTOFFENRIJK. Enkelvoudige ligchamen, zoo als: Lwavel, jodium, ruwe diamanten, tin, koper, ijzer, lood, kwik, zilver, goud, enz. Zamengestelde ligchamen. Mineralen, ertsen, steen- en rotssoorten voor bouw- materialen (zoo als kalk, steen, marmer, trachiet, graniet, zandsteen, enz.), edelgesteenten, salpeter, steenkolen, aardoliën, enz. HM. PLANTENRIJK. d. Geheele planten. Kunstplanten, buitentropische planten, dwergplanten, geneeskrachtige planten, eetbare zeewieren, enz. Plantendeelen. Houtsoorten, basten, wortels, zaden, bollen, bloe- men, vruchten, bladeren (kaneel, nagelen, noten- muskaat, foelie, koffij, rijst, thee, tabak, alle soorten van inlandsche wortelen, knollen, vruchten, zaden, enz., strekkende tot voedselmiddelen, industriëel of geneeskundig gebruik). Grondstoffen voor industrie, enz., wit planten verkre- gen. Indigo, kapas, kapok, gommen, gomharsen, harsen, vette en vlugtige oliën (djarak-, klapper-, katjang-, kanarie-, kaneel, kajoepoetie-, nagel-olie, kamfer, 650 enz.), zetmeel (arrowroot, sagoe, enz.), verwstoffen, suiker, plantenwas, plantenvezelen (zoo als: van de rameh, ananas, pisang, gemoetie, enz.), alkaliën _ (potasch, soda enz). HI, DrERENRIJK. a. Geheele dieren, artikelen van industrie (levende uit- gesloten). Tripangsoorten, kochenille, inlandsche zoogenaamde spaansche vliegen, roode vischjes, enz. b. Grondstoffen voor de industrie, enz., wit dieren ver- kregen. Honig, was, vischlijm, spermaceti, ivoor, hoorn- en beensoorten, amber, huiden, pelterijen, wol, dons, vederen, enz. B. VOORTBRENGSELEN DER INDUSTRIE (OMGE- VORMDE GRONDSTOFFEN). TI. VOORWERPEN VAN WEELDE. a. Delstoffenrijk. Gezette en geslepen diamanten, voorwerpen vervaar- digd enkel uit minerale grondstoffen, van goud, zil- ver, staal, blik, marmer, steensoorten, beeldhouw- werk, enz, b. Plantenrijk. Voorwerpen uit katoen, bamboe, boomschors of ve- zelen, hout (snij- en lakwerk), enz. c. Dierenrijk. Voorwerpen uit ivoor, been, hoorn, karet, was, be- reid leder. IL. WERKTUIGEN. Machineriën voor fabrieken, weefgetouwen, enz. , werk- 651 tuigen voor landbouw, voor chirurgie, wapenen, jagt- en visch-gereedschappen, muziek-instrumenten. HI. MoperLLEN; van huizen, praauwen, vervoermiddelen te land (rij- tuigen, karren, pedatties) enz. IV. MEUBELEN, AARDEWERK, YVLECHT- EN MAND- WERK. V. GEWEVEN STOFFEN, KLEEDINGSTUKKEN, TUIGEN, TOUW WERK, PAPIER. VI. ZAMENGESTELDE VERWSTOFFEN, ENZ. Art. 4. Het is wenschelijk dat, zooveel mogelijk, worde opgegeven: 19. VAN DE DELFSTOFFEN. De plaats en wijze van voorkomen, de wijze van delving en bereiding, de hoeveelheid metaal, die door den inlander uit den erts wordt getrokken, de kosten van produktie en de hoeveelheid, die in den handel kan worden gebragt. 20, VAN DE VOORTBRENGSELEN VAN HET PLANTENRIJK: De wijze van kultuur en bereiding, de hoeveelheid van opbrengst in verhouding tot de uitgestrektheid van den bebouwden grond, de hoeveelheid en kosten van produk- tie, de eigenschappen enz. der voortbrengselen. 50, VAN DE VOORTBRENGSELEN VAN HET DIERENRIJK: De wijze van inzameling en bereiding, de hoeveelheid en kosten van produktie. 49, VAN DE VOORTBRENSELEN VAN INDUSTRIE: De plaats van waar de grondstoffen verkregen worden, de wijze van bewerking, de prijzen der voorwerpen. 652 Art. 5. Tot de tentoonstelling worden ook toegelaten alle voorwerpen van nijverheid, door de Europesche bevolking van deze gewesten vervaardigd, alsmede verzamelingen van natu- raliën en andere Indische merkwaardigheden. | Art. 6. Alleen worden uitgesloten, voorwerpen die onder- hevig zijn aan ontploffing of zelfontbranding, of welke eenen onaangenamen reuk verspreiden; ten zij de wijze van inpak- king waarborgt tegen het schadelijke of hinderlijke. Art. 7. Behalve voorwerpen uit Japan afkomstig, worden alleen goederen toegelaten, afkomstig van de eilanden van den Indischen archipel, niet westelijker dan Sumatra en niet oos- telijker dan Nieuw Gwinea gelegen. Art. 8. De inzenders van voorwerpen worden verzocht be- paaldelijk te willen opgeven: of zij de ingezonden voorwerpen willen beschikbaar stellen tot bevordering van het einddoel der | tentoonstelling te Batavia, dan wel, of zij verlangen de goede- ren terug te ontvangen, of dat zij die te gelde wenschen te ma- ken. In het laatste geval behoort de prijs te worden opgegeven. Art. 9. De personen, welke voornemens zijn voorwerpen naar de tentoonstelling te zenden, worden verzocht daarvan opgave te willen doen aan de hoofden van gewestelijk bestuur. Art. 10. De middelen voor de toezending der voorwerpen zullen nader worden aangewezen. De kommissie voor de tentoonstelling neemt de voorwerpen in ontvangst, te beginnen met 1 Junij 1855. De Kommissie voor de Tentoonstelling, De President, Ss. D. SCHIEEF. De Sekretaris, H. D.A. SUITS: Behalve in het Nederduitsch is het programma ook in de 653 Fransche taal gedrukt, terwijl het nog wordt overgezet in En- gelsch, Maaleisch en Javaansch. Zoodra bekend zal wezen, hoeveel geld benoodigd is tot den aankoop van voorwerpen, welke niet door vrijwillige inzending verkregen kunnen worden, zullen maatregelen worden genomen om het gebouw voor de tentoonstelling op te rigten. Geschenken aan de Vereeniging. Boekwerken. Les changemens périodiques de température, ‘dépendants de la nature du soleil et de la lune, mis en rapport avec le pronostice du temps, déduits d'observations Néerlandaises de 1729 à 1846 par C. H. D. Burss Barror. Utrecht, 4. 1847 (van den heer H. D. A. Surrs). Uitkomsten der Meteorologische waarpemingen, gedaan te Breda van 1839- 1846, door en onder de leiding van W. WeENCKEBACH, medegedeeld door C. H. D. Burss Barror, uitgegeven door het Provinciaal Utrechtsch genootschap vau kunsten en wetenschappen. Utrecht 4° 1848 (van den heer H. D. A. Surrs). Description de Yobservatoire météorologique et magnétique à Utrecht, par F. W. C. Krecke, publié par la Société provinciale des arts et des sciences à Utrecht. Utrecht 4° 1850 (van den heer H: D. A. Sarrs). Uitkomsten der meteorologische waarnemingen, gedaan te Utrecht, in de jaren 1839-1843, medegedeeld door R. vaN Rers, uitgegeven door het Provinciaal Utrechtsch genootschap van kunsten en wetenschappen. Utrecht 4e 1844 (van den heer H. D. A. Sirs). Physiologisch-chemische verhandeling over de bestanddeelen der plan- ten in verband met het plantaardige leven door P. F. H. FromBere. Utrecht 8° 1847. Biang-lala. — Indisch Leeskabinet tot aangenaam en gezellig onderhoud, onder redaktie van W.L. Rirrer en L.J. Á. TorveENs, Jaarg. I. Batavia 1852, 8°, afl. IV. (van de redaktie). Tijdschrift voor Indische taal- land- en volkenkunde, uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van kunsten en wetenschappen, onder redaktie van P. BreEKER, L. W.C. KevcreNimus, J. MunNicH en E. NerscHer. Jaarg. I aflev. IT en II (van het genootschap). Journal of the Indian Archipelago and Eastern Asia edited by J. R. LOGAN Vol. VI 1852 No. VI (van de redaktie). 654 Manik Maja een Javaansch gedicht, uitgegeven door J. J. pe HoLLANDER (uit het 24° deel der Verhandelingen van het Bataviaasch Genoot- schap van Kunsten en Wetenschappen. Batavia 1852 8° (van het ge- _ nootschap). | Jaarlijksch verslag van den staat der Afdeeling Batavia van de Maat- schappij tot Nut. van ’t Algemeen... Batavia 1852 (van de afdeeling). Tijdschrift ter bevordering der Geneeskundige Wetenschappen in Neder- landsch Indië, uitgegeven door de Vereeniging ter bevordering der geneeskundige wetenschappen in Nederlandsch Indië. Jaarg. I No I— IV. Batavia 8°, 1851, 1852. (van de vereeniging). Moniteur des Indes Orientales et Occidentales, Recueil de mémoires et de notices scientifiques et industriels, de rrouvelles et de faits impor- tants concernant les possessions Néerlandaises d’ Asie et d’ Améri- que, publié par le baron P. MeLviLL DE CARNBEE. Vol. I-III La Haye 1846— 1849 4° (van den redakteur). Naturgeschichte des Menschengeslechts von J.C. PRICHARD, nach der 3den Auflage des englischen originals mit Anmerkungen und Zusätzen herausgegeben von R. WAaNeEr und J. G. F. Wir. 5 Bde 8° Leipz. 1840 — 1848. (van het lid der vereeniging den heer E. B. C. KREIJENBERG). L'Institut, journal universel des sciences et des sociétés savantes en France et à étranger. 1° Section, sciences mathématiques, physiques et na- turelles 18° année Paris 1850 feuille 7838 —886. 2° Section, sciences historiques, archéologiques et philosophiques, 14° année Paris 1850 feuille 157—180. (van den heer H. D. A. Surrs). Overleden. H. GLABBEEK VAN DER Dors Lid der Vereeniging (gesneuveld bij Ata- poepoe). Errata. In het vorige nummer bladz. 493 regel 21 van boven, staat verkeerdelijk Leiden in plaats van Utrecht. ren \, ea an 1 / p 1 =gge \ A EE een de a hi \ \ 1 / pd af it gl } Â: Pe 3 rde en en \ b 1 EN 3 AREN 7 EET E Zea \ fl VfL ZL ELL 5 AAS Ee aint 1 < Ve sl LLT nde Cel LN eed GEN ND 71 Vd Linde en 1 4 n MAREN Haan ER EN MOUD. Aflevering VL Dr. P. F. H. Frousena, Over het watergehalte van ver- schillende luchtdrooge koffijsoorten en de daarvan af- hangende hoedanigheden. . ‚ J. Marer, Onderzoek van ogend het Ehire g- te Tampi, nabij de groote Penitì-rivier in de afdee- ling Sambas. 4 2 BE - r. P. Brreken, Nieuwe bijdrage tot. de kennis der sn van nieuwe Dr. P. Brereker, Diagnostische beschrí ving nat. (Met À of weinig bekende vischsoorten van BROEelding) TD J. P. van Rouverois van Nieuwaar, Scheikundig onder- el Ee . . _ zoek van minerale wateren van het eiland Bawean. 1. Bron van Sangkapoera. - . D. W.- Rost van Tonnincen, De voedingsmiddelen van Java, scheikundig onderzocht. , 1 Cassave meel. : EE. . TEIJSMANN, Handleiding tot het verzenden van 4 E 1 zaden en levende planten en het bewaren van her- Branz. „497 559 609 613 623 631 ” e Notulen van de gewone verg Vereeniging in Nederlandsch Indië, gehouden den Aden September* 1852. ú ! “es Berigten van verschillenden aard: nn ee Aardbeving te Harige Eruptie van deh vulkaa Berigt betreffende de geographischen ingenieur S. H. pe Lane. u Scheiding van het nikkel van kobalt, he ijzer en van andere SEVERING. Ù se „Produktie „van gom elastiek (kollelet) in Tjirien- ntam. Ln ' Ld ì . Ld { gin, residpnlje, Nieuwe vissdhienr wan “Banda Neira, door Drs Ps BLEEKER. _® ee Tentoonstelli Geschenken „Vereeniging. ud Nes 15 Bux Ez. ï A der Natuurkundige CRN as. en EE s n van Poethe Komba. j werkzaamheden van den metalen, door WR. . . e1 ee ‚ Gs via, te houden in 1853. 64 NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT | VOOR NEDERLANDSCH INDIË. | E DE NATUURKUNDIGE VEREENIGING f E | IN CRZ: Zi Dj | BE Mlaanar bb th | Salea Ïbs, NEDERLANDSCH INDIE. | CE AED REEF l DERDE JAARGANG. 4 M. VII. | Supplement-n um mer. BATAVIA, LANGE & Ce. 1852. (@ IN ( 5 e RE © Ny EE / KE PHIJSISCHE KARAKTERBESCHRIJVING DER JAPANEZEN. DOOR Dr. O. MONNENKE. De Japanezen zijn van gemiddelde ligchaamsgestalte. In het algemeen kleiner dan de Germaansche volkstammen in Europa, komen zij in statuur en lengte ongeveer met de Spanjaarden en de bewoners van het zuiden van Frankrijk overeen. De vrou- „wen zijn in den regel in het oogloopend klein, hetgeen ook op de meeste eilanden van den Indischen Archipel het geval is, waar een veel meer in het oog vallend verschil in ligchaamsgestalte tusschen de beide geslachten wordt waargenomen , dan ergens in Europa. Van 50 mannen van eenen leeftijd tusschen de 2% en 50 jaren, zijnde deels tolken en andere beambten bij de Ne- derlandsche faktorij te Desima, deels huisbedienden en dag- poners enz., heb ik de ligchaamsgestalte gemeten, en de vol- gende uitkomsten in Parijssche (f) voeten bekomen. (Ì) Een Parijssche voet heeft 12 Par. duimen. De Par. voet is gelijk aan 0,32484 Ned. el. Ì EI 60 656 Bedienden , daglooners Aantal Tolkenen en andere Lengte. _— perso- andere personen nen. beambten. der laagste volks- klasse, ROTE PL RR OVER DN, | | — BR he NOC D rsr 7 3 Á. Bs 2 ee 12 11 Donat ner en os re 5 7 OR aan —Á ,M „,.. 4 3 1 ze re zoenen 1 RAe 1 2 Dertig vrouwen, allen tusschen de 17 tot 26 jaren oud, had- den de volgende lengten : Vrouwen Aantal uit den Publieke personen. minderen meisjes. burgerstand. voets. Rm: 4 tte Tent, dek — 1 A „ 7 „ — 4 voet 6 duim. 3 2 f À ’ 6 AE EST h }Ô 5 2 3 Î 2 4 ’ 5 SMN  ’ h ’) ö 2 3 Á ED) Á BRS ide Á ’ 3 3 h h WEZE Á EE) 3 DE ANA h 1 2 PT] d 5 B Ä ’ 2 19 DA TT Á 9 1 33 7 3 4 Bij het vermelden dezer lengtebepalingen moet ik nog opmer- ken, dat niet één persoon van bijzondere lengte of wel van eene zelden voorkomende kleinte aan dit onderzoek onderworpen is. Het blijkt uit deze waarnemingen duidelijk, dat er geen ver- schil in statuur bestaat tusschen personen der meer gegoede volks- klasse, die een zittend leven leiden, en hen, die, tot de heffe des volks behoorende, door den arbeid hunner handen hun brood moeten verdienen. Bij de vrouwen heb ik deze omstan- digheid nief zoo duidelijk kunnen doen uitkomen, daar de maat- schappelijke instellingen mij belet hebben om mijne waarnemingen tot voorwerpen van den meer gegoeden stand uit te strekken. ä P. | | | | | 657 Maar ik meen met regt te kunnen besluiten, dat de gemiddelde grootte der in publieke huizen wonende meisjes en vrouwen, overeen zal komen met die van de tot den meer gegoeden en voornamen stand behoorende. Ook bij deze is eene meerdere ontwikkeling in lengte en omvang des ligchaams, het gevolg van beter voedsel en van eenen matigen levensregel: en wan- neer dit dan op de lengte bijna geen bepaald verschil tus- schen: de hoogere en lage standen doet onderkennen, bijna altijd kan het uit den meerderen omvang, dien het ligchaam der meer gegoeden aanneemt, blijken. Dit hebbende doen vooraf gaan, meen ik geregtigd te zijn om aan te nemen, dat de gemiddelde iigchaamsgrootte der Japansche mannen 5 voet 1—2 duim, en die der vrouwen Á voet Η3 duim bedraagt. Wilde men mij tegenwerpen, dat hef niet mogelijk is om uit de gemiddelde lengte der bewoners van Nangasakki, eene strandplaats aan het zuidelijkste gedeelte van het Japansche rijk, dat zich van 29°—41° n. breedte uitstrekt, ook die der zoover verwijderde in andere streken wonende Japa- nezen af te leiden, die, onder een ander klimaat verkeerende, ook andere voortbrengselen van den grond benuttigen, in één woord ook eene andere levenswijze zullen volgen, dan behoef ik hierop slechts te antwoorden, dat toen ik zelf van Nangasakkt naar Jedo, alzoo % gedeelte van het Japansche rijk in de lengte doortrekkende, heb gereisd, ik dikwijls genoeg in de gelegen- heid ben geweest om, niet zonder eenige bevreemding, op te merken, hoe weinig in ligchaamsgrootte de bewoners van de. meest verwijderde landschappen met elkander verschilden, en hoezeer zij in hun phijsisch voorkomen met elkander overeen- kwamen. Ik heb zelfs niet één eenig verschil op kunnen merken tusschen kustbewoners, die van de vischvangst en de scheep- vaart leven, en de landlieden uit de binnenlanden van Kiusiu. en Nippon. Ten slotte wil ik nog aanmerken, dat, in welk ge- west van Japan ik ook in aanraking ben geweest met, hetzij personen van den hoogsten rang, of van den meer of min ge- goeden burgerstand, of van de laagste volksklasse, ik niet dan zeer zelden en als eene groote uitzondering, een’ Japanees heb 655 ontmoet, die mij in lengte evenaarde, ofschoon mijne ligchaams- maat niet meer dan & voet en 4—5 duim bedraagt. De Japanees heeft over het algemeen eene gemiddelde, ofschoon nog al slanke gestalte: zijn ligchaamsbouw is eerder krachtig dan zwak, doch wegens de later: te vermelden onevenredig- heden van sommige zijner ligchaamsdeelen, in den regel niet schoon te noemen. Men treft onder de Japanezen noch de welge- bouwde, rijzige, krachtvolleen toch slanke gestalten van Noord- Europa aan, noch den teederen, slanken en bevalligen ligchaams- bouw der Hindoes, der Maleijers en der Polynesiërs. Hun veelal te groot hoofd is niet zelden ongemeen diep tusschen de schouders geplaatst: de borstkas is gewelfd, ruim en goed ge- bouwd; daarentegen vermindert het ligchaam slechts weinig in omvang nabij de heupen, terwijl de buik of te veel vooruit steekt, of wel integendeel te veel invalt en naar de ruggegraat toe ingedrongen is. Daar de armsten der arbeidende volksklasse in de warmste zomermaanden, op eenen smallen band na, die hunne schaam- deelen moet bedekken, geheel naakt gaan, heeft men bij hen ruimschoots gelegenheid om de ligchaamsgestalte in alle deelen na te kunnen gaan. Mij is toen bijna zonder uitzondering in het oog gevallen, dat de romp des ligchaams ongeevenredigd lang is, in vergelijking der onderste ledematen, als ook, dat de dij ge- woonlijk veel langer dan het been is. Bij gekleede personen kan men deze eigenaardigheden niet zoo goed waarnemen. Hunne armen en beenen zijn veelal dun en slank, zijnde de spieren slechts middelmatig ontwikkeld. Zelfs bij personen die zwaren handenarbeid moeten verrigten, zooals smeden, steenhou- wers enz. liggen de spieren der armen op lange na zoo duidelijk niet bloot als dat bij Europeanen, in dezelfde omstandigheden ver- keerende, het geval is. Dikke buiken, even als vetheid in het algemeen , ontmoet men zelden bij de Japanezen. Hunne dijen zijn veelal naar buiten gebogen en de beenen naar achteren Eene opmerkelijk sterke ontwikkeling van het dijbeen en van het scheen- been alsook der knieschijf, geeft het kniegewricht een dik mis- vormd voorkomen. Hunne handen en voeten zijn in den regel 659 klein, en de eerste zeer dikwijls uitermate schoon gevormd. Beschouwt men het hoofd der Japanezen, zoo kan men zoo- wel uit de vooruitstekende beenderen des aangezigts als uit die welke de schedelholte omvatten, duidelijk de zoo zeer verbrei- de tijpe van het Turaansche ras, het door BrumenBacH eenig- zins anders beschrevene Mongoolsche ras, herkennen. Het eigenaardige dezer vormen vertoont zich vooral daar- in, dat de omtrekken der genoemde deelen van Japansche schedels dan eens meer afgeplat, dan eens scherper en als tot hoeken omgebogen voorkomen, dan dit bij Europesche schedels het geval is, waar dezelijnen zachter en glooijender zamenloopen en bijna alle tot bogen van betrekkelijk groote cirkels terug- gebragt kunnen worden. Ziet men een’ Japanees van voren, dan kan men in den vorm van het aangezigt, gemakkelijk de meer of minder duidelijke figuur van een trapezium herken- nen, of wel het zich voorstellen als gevormd te zijn door twee met hunne bases aan elkander rakende driehoeken. De grondvlakzijden dezer driehoeken zijn dan gelegen in de grootste breedte-doorsnede van het aangezigt, en stellen de verbindings- lijn tusschen de sterk vooruitstekende wangbeenderen voor. Van hier af vermindert de breedte van het aangezigt, niet al- leen naar de kin, maar ook naar boven toe, terwijl de zijvlak- ken van den schedel van voren en aan de slapen te zamen- gedrukt zijn. Alzoo is het voorhoofdsgedeelte van het voorhoofds- been weinig gewelfd en loopt als een schuinsch vlak naar achte- ren en boven toe, ofschoon de voorhoofdsknobbels niet zel- den bij de Japanezen bijzonder ontwikkeld zijn. De breede gla- bella is weinig diep en de wenkbraauwbogen komen alzoo wei- nig uit. Het voorhoofd is meestal laag, ofschoon men oppervlakkig juist het tegenovergestelde zoude meenen, daar de mannen steeds hef voorste gedeelte van het hoofd hebben kaal geschoren. Het achterhoofdsbeen is even als het voorhoofdsbeen gevormd. Het _ _achterhoofdsgedeelte van dit been, vooral aan gene zijde van den uitwendigen knobbel van het achterhoofd, is ook niet zoo ge- welfd, en zijne bovenste randen (margines lambdoïdeae) steken 660 ook meer achterwaarts naar boven uit, dan dit bij Europesche schedels het geval is. Ook de schedelbeenderen hebben niet dien regelmatigen vorm, welke bij de laatstgenoemden. waargenomen wordt. De voorste tweederde gedeelten van dit been zijn ook stomper en schainscher achterwaarts naar boven toeloopende, ter- wijl het andere derde gedeelte, veel meer gebogen zijnde, zich aan den naastbij gelegenen rand van het achterhoofdsbeen aan- sluit. De dus gevormde schedelbeenderen zijn oorzaak dat, als het hoofd regtop gehouden wordt, het schedelpunt meer dan dit bij Kuropesche vormen het gevalis, naar achteren valt, en tevens dat het bovenste gedeelte van het achterhoofd eenigzins puntig naar achteren toe uitloopt. Men kan het best dezen alge- meen voorkomenden ‚ het hoofd zoo ontsierenden vorm, bij de geheel kaal geschoren hoofden der boeddhapriesters waarnemen. Wanneer men de aangezigtsbeenderen nader beschouwt, dan zal men al dadelijk kunnen zien, dat de wang- of jukbeen- deren oorzaak zijn , waarom de gelaatstrekken der Japanezen iets zoo eigenaardigs vertoonen. Deze beenderen zelve zijn, zoowel als hunne vooruitstekende gedeelten, veel meer ont- wikkeld dan bij de Europeanen. Maar nog meer wijkt de vorm van den gewonen Europeschen af, door dien de processus temporalis en processus maxillaris regthoekig op elkander staan, zoodanig, dat het hoekpunt genoegzaam in het sterk vooruitspringende middelste gedeelte van dit been gelegen is. Tevens verbinden zich het voorhoofdsuitsteeksel met het jukbeens- uitsteeksel van hef voorhoofdsbeen niet in eene kromme lijn, zooals bij Europesche hoofden het geval is, maar in eenen stompen vooruitspringenden hoek. Daardoor, en voornamelijk door den reeds beschreven’ vorm der wangbeenderen, schijnt het Japansche gezigt van voren ge- zien, platgedrukt en tusschen platte vlakken ingesloten:te zijn. Ook nemen de aangezigten zelfs van goed doorvoede personen, wanneer zij slechts de eerste jeugd voorbij zijn, een in het oogloopend ingevallen en mager aanzien aan. Maar voor een ‚deel moet ook de eigenaardige aangezigtsvorm van de Japane- zen toegeschreven worden aan de oogholten en aan het been- 661 achtig uitsteeksel van den neus. De oogholten zijn naar achteren toe minder diep, en naderen elkander aan de binnenwanden min- der digt dan bij de Europeanen. Dit is deels een gevolg der mindere, welving van het ondervlak van het oogholtegedeel- te van het voorhoofdsbeen, deels veroorzaakt door dat de pa- piervormige plaatjes van het zeef been naar achteren toe zich meer van elkander verwijderen, ofschoon zij reeds aan hunne voor- ste randen verder van elkander afstaan. Door de geringe holte van dit bovenste vlak der oogholten, puilt ook de bo- venste rand minder sterk uit: ook hangt van de groote zij- delingsche doorsnede van het zeef been de vorm van het neus- ‚_ uitsteeksel af. Reeds is de wortel van het neusvlak aan het voorhoofd breed en ingedrukt of weinig uitpuilend, en alzoo | zijn ook de neusbeenderen, daar waar deze aanvangt, breed en plat. Dikwijls is de rug van den neus, van den wortel tot aan het uiteinde, een weinig binnenwaarts gekromd. \ Ziet men alzoo een Japansch gelaat van ter zijde, dan steekt meestal slechts het onderste derde gedeelte van den neus, voor. _ de door de wangen en uitpuilende wangbeenderen gevormde _ sterk gekromde lijn uit. Evenwel heb ik zelden bij Japanezen zulke bijzonder platgedrukte neuzen aangetroffen als dikwijls bij de inboorlingen van den Soendaschen Archipel voorkomen, bij welke alleen het puntje van den neus voor de aangezigts- vlakte uitsteekt, en bij welke men meenen zoude, dat het gansche overige gedeelte door ozaena vergaan is. Integendeel, dik \ Wijls ziet men neuzen, die men goed gevormd, ja zelfs sterk Ni ontwikkeld zou kunnen noemen , indien het bovenste gedeelte aan den wortel maar niet zoo plat en breed ware. Ik besluit deze opmerkingen, voornamelijk over het been- 8 stelsel handelende, met de mededeeling, dat de tandkas- 4 randen van het bovenkaaksbeen sterker ontwikkeld zijn en Li ook meer scheef naar voren toeloopen dan bij Europeanen, als- if mede, dat het grondvlak van het onderkaaksbeen zich in eenen meer naar eenen regten naderenden hoek met den achtersten rand van den tak van dit been vereenigt. ___De tanden zijn wit, sterk, blijven langen tijd in eenen ge- 662 zonden toestand, zijn echter in het oogvallend groot, een weinig vooruitstekende en niet zeer digt bijeen geplaatst (fl). Uit de hier beschrevene vormen der beenderen van het hoofd der Japanezen. kan blijken, dat de vorm van hun gelaat zoowel van den Europeschen, als van alle andere, die wij ge- woon zijn als tijpen van menschelijke schoonheid te erkennen, in zeer vele opzigten afwijkt. En evenwel ontmoet men toch dikwijls in Japan, onder alle standen en bij beiderlei kunne, personen , die op een aangenaam ja schoon uiterlijk aanspraak kunnen maken. Dit nu is niet alleen het geval bij dezulken, welker gelaatstrekken en afmetingen naar de Europesche over- hellen , maar ook bij hen, bij welke de Turaansche grondvorm het ondubbelzinnigst en scherpst voorkomt. Somtijds toch schijnen de kantige of puntige beenderen, vooral in de jeugd, door het gevormde spierweefsel als afgerond, en blijven dus de vooruitspringende vormen verborgen. Reeds vroeger echter is aangehaald, dat gewoonlijk de gezigten der Japanezen reeds op eenen jeugdigen leeftijd in het oog loopend mager zijn. Bij mijne aankomst in Japan werd ik aangenaam verrast door de schranderheid, het ligchamelijk welvaren, de vrolijkheid en goedhartigheid, die bijna op alle gezigten te lezen stonden. En van de waarheid van dit aangevoerde kan men zich ligt over- tuigen, wanneer men het oog slaat op de door den heer G. pe VirLENEUVE zoo uitmuntend geteekende portretten van Japan- (1) Een’ dergelijken vorm der tanden ontmoet men op de eilanden in den Indischen Oceaan, als bijna altijd eigen zijnde aan afstammelingen van Europesche vaders, gewonnen bij moeders van het Maleische ras. Men vindt deze lange, witte, een weinig vooruitstekende en door betrekkelijk groote tusschenruimten van elkander verwijderde tanden, die gewoonlijk bij het spreken of lagchen zeer zigtbaar worden, zelfs nog bij personen, welker grootmoeder of overgrootmoeder van Javaansch of Maleisch ras waren, en gewoonlijk kan men aan dit verschijnsel beter eene inmenging van Javaansch of Maleisch bloed onderkennen, dan aan de kleur der haren en der huid. Deze opmerking is des te merkwaardiger, omdat bij de tot _ het Maleisch-Polynesische ras behoorende volkstammen in den Indischen ® Archipel, de hier vermelde tandenvorm volstrekt niet tot de hen ken- schetsende eigenaardigheden behoort. 665 sche mannen en vrouwen, opgenomen in Von StrBoLp’s „Nip- __pon.! Mij zijn geene ethnographische afbeeldingen, bekend, bij welke de zoo fijne karakteristieke indrukken tot de gelaat- kunde van een vreemd menschenras behoorende, zoo goed we- dergegeven zijn, als bij de onderhavige. Op gelijke wijze als bij de Europesche volkeren, is ook bij de Japanezen, tusschen de grenzen van denzelfden grondvorm (tijpe) groote verscheidenheid in gelaatstrekken op te merken. De oor- zaak hiervan is stellig gedeeltelijk in de hoogere geestelijke en zedelijke vorming te vinden, door welke zij zich zoozeer van de overige Aziatische volkeren onderscheiden (f). Over het al- gemeen komt de uitdrukking der levendige, geestige en goed- hartige Japansche gezigten, veel met die der Europesche overeen. Ik ken geen’ volkstam, bij welken eene dergelijke verscheiden- heid in vorm en uitdrukking van gelaatstrekken, waargeno- men kan worden. ‚De oogen der Japanezen liggen minder diep en meer in _ het vlak des aangezigts dan bij de Kuropeanen. Dit wordt voor- namelijk veroorzaakt door de mindere diepte der oogholten, doordat de randen dezer oogkassen weinig voor het voorhoofds- ‚been uitspringen, door de geringe kromming van het oogholte- gewelf, maar ook voornamelijk door de afplatting van de beide neusbeenderen en van de vereenigingsplaats van den neus met het voorhoofd. De oogen zijn gewoonlijk groot en uitpuilende, ofschoon zij in de meeste gevallen wegens eenen eigenaardigen vorm der oogleden, nader te behandelen, bij- ‚zonder klein schijnen te zijn. De regenboog is gewoonlijk (1) Bij de Chinezen is deze verscheidenheid in gelaatstrekken van enke- Di le personen, naar ik vermeen waargenomen te hebben, over het algemeen í geringer: in veel minderen graad merkt men dit bij Javanen, Boeginezen, bij de inwoners van Madura en andere volkstammen van den Indischen Archipel op, van welke ik groote vereenigingen van personen heb bijge- __woond, die allen zoowel wat betreft den vorm als de uitdrukking van het gelaat bijzonder veel op elkander geleken. Bij de bewoners der Oostkust van _ Sumatra evenwel is deze verscheidenheid in gelaatstrekken weder meer “in het oogloopend. 664 zwart: slechts zeer zelden zag ik eene bruine iris, eenmaal eene graauwe, en nooit eene blaauwe. De openingen der oogleden zijn gewoonlijk zeer klein en schijnen sehuins van, den neus af naar de slapen toe te loopen. De oorzaak van dit bedriegelijk verschijnsel moet gezocht worden in den bijzon- deren vorm van het bovenste ooglid (zooals Von Stegorp in zijne verhandeling over het scheefstaan der oogen der Japa- nezen, Nippon Il pag 3 enz., te regt aanmerkt), die ook bij andere, tot den Maleischen stam behoorende volken, aangetroffen wordt. De huid van dit ooglid vormt eene plooi, die iets meer naar buiten boven den buitensten oog- hoek eenen aanvang neemt. Deze plooi verliest zich in de rigting van den kraakbeenrand, zonder altijd evenwij- dig met hem te loopen. Hoe meer deze plooi den binnen- sten ooghoek nadert, des te verhevener en meer gespannen vertoont zij zich, en nadert dan ook meer de ooglidranden. In de nabijheid van den binnensten ooghoek, loopt zij in eenen boog over dezen heen, in -de gedaante van eenen sterk gespannen f, à 2 strepen breeden band, en eindigt in de huid nabij het neusuitsteeksel van het bovenksaakbeen. Älzoo bedekt zij gewoonlijk ten eenenmale èn den bovensten ooghoek, èn de daarondergelegene traanwerktuigen. Slaat men het ooglid op, zoo wordt het kraakbeen van het ooglid ach- ter deze plooi geschoven. Bij menschen, bij welke deze plooi uitermate sterk ontwikkeld is, en bij welke zij te- Vens evenwijdig en nabij de oogleden loopt, bedekt zij, wan- neer het oog opengehouden wordt, niet alleen den geheelen — kraakbeenrand van het ooglid, maar daarenboven nog de helft f van de lengte der wimpers. Wanneer dan daarenboven de ope- ning door het ooglid daargesteld zeer klein is, dan vertoont | zich deze opening als in eene horizontale, niet schuins naar bo- ven toeloopende rigting, geplaatst te zijn. Dit laatste neemt men ä vooral waar, wanneer die niet zoo sterk ontwikkelde plooi wat verder van den kraakbeenrand verwijderd is, en ook niet _ evenwijdig aan hem loopt, maar eerst nabij den binnensten ï ooghoek hem nadert. Dan wordt, wanneer de oogen op-_ 665 ‘geslagen worden, het nabij den binnensten ooghoek gelegene gedeelte van het kraakbeen door de genoemde plooi bedekt, terwijl deze dan in de nabijheid van den uitersten ooghoek vrij en zonder dat de kraakbeenrand door eene daaroverhan- gende huidplooi bedekt wordt, naar boven kan geheven wor- den. Het is duidelijk, dat de ooglidopening (als dit plaats vindt) aan haar binnenste einde schijnbaar lager dan aan het uiterste einde gelegen moet zijn. Alzoo is opgehelderd hetgeen zoo dik- wijls besproken is, en het eerst door den heer Von Stemorp in zijnen waren toestand is voorgesteld, namelijk het meer of minder in het oogloopend scheefstaan der oogen der Japane- zen en der Chinezen, en moet dit alzoo alleen toegeschreven worden aan de grootere of mindere ontwikkeling der genoemde uidplooi, en hare meerdere of mindere evenwijdige rigting met den kraakbeenrand van het bovenste ooglid. | Deze huidplooi is het meest ontwikkeld bij kinderen, bij jon- gelingen en bij jonge meisjes en vrouwen, en vooral bij per- sonen, die een vol vleezig aangezigt hebben. Bij deze neemt men ook de kleinste ooglidopeningen waar, terwijl bij personen op eenen meer gevorderden leeftijd, en voornamelijk bij man- nen, grootere openingen der oogleden en meer uitpuilende rollende oogbollen vrij algemeen zijn. Daar nu deze huidplooi den binnensten ooghoek bedekt, vermeerdert zij nog in schijn, den reeds door de breede binnenste en buitenste neusbeende- ren veroorzaakten grooteren afstand, die de beide oogholten van elkander scheidt. Eindelijk moet hier nog opgemerkt worden , dat in vele gevallen eene kleine plooi zich aan het onderste oog- lid vertoont, als ware deze evenals de bovengenoemde huid- plooi van het bovenste ooglid gevormd. De wenkbraauwen zijn niet in die regelmatige evenwijdig met de bovenste oogkuilranden loopende kromme lijn ingeplant, als bij Europeanen plaats heeft, maar loopen van den wortel van den neus naar boven en naar buiten toe, in eene meer met eene regle lijn overeenkomende rigting. Ook deze omstandigheid brengt men. Maar deze vorm der wenkbraauwen is maar in een 666 zeer enkel geval als de natuurlijke en oorspronkelijke aan te nemen, daar hij meestal door de Japanezen zelve veroor- zaakt wordt. Immers van hunne prilste jeugd af aan, wordt door hen het scheermes volgens een vast aangenomen stelsel aan- gewend , opdat namelijk hunne wenkbraauwen den vorm van eene dunne zoo regt mogelijke streep, welker rigting naar boven en buiten toe uitloopende is, zouden aannemen. Daar om dit te bereiken, de geheele onderste helft der wenkbraauwhaartjes gesta- dig afgeschoren moet worden, wijken deze ten laatste ge- heel van hunnen natuurlijken vorm en plaatsing op de oog= lidsranden af ,‚ terwijl zij zich verder en verder naar boven toe uitstrekken. En hieraan, in verband gebragt met de dik- wijls zoo uiterst naauwe oogopeningen, zoodat soms het bo- venste ooglid niet verder opgeligt kan worden, dan eene ligte graad van blepharoptosis dit toelaat, is bij jonge menschen van beiderlei kunne, de in het oogloopende niet enkel schijnbare groote tusschenruimte tusschen de wenkbraauwen en de kraak- beenranden van de bovenste oogleden toe te schrijven. De kleur der huid kan niet in één woord uitgedrukt wor- den , daar hierin bij de Japanezen zeer merkbare persoonlijke verschillen bestaan. Ik heb eenige Japanezen gezien, die even donkerbruin roodachtig van vel waren, als de donkerste ge- kleurde Maleische volkeren b. v. als de bewoners van de bin- nenlanden van Java; daarentegen heb ik vrouwen ontmoet, die zoo blank als de Hollandsche waren. Deze mededeelingen zijn niet overdreven, maar op onmiddellijk onderzoek en waarne- ming gegrond, Alle tusschen deze beide uitersten in liggende schakeringen van kleur der huid ontmoet men dan eens meer dikwijls dan eens zeldzamer. Over het algemeen is de kleur der Japanezen, in verschillende schakeringen, tusschen licht en don- ker in, bruingeel te noemen, eene tint die tusschen de kleur van door de zon verbrande Europeanen en het koloriet der Chinezen inligt. Bij dit laatste volk, welks kleur veelal met die van rogge of gedroogde erwten kan vergeleken worden, komt het geel als grondkleur zeer sterk uit, maar bij de Japanezen komt deze gele kleur, vooral in het aangezigt, door roodach- í 667 tige en zwartachtige tinten als gedekt, minder voor, en daardoor nadert hun koloriet het Europesche. Terwijl bij Europeanen het aangezigt gewoonlijk donkerder gekleurd is dan de andere ligchaamsdeelen, merkt men bij Japanezen zeer dikwijls het tegenovergestelde op. Vooral kan men zich hiervan gemakkelijk bij vrouwen overtuigen: ook hare jn den regel schoon gevormde handen zijn witter van kleur dan de overige ligchaamsdeelen. In het algemeen is de kleur van de Japansche aangezigten frisch en bloeijend. Blozende koonen, die van eene bloeijende gezondheid getuigen, treft men bij kinderen en vooral bij jon- gelieden van beiderlei kunne aan, en dat zelfs zeer dikwijls in het zuidelijkste gedeelte van het keizerrijk. Gewoonlijk zijn de vrouwen ligter gekleurd dan de mannen: de meest gegoeden en voornaamsten zijn het blankste, daar zij zich het minst in de open lucht ophouden of aan zonneschijn blootstellen. De land- bouwers en de kustbewoners, die zich voornamelijk met de visch- vangst geneeren, zijn bruiner gekleurd dan de stedelingen ; maar dat de bewoners der zuidelijkste landschappen op Kiusiu, zooals onder anderen die van Satsuma, donkerder gekleurd zouden zijn dan die van de meer noordelijke streken van het eiland Nippon, dit heb ik niet kunnen waarnemen. Zelfs heb ik mij dikwijls ver- wonderd, dat er hierin geen onderscheid op te merken is, als men de groote uitgestrektheid in geographische breedte van het Japansche rijk in aanmerking neemt. De donkerst gekleurde Japanezen, die ik aangetroffen heb, hielden zich op deels op eenige kleine, aan de monding der baai van Nagasakki gelegen silanden, of woonden deels in Kavasakki, een vlek, eenige wei- | ige mijlen van Jedo verwijderd. Zoo min als eene langere ligchaamsgestalte en eene naau- were toenadering in aangezigts- en schedelvorm tot den edelen Europeschen grondvorm, uitsluitend aan de hoogere en hoog- ste klassen in Japan eigen zouden zijn, even zoo min staat dit net eene lichtere kleur der huid in verband. Te Jedo, in het keizerlijke paleis, ben ik in de gelegenheid geweest, honderde orsten en andere rijksgrooten zeer van nabij te beschouwen: Bij eenigen onder hen, vooral jongere lieden, trof mij de 668 ligte kleur der huid, de fijne vol uitdrukking zijnde echter zwakheid verradende en afgeleefde of verlepte aangezigtstrek- ken, en de kwijnende slanke ligchaamsbouw. Hen en de zoo over- drevene sierlijkheid en lenigheid van hunne uit ligte zijden stof- fen vervaardigde statiekleeding aanschouwende, kon ik leven- dig in mijne gedachten terug roepen die menigte voorname jonge lieden, die zich in Kuropa ’s hoofdsteden ophouden, en wier eenige dagelijksche bezigheid daarin bestaat, dat zij trach- ten om hun uiterlijk voorkomen eene uitdrukking van vrou- welijke teederheid en fijnheid te geven. Maar de anderen, en verre weg de meesten, geleken wat hunne gestalte, vorm en kleur der aangezigten betrof, geheel op lieden uit den mid- del- en burgerstand (beambten, tolken der Faktorij, kooplie- den enz.) dus op die lieden, met welke wij op Desima het meest in aanraking komen. i De keizer zelf onderscheidt zich door. eene donkere zwart- achtig gele gelaatskleur. De vorm van zijn aangezigt doet zeer duidelijk den grondvorm van het Turaansche ras erkennen. Ál- leen door de meer vrije en edele houding van het ligchaam, kan men over het algemeen in Japan, zooals ook overal in al-_ le andere landen, de meer voorname klassen der bevolking van de mindere onderscheiden. x Daar.de Japanezen veelvuldig pomade en oliën, waarbij meest al kleurende bestanddeelen gemengd zijn, gebruiken, zoo ver- krijgt hun haar hierdoor schijnbaar eenen helder zwarten glans. Ik zeg in schijn, want bij een nader onderzoek kan blij 4 ken, dat de natuurlijke kleur van hun haar even zoo dikwijls donkerbruin, soms meer of minder naar het blonde trekkende is, dan zwart. Dit kan men het best bij kinderen opmerken, ook bij landlieden, en bij menschen uit de laagste volksklasse, in één woord, bij die personen, welke minder zorg aan hum haar besteden en de kleur van het haar alzoo niet door kunste middeltjes wijzigen. Als ik hier over bruin haar bij de Japa- nezen spreek, merke men op, dat ik niet het zwarte door de inwerking van de zonnestralen dikwijls zoo rood geworde- ne haar, zooals dat van sommige menschen bedoel, die hun haar soms zeer verwaarloozen en het dikwijls aan de 669 inwerking van het weder, als regen en anderzins blootstellen. _ Hetgeen ik hieromtrent zeer dikwijls bij vrouwen, tot de land- bouwende volksklasse in de binnenlanden van Java behoorende waargenomen heb, geldt ook, onder gelijke omstandigheden in Japan en in alle andere landen, waar men personen aantreft, die zonder eenige tegenspraak zwart haar hebben. Dikwijls | gaat bij de Japanezen bruin naar het blonde trekkende haar, __met eene lichtere gelaatskleur met eene roodachtige tint, en met ‚ meer regelmatige aangezigts- en schedelvormen vergezeld.” Dit onderscheid in kleur van haar is geheel persoonlijk, want men | treft zoowel bruin als zwart haar even dikwijls in de noor- delijke streken van Nippon en in de diepste binnenlanden aan, _ als in het zuiden van Kiusiu en langs het zeestrand. Ligt blond haar is mij slechts zeer zelden voorgekomen, en rood haar slechts 2 of drie malen. 8 __Het hoofdhaar is dik, glad, maar groeit ook bij de vrouwen Á niet zoo lang als het veelal in Europa en bij de Maleische en K: Javaansche vrouwen aangetroffen wordt. | De bijzondere wijze der Japanezen van het hoofdhaar te dragen , _ waarbij hetgeheele hoofd, uitgezonderd het achterhoofd, wordt _ kaal geschoren, en het overblijvende haar door middel van kle- E verige pomaden in eene korte naar voren gerigte, op de ver- 4 bindingsplaats der schedelbeenderen rustende vlecht zamenge- __vlochten wordt, doet hun haar minder en dunner schijnen, dan dit werkelijk het geval is. Kroes haar ziet men maar zeer _ zelden; misschien wordt in vele gevallen de kroesige krul door ‚ de bijzondere en kunstmatige wijze van het haar te dragen ver- borgen. In allen gevalle is kroes haar aan de zuidkust van Kiu- __siu even zoo zelden, als in alle andere meer naar het noor- _ den of in de binnenlanden gelegen oorden des rijks. Al- zoo zijn mijne naauwkeurige met alle mogelijke zorg opgetee- _ kende waarnemingen lijnregt- strijdig met het gevoelen van den À heer Von SirBorp als hij in zijn werk getiteld „ Nippon” deel f _ pag. 16 aanvoert: „dass man aus den Gesichtszügen’, dem Kör- | i: „perbau, dem krausen Haare und einer dunklern Hautfarbe, die _ _„hocheinzelnen Bewohnern der südlichen und südöstlichen Kus- „ten von Japan eigen seien, auf eine Gemeinschaft schliessen 670 „dürfe, die mit ähntichen Volksstämmen als die Urbewohner der „ Philippinen und Carolinen, ja selbst mit den Alfuren des süd- „licheren Australiën stattgefunden habe. | Op deze opmerking van den heer Von Sizporp is gegrond de alzoo vergeefelijke dwaling, die de anders zoo schrandere en ge- leerde PricnarD in zijne „ Naturgeschichte des Menschenge- schlechts,” Duitsche vertaling deel Ill pag. 507, begaat als hij „aanvoert: dass noch heutigen Tages, wilde, den Papua’s und „Alfuren verwandte, von den übrigen civilisirten Bewohnern „getrennte, eigene barbarische Dialecte redende Volkstämme , E in Japan beständen.” Het is moeijelijk om over den groei van den baard bij de Japanezen bij den eersten oogopslag een oordeel uit te spreken, daar, èn uit gewoonte èn uit reinheid, de mannen van alle klas- _ sen, uitgenomen de Mikado en de hoogst geplaatste personen _ die hem gewoonlijk omringen, dagelijks het scheermes gebrui- ‚ken. Over het algemeen geloof ik geregtigd te zijn om den groei van den baard sterk te noemen , daar ik mij hiervan dik- wijls bij zieken, menschen die in diepen rouw gedompeld waren enz. overtuigd heb. In het paleis van een’ der rijks- | grooten te Jedo zag ik twee bejaarde mannen , welker grijze baar- den tot op de borst nederhingen: zelfs treft men niet zelden _ bij jonge vrouwen eenig fijn digt dons , boven de bovenlip aan, * en heb ik onder anderen gezien, dateen zestienjarig meisje dit a dons wegscheerde., í Op de andere ligchaamsdeelen groeit bij de Japanezen in het È algemeen minder haar dan zelfs bij de blonde volkstammen van — het Noordelijke Kuropa het geval is: evenwel heb ik lieden ontmoet, welker borsten armen zeer behaard waren. Ook ko- kj men hier, even als in Europa, zwaar met haar begroeide ligcha- d men gewoonlijk met zwart hoofdhaar, en eene meer donkere met 5 weinig rood vermengde gelaatskleur voor. D Over de Japansche vrouwen handelende, noem ik in È de eerste plaats den bijna zonder uitzondering voorkomenden leelijken vorm der borsten. Terwijl toch bij goed gevormde _ Europesche vrouwen deze ligchaamsdeelen op twee, door de groote borstspieren met breede grondvlakken vast bevestigde 671 halve globen gelijken, wier doorsnede van het grondvlak grooter dan de hoogte is, en wier assen evenwijdig met een horizontaal vlak van doorsnede van het ligchaam naar vo- ren toe uiteenloopen, zijn de borsten der Japansche vrou- wen in het oogloopend lang en aan het grondvlak smal en ingedrongen. Hare assen zijn aan elkander evenwijdig en ma- ken met het horizontale vlak van doorsnede eenen meer of min stompen hoek. Bij jonge en ongerepte maagden hellen dik- wijls de nog weinig ontwikkelde borsten reeds duidelijk- naar _ onderen over, en zoodra eene vrouw slechts één kind gezogen heeft, hangen reeds de borsten als meer of minder stijf gevulde zakken aan de oppervlakte van het ligchaam neder. De hoofd- oorzaak van dit verschijnsel is de meer langwerpige vorm der borstklieren en hun dun omkleedsel van vet en celweefsel. Terwijl hierdoor bij Europesche vrouwen, bij het naderen aan ‚eenen gemiddelden leeftijd, de boezem zich vult en verheft, zoo blijft bij Japansche vrouwen, zelfs bij die, welkezeer ontwikkel- de borsten hebben, de ruimte tusschen ze laag, vlak en _ ongevuld. Bij mannen kan men zelfs soms bijzonder slappe en nederhangende borsten opmerken. De tepels schijnen mij bij _ Japansche vrouwen over het algemeen toe grooter te zijn dan bij _ Europesche: deze zoowel als de tepelranden zijn steeds donker en zwartachtig gekleurd. Ten slotte zij nog opgemerkt, dat bij de Japansche vrouwen in zeer groote mate die eigenschap | waargenomen wordt, welke door Brumensacu (De generis humani varietate nativa edit. 3 Gotting. 1795 pag 241), aan de- vrou- „wen van eenige Mongoolsche en Amerikaausche volkstammen toegekend wordt: „quod arcta servent muliebria, etiamsi nup- » tae fuerint, imo pepererint' ' k Hierdoor onderscheiden zij zich op eene zeer bijzondere wij- ze van de anders zoo kleine, ranke en teeder gebouwde Javaan- sche en Maleische vrouwen. De vergelijking van deze, in alle opzigten ware en naar ‚de natuur getrouw gevolgde, beschrijving van een der merk- _waardigste takken van den uitgebreiden Turaanschen volkstam, met hetgeen door zoovele en kundige waarnemers over andere gedeelten van dit zoo wijd verbreide menschenras is mede- Re UL bi 672 gedeeld, laat ik aan mijne lezers over, terwijl zij dan tevens over hunne overeenkomst kunnen oordeelen. Hiertoe zal ik slechts van twee beschrijvingen gewagen, die, in verschil- lende tijden, van volkstamimmen vervaardigd zijn, welke op ee- | nen zeer grooten geographischen afstand van de Japanezen verwijderd waren, en toch eene treffende gelijkenis daarmede doen uitkomen. De eerste dezer beschrijvingen vindt men in eenen brief sde horribili vastatione inhumanae gentis, quam Tartaros vocant” van: Yvo, een’ geestelijke uit Narbonne, gedagteekend van hef jaar 1243, van uit Weenen aan den aartsbisschop van Bor- deaux gerigt, welke brief door den Engelschen monnik Mar- THAEUS Paris in zijne „Historia Major,” edit. Londen 1686 folio publiek gemaakt wordt. BruuenBacu deelt in zijn werk ,,de varietate generis humani’ 9, edit. III pag. 305 dezelater zoo beroemd geworden aanhaling ‚„mede, dus luidende. ,,Habent autem Tartari pectora du- ‚‚ra et robusta, facies maceras et pallidas, scapulas rigi-’ ‚das et erectas, nares distortos et breves, menta proëmi- „„nentia et acuta, superiorem mandibulam humilem et pro- ‚„fundam, dentes longas et raras, palpebras a crinibus usque ‚ad nasum protensas, oculos inconstantes et nigros, adspec- „tus obliquos et torvos, extremitates ossosas et nervosas, cru- ‚ra quoque grossa sed tibias breviores, statura tamen nobis „aequales ; quod enim in tibiis deficit, In superiori corpore ‚‚ compensatur.”’ Met deze „ Tartari „zijn echter de Mongoolsche strijdbenden van Baror, eenen kleinzoon van DscuinciscHaN bedoeld, die tegen de bondstroepen van verscheidene Duitsche en Sarmati- sche vorsten twee jaren vroeger (den 9Îden April 241) den vermaarden veldslag in de vlakte van Wahlstalt bij Liegnitz geleverd hebben, in welk gevecht Hexpuk pe Vrome, her- tog van Silezië, den heldendood stierf. De andere door mij ter raadpleging bedoelde beschrijving is die van Parras „Neue nordische Beiträge”, waarin zeer uit- voerig over de Kalmukken gehandeld wordt. REIS Dd NAAR, EN AANTEEKENINGEN BETREFFENDE DE STEENKOLEN VAN BATOE BELIAN (ZUID-OOSTKUST VAN BORNEO), DOOR C. MW. SCHUW ANER, In leven Lid der Natuurkundige kommissie in Nederlandsch Indië; bewerkt door Dr. J. MH. CROOCKEWIETE Miz. Den Ssten December des jaars 1846 was alles in gereedheid gebragt, om een uitstapje naar Batoe Belian te maken. De hooge waterstand in de rivier deed mij de hoop koesteren, dat ik met mijne groote praauw de plaats mijner bestemming zoude kun- _ nen bereiken. Evenwel liet ik bij voorbaat eene djoekoeng (2) | gereed maken, die ik zoude noodig hebben, als mijne onder- stelling niet bevestigd werd, en vertrok met deze beide vaar- (1) Dit stuk, gevonden in de nagelaten geschriften van C. M. ScHwa- _ NER, is door het Gouvernement goedgunstig aan de Vereeniging ter pu- _ blicering afgestaan. (2) Klein praauwtje, gevormd uit eenen uitgeholden boomstam. 674 tuigen den volgenden morgen ten 7, ure van Bândjarmasin. Ofschoon een sterke tegenstroom het opvaren bemoeijelijkte, en ik daarenboven nog wel een vol uur te Dongan moest vertoe- ven, kwam ik toch reeds ten 2 ure in den namiddag te Mar- tapoera aan. Ik had dus alle reden om over de Dajahsche roei- jers tevreden te zijn. Weinige veranderingen heb ik op dit tra- jekt, sedert mijne vorige reis, op kunnen merken: het scheen mij echter toe, dat sedert dien tijd verscheidene huisgezinnen zich nabij de Antassan (Î) Benoea, niet ver van Bandjarmasin, met der woon hadden nedergezet, hetgeen niet weinig tot de verlevendiging der anders zoo doodsche, onbewoonde oevers der rivier bijbrengt. De djoekoeng, met de voor het voorgestelde onderzoek benoo- digd geachte gereedschappen, mij niet hebbende kunnen bijhou- den , zoo besloot ik die hier in te wachten , zoodat ik den nacht op Martapoera bleef doorbrengen. Het water in de rivier blijft redelijk hoog: de daarin zich bevindende rotsblokken voor den kraton des sulthans, alsmede voor het residentiehuis, zijn geheel onder water bedolven, zoodat men minder bezwaarlijk dan in het tegenovergestelde geval langs ze heen kan sturen. Te Martapoera is alles juist zoo gebleven, als ik het vroeger verlaten had. Slechts maakte het residentiehuis en zijne omstreken eenen akeligen indruk op mij, door de doodsche stilte die hier thans heerschte: bij mijn vroeger bezoek toch mogt ik het hier het gezellig verkeer met de familie van den zoo algemeen ge- achten resident genieten. Het niet noodig achtende om den sulthan in persoon een be- zoek te brengen, gaf ik hem slechts van mijne aankomst ken- nis. Om 6 ure des morgens vertrok ik den volgenden dag van Martapoera, en kwam na ongeveer Î2 uren roeijens nabij Soen- gei-Raja aan. Ofschoon mij op dezen togt geene bijzondere weder- waardigheden overkomen zijn, maakte de hooge waterstand _ (1) Een gegraven kanaal, dat eene bogt der rivier afsnijdt. , 675 het varen toch gevaarlijk, daar hierdoor vele in de rivier ver- spreidde rotsmassa’s onzigtbaar waren, en alzoo bezwaarlijk konden vermeden worden. Een lage waterstand is daarom in dit opzigt te verkiezen, dewijl men, het gevaar kunnende over- zien, alzoo ook gewoonlijk voorzigtiger is. Behalve deze hier en daar aangetroffen wordende rotsblokken, welke onder ande- ren in menigte even beneden Lokh-Tjantoeng voorkomen, beletten sommige midden in de rivier op elkander gestapelde en in el- kander verwarde boomstammen , alsmede eenige watervallen na- bij Mataraman, eenen veiligen doortogt. Dewijl echter deze rot- sen uit een’ weinig harden kalksteen bestaan, zal het ver- wijderen er van niet met groote moeijelijkheden gepaard zijn (f). De oorzaak, waarom de hooge oevers, in alle de bogten der rivier zoo in het oog vallend uitgespoeld zijn, schijnt mij niet zoozeer daaraan te moeten worden toegeschreven, dat de grond aldaar door het stroomende water als ondermijnd wordt, zoo- dat wanneer alsdan het evenwigt verbroken is, de geheele massa, haar steunpunt verloren hebbende, zich op eens in de rivier stort, als wel aan de duidelijk waar ‘te nemen omstandigheid, dat het water langzaam eene onderste laag wegspoelt, waardoor eene opvolgende verzakking plaats heeft, ’t welk ten gevolge heeft, dat de oppervlakte van den oever nabij eene kronkeling, een op- volgend glooijend heuvelachtig voorkomen heeft, zoodat het water tof op eene zekeren afstand van de bedding der rivier, op den oever zijnen invloed uitoefent. Dikwijls neemt men 3 à4 of meerdere zulke verzakkingen waar, van welke de laatste eerst na een ruim tijdsverloop, geheel door de rivier verzwolgen zal zijn. Ik roeide heden ook voorbij eene kampong Pakandja- ti (2) genaamd, waar dien dag veel drukte heerschte, daar het juist marktdag was: vruchten, groenten, siri, kains en andere (1) Men verneemt dat dit op de meest noodzakelijke plaatsen ook reeds geschied is, zijnde den gezaghebber der oostkust van Borneo H. voN DE te bewerkstelligen. (2) Het woord pakan beteekent marktplaats. 676 lijnwaden waren de voornaamste artikelen, die te koop aan- geboden weden. Den 1fden December vertrok ik ten 7 ure naar Batoe Belian, alwaar ik, ofschoon langzaam voortroeijende, tegen 11 ure in den middag aankwam. De diepte van het vaarwater in de rivier heb ik dezen dag van af Soengei- Raja tot hier opgenomen , en alhoewel deze aan veelvuldige veranderingen onderhevig is, waren mijne waarnemingen toch toereikende, om deswege een goed resultaat te kunnen verkrijgen. De vermelding dezer ge- peilde diepten, volgt hieronder. …_ Opname omtrent den loop en de diepte der Soengei Batoe api tusschen de kampongs Soengei Raja en Batoe Belian. o ot 5 Sal 2 DE zm z Kampongs en Soengeis. Aanmerkingen. 2. af 5 © Leal 5e 8 = BOE Zn 5e 1° (vadem).} Kampong Soengei Ra-| Op den linker oever be- jaaan beide oevers derfstaatdekampongslechts rivier. uit eenige huizen, zijnde het grootste gedeelte 5’ (Voet). van de kampong op den regter oever gelegen. ZvO.t,0./-2 55 (1) In eene minuut roeïijjens zijn volgens berekening gemiddeld 50 — 60 Ned. ellen afgelegd, (2) Wanneer men in eene zekere gepeilde rigting een niet al te lang of wel al te kort eind wegs aflegde, heeft men in zulk eene rigting slechts 3 malen met het lood gepeild als: eens bij den aanvang, eens in het midden en dan op het einde: het gemiddelde dezer uitkomsten zal dan als de gemiddelde diepte van die rigting der rivier kunnen aange- nomen worden, Liep derivier in eene zelfde rigting een geruim eind wegs, zoo heeft men op gelijke afstanden gepeild, waaruit dan ook weder eene gemiddelde kon opgemaakt worden. 677 oo Rond 5 Kampongs en Soengeis. Aanmerkingen. A Minuten roeijens Keb] 3 àl ei sd au B O.t.Z. 6 5’ Na 2 minuten roeijens aan den linker oever ee- ger ne kleine beek. ba’ O.t.N. 2 In jie, N.0. zikje EEE 21 ‚oor 0.Z.0O. 3 1927 Hier eindigt de kamp. jo op den regter oever. O.t.N. 5 Lo 1e O.t. Z. 9 ue ke bi go Oo. 22 er’ keur Op den linker oever vele rotsen. Ten halver wege dezer ie rigting eene rij heuvels strekkende van N.N.0. he naar 2.4. W. Oo. 12 5/ Na 3 minuten roeïjens ue eene beek links. ZO. 3 51 Eene beek regts. REEL ON 10 J4L’ Halverwege deze rig- ting op den regter oever eene kleine kampong Re Bedong bedara ge- ‚jnoemd. 52’ 2.2.0. 1 5 5’ Z. 5 3’ Kee Regter oever eene klei- ne beek. 54 Op den regter oever een met alang alang begroeide heuvel. 678 keb] , Le w en Es 2 E) 8 2 > &' Kampongs en Soengeis. Aanmerkingen. 0 em Sie @) or |an Z.W.t.Z.f 6 eed Op den linker oever ee- ne kleine kampong, Ba- toe bagong. ber, BBN 12 5 5e! Pi kon Ze 2 he EN 2.2.0. 5 is Op de helft dezer rig- 3’ ting de moeielijk te passeren rotsen, Batoe 3’ Malang geheeten. Je ZO. 2 bel O.N.O 5 4 9” N.0. We O0, A 5 ZO: 12 vor Regter oever eene beek cd Bl. Weerdt 4! ne 0.4.0. | O.t.N. 2 DES 158% 0.2.0. 3 Lon’ ile dl Ots 5 Ee Regter oever eene beek Jer’ Z.0.t.0.f 7 ie Linker oever eene beek 5! Z.Z.0. 1 3’ 47 Le Nid od Di 1 Z.0. 5 Ie „Linkeroevereenebeek| Boven de monding van dit riviertje eene zand- bank. 4! O.t.z. 3 1987 N.NBOS nii 142 Linker oever eene beek N. 7 Leer 1e 7 Halfweg deze rigting op den linker oever de kampong Amoniapon. Ee D je) SG 679 es em ee mm nd o mnd 5 Kampongs en Soengeis. Aanmerkingen. A Gepeilde rigting. Minuten roeijens. Van het begin dezer rigting tot op eenen af- stand van 300 ellen ee- ne droogte, op welke de 5/ medegedeelde geringe diepte werd gepeild. 14 Le Na 4 minuten de klei- ne kamp. Batoe belian Le aan beide oevers. 4” 5 4 Aan het einde dezer rigting de monding der S. Amoniapon ketjil. | 4 47 Regts en links eenige} Van hieruit gezien lig- huizen. gen de beide heuvels, welke de kloof scheids iathet 20: Or op de L Eng. mijl afstands. Le De rivier loopt verder O.t.N. ___Te Amoniapon, waar ik langs kwam, vond ik tot mijn leed- wezen het kampongshoofd niet te huis, hetgeen ook te Batoe Belian het geval was. Ik twijfelde geenszins of dit was overlegd en door den rijksbestierder bevolen, opdat mij de gelegenheid zoude ontnomen zijn om nadere inlichtingen omtrent de steen- te mogen achterwege laten, wegens het veelzijdig belang, dat deze aan- teekeningen daardoor verkrijgen. Uit het geschrift zelf ook blijkt het on- dubbelzinnig, hoe noodzakelijk het 4s, om van de ligging en de trans- 680 waar de steenkolen aangetroffen worden nog wel herinnerde, miste ik toch gevoelig iemand, die met de omstreken genoeg- zaam bekend was, om mij omtrent de namen van bergen en rivieren, de ligging der kampongs en den loop der vertakkingen van de Soengei Batoe api (fl) de noodige inlichtingen te geven. Voorzeker meende de rijksbestierder door deze handelwijze te beletten, dat ik met zijn land en zijne schatten nader bekend zoude worden; maar hij kon hierdoor niet beletten, dat ik toch mijn plan ten uitvoer bragt, alhoewel in mijne naspo- ringen hierdoor wel bemoeijelijkt wordende. Het water sedert gisteren avond steeds vallende zijnde, wa- ren heden op mijnen togt vele anders verborgen klippen en zandbanken zigtbaar. De menigte aangespoelde boomstammen, die zich in het midden der rivier vastgezet hebben vermeer-_ derden de hinderpalen, reeds door de steenen daargesteld. Wat deze steenen betreft, heb ik heden twee plaatsen op- gemerkt, die voornamelijk voor afkomende praauwen gevaar- lijk zijn, daar deze door den stroom medegesleept , noch zoo gemakkelijk noch zoo spoedig als opvarende kunnen bestuurd worden. De benedenste plaats heet met hare steenen Batoe Bahalang (2). Ofschoon hier nabij den regteroever een goede doorvaart is, maken de meer aan de andere zijde in de rivier gele- 8 gene rotsen deze gevaarlijk, doordat de sterke stroom, hier f nog door eene kronkeling vermeerderd, regt op ze aanloopt, d door ze gebroken wordt en daardoor tegen den regteroever der rivier met geweld stuit. Afkomende praauwen kunnen dus ligtelijk, wanneer de stuurman hier niet op voorbereid is, door den stroom medegesleept en op de rotsen of tegen den oever verbrijzeld worden. De andere door mij als gevaarlijk ll melde plaats, is even beneden Batoe Belian gelegen; hier isk het een groot aantal over de geheele breedte der rivier verspreid liggende kalkrotsen, tusschen welke de hevige stroom even zoo= vele draaikolken alsmede even sterke stroomen in onderschoi aat (1) De naam der rivier is Riam-Kiwa. De naam van Soengei Batoe _ 50 A bt 8 Ki api is aan haar zeer eigendunkelijk door de Europeanen gegeven. (2) Bahalang beteekent in de Bandjarsche taal „ overdwars.” E 681 dene rigtingen doet ontstaan, zoodat de praauwen hier dikwijls naar plaatsen worden medegevoerd, waar ze, geenen doortogt vindende, op de rotsen moeten vergaan. Op beide deze plaat- sen echter bestaan deze steenen niet uit uitgestrekte vaste rots- massa’s, zoodat het opruimen er van en het daarstellen van een geschikt vaarwater niet met te groote moeijelijkheden zal ge- paard gaan. Mogt deze rivier tot een’ geregelden afvoer van - steenkolen bestemd worden, dan zal het volstrekt noodzake- lijk zijn, dat er bepalingen gemaakt worden, die de inlan- | ders bij het aanleggen van ladangs (hooge rijstvelden) aan ha- „re boorden verbieden, om de boomen langs de rivier groeijende zoodanig te kappen, dat zij, in haar vallende, de vaart kun- nen belemmeren , iets waarop thans nog geen acht wordt ge- ‘slagen. Immers voor elke nieuw aangelegde ladang vindt men thans hierdoor in de rivier geheele dammen van boomen ge- vormd, welke voor een deel bij eenen hoogeren waterstand „weder vlot wordende, op andere plaatsen worden nedergelegd 4 of wel zinken, daar de meeste harde houtsoorten, die hier aan- getroffen worden, soortelijk zwaarder dan water zijn, of wel zulks worden na van het water doortrokken te zijn. Alzoo ge- _zonken zijnde geven zij door hunne takken en wortels aanleiding tot nieuwe aanslibbingen van zand en steenen, zoodat het niet zelden voorkomt, dat door deze oorzaak soms een eilandje of uitgestrekte zandbanken gevormd zijn. Het huis te Batoe Belian alzoo verlaten aangetroffen hebben- de, terwijl daarenboven niemand, die met de landstreek be- kend was, zich bij mij voegde, was ik wel genoodzaakt om de wandeling naar den Goenong Garoem en de in diens na- bijheid gevonden wordende steenkolenlagen, alleen te onder- nemen, geleid wordende door hetgeen ik mij van mijne vroe- gere reis daarheen herinnerde. Deze Goenong Garoem ligt ten zuid-oosten van Batoe Belian _enalzoo begaf ik mij in die rigting, gevolgd door mijne Dajahs, _voorzien van de benoodigde gereedschappen tot het verzamelen van steenkolen. In genoemde rigting legde ik 630 Ned. „el langs den linkeroever der rivier af‚ waarna het smalle voetpad zich ten oost-zuidoosten wendde. Nu vertoonde de Goe- _ ie B eed % 682 nong Garoem zich als eene, van n. n. o. naar z. z. w. zich! uitstrekkende lage heuvelrij, geheel met alang-alang begroeid. Duidelijk kan men 6 toppen of liever bergruggen onderscheiden. In het n. n. o. worden deze heuvels door eene diepe kloof van eenen laatsten gescheiden, die iets hooger is, en tot de halve hoogte met boomgewas begroeid is, door welke kloof een zijtak der Soengei Batoe api, Soengei Amoniapon ketjil geheeten, zich kronkelt. Hierdoor laat de geologische gesteld- heid van den Goenong Api tot den heuvelketen Goenong Garoem behoorende, en ook van den afgescheiden hoogeren heuvel, wiens naam mij onbekend is, zich gemakkelijk onderscheiden. Hier is het waar de steenkolenlaag bloot komt. Ten westen van deze heuvelketen ligt eene zacht golvende bij- na effene vlakte uitgespreid, welke zich tot aan de Soengei Batoe api uitstrekt. Zij is geheel met alang-alang begroeid. Evenwel ontdekt men eenig verspreid laag kreupelhout, dat door zijn donker groen loof, het eentoonige licht geel groene alang-_ alang veld aangenaam schakeert en het geheel in een liefelijk oord herschept. Aan de andere (oostelijke) zijde van deze | heuvels bevindt zich eene dergelijke vlakte, die zich in die Ze rigting een vijftal engelsche mijlen ver uitstrekt, en begrensd wordt door eene hooge bergketen Goenong Babaris genaamd, welke in de rigting van n. tot z. loopt; deze bergketen be=_ paalt het prachtige uitzigt, dat men van de toppen der heuvels van den Goenong Garoem geniet. Deze vlakte heet bij de inlanders tanah rata. —_ Op het bovengenoemde smalle pad 180 Ned. ellen afgelegd hebbende, vertoonde zich de middelste heuvel van den Goes nong Garoem in het z. o. t. o.. De meergenoemde kloof lag oostwaarts en de afgescheidene met boomen begroeide heuvel | o. n. o.: daar de rivier hier eene oostelijke rigting aanneem of verliet ik haren oever bij het vervolgen van mijnen weg, die ook bij het naderen der heuvels glooijend werd. Deze weg liep o. z. o. 360 el, daarop z. o. 90 el, en nu had ik den _ top van den Goenong Api tot op %, gedeelte na bereikt, en ging n. 0. tot o. op, regt op de kloof af,‚ die ik, cone steile helling afdalende, na 180 el afgelegden weg bereikte. Ei a. En 685 Bijgaand profiel toont het voorkomen der steenkolen aan (f) jn deze kloof, op de plaats waar ik ze bereikte, aan den regteroever van het riviertje. Daar dit hier juist eene noord- westelijke rigting aanneemt, is de natuurlijke doorsnede der ‘Jagen bijna loodregt op hunne rigting, daar deze zich met eene inklinatie van 50° à 60° naar het n. n. w. uitstrekken. De geologische opmerkingen, tot welke de lagen hier aanleiding kunnen geven, komen geheel overeen met hetgeen bij de steenkolenlagen te Riam, die thans ontgonnen worden, waar- genomen is. Even als daar, zijn zij ook hier in eene zandsteen- formatie ingesloten. De zandsteen is, of wit, of geel, dikwijls kleiachtig en van eenen groven korrel, soms veel ijzeroxyde bevattende. De kleilagen, welke in de meeste gevallen, de steenkolenlagen scheiden, zijn zeer verschillend van kleur, veelal een fijn leiachtig voorkomen aannemende. In deze klei wordt. veel ijzer, soms tot een kongregaat gevormd, waargenomen. Ik hebalzoo 6 verschillende steenkolenlagen kunnen ontdek- ken, wier kolen van eene voortreffelijke hoedanigheid moeten zijn. Een enkele laag kolen is leiachtig: de andere, meestal de agtigste, bestaan uit een zeer vaste schitterend zwarte kool; de rigting van deze is n.n. w. naar z. z. o., en het kan volstrekt niet twijfelachtig zijn of de Goenong Garoemis voor een groot gedeelte uit deze lagen te zamengesteld, en de lagen behooren tot eene vrij oude formatie. Ook is het mij gebleken, dat de kolen van Assahan en van Djoentong identisch met de boven omschrevene zijn, zoodat dit terrein voorzeker niet armer aan deze hooggeschatte brandstof zal wezen dan het bekken van Riam. Zelfs zoude ik geneigd zijn deze plaats ter ontginning boven Riam te verkiezen, daar hier de hoeveelheid voor trans- (1) Op dit profiel stellen de cijfers het volgende voor als: 1. Steenkolen, zijnde er 6 lagen. _ IL. Zandsteen met veel ijzer. MI. Zandsteen met kleilagen en ijzer. MIV. Vaste, geel - bruinachtige kleilagen, die op sommige plaatsen een’ k é kleiachtigen zandsteen vormen en veel ijzer bevatten. SV. Leiachtige met zand vermengde kleilagen. kj, - VI. Leiachtige grijze kleilagen. 684 port geschikte kolen grooter dan elders moet zijn; immers vele lagen te Riam bestaan uit de zoogenaamde „Blatterkohle”’ welke onzuiverder is dan de hier gevondene, daarenboven meer zwavelijzer bevat, en zeer ligt tot gruis wordt, waardoor men ze in het algemeen in het gebruik minder acht. De ligging dezer ter ontginning geschikte kolenlagen, is on- eindig voordeeliger dan die van Riam. Er zijn slechts weinige, en in vergelijking der te verkrijgene voordeelen niets beduiden- de uitgaven, welke op eenige plaatsen noodzakelijk zullen zijn, om een vaarwater daar te stellen, dat ten alle tijde de ge-= schiktheid aanbiedt om de verkregen steenkolen even spoedig als zeker te vervoeren. Verder zal men door het opwerpen van een jaag-of trekpad, waartoe het terrein aan den oever . zich bijzonder goed eigent, dus zonder vele kosten, het opva-_ ren der transportpraauwen kunnen vergemakkelijken en be-_ spoedigen, zullende alsdan van Bandjarmasin naar Batoe Belian — de reis slechts 2 à 2!/, dag behoeven te duren, en stroomaf-_ waarts gaande f à fY, dag. ; Ook voor de gezondheid van het personeel heeft Batoe Beli- an stellig boven Riam veel voor. Hier toch is het land- 8 schap vriendelijk met een ruim uitzigt, niet ingesloten door met bosschen overdekte heuvels, hetgeen eenen vrijen doorvoer van lucht over de alang-alang toelaat. De bosschen zijn hier reeds sedert honderde jaren uitgeroeid en door alang-alang- velden vervangen. De grond heeft dus genoegzaam tijd gehad ú om zich van rottende organische overblijfselen te zuiveren, welker gisting, zooals bij nieuw gekapte bosschen het geval is, tot de vorming van zoovele aan de gezondheid zoo nadeeli= ge gassen aanleiding geeft. De diamantputten, die te Ria Lu en op alle andere plaatsen waar men ze aantreft ook zoo veld oorzaken van ongezondheid zijn, worden in de omstreken van Batoe Belian te vergeefs gezocht. Alle welke redenen er toe bijbrengen, om deze plaats als gezonder dan Riam te be-_ schouwen, iets wat misschien voor een deel reeds praktisch _ kan blijken uit de grootere bevolking, die deze streken bewoont. Alles toch ademt hier leven: de bosschen op eenigen afstand gelegen wemelen van vogels van allerlei aard: op de alang-alang 1 ed ” e ty 685 velden ontmoet men soms troepen hertebeesten van 5— 10 stuks; de rivier levert overvloed van gezonden smakelijken visch op; eindelijk, de grond is voortreffelijk geschikt tot bebouwing en aankweeking van velerhande soorten van vruchtboomen. Hier al- zoo is men in de gelegenheid om zich genoegens te verschaf- fen, die niet anders dan eenen gunstigen invloed op de ge- gezondheid en gemoedsgesteldheid der bewoners dezer streken moeten uitoefenen. Alle deze omstandigheden mist men te _ Riam, waar de natuur het treffendste beeld van eenzaamheid en verlatenheid schijnt daar te stellen. Neemt men alle deze omstandigheden te zamen, voornamelijk ‚de vrij goede kommunikatie tusschen Batoe Belian en Bandjar- masin in het oog houdende, dan zal met mij toegestemd wor- den, dat het van het grootste belang voor het gouvernement js, dat de ontginning van steenkolen van Riam, aan welke plaats zulke bittere herinneringen verbonden zijn, naar Batoe ‚ Belian overgebragt worde. Mogt men hiertoe echter niet on- _ middellijk willen overgaan, dan zoude het niet ondoelmatig _ geacht kunnen worden, om op beide plaatsen te gelijk te ont- ginnen, opdat men de voorspelde voor-en nadeelen. proefon- __dervindelijk leere kennen, waarna alsdan bepaald kunne wor- den, welke plaats te verkiezen is, of welke van beide plaat- sen de meeste voordeelen zal opleveren. Nog dienzelfden avond, na eenen genoegzamen voorraad van steenkolen tot het nemen van proeven verzameld te hebben, keerde ik terug, zakte de rivier Batoe Api tot aan de kampong _ Soengei Raja af, en overnachtte in de woning van den pan- _geran Mouammep, zoo als ik gewoon was, wanneer ik hier moest verblijven. Op den 12den December in den morgenstond van kampong | _Soengei Raja vertrokken, kwam ik tegen fl ure te Martapoera | en des avonds ten 6 ure te Bandjarmasin aan. Het was een Hi zeer regenachtige stormachtige dag, hetgeen de reis minder aangenaam maakte; ook was het water in de rivier zeer ge- _ vallen, zoodat mijne praauw te Mataraman en ook voor de k bazaar te Martapoera in hare vaart op de blinde klippen ge- |: slooten heeft, hetgeen noodlottig had kunnen worden. Geluk- 686 kiger was ik bij het voorbijroeijen der steenen, in de rivier gele- gen tusschen Martapoera en Tambamania. Toen toch had ik het voordeel , om de praauwen van den sulthan, die juist van bo- ven kwam, en wiens roeijers den juisten weg zoo zeker ken- nen, te kunnen volgen. De sulthan heeft toen hij mij herken- de, dadel!jk zijne praauw doen stil houden, en mij allervrien- delijkst toegesproken. Met belangstelling vernam hij naar mijne gezondheid en drukte levendig zijn leedwezen uit over mijn zoo gehaast vertrek naar Bandjarmasin. Zijne geel ge- schilderde praauw was met kleine vlaggen van allerlei kleu- ren als het ware overdekt; voor op stonden verscheidene lans- dragers. De sulthan zelf zat ín het midden der praauw en was op ware sulthanswijze van een aantal overschoone meisjes omgeven. De ontginning der steenkolen van Batoe Belian zal, wanneer daartoe wordt overgegaan, op dezelfde wijze en naar dezelfde regels moeten geschieden, als dit thans op Riam plaats heeft. Im- mers de geologische omstandigheden zijn dezelfde; ook hier worden de kolen in een laag gelegen terrein aangetroffen, en kunnen dus niet door het vervaardigen van gaanderijen alleen worden verkregen. In het hangende der magtigste kolenlaag moet eene put van 50 tot 60 voet diepte worden gegraven, van welke uit eene gaanderij (galerie de traverse) naar het z. 0. moet aangelegd worden, door welke de andere kolenlagen doorsneden zullen worden. De bewerking zal zich alzoo tot 4 elke kolenlaag afzonderlijk verder uitstrekken, zoodanig, dat alle kolenlagen op dezelfde wijze, namelijk volgens de zooge- — naamde „methode des piliers,” ontgonnen zullen worden. Gaat — dit werk eenmaal geregeld en is het behoorlijk ingerigt, dan — zullen de mijnen van Batoe Belian eene bijna onnoemelijke | massa steenkolen kunnen opleveren, die in ruime mate elke _ vraag daarnaar zal kunnen voldoen. Bij mijne terugkomst te Bandjarmasin hield ik mij bezig met — de kwaliteit der medegegebragte steenkolen te onderzoeken. De kool is gitzwart, sterk glinsterende, op de breuk- fijnbla- derig, nemende sommige kleine stukjes bij het verbrijzelen 687 eenen min of meer parallellopipedischen vorm aen. Dat ge- 3 deelte der laag, hetwelk aan de lucht is blootgesteld geweest js grijsachtig-zwart van kleur en mat. De kubieke Ned. el { weegt 1262,62 Ned. pond. In sommige stukken vindt men „zeer. vette harsachtige plekken, die wel iets naar barnsteen j gelijken; ook dit merkt men bij de Riamsche kolen somtijds | op; het gehalte aan zwavelijzer is echter bij deze veel groo- ter dan bij de Batoe- Beliansche. ‚Eene hoeveelheid van 25 Ned. pond in stukjes van 2 kub. ned. duim verdeeld, boven eenig fijn gekapt droog brandend hout opgestapeld, ontvlamde zeer spoedig en brandde levendig | voort met eene vlam van eene roodachtig gele kleur „ eenen grijsachtig gekleurden rook uitstootende. De reuk van dezen rook was teerachtig en branderig en deed geene andere bestanddeelen, dan die welke eene zuivere steen- kool te zamenstellen, onderscheiden; hij deed noch de reuk-, noch de ademhalingsorganen onaangenaam of gevoelig aan. Wanneer een aan de proef onderworpen stukje kool begon te ont- vlammen, scheurde het weldra op onderscheidene plaatsen, zonder tot gruis te geraken, hetgeen oorzaak was, dat de bran- dende stukken een overal gespleten bloemkoolachtig uiterlijk. verkregen. Dit kan de oorzaak zijn, waarom de geheele mas- sa kort na de ontvlamming een weinig opwerkt. Kort voor de ontvlamming neemt men een knetterend geluid waar; veroorzaakt door de zich ontwikkelende waterdampen, waar- | door kleine stukjes met geweld worden afgescheurd. Worden brandende stukjes kool uit de massa verwijderd, dan blijven ze nog geruimen tijd voortbranden, hetwelk een bewijs voor de vetheid dezer kool oplevert. De bovengenoemde hoeveelheid teenkolen brandde ruim 2 uren met vlam, waarop het gloei- jen (ook eene langzame verbranding te noemen) nog eenen ge- ruimen tijd aanhield. oe De terugblijvende asch is zeer fijn, meelachtig, van eene grijs- \ geelachtige, op sommige plaatsen witte kleur. Bij deze proef A. srder er geene steenachtige sintels in waargenomen. 5. Eene andere hoeveelheid steenkool heb ik in eene ijzeren retort aan de drooge destillatie onderworpen. Na 25 mi- Kn A ì 688 nuten, toen de retort rood gloeijend was, ontwikkelden zich 4 witte dampen, te gelijk met eene opmerkelijk groote hoeveel- heid teer. Deze dampen aangestoken zijnde, leverden eene prach-_ | tige gasverlichting op, die 1 uur en 30 minuten-aanhield. De destillatie geeindigd zijnde, liet ik de geheele massa bekoe- len en bevond, dat de overgeblevene koakes op de breuk eene metaalachtige mat zilvere kleur hadden, dat in de best ge- achte gezocht wordt. Zij zijn echter minder poreus dan gewoon- lijk gewenscht wordt. Misschien is de te naauwe ruimte in welke het destillatie-proces heeft plaats gehad, en het vroeger reeds opgemerkte opwerken, hiervan de oorzaak. Ook zijn sommige stukken, als of zij aan de kanten gesmolten zijn ge- weest, aan elkander gebakken, eene eigenschap die de koakes der zoogenaamde „Sinterkohle” kenmerkt, welke koakes echter zeer doelmatig in het gebruik zijn. Het valt alzoo niet te be-_ twijfelen, dat uit de steenkolen van Batoe Belian eene koake, die bij metallurgische processen goede diensten kan bewijzen, Á verkregen kan worden. Voor ik dif berigt eindig, wil ik nog het volgende mededeelen, — hetgeen ik bij de bij mij in dienst zijnde Dajahs opmerkte, toen ik aan het destilleren der steenkolen bezig was. Zij toch waren er ijverig op uit om eenig afvloeijend teer te verzamelen of van mij te verzoeken, en zeiden mij, dat dit eene groote overeenkomst had met eene soort van aardolie, minjak tanah, die in hun land wordt gevonden en die zij gebruiken als medicijn, zoowel in- als uitwendig. Zij verhaalden mij, dat de inwoners van Amontai (waar deze kampong ligt konden zij mij slecht aanduiden) dikwijls met groote hoeveelheden dezer aardolie in kleine tonnen, elk van 2 gantangs inhoud, naar hun land komen, en deze voor fi de gantang verkoopen. Deze olie is ongetwijfeld afkomstig van aldaar gevonden wordende steenkolen, hetzij dat deze lagen in brand staan, als wanneer de olie zich in door die zelfde ontbranding in den grond ontstane gaten kan vergaderen, het- zij dat zij ze aldaar uit steenkolen door destillatie weten te | bereiden. In allen gevalle toont het aanwezen van aardolie — op die plaats waarschijnlijk het niet ver verwijderd zijn van steenkolen aan. Ki NIEUWE BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER ICHTHIJOLOGISCHE FAUNA VAN CERAM. DOOR Dr. P. BLEEK EN. ___In de eerste maanden dezes jaars stelde eene verzameling visschen van Wahaai mij in de gelegenheid, eene eerste bij- ‚drage te geven tot de kennis der vischfauna van Ceram, om- 3 rent welk eiland in dit opzigt nog volstrekte onbekendheid bestond. In mijne Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van de Moluksche eilanden, opgenomen in den derden jaargang van het Natuurkundig tijdschrift voor Nederlandsch Á ndië, deed ik 9L vischsoorten als Ceramsche kennen. Mijn vischsoorten voor mij te verzamelen. De soorten van Ceram, te Wahaai bijeengebragt. zijn 49 in getal en op weinige uit- dere opzigten nog zoo weinig onderzochte eiland. Deze soor- ten zijn: 1, Ambassis interrupta Blkr. 3. Apogon punctulatus Rüpp. 2 Apogon vittiger Benno. = Apo- 4. » __amblyuropterus Blkr. gon melanorbynchos Blkr. 5. Mesoprion Russellii Blkr. = Dia- cope notata CV. mnd _ ‚ Mesoprion marginatus Blkr. Diacope marginata CV. 28 henk ceramensis Blkr. y. » _octolineatus Blkr.= Dia- 29. » janthinopterus Blkr. cope octolineata CV. 30. _» xanthosoma Blkr. 8. Helotes sexlineatus CV. 31. » melanosoma Blkr. 9. Holoeentrum sammara CV. SA p giuris Ham. Buch. 10. Sillago acuta CV. 83. Eleotris ophicephalus K. v. H. 11. Polynemus microstoma Blkr. 8 » melanopterus Blkr. 12. Mulloïdes flavolineatus Blkr. = 35. » melanosoma Blkr. Upeneus flavolineatus CV. 86. Antennarius raninus Cant. „ Scorpaena aplodactylus Blkr. 14. Lobotes erate CV. 98. Dascyllus aruanus CV. 15. Psettus rhombeus CV. 39. Pomacentrus cyanospilos Blkr. 16. Toxotes jaculator CV. 40. Heliases frenatus CV. = Heliases 17. Chorinemus toloo CV. lepisurus CV,? Blkr. 18. Megalaspis Rottleri Blkr. 41. Tautoga melapterus CV. 19. Carangoïdes citula Blkr. 42. Hemiramphus Buffonis CV. 20. » gallichthys Blkr. 43. Pellona Hoevenii Blkr. 21. Caranx ekala CV. 44. Engraulis Grayi Blkr. 22. Trichiurus haumela CV. 45. Chatoessus nasus CV. 23. Equula gomorah CV. 46. Rhombus lentiginosus Richards. . Amphacaathus dorsalis CV. ‚. Mugil ceramensis Blìkr. ‚ Salarias ceramensis Blkr. Van deze 49 soorten kwamen slechts 5 voor in de verzameling, . Syngnathus gastrotaenia Blkr. ‚ Gobius puntang Blkr. . Pseudochromis fuscus M. Trosch. » sumatranus Blkr. ‚ Triacanthus Nieuhofii Blkr. welke ik vroeger van Ceram ontving. Er bevinden zich voorts 8 daaronder niet minder dan 13 soorten, nieuw voor de we- tenschap en welke hier voor het eerst worden beschreven t. w. i Apogon amblyuropterus, Ambassis interrupta, Scorpaena aplo- ® dactylus, Mugil ceramensis, Salarias ceramensis, Gobius jan- thinopterus, Gobius melanosoma, Gobius xanthosoma, Gobius ® ceramensis, Eleotris melanopterus, Eleotris melanosoma, Po- macentrus cyanospilos en Syngnathus gastrotaenia, terwijl nog = meerdere andere soorten nieuw zijn voor de kennis der Morl luksche eilanden en nieuw voor mijne verzameling. Het ge- heel der mij thans van dit eiland bekende species bedraagt thans reeds niet minder dan de 195 hieronder opgenoemde. dd 1. Apogon viftiger Benn.= Apogon melanorhynchos Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. III p. 256. Ee ben 691 2. Apogon punctulatus Rúpp. 3 amblyuropterus Blkr. 4 » __orbicularis K. v. H. Nat. T. N. Ind. III p. 254. 5 » ceramensis Blkr, ibid, III p. 256. 6. » chrysosoma Blkr. ibid. III p. 256. 7 8 Le, Ed „ Ambassis urotaenia Blkr. ibid. III p. 257. rek interrupta Blkr. „ Mesoprion Russellii Blkr. = Diacope notata CV. Verh. Bat. Gen. XXI Percoïd. 10. » margirfatus Blkr. — Diacope marginata CV.? Nat. Ind. III p. 556. 11. » octolineatus Blkr. — Diacope octolineata CV. Verh. Gen. XXII Perc. Rd: » striatus Blkr. ibid. MAS.» madras CV. ibid. ED bottonensis Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 170. 15. Therapon servus CV. Verh. Bat. Gen. XXII Perc. __16. Helotes sexlineatus CV. Nat. T. N. Ind. HI p. 174. 17. Holocentrum sammara CV. ibid. III p. 555. 18. Sphyraena obtusata CV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 19. Sillago acuta CV. ibid. É 20. Polynemus microstoma Blkr. Nat. T. N. Ind. H p. 217. ‚ Upeneus barberinus CV. ibid. II p. 172. » barberinoïdes CV, ibid, III p. 262. ‚ Mulloïdes flavolineatus Blkr, = Upeneus flavolineatus CV ‚ Dactylopterus orientalis CV. Nat. T.:N. Ind. HI p. 264. „ Pteroïs volitans CV. Verh. Bat. Gen. XXII Sclerop. EE, brachypterus CV. Nat. T. N. Ind, II p. 265. » zebra CV. ibid. III p. 265. 29. Scorpaena aplodactylus Blkr. 230.» _ diabolus CV. Nat. T. N. Ind. III p. 266. 31. Apistus fusco-virens Q.G. ibid. III p. 269. B >» dermacanthus Blkr. ibid. III p. 268. 99. » macracanthus Blkr. ibid. III p. 267. 34, Synanceia horrida CV. Verh. Bat. Gen. XXII Sclerop. BS: » brachio CV. ibid. „ Lobotes erate CV, ibid. XXIII Sciaen. „ Lethrinus latifrons Rüpp. Nat. T. N. Ind, II p. 220. s » xanthotaenia Blkr. ibid. IT p. 176. „ Caesio coerulaureus Lac. Verh. Bat. Gen. XXIII Maenoid. ‚ Gerres abbreviatus Blkr. ibid. N, T. N, Ind. IT p. 103. p ‚ Chaetodon virescens CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Chaetod., ‚ Upeneoïdes variegatus CV, Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd, TEN. Bat. he AART Do VAER 692 ‚ Chaetodon baronessa CV. Nat. T. N. Ind. II p. 239. . Platax Blochii CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Chaetod. . Psettus rhombeus CV. ibid. „ Toxotes jaculator CV. ibid. . Chorinemus toloo CV. ibid. XXIV Makreelacht. V. » sancti Petri CV. ibid. ‚ Trachinotus Baillonii CV. ibid. . Trichiurus haumela CV. ibid. ‚ Megalaspis Rottleri Blkr. ibid. ‚ Carangoïdes citula Blkr. ibid. » blepharis Blkr. ibid. » gallichthys Blkr. ibid. „ Caranx ekala CV, ibid. . Equula gomorah CV, ibid. 5) ensifera CV. ibid. . Amphacanthus dorsalis CV. ibid. XXIII Teuth. . Acanthurus triostegus CV. ibid. » melanurus CV. Nat. T. N. Ind. III p. 274. . Keris amboinensis Blkr, ibid. III p. 272. ‚ Mugil ceramensis Blkr. , Petroskirtes rhinorhynchos Blkr. Nat. T. N, Ind. III p. 273. . Salarias ceramensis Blkr. . Gobius phalaena CV. Nat. T. N. Ind. IT p. 244. » intertinctus Richards. ibid. III p. 275. » puntang Blkr. ibid, II p. 486. » janthinopterus Blkr. » giuris Ham, Buch. Verh. Bat. Gen. XXII Gobioid. » xanthosoma Blkr. » melanosoma Blkr. » ceramensis Blkr. ‚ Periophthalmus argentilineatus CV. Nat. T. N, Ind. UI p. 276. . Eleotris ophicephalus K. v. H. Verh. Bat. Gen. XXII Gobioïd, » melanopterus Blkr. » melanosoma Blkr. » muràlis QG. Nat. T. N. Ind. III p. 276. ‚ Antennarius raninus Cant. » hispidus Cant. Nat. T. N. Ind. III p. 280. . Batrachus diemensis Richards, ibid. III p. 168. . Halieutea stellata CV. ibid, IIT p. 279. . Fistularia immaculata Commers. ibid. III p. 281. . Amphiprion bifasciatus Bl. Schn. ibid. III p. 282. > percula CV. ibid, III p. 287. 695 84. Pomacentrus pavo Lacép. ibid. II p. 247. 85. » chrysopoecilus K. v. H. ibid. II p. 284. 86. » taeniometopon Blkr. ibid. III p. 285. 87. » eyanospilos Blkr. 88. Dascyllus niger Blkr. Verh. Bat. Gen. XXI Kamsch. Labr. 89. » aruanus CV. Nat. Tijdschr. N. Ind. IJ p. 247. 90. Heliases frenatus CV,? = Heliases lepisurus CV.? Blkr. 91. Pseudochromis fuscus Mull. Frosch. 92. Tautoga melapterus CV. Verh. Bat. Gen. XXIT Gladsch. Labr. 93. Cheilio hemichrysos CV. Nat. T. N. Ind. II p. 255. 94. Novacula pentadactyla CV. ibid. IT p. 222. 95. » _ julioïdes Blkr. ibid. II p. 254. . Julis (Halichoeres) elegans K. v. H. ibid. III p. 289. AE | » ) interruptus Blkr. ibid. IL p. 252. Bel » ) strigiventer Benn. ibid. II p. 251. ief » ) kalosoma Blkr. ibid. III p. 289. „ Cheilinus ceramensis Blkr. ibid, III p. 290. . Callyodon waigiensis CV. ibid. II p. 256. ‚ Plotosus lineatus CV. Verh. Bat. Gen. XXI Silur. batav. . Hemiramphus Buffonis CV. ‚ Sardinella leiogaster CV. Verh. Bat. Gen. XXIV Haring. ‚ Pellona Hoevenii Blkr. ibid. ‚ Alausa melanurus CV. ibid, . Engraulis Grayi Blkr. ibid. Nat. T. N. Ind. II p. 492. » encrasicholoïdes Bìkr. ibid. ibid. III p. 173. „ Chatoessus nasus CV. ibid. ibid. II p. 223. ‚ Saurus trachinus T. Schl. Nat. T., N. Ind. III p. 294. „ Rhombus sumatranus Blkr. ibid. IT p. 409. V. Bat. G. XXIV Pleur. » lentiginosus Richards. Verh. Bat. Gen. XXIV Pleuron. „ Achirus pavoninus Lacép. ibid. „ Oxybeles Brandesii Blkr. Nat. T. N. Ind. I p. 276. „ Muraena lita Richards. ibid. III p. 294. » Richardsonii Blkr. ibid, III p. 296. » ceramensis Blkr. ibid. III p. 297. » micropterus Blkr. ibid, III p. 298. » variegata Richards. ibid, III p. 295. _ Tetraödon hypselogeneion Blkr. ibid. III p. 300. » kappa Russ. ibid. III p. 301, ‚ Diodon punctatus Cuv. Verh. Bat. Gen. XXIV Blootk. „ Balistes praslinus Lacép. ibid. XXIV Balist. » flavomargiaatus Rüpp. ibid. Nat. T. N. Ind. III p. 303. Alutarius laevis Cuv. ibid. ibid. III p. 304. 694 127. Ostracion cornutus L. Verh. Bat. Gen. XXIV Balist. Ostrac. 128. » tesserula Cant. Nat. T. N. Ind. III p. 305. 129. Syngnathus haematopterus Blkr. ibid. II p. 259. E 150. » gastrotaenia Blkr. 131. Syngnathoïdes Blochii Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. IF p. 259. 132. Hippocampus taeniopterus Blkr. ibid. III p. 306. 183. Pegasus volans L. ibid. III p. 307. 134. Solenostoma paradoxum Lacép. ibid. III p. 309. | 185. Chimaera monstrosa L. ibid. III p. 309. Vergelijkt men deze lijst met die der 153 thans bekende Amboinasche species, voorkomende in mijne Nieuwe Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Amboina, en met de 84 thans van Banda bekende soorten, dan blijkt de vrij groote overeenkomst in de vischfauna dezer drie eilanden, zijnde van de 195 Ceramsche soorten reeds 51 ook, hetzij van Amboina, hetzij van Banda bekend. Deze overeenkomst zal evenwel blijken grooter zijn, wanneer men meer talrijke soor- ten van deze eilanden zal kennen. jun hets MAMA rt al DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE, PERCOIDEL. | Apogon amblyuropterus Blkr. Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus longi- tudine, latitudine 2 ecirciter in ejus altitudine; capite 834 circiter in longi- tudine corporis, longiore quam alto; oculis diametro 3 circiter in longitu- dine capitis; linea rostro-frontali convexiuscula; orbitis ossibusque subor- bitalibus edentulis; maxiilis aequalibus dentibus minimis, maxilla superi- ore sub oculi margine posteriore desinente; praeoperculo rotundato; ossi- bus opercularibus omnibus denticulis nullis conspicuis; squamis lateribus 20 p. m. in serie lorgitudinali, 8 p. m. in serie transversali; linea late- rali singulis squamis tubulis simplicibus notata; dorso subelevato; pinnis dorsalibus et anali altitudine subaequalibus, corpore multo humilioribus, ‚spinosa acuta spina 3° spinis ceteris longiore et crassiore, radiosa et anali __obtusis rotundatis; pectoralibus rotundatis, ventralibus acutis et caudali ob- __tusa convexa 5 circiter in longitudine corporis; colore corpore rubro ca- pite luteo variegato; capite et corpore sparsim fusco arenatis; pinnis dor- ä sali radiosa, pectoralibus, anali caudalique flavis, dorsali et anali vittis 8 longitudinalibus rubris, eaudali fasciis undulatis transversis 3 rubris; ventralibus et dorsali spinosa maxima parte fuscis; iride maculis numero- gis parvis nigricantibus. | TD 1/9 vel 1/10. P: 2/12. V. 1/5. As 2/7 vel 2/8, C. 1 vel 19 et lat. brev. Habit. Wahai, in mari. Longitudo speciminis unici 40///. __Aanm. De kleuren van mijn specimen hebben door den _wijngeest aanmerkelijk geleden, hoezeer die der vinnen nog ‚zeer goed herkenbaar zijn. Het ongetand zijn des praeoper- kels en het bolle der staartvin doen deze species tot Apogon _ punctulatus Rüpp. naderen, maar het operkel mist de groote zwarte vlek en bij Apogon punctulatus ontbreekt de bandtee- pa kening der vinnen, enz. 696 Apogon punctulatus Rupp. Neue Wirb. EF. Abyss. F. R. M. p. 88 tab. 22 fig. 4. Apog. corpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus longti- : tudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite 84 circiter in longi- tudine corporis, longiore quam alto; oculis diametro 8 circiter in longi- tudine capitis; linea rostro-frontali concaviuscula; orbitis ossibusque sub- orbitalibus edentulis; maxillis dentibas minimis, maxilla superiore inferi- ore breviore paulo post oculum desinente; praeoperculo rotundato; ossibus opercularibus omnibus denticulis nullis conspicuis; squamis lateribus 20 p. m. in serie longitudinali, 7 vel 8 in serie transversali; linea laterali simplice?; pinna dorsali spinosa dorsali radiosa paulo humiliore spina 3* spinis ceteris longiore et crassiore, dorsali radiosa et anali altitudine sub- aequalibus, corpore humilioribus, obtusis, rotundatis; pectoralibus rotun- datis 4, ventralibus acutis et caudali obtusa convexa 5 eirciter in longi- tudine corporis; colore corpore viridi fusco arenato; pinnis fuscescentibus, caudali profundiore; operculo macula magna rotunda nigra flavo cineta. BD 71/8 "B. 2/10, WAT TA. 2/8: OE U GLENN Synon. Apogon variegatus Valence. Nouv. Ann. d. Mus. Ip. 55? Apogon auritus CV. Poiss. VII p. 332? Habit. Wahai, in mari. Longitudo speciminis unicì 27'//. Aanm. Mijn specimen, in niet te besten toestand van be- waring, is nog aanmerkelijk kleiner dan het door den heer Rürperu afgebeelde. De zijlijn en de gele operkelstreepjes kan ik er niet waarnemen. De groote zwarte operkelvlek, de ge- daante der vinnen en de getallen der vinstralen doen er ech- ter gemakkelijk Apogon punctulatus Rüpp. in herkennen, niet- tegenstaande het ligchaam ranker is dan dat vàn het Rüppel- sche specimen. ÁÂmbassis onterrupta Blkr. Ambass. eorpore oblongo compresso, altitudine 3 circiter in ejus longi- tudine, latitudine 3 ecirciter in ejus altitudine; capite acuto, a rostro us- que ad apicem operculi 4 circiter in longitudine corporis, aeque alto cir- citer ac longo; linea rostro-dorsali fronte valde concava; oculis diametro 23 ad 28 in longitudine capitis; orbita superne postice spinula postrorsum spectante; maxilla superiore inferiore breviore, sub oculi parte anteriore desinente ; maxillis denticulis conspicuis; osse suborbitali et praeoperculo margine interno dentatis; suboperculo margine glabro; interoperculo mar- gine denticulato; dorso elevato; linea dorsali subangulata linea ventrali 697 eonvexiore; squamis cycloïdeis lateribus 28 p. m. in serie longitudinalis linea laterali sub pinna dorsali radiosa interrupta, singulis squamis tubulo simplice notata; pinnis dorsalibus basi unitis, spinosa radiosa multo al- tiore, spinis validis, spina 2° ceteris longiore 4} ad 44 in longitudine corporis, dorsali radiosa angulata; pinnis pectoralibus acutis ventralibus acutis longioribus et capite vix brevioribus; anali angulata spinis 8 validis, spina 3* ceteris longiore sed spina dorsali 2° multo breviore; caudali profunde incisa lobis acutis 84 ad 83% in longitudine corporis; corpore flavescente-hyalino, fascia cephalo-caudali argentea; pinnis flavis, dorsali spinosa spinam 2” inter et 3" nigricante. B. 6. D. 1 proeumb. +7 — 1/9 vel 7— 1/10. P. 2/18. V. 1/5. A. 3/9 vel 3/10. C. 17/et lat. brev. Synon. Zkan Siriding Mal. Batav. Habit. Wahai, in mari. Batavia, in mari et aquis fluvio-marinis. Longitudo 8 speciminum 90''/ ad 120''/. Aanm. Niettegenstaande deze soort uiterst veel gelijkt op op Ambassts nalua CV., is zij er zeer gemakkelijk van te on- derkennen door hare afgebrokene zijlijn en getand interoper- kel. In het algemeen ook zijn hare rug- en aarsvindoornen betrekkelijk langer dan bij mijne specimina van Ambassis na- lua. Zij komt te Batavia veel minder dikwijls voor dan Am- bassis nalua en is er als zeldzaam te beschouwen. MULLOIDEL. Murroïpes Blkr. Bijdr. t.d. kenn. d. Percoïd. Verh. Batav. Gen. Vol. XXI1. Sectio generis Upenei Cuvieriana dentibus maxillis pluriseria- tis; dentibus vomerinis palatinisque nullis. _Mulloïdes flavolineatus Blkr. Mulloïd. corpore elongato compresso, altitudine 54 circiter in ejus lon- gitudine, latitudine 12 circiter in ejus altitudine; capite 44 circiter in _ Jongitudine corporis; altitudine capitis 12 ecirciter in ejus longitudine; li- nea rostri-frontali declivi convexiuscula; oculis diametro 84 circiter in __Tomgitudine capitis; rostro oculo multo longiore; osse suborbitali angulo oris oculi diametro altiore ; dentibas utraque maxilla pluriseriatis parvis, serie externa serfebus internis majoribus; maxillis aequalibus, superiore TRADE oenlo vix longiore, ante oecnlum desinente; praeoperculo subrectangulo angulo rotundato; operculo spina acuta; cirris inframaxillaribus praeoper- ‘euli limbum posteriorem fere attingentibus; linea lateraii arborescente; squamis lateribus 84 p. m. in serie longitudinali% pinna dorsali spinosa corpore vix humiliore, dorsalí radiosa multo altiore, acuta, spina 1* spi- nis sequentibus longiore; dorsali radiosa et anali altitudine aequalibus, corpore duplo humilioribus, angulatis, vix emarginatis; pectoralibus acu- tiusculis et ventralibus acutis sub basi pectoralium insertis 64 circiter in longitudine corporis; caudali profunde incisa lobis acutissimis, superi- ore longiore 44 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne viridi inferne roseo-argenteo; fascia oculo-caudali lata citrina; vittis ocu- lo-maxillaribus flavis; pinnis viridi-hyalinis immaculatis, caudali favido- viridi. B.4,.D. 71/8 vel. 1/9. PR. 2/15. V.-1/5. Ar? 6 valken G Moret lat. brev. Synon. Bouget à cordon jaune Commers. Lacép. Poiss. III p. 406. Mullus flavolineatus Lacép ibid. Mullus aureo-vittatus Shaw Gen. Zoöl. IV, 2, p. 618. Upeneus flavolineatus CV. Poiss. III p. 336. Rüpp. N. W. E, A. EF. R. M. p. 101 tab. 26 fig. f. Upéneus cordon jaune CV. Poiss. III p. 336. Abu daken Arab. Habit. Wahai, in mari. Longitudo speciminis unici 240''', SCLEROPAREI. Scorpaena aplodactylos Blkr. Scorpaen. corpore oblongo eompresso, altitudine 32 ad 34 in ejus lon-. gitudine, latitudine 12 circiter in ejus altitudine; capite 3 circiter in lon- gitudine corporis; altitudine capitis 12% ad 12 in ejus longitudine; vertice operculisque superne tantum squamosis; linea rostro-frontali declivi rec- tiuscula; oculis diametro 3 ad 84 in longitudine capitis, diametro 4 ad 2 a se invicem distantibus; fovea suboculari nulla; rostro oculo paulo breviore; maxillis subaequalibus, superiore sub oculi limbo posteriore desinente; spinis utroque latere fronte et vertice 7 vel 8, orbita 3, rostro 1, osse suborbitali 2 divergentibus posteriore mediocri, praeoper- culo 5 superiore duplice, operculo 2, osse scapulari 1; fimbriis cutancîs utroque latere ocularibus 3, supraorbitali 1 simplice oculo breviore, mento nullis, suborbitali 1, rostro 2 vel 3, ceteris capite dubiis; linea laterali fimbriis parcis; squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinalis linea ventrali rectiuscula; pinna dorsali spinosa radiosa vix humiliore, Eb 699 spinis 1* et 11* ceteris brevioribus, mediis ceteris longioribus, corpore duplo humilioribus; pinnis pectoralibus rotundatis 4 eirciter, ventralibus __gcutiusculis et caudali truncata 5 circiter in Jlongitudine corporis; anali spina 2° radio 1° paulo breviore; colore corpore dilute fuscescente vel vi- ridi toto fusco profundiore nebulato; pinna dorsali viridi et fusco nebula- ta, fusco parte radiosa fascias 2 longitudinales similante; pectoralibus fla- vis fusco variegatis basi macula magna nigricante; ventralibus maxima parte nigris basi et margine flavescentibus; anali fHavescente fascia lata longitudinali nigra; caudali flavescente fasciis 2 transversis fuscis posteri- ore anteriore muìto latiore. BED. 12/9 vel 12/10." P. 16 (omn. simplic.). V. 1/5. A. 3/5 vel 3/6. C. 12 vel 14 et lat. brev. Habit. Wahai, in mari. Longitudo 3 speciminum 32''’ ad 52/'/, Aanm. Deze soort is verwant aan Scorpaena bandanensis Bikr., Scorpaena polijprion Bìkr. en Scorpaena polijlepis Blkr. De laatstgenoemde onderscheidt er zich van door spitseren en bijkans geheel beschubten kop, talrijker schubben op eene overlangsche rei, gedeeltelijk gesplitste borstvinstralen enz. Bij Scorpaena bandanensis gaat de kop 8! maal in de leng- te des ligchaams en heeft een bol profiel, terwijl de boven- oogkuilsdraad er veel langer is dan het oog en getakt, 92 _schubben op eene overlangsche rei gaan, enz. Bij Scorpaena polijprion eindigt de bovenkaak vóór den achterrand van het oog, heeft de borstvin gedeeltelijk gesplitste stralen en andere _ kleuren. | De overeenkomst van. boven beschrevene soort is nog het ‚grootst met Scorpaena bandanensis. Het onverdeeld zijn van alle borstvinstralen hebben beiden ook met elkander gemeen. MUGILOIDEI. b: Mugil ceramensis Blkr. Mug. corpore oblongo compresso, altitudine 4% ad 44 in ejús longitudi- ne, latitudine 12 circiter in ejus altitudine; capite prismatico, depresso, # acuto, 42 ad 44 in longitudine corporis; latitudine et altitudine capitis 12 ad 1 in ejus longitudine; oculis diametro 84 eirciter in longitudine ca- 700 pitis, 14 eireiter in capitis parte postoculari, 1 ad 14ea se invicem dis- tantibus; membrana palpebrali iridem non tegente; linea rostro-dorsali ca- pite declivi recta; rostro acuto depresso oculo multo breviore; naribus anterioribus rotundis, posterioribus oblongis majoribus; osse suborbitali parum emarginato apice truncato toto dentato dentibns valde conspicuis; osse supramaxillari ore clauso non conspicuo; labio superiore membrana- ceo non papillato; denticulis maxillis conspicuis; maxilla superiore deor- sum valde protractili;, maxilla inferiore symphysi emarginata tuberculo conico; dentibus palatinis in thurmas oblongo-rotundatas collocatis; lin- gua peripheria thurmis denticulorum parvis obsita; impressione praevo- merina nulis; praeoperculo acutangulo angulo rotundato, margine poste- riore obliquo vix emarginato; squamis lateribus 29 p. m. in serie longi- tudinali, parte basali striis 6 ad 12; axillis squamis elongatis nullis; pin- nis dorsalibus minus longitudine pinnarum pectoralium a-se invicem dis- ‚tantibus, spinosa radiosa altiore corpore multo humiliore, spinis valde crassis 1* ceteris longiore; dorsali radiosa acuta non emarginata squamosa; pinnis pectoralibus acutis capite absque rostro paulo brevioribus; ventra- libus acutis pectoralibus paulo brevioribus; anali longe ante dorsalem ra- diosam incipiente, acuta, non emarginata, squamosa, dorsali radiosa ma- jore; caudali emarginata angulis acuta 4 et paulo ad 44 in longitudine corporis; colore ecorpore superne viridi inferne argenteo; pinnis virides- centibus vel flavescentibus, dorsali radiosa, anali caudalique fusco arena- tis. B. 6. D. 4— 1/8 vel 1/9. P. 2/12. V. 1/5. A. 3/9 vol 9/10. CM et lat. brev. Habit. Wahai, in mari. Longitudo 3 speciminum 87''/ ad 100''/. Aanm. De thans reeds vrij talrijke soorten van Mugil mijner verzameling, alle van den Indischen Archipel , hebben mij doen beproeven, kenmerken bij ze te vinden, volgens welke ze zich in weinige woorden van elkander laten onderkennen. Hoe- zeer zulks voor de in mijn bezit zijnde soorten vrij gemakke- lijk is geweest, blijft de moeijelijkheid bestaan, ze daarnaar met de beschrijvingen in de groote Histoire naturelle des poissons te vergelijken. De boven beschrevene soort behoort tot eene groep van Mugil, bij welke de rugvinnen met minder dan de lengte der borstvinnen van elkander verwijderd zijn en het achteroogkuilsgedeelte van den kop minder dan dubbel zoo jang is als hef oog. Tot deze groep behooren ook Men nd Ed ke 701 Mugil parsia Hamilt. Buch.? (Blkr.), Mugil ecunnesius GV. Mugil javanteus Bkr. en Mugil macrolepis Bìkr.. Mugil par- sia Ham. Buch.? (Blkr.) en Mugil cunnesius CV. hebben een’ konveksen kop, de borstvinnen langer dan den kop zonder den snuit, van 35 tot 45 schubben op eene overlangsche rei, enz. Bij Mugil macrolepis Blkr is de kop bijkans even hoog als lang en gaat de hoogte des ligchaams nog geen Á maal in zijne lengte. Bij Mugil javanicus Blkr. is de achterrand der iris door een ooglidvlies bedekt, gaat de kop 5 tot 5, maal in het ligchaam, is de doornachtige rugvin lager of naauwe- lijks even hoog als de straalachtige, gaan ongeveer 92 schub- ben op eene overlangsche rei enz. Van de beschrijvingen in de groote Histoire naturelle des Poissons en elders is er geene, welke genoegzaam op de bovenstaande past om er de soort toe terug te brengen. BLENNIOÏDEL Salarias ceramensis Blkr. Salar, corpore oblongo compresso, altitudine 4 et panlo ad 44 in ejus longitndine, latitudine 18 ad 2 in ejus altitudine; capite truncato 5 ad 54 in longitudine corporis, vix longiore qnam alto; fronte subrectangula ro- tundata; rostro non ante frontem prominente; oculis diametro 24 ad 3 in „Jongitudine capitis; occipite orbitague utroque latere tentaculo fimbriato oculo breviore; tentaculo nasali brevi simplice; maxillis dentibus caninis nullis; cute laevi; linea laterali ante apicem pectoralium desinente; pinna dorsali integra partem spinosam inter et radiosam non emarginata, parte radiosa parte spinosa altiore sed corpore humiliore, rotundata, obtusa, cum basi caudalis unita; pectoralibus obtusis rotundatis 5 circiter, ventralibus 64 circiter, caudali convexa 44 circiter in longitudine corporis; anali postice dorsali radiosa humiliore non cum caudali unita, radiis anticis productis; colore corpore pinnisque fusco vel fuscescente-viridi; corpore punctis nigricantibus et coeruleis, dorsali marginem versus punctis nigri- eantibus; caudali pectoralibusque radiis punctis fuscis variegatis. MS D-29rvel-30 PBP. 15. V. 2. A. 18. C. 18. Habit. Wahai, in mari. Longitudo 4 speciminum 38''’ ad 75'//, Aanm. Deze soort behoort tof de groep met onverdeelde hk 702 rugvin en is na verwant aan Salarias fuscus Rüpp (N. Wirb. F. Ab. F. R. M. p. 135 tab. 92 fig. 2) doch ranker van lig- chaam. Salarias fuscus mist bovendien de neusdraden, heeft het voorhoofd sterker uitpuilende, eenigzins andere getallen der vinstralen enz. GOBIOÏIDEL Gobius janthinopterus. Blkr. Gob. corpore elongato compresso, altitudine 6 circiter in ejus longitudine, latitudine 14 circiter in ejus altitudine; capite obtuso convexo 44 circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 13, latitudine 12 in ejus longitu- dine; oculis diametro 82 circiter in longitudine capitis, valde approxima- tis, in anteriore dimidio capitis sitis; vertice, operculis genisque superne squamosis; rostro obtuso convexo oculo breviore; rictu obliguo sub oculi margine anteriore desinente; maxilla inferiore paulo prominente; dentibus maxillis pluriseriatis, serie externa majoribus, maxilla inferiore caninis 2 parvis curvatis; sulco oeulo-operculari valde conspicuo; squamis magnis, lateribus 28 p. m. in serie longitudinalis; appendice anali oblonga; pinnis dorsalibus altitudine subaequalibus, spinosa spinis 4 anticis apice filifor- mibus, radiosa angulata, corpore paulo humiliore; pectoralibus radiis ‘a- piee filiformibus et ventralibus 5% circiter, caudali obtusa rotundata 44 circiter in longitudine corporis; anali angulata dorsali radiosa vix altiore; colore corpore superne fuscescente-viridi, inferne viridi; dorso lateribus- gue maculis magnis fuscis diffusis in series 2 vel 3 longitudinales dispo- sitis; pinnis violaceis, dorsalibus analique guttis nigris parcis. B. 4 D. 6— 1/10, P. 16. V. 1/5. A. 1/8 vel. 1/9. .C.026 (lat. brev. inclus.). Habit. Wahai, in mari. î Longitudo speciminis unici 82///, Aanm. Deze soort heeft in vormen, organisatie en kleurteeke- ning het meest van Gobius caninoïdes Blkr., doch onderscheidt zich er van door langere borst-, buik- en staartvinnen, grootere zwarte vinvlekjes, 2 stralen minder in de aarsvin, doch voor-_ al door de slankheid en buigzaamheid van den eersten straal der 2de rugvin, welke bij Gobius caninoïdes een sterke doorn is, welk karakter in mijne beschrijving van laatstgenoemde soort (Natuurk. Tijdschr. N. Ind, 1852 p. 274) niet is uitgedrukt. er al iS _ - - == Val al 705 De kleur der vinnen en het geringe aantal aarsvinstralen laten _ Gobius janthinopterus gemakkelijk van andere verwante soor- ten onderkennen. Gobius melanosoma Blkr. Gob. corpore oblongo compresso, altitudine 4 circiter in ejus longitudi- ne, latitudine 14 circiter in ejus altitndine; capite obtuso convexo 4 cir- citer in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter, latitudine Ln circiter in ejus longitudine; oculis diametro 84 circiter in longitudine ca- pitis, diametro 1 circiter a se invicem distantibus, maxima parte in an- teriore dimidio corporis sitis; capite nuchaque alepidotis; rostro obtuso Reo oculo breviore; maxilla superiore maxilla inferiore paulo brevi- ore, sub oculi parte anteriore desinente; rictu valde obliquo, leviter cur- vato; dentibus maxillis pluriseriatis, serie externa serie interna majoribus, "maxilla inferiore caninis 2 magnis symphysi approximatis; sulco oculo- operculari nuilo conspicuo; appendice anali conica acuta; squamis lateri- bus 22 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsalibus approximatis, spi- _mosa rotundata radiosa humiliore, radiosa corpore humiliore obtusa; pec- “toralibus obtusis rotundatis 4 fere, ventralibus 7 circiter, caudali obtusa rotundata 44 circiter in longitudine corporis; anali obtusa dorsali radiosa vix humiliore; colore corpore pinnisque nigro. ENG — 1/10. vel 1/11 P.22, Vo 1/5: A. 1/10, C. 20! Habit. Wahai, in mari. __Longitudo speciminis unici 26’. _ ___Aanm. Deze soort is zoo nà verwant aan Gobius zanthosoma, __dat ik haar. bij een oppervlakkig onderzoek slechts hield voor R eene zwarte verscheidenheid daarvan. Evenwel is zij er soor- k telijk van onderscheiden, niet alleen door de donker zwarte _kleur van ligchaam en vinnen, maar ook door 3 stralen meer ' in de borstvin en f in de aarsvin, terwijl de borstvinnen be- 8 trekkelijk grooter zijn, de kop betrekkelijk korter is enz. „®. Gobius vanthosoma Blkr. Gob. corpore oblongo compresso, altitudine 4 circiter in ejus longitu= dine, latitudine 14 circiter in ejus altitudine; capite obtuso convexo, 38 circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter, latitudine HL 53 704 13 circiter in ejus longitudine; ‘oculis diametro 4 circiter in longitudine capitis, minus diametro 1 approximatis, maxima parte in anteriore di- midio capitis sitis; capite nuchaque alepidotis; rostro obtuso convexo oculo breviore; maxilla superiore imferiore paulo breviore, sub oculi , parte anteriore desinente; rictu valde obliquo, leviter curvato;s dentibus maxillis pluriseriatis, serie externa serie interna majoribus, maxilla infe- riore caninis 2 magnis symphysi approximatis; sulco oculo-operculari nul- lo conspicuo; appendice anali conica; squamis lateribus 22 p. m. in se- rie longitudinalis pinnis dorsalibus approximatis, spinosa radiosa humi- liore spina nulla producta; dorsali radiosa obtusa corpore humiliore; ed pectoralibus obtusis rotundatis 5 fere, ventralibus 7 circiter, caudali ob- tusa convexa 4} circiter in longitudine corporis; anali obtusa corpore raulto humiliore; colore corpore pinnisque pulchre flavo, pinna dorsali spinosa tantum fusco. B4. D..6—1/10 vel 1/11. B: 10, Val/5. A ZOON ’ Habit. Wahai, in mari. Longitudo speciminis uuici 21’. Aanm. Gobius mvanthosoma is gemakkelijk van alle beken- de soorten van Gobius te onderkennen, door stompen kop en vinnen, fraai gele kleur van ligchaam en vinnen, door de betrekkelijk groote hondstanden nabij de sijmphijsis der onder- kaak, onbeschubten kop en nek, groote zijschubben enz. Gobius ceramensis Blkr. Gob. corpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus longitu- dine, latitudine 2% ad 24 in ejus altitudine; capite obtuso convexo 44 ad 41 in longitudine corporis, aeque alto ac longo, duplo circiter altiore quam Jato; oculis diametro 4 circiter in longitudine capitis, minus diametro 1 a se invicem distantibus, in anteriore dimidio capitis sitis; linea rostro-frontali fronte convexa, rostro concaviuscula; rostro oculo bfeviore; rictu parum obliquos maxillis aequalibus superiore sub oculi parte anteriore desinente; dentibus maxillis minimis (uniseriatis?), maxilla inferiore caninis 2 vel 4 magnis symphysi approximatis; suleo oeulo-operculari nullo conspicuo; ap- pendice anali conica; squamis corpore inconspicuis; pinnis dorsalibus ap- proximatis, altitudine subaequalibus; corpore multo humilioribus, obtusis; pectoralibus obtusis rotundatis 4 et paulo, ventralibus 8 circiter, caudali obtusa rotundata 5 cireiter in longitudine corporis; colore eorpore pinnis-_ que nigro. B. 4, D. 6—1/10 vel 1/11. P. 17. V. 1/5. A. 1/9 vel 1/10, C. 26. 705 Habit. Wahai, in mari. Longitudo 4 speciminum 20’ ad 35//’. Aanm. Deze soort behoort tot de groep van Gobius qwn- questrigatus CV., Gobius corijphaenula CV. en Gobius erúthro- phaios Blkr. dat is, tot die soorten van Gobius, welke een’ stompen kop en stompe staartvin en hondstanden in de onder- kaak met onzigtbare schubben vereenigen. Zij verschilt echter van die beide soorten door haar zwart ligchaam en vinnen, __door minder bol voorhoofd, eenigzins holle snuitlijn enz. SC Kleotris melanosoma Blkr. Eleotr. corpore elongato, antice eylindraceo postice compresso, altitu- dine 7 ad 6 in ejus longitudine; capite acutiusculo depresso, 4 circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 24 ad 13, latitudine 12 ad 12 in ejus longitudine; linea rostro-frontali supra oculos concaviuscula; ocu- lis diametro 44 ad 53 in longitudine capitis, diametro 1 ad 12 a se invi- cem distantibus; orbitis glabris; rostro acutiusculo oculo breviore; maxilla ‚ superiore inferiore breviore gub medio oculo desinente; rictu obliquo; dentibus maxillis pluriseriatis serie externa seriebus internis majoribus, caninis nullis; vertice, fronte operculisque squamosis squamis squamis la- teralibus minoribus rostrum inter et pinnam dorsalem 1" 40 p. m. in se- rie longitudinalis; genis rostroque alepidotis; praeoperculo rotundato spi- na deorsum antrorsum spectante; squamis lateribus 52 p. m. in serie longitudinalis; appendice anali oblonga; pinna dorsali 1* obtusa corpore minus duplo humiliore spinis flexilibus 3* et 4° ceteris longioribus; dorsali 2* analique obtusis angulatis dorsali 1* altioribus corpore humilioribus; pectoralibus basi squamosis rotundatis 44 ad 43, ventralibus anum attin- gentibus 6 et paulo, caudali obtusa rotundata 5 circiter in longitudine _ corporis; colore corpore superne níigricante-viridi inferne dilutiore; pinnis \__violaceo-nigris nigro varicgatis. B B. 6. D. 6—1/8 vel 1/9. P. 18. V. 1/5. A. 1/8 vel 1/9. C. 38 (lat. brev. inclus.) __ Habit. Wahai; Sumatra occidentalis, in mari. Longitudo 4 speciminum 60''/ ad 108///. | _Aanm. Deze soort staat in verwantschap nabij Eleotris nè- ‚gra QG. doch is ranker van ligchaam, lager van kop, heeft __ minder schubben op eene overlangsche rei, grootere borstvin- _ nen, digter bijeenstaande oogen enz. 706 Eleotris melanopterus Blkr. Eleotr. corpore elongato antice eylindraceo postice compresso, altitudine 62 circiter in ejus longitudine; capite acuto, pyramidali, quadrilatero, 34 circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 24 circiter, latitudine 2 circiter in ejus longitudine; vertice depresso; linea rostro-frontali concava; capite rostro, fronte, vertice, genis operculisque squamato, squamis squa- mis lateralibus multo minoribus; sulco oeculo-operculari valde conspicuo; oculis diametro 6 fere in longitudine capitis, maxima parte in anteriore dimidio capitis sitis, diametro 1 et paulo a se invicem distantibus; orbi- tis glabris; rostro acuto oculo duplo circiter longiore, antice glabro; maxilla superiore inferiore breviore sub oculi limbo anteriore desinente; dentibus maxillis pluriseriatis valde conspicuis serie externa conicis ma- joribus, caninis nullis; rictu obliquo; praeoperculo rotundato spina nulla; squamis lateribus 309 p. m. in serie longitudinalis appendice anali ob- longa obtusa; pinna dorsali spinosa dorsali radiosa et corpore humiliore, spinis 2° et 3* ceteris longioribus; dorsali radiosa et anali corpore vix humilioribus postice angulatis; pectoralibus rotundatis 53 eirciter, -ven- tralibus acutis 74 circiter, caudali obtusa convexa 44 circiter in longi- tudine corporis; eolore corpore fuscescente-nigro; finna dorsali spino- sa nigra antice macula rubra; peectoralibus fuscescentibus basi macula nigra rubro variegata; dorsali radiosa, ventralibus, anali et caudali viola- ceo-nigris, rufo variegatis, rubro marginatis, radiis nigro maculatis; rufo 1 pinna dorsali radiosa pinnaque caudali angulum superiorem versus prae- valente. B. 5. D. 6—1/8 vel 1/9. P. 2/19. V. 1/5. A. 1/8 vel.1/9:,G. 18 vel 15=et lat. brev. ’ Habit. Wakhai, in mari. Bulucomba et Kema, Celebes insulae, in mari. Longitudo 4 speciminum 1381//. Aanm. Mijne verzameling bevat meerdere soorten van Zleo- tris, welke groote overeenkomst met de boven beschrevene heb- ben, zooals Eleofris humeralis CV., Eleotris melanostigma Blkr. Eleotris prismatica Bìkr., Eleotris Wolffü Bìkr., maar zij ver- schillen allen reeds daardoor zeer duidelijk er van, dat hare tanden veel kleiner en van gelijke grootte zijn. Bij Aleotris melanopterus zijn de tanden der buitenste rei in beide kaken aanmerkelijk grooter dan die der binnenste reijen. Zij laat zich overigens nog door meerdere andere kenmerken van de- ze en de overige bekende soorten van Zleotris onderscheiden. 707 PEDICULATT. Antennarius raninus Gant. Cat. Mal. Fish. p. 202. Antenn. corpore ovali compresso, altitudine 24 circiter in ejus longitu- dine, latitudine 3 circiter in ejus altitudine; oculis diametro 4 circiter in longitudine maxillae superioris; rictu subverticali postrorsum desinen- te; dentibus maxillis acutis conicis mediocribus, maxilla superiore antice bi- vel triseriatis postice uniseriatis, maxilla inferiore antice triseriatis postice biseriatis; dentibus vomero-palatinis acutis mediocribus in thur- mas 4 oblongas collocatis, thurmis spatio glabro a se invicem remotis; apertura branchiali rotunda oculi diametro majore; cute anacantha squa- mis minimis vix conspicuis; fimbriis angulo oris, rostro, ventre dor- soque parcis conspieuis; radio rostro libero gracillimo brevissimo; pinna dorsali spinosa spinis fimbriatis, spina 1, libera, acutiuscula, oblique antrorsum fexili, ante oculum inserta, spina 2* spina l* minus duplo longiore, acutiuscula, maxilla superiore paulo breviore, membrana gla- bra; dorsali radiesa analique altitudine aequalibus, corpore duplo circiter humilioribus, obtusis, dorsali anali plus duplo longiore; ventralibus di- < gitatis 44 circiter, caudali irregulariter convexa 4 circiter in longitudine corporis; colore corpore pinnisque pulchre flavo; capite, corpore pinnis- que fasciis irregularibus nigris; fasciis capite utriusque lateris rostro ver- ticeque unitis; fascia oculo-pectorali valde irregularis; fascia dorso-anali valde obliqua; fascia irregulari dorsali ad basin pinnae dorsalis radiosae; pinna dorsali radiosa faciis obliquis p. m. 5, anali fasciis obliquis 2, caudali fasciis transversis 4; capite corporeque insuper guttulis sparsis albis. B. 6. D. 2—13 (3 post. fiss.). P. 10 (simpl.). V. 5 (simpl.). A. 8 (6 post. fiss.). C. 9 (7 inter. fiss.). Synon. Klein Miss. III tab. 3 fig. 4? Lophius raninus Tiles. Act. nat. Moscov. XI tab. 16? Lophius histrio marmoratus Bl. Schn. Syst. posth. p. 142? Chironectes marmoratus Cuv. Less. Voy. Coquill. Zoöl. II p. 145 Poiss. tab.+16 fig. 2. CV, Poiss,, XII’ p. 299, T‚. Schi Fäun. jap. Poiss. p. 159 tab. 81 fig. 1. Chironectes marbré Cuv. Less. CV. ibid. Chironectes raninus Rich. Ichth. Chin. Jap. 15!* Meet. Brit. As- soc. 1845 p. 203. Cada paudom Incol. Mahé. dlanaoogose Japonens. Hab. Wahai, in mari. Longitndo speciminis unici 55'//, 708 Aanm. Ik houd deze soort voor dezelfdg als Cheronec- tes marmoratus Cuv. Less., afgebeeld in de reis der Coquille Zoöl. IL p. 145 Poiss. tab. 16 fig. 2), beantwoordende zij na- genoeg geheel aan deze afbeelding. De getallen der vinstra- len zijn daar echter eenigzins anders opgegeven, en wel als Dp. 10. P. 12. V. 5. A. 7. C. 10., welke formule vrij-aanmer- kelijk van die van mijn specimen afwijkt, ef welligt berust op minder naauwkeurige waarneming, zijnde ook de rugvinstra- len op de aangehaalde afbeelding alle gesplitst afgebeeld. De afbeelding der Fauna japonica past ingelijks vrij wel op. mijn specimen en vertoont de volgende getallen der- vinstralen. D. 212 P. 9. V. 5. A. 7. C. 9., welke formule die van mijn specimen nader bij komt dan die van Lesson. De formule van den heer Canror is D. 9—12. P. 10. V. 5. A. 7. C. 9. PSEUDOCHROMIDES. Pseudochromis fuscus M. Frosch. Hor. ichthyol. Hft. III 1849 p. 23 tab. 4. f. 2.- ze Pseudochr. corpore oblongo compresso, altitudine 4 circiter in ejus Jongitudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite- 4 circiter in longitudine corporis, longiore quam alto; linea rostro-frontalisdeclivi rec- ta; oculis diametro 3 et paulo in longitudine capitis; rostro acuto oculo multo breviore; maxilla superiore maxilla inferiore breviore sub _oculi parte anteriore descendente; maxillis dentibus pluriseriatis antice caninis 4 magnis curvatis, maxilla inferiore serie externalaterali dentibus aliquot ceteris paulo majoribus; dentibus vomere-palatinis parvis in vittam for- mam ferri equini referentem dispositiss vertice genisque squamosis; prae- eperculo rotundato;s squamis lateribus 35 p. m. in serie longitudinalis linea laterali tubulis simplicibus notata, sub pinnae dorsalis parte posteriore interrupta; pinna dorsali supra basin pectoralium incipiente, parte spino- sa parte radiosa multo humiliore, spina postica spina 1*et 2 longiore, parte radiosa obtusa rotundata ecorpore duplo cireiter humiliore; pectora- libus rotundatis 6 in longitudine corporis; ventralibus acutis pectoralibus paulo longioribus; anali dorsali vix humiliore postice angulata, spina postica spina 1, et 2, et spina dorsali postica longiore; caudali convexa te 2 Eset RS 5 in longitudine corporis; ecolore corpore pinnisque pectoralibus, ventra- — bus caudalique fusco, pinnis dorsali analique nigro. kj ERS ET 709 ' B; 6: D3 + 14 vel 15 simpl. + 12 vel 11 fiss. P. 2/16, V. 1/5. A. Ä 34 Hspl + 14 fiss. C., 16 et lat. brev. Habit. SWahsi, in mari, \ ongie speciminis unici 67///, Aanmie Mijn eenig specimen dezer soort is van bijkans de- toptto als de boven aangehaalde afbeelding, welke vrij Î urig is doch den kop wat te hoog en te bol vertoont. | Îé tot nog toe slechts van Celebes bekend. “BA ABROÏDEI CTENOIDEL Pomacentrus cyanospilos Bikr. Ae Pomac: corpore oblongo compresso, altitudine 23 circiter in ejus lon- gitudistege Tatitudine 21 circiter in ejus altitudine; capite obtuso 88 ad 4 fere ing longitudine corporis, paulo altiore quam longo;s linea rosto-dor- sali vertièe convexa rostro declivi rectiuscula; oculis diametro 24 ad 22 in tongigadine capitis; rostro oculo breviore; osse suborbitali angulo oris ú oculi diametro multo humiliore, non emarginato, edentulo; praeoperculo | morenen angulo rotundato, miargine posteriore dentibus parvis; oper- culo Selis 2 planis vix conspicuis; squamis lateribus 23 p. m. in serie ‘ longivadipalis pinnis dorsali et anali postice rotundatis, dorsali spinis pos- Re ticis sin is ceteris longioribus, membrana inter singulas spinas emargina- Bia lobät ; pinnis DE rotundatis 5 eireiter, ventralibus acutis ra- dio 1epgoducto 4 circiter, caudali emar ginata lobis rotundatis 4 ad 44 in Jongitidfpe corporis; colore corpore pinnisque fuscescente, pinnis dorsali E radiosa-analique profundiore; squamis capite totoque corpore singulis gut- ta vel guttula pulchre coerulea; capite pinnisque vittis nullis; macula _opereulari, peectorali vel anali nulla. B. 5. D. 12/15 vel 12/16. P. 2/17. V. 1/5. A. 2/18 vel 2/14. C, 15 vel 17 et lat. brev. Habit. Wahai, in mari. Longitudo 9 speciminum 30/'' ad 46''/, \ Aanm. Onder de talrijke soorten van Pomacentrus zijn er meerdere, welke zoodanig op elkander gelijken, dat de soortelij- ke onderscheiding moeijelijk wordt. De onderwerpelijke soort is van de aan haar verwante, zooals Pomacentrus prosopotae- _ mioides Blkr., Pomacentrus taeniometopon Blkr., Pomacentrus 710 emarginatus CV. te onderkennen door lage en ongetande en niet uitgerande onderoogkuilsbeenderen, het aantal rugdoornen, de afwezigheid van bandjes op kop en vinnen, de afwezigheid van donkere operkel-, borstvin-, staart- en aarsvlek enz. Heliases frenatus GV. Poiss. V p. 878? a Helias. corpore oblongo compresso, alfitudine 3 circiter in ejus longitu- dine, latitudine 23 circiter in ejus altitudine; capite 44 ad 42 in longitu- dine corporis, paulo altiore quam longo; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis; linea rostro-dorsali vertice convexa, rostro rectiuscu- la; osse suborbitali oculi diametro plus duplo humiliore; maxillis subae- qualibus superiore sub oculi parte anteriore desinente; dentibus maxillis seriebus internis tactu magis quam visu conspicuis, seriebus maxilla in- feriore maxilla superiore latioribus; dentibus serie externa conicis, maxil- Ja superiore latioribus; dentibus serie externa conicis, maxilla superiore p. m. 50 anticis lateralibus majoribus, maxilla inferiore p. m. 36 anticis lateralibus et supramaxillaribus majoribus obtusis; praeoperculo margine posteriore leviter emarginato, angulo rotandato; squamis lateribus 26 p. m. in serie longitudinali sub anteriore dimidio pinnae dorsalis radiosae interrupta; pinnis dorsali et anali radiosis rotundatis; dorsali spinosa ra- diosa humiliore spinis 2%, 3* et 4* ceterislongioribus; peetoralibus acutius- eulis 54 circiter, ventralibus acutis C& circiter, caudali profunde incisa lo- bis acutis filigeris vel subfiligeris 24 ad 82 in longitudine corporis; anali spina 2* spina 1* plus duplo longiore sed radio le multo breviore; appen- dice anali oblonga conica; colore corpore superne viridi inferne margari- taceo; squamis capite dorsoque singulis basi macula nitente viridi; vitta rostro-oculari coerulea; pinnis dorsali et caudali violascentibus, caudalí ee, EE eh A er ad an margine superiore et inferiore coerulea; pinnis ceteris viridibus; pectora- — libus basi superne macula parva coerulea. B:5. D.-12/10: vel 12/1l:rBiu2Zl6 vel 2/17. Ve TAS AEON CD C. 15 et lat. brev. Synon. Meliase bridé CV. Poiss. V p. 373? Glyphisodon bandanensis Blkr. Nat. T. Ned. Ind. II p. 248. Heliases lepisurus Blkr. Ichth. Sumbaw. Journ. Ind. Arch. 1848 (an et CVP). Ikan Gemutu Mal. Batav. Hab. Wahai, Banda Neira, Lernate, Sumbawa, Batavia, in mari. Longitudo 14 speciminum 82/'’ ad 115//!, Aanm. Ik geloof dat bovenbeschrevene specimina behooren $ u, 711 “tot Heliases frenatus CV. van Guam, welker, trouwens zeer korte, beschrijving in de groote Histoire naturelle des Poissons er zeer goed op past, met uitzondering slechts van het aantal rugdoornen, het welk er als Î9 is opgegeven, doch welk verschil van een’ enkelen doorn bij dezelfde soorten van Kam- schubbige Labroïden meermalen voorkomt. In mijne Bijdra- ge tot de kennis der ichthijlogische fauna van Banda heb ik deze soort te onregte als eene nieuwe van Glijphisodon opge- bragt. De binnenste tandreijen zijn echter moeijelijk waar te nemen en slechts door het gevoel bemerkbaar. Een paar grootere en versche exemplaren, te Batavia gevangen en de eenige welke ik er tot nog toe gezien heb, hebben mij in de gele- „genheid gesteld eene meer naauwkeurige beschrijving te geven en ook de versche kleuren aan te teekenen. De vergelijking van talrijke specimina van verschillende grootte heeft mij doen ontwaren, dat de soort, welke ik ín vroegere bijdragen als Heliases lepisurus CV. heb beschouwd, niet soortelijk van Be- liases frenatus CV. zooals deze soort hier beschreven is, ver- schilt. Zijn welligt Heltases frenatus GV. en Meliases lepisurus CV. insgelijks identisch? ESOCGES. | Memiramphus Buffonis GV. Poiss. XIX p. 36. Hemir. eorpore elongato compresso, altitudine 114 ad 11 in ejus longi- pe tudine, latitudine 14 circiter in ejus altitudine; capite 2% ad 24, rostro Ra circiter in longitudine corporis; maxilla superiore latiore quam longa, 5 ad 6 in longitudine maxillae inferioris; membrana inframaxillari humi- ‚ki rotundata; oèulis diametro 13 in capitis parte postoculari, diametro 1 ad 1 et paulo a se invicem distantibus; vertice plano; dentibus maxillis _ parvis aequalibus; squamis subeirculariter striatis, lateribus 40 p. m. in serie longitudinali; linea laterali ventrali conspicua basi pinnae caudalis desinente; pinna dorsali radio le ante pinnam analem inserta, corpore multo humiliore, obtusa, non emarginata; pinnis peetoralibus acutis capi- _ tis parte postoculari multo longioribus; ventralibus acutiusculis antice in 5 5% sexta corporis parte sìtis, capitis parte postoculari brevioribus; anali … eorpore humiliore, multo altiore quam longa, acute rotundata; caudali UL 5A Det - „ integra truncata angulo superiore rotundata, 8 ad 9 in longitudine totius corporis; colore corpore superne viridi inferne argenteo; vitta cephalo-cau= dali gracili argentea; pinnis viridescentibus, dorsali flavo marginata. B. 11. D. 10 ad 12. P. 1/9. V. 1/5. A. 2/9 vel: 2/17 (radiis posten membranaceis heteromorphis). Habit. Wahai, Ceram septentrionalis et Koba, Bankae insulae prope aren. Gussong Assam, in mari. Longitudo 4 speciminum 115''f ad 175. Aanm. Bij het grootste mijner voorwerpen zijn de rugvin- stralen het talrijkste en de aarsvinstralen het minst talrijk en de achterste vliesvormig veranderd. De soort is na verwant aan Memiramphus borneënsis Blkr. doch verschilt daarvan, be- halve door andere getallen der vinstralen, door kortere bo- venkaak, welke bij Memiramphus borneënsis dubbel zoo lang is als breed, enz. _CLUPEOÏDEL E Pellona Hoevendi Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Haring. Var prik. Pellon. corpore oblongo compresso, altitudine 8# ad 3% in ejus longi- À tudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite triangulari 4 ad 44 _ in longitudine corporis, longiore quam alto; linea rostro-frontali declivi recta; oculis diametro 22 circiter in longitudine capitis; rostro oculo bre- \ viore; ore antico; maxilla superiore sub medio oculo desinente, tota lon- gitudine denticulata; maxilla inferiore medioecriter adscendente, ante maxil- # lam superiorem prominente; dentibus maxillaribus omnibus, lingualibus, palatinis et pterygoïdeis bene conspicuis; ossibus intermaxillaribus osse supramaxillari accessorio denticulato articulatis; praeoperculo rotändato; lineis dorsali et ventrali regulariter convexis, convexitate aequalibus; ven” tre cultrato-spinis 27 serrato; squamis transversim vel non striatis, late= ribus 40 p. m. in serie longitudinali; axillis inguinibusque squamis elon-_ gatis; pinnis, dorsali tota ante pinnam analem sita, acuta, non emargina- ta, corpore minus duplo humiliore; pectoralibus 14 in longitudine capitis ventrales non attingentibus; ventralibus pectoralibus duplo brevioribus la- teraliter insertis sed lineam ventralem maxima parte superantibus; anali humili longitudine 4 ad 43 in longitudine corporis; caudali lobis acutis 4 5 et paulo in longitudine corporis; colore corpore superne plumbeo-griseo — 718 ìnferne argenteo; pinnis flaveseentibus vel hyalinis; doreali antice et cau- _ dali postice fusco arenatis. DEE 18. P. 18. V. 7.A. 37. 'C. 19 et lat. brev. Synon. JZkan Bulan bulan’ et Ikan Mata besar Mal. Batav. Habit. Wahai, Batavia, in mari. Longitudo 18 speciminum 70’! ad 165'//. Aanm. Deze soort staat in verwantschap tusschen Pellona ditchela GV. en Pellona Dussumierit CV. en het naaste bij deze laatste soort, van welke zij zich echter genoegzaam onderscheidt door regelmatige en even bolle rug- en buiklijn, kortere aars- vin enz. Haar merkwaardigste kenmerk bestaat echter in het geheel getand zijn der bovenkaak en doordien zich tusschen het eigenlijk bovenkaaksbeen en tusschenkaaksbeen een afzon- derlijk been bevindt, hetwelk de beide anderen vereenigt en getand is. Bij de overige mij bekende soorten van Pellona heeft de vereeniging tusschen de bovenkaaks -en tusschenkaaks- beenderen plaats door een bandachtig weefsel en is de boven- ‚ kaak ter dier plaatse tandeloos. SYNGNATHOIDEL. Syngnathus gastrotaenia Blkr. Syngnath. corpore valde elongato antice heptagono postice tetragono, ie — 3 altitudine 28 ad 20 in ejus longitudine, junioribus paulo acetate provecti- Zig gaito altiore AR tp: oe 9 ad 8 in longitudine SODA: _oeulos coneava; rostro oculo Rie heei oder ee triplo cir- seiter longiore quam alto, compresso, rugoso; ore dentibus inconspieuis; s vertice plano cristis 3 longitudinalibus denticulis minimis junioribus lente tr meo absque capite plus en longiore; pinna dorsali post anum scu- à caudali 2° incipiente, rostro longiore, corpore humiliore; pectoralibus 1 votundatis; auali minima; caudali flabelliformijs colore corpore fusces- gente-viridi, ventre vittis 14 p. m. transversis flavis, vittis nigris alter- 714 nantìbus; rostro nigro punctulato; pinnis dorsali, pectorali analique viri- dibus, dorsali radiis fusco variegatis; caudali nigra rubro marginata. Dr. BP. 164 ACB: vel 4: U. 1D. Habit. Wahai, in mari. Longitudo 5 speciminum 102''’ ad 125/'/, Aanm. Deze soort is gemakkelijk herkenbaar aan hare ge- le en zwarte dwarsche buikbanden, achterwaartsche plaatsing der rugvin enz. Scripsi Batavia Calendis Septembris mpeeeLn. NIEUWE BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER ICHTHYOLOGISCHE FAUNA VAN HET EILAND BAN K A. DOOR Dr. P, BLEEKER. __Na het afdrukken van mijne Bijdrage tot de kennis der ich- \ thyologische fauna van het eiland Banka, opgenomen in den derden jaargang van het Natuurkundig tijdschrift voor Neder- Jandsch Indië, ontving ik weder meerdere verzamelingen van __Bankasche vischen. Deze nieuwe verzamelingen heb ik groo- tendeels weder te danken aan de bereidwilligheid van den heer D. F. Scnaar, resident van Banka, die volijverig voor de wetenschap, niet nalaat de natuurschatten van Banka te _ Onderzoeken en door belangrijke toezendingen van voorwerpen __ uit het dieren- en plantenrijk, de kennis van de natuurlijke en industriele rijkdommen van het onder zijn beheer geplaatste | gewest te bevorderen. Aan de bemiddeling van den heer Scraar _heb ik voorts nog te danken eenige visschen, uit de zoete wa- _ teren der rivier Marawang, door den heer Bernarp, officier | 4 van gezondheid op Banka, op mijne uitnoodiging verzameld. A alde he enge PAN ELRO PE EPT 4 bale Ent Wied 5 716 Bovendien werd ik onlangs nog verrast met eene verzameling visschen uit de zoete wateren van Toboali, mij welwillend afge- staan door den heer H. L. van Brormen WAANDERS, administra- teur der tinmijnen van genoemd distrikt. Het is mij eene aangename taak, hier openlijk voor on heeren mijne erkentelijkheid te betuigen voor de-welwillend- heid, ín het daarstellen en toezenden dezer verzamelingen be- toond. Behalve eenige nieuwe soorten, bevatten de bedoelde kollek- ties nog talrijke andere species, nieuw voor de fauna van Banka. De verzamelingen, tot welke deze kleine bijdrage betrek- king heeft, zijn afkomstig van de klippen Karang hadji bij Muntok, van de banken Goessong Assam en van Tandjong Berikat bij Koba, van de Klabatbaai, van Pankalpinang, van Marawang, van Soengislan en van de Lepar-eilanden, welke ten oosten van Banka zijn gelegen en in een geographisch opzigt tot Banka gerekend kunnen worden even als zij zulks zijn in een administratief opzigt. Ik laat de opsomming dezer ver- schillende verzamelingen hier volgen. De soorten met een * gemerkt, zijn reeds in mijne vroegere bijdrage vermeld, de overige zijn nieuw voor de kennis van Banka. Visschen van Karang had:i (verzameling van den heer D. F. Scnaap). 1. _Labrax waigiensis CV. 12. * Diagramma crassispinum Rüpp. 2. * Apogon quadrifasciatus CV, 18. * » punctatum Ehr, 9. * Serranus crapao CV, 14. Seolopsides Vosmeri CV. 4. _Mesoprion unimaculatus QG. 15. * Lethrinus opercularis CV. 5. » monostigma CV! 16. * Gerres abbreviatus Blkr. Ge » Russellii Blkr. 17. * Chaetodon oligacanthus Blkr. eAfdd fulviflamma Blkr. 18. * Drepane punctata CV.=Dre- 8. * phaiotaenia Blkr. pane longimana CV. 9. * » annularis Blkr. 19. * Platax Blochii CV. 10. * Upeneoïdes bivittatus Blkr. 20, Pimelepterus altipinnis CV. 1. * » variegatus Blkr. 117 21. * Chorinemus Commersonianus 28. Gobius cyanomos Blkr. | CV. 29. Periophthalmus chrysospilos Bl, 22. Selar Hasseltii Blkr. 90. _Echeneis-neucrates L, 23. Carangoïdes gallichthys Blkr. 31. Batrachus grunniens CV. 24. * Stromateoïdes atoukoia Blkr. 82. Hemiramphus Quoyi CV. 25. Egquula filigera CV. 93. _Dussumieria elopsoïdes Blkr. 26. _Amphacanthus javus CV. 34. _Pellona Russellii Blkr. 27. » virgatus CV. 35. Spratella kowala Blkr. Visschen van de Klabatbaaïi (van den heer D. F. Scraap). 1. Pentapus setosus CV. 2. Dentex upeneoïdes Blkr. Visschen van Pankalpinang (van den heer D. F. Scnaar). 1. * Sphyraena jello CV. 11. * Plotosus unicolor CV. 2. _Otolithus macrophthalmus Blkr. 12. * Engraulis Grayi Blkr. 3. * Scatophagus argus CV. 13. Chatoessus nasus CV. A. * Drepane punctata CV, 14. Ophisurus Schaapiì Blkr. 5. _Chorinemus sancti Petri CV. 15. Triacanthus Russellii Blkr. 6, Selar Kuhlii Blkr. 16, * Carcharias (Prionodon) meni- __ 7. * Equula gomorah CV. sorrah. Val. __8. * Mugil cunnesius GV. 17. Trygon uarnakoïdes Blkr. __9. * Bagrus sondaicus OV. _ 10. * Osteogeneiosus Valenciennesii Blkr. Visschen van Marawang (van den heer Bernano). \ 1. Serranus boenack CV. 6. _Batrachus grunniens CV. R2. * » crapao CV. 7. _Pomacentrus katunko CV. KS. »- __ pelypodophilus Blkr. 8. Plotosus castaneoïdes Blkr, _ 4, * Scorpaena polyprion Blkr. 9. * Plagusia quadrilineata K, v. H. 5. * Chelmon rostratus CV. 10. Machaerium reticulatum Bikr. Visschen van de banken Goessongassam bij Koba (van den heer D. F. Scnaap). met. + Apogon endekataenia Blkr., 9. _Therapon servus CV. 2. Mesoprion madras CV. 4, * Sillago acuta CV. 118 5. * Upeneoïdes variegatus Blkr. 17, 6. * Diagramma punctatum Ehr. 18. 7. * Dentex tolu CV. 19. 8 Gerres kapas Blkr. 20. 9. * Chaetodon oligacanthus Blkr. 21. 10. _Toxotes jaculator CV, 22. 11. Carangoïdes praeustus Blkr. 28. 12. Equula filigera CV. 24, 13. _Amphacanthus dorsalis CV. 25. 14. * Mugil melanochir K. v. H. | 26. 15. Petroskirtes bankanensis Blkr. 27. 16, _Batrachus diemensis Richards. 28. Amphisile scutata Cuv. Pomacentrus taeniops CV ? * Glyphisodon bengalensis CV. Crenilabrus oligacanthus Blkr. Hemiramphus Quoyi CV. » Buffonis CV. * Saurida tombil CV. _ * Rhombus lentiginosus Richards. Monacanthus Cantoris Blkr. Pogonognathus barbatus Blkr. Triacanthus oxycephalus Blkr. Hippocampus taeniopterus Blkr. Visschen van Tandjong Berikat bij Koba (van den heer D. F. Scraap).. 1. * Ambassis urotaenia Blkr. 9; 2. _Serranus celebicus Blkr. 10. 3. * Mesoprion phaiotaenia Blkr. dd 4. » fulviflamma Blkr —= 12. Diacope fulviflamma CV. 18. 5. _Seolopsidestaeniopterus K, v. H. 14. 6. _Pentapus setosus CV. 7. Dentex tambulus CV. 16. 8. Gerres kapas Blkr. Psettus rhombeus CV. Equula filigera CV. * Mugil parsia Ham. Buch. ? Hemiramphus Commersonii CV Exocoetus mento CV. * Saurus trachinus T. Schl. 15. * Saurida tombil CV. Tetraödon argenteus Lacép. Zoetwater-Visschen van Toboali (van den heer H. L. van Broemen WAANDERS) 1. __Anabas scandens CV. 9. 2 Trichopus trichopterus CV. 10. 3. * Betta anabatoïdes Blkr. ik 4. * Ophicephalus marginatus CV. 5 5. » 6. » marulioïdes Blkr. 13. 7, * Nandus nebulosus Blkr. 14. 8 Catopra Grootii Blkr. 15. bankanensis Blkr. 12. * Bagrus nemurus CV. Clarias melanosoma Blkr. Heterobranchus tapeinopterus Blkr. Barbus bilitonensis Blkr. Systomus apogon CV. Rohita Waandersii Blkr. Leuciscus Einthovenii Blkr. 4 Visschen van de Lepar-eilanden (van den heer D. EF. Scnaxp). j Nn Ei Aas Apogon novemfasciatus CV. Sj » macropteroïdes Bike: 14, Therapon servus CV. Sillago maculata QG. ï 719 5. * Upencoïdes variegatus Blkr. 10. Julis (Halichoeres) polyophthal- 6. * Chelmon rostratus CV. mus Blkr. 7. _ Amphiprion percula CV. 11. » _(__» _) leparensis Blkr. 8. _Julis (Halichoeres) modestus 12. Machaerium reticulatum Blkr. Elkr. 9. » (__» _}) strigiventer Benn. In de bovenaangehaalde bijdrage vermeldde ik nog slechts 116 ä species, als het geheel der tegenwoordige kennis van de Ban- kasche vischfauna vertegenwoordigende. ‚Door de boven vermelde verzamelingen wordt het aantal be- kende visschen van Banka gebragt op niet minder dan 1938, bevattende zij niet minder dan 77 species nieuw voor de fau- na van Banka, waarvan Íf tevens nieuw voor de wetenschap. Deze 193 soorten zijn de hieronder genoemde. ’ | . Labrax waigiensis CV. Nat. T. Ned. Ind. II p. 479. . Apogon endekataenia Blkr. ibid. III p. 448. » kalosoma Blkr. ibid. III p. 449. » novemfasciatus CV. ibid, III p. 163. macropteroïdes Blkr. » quadrifasciatus CV. Verh. Bat. Gen. XXII Perc. . Ambassis nalua CV. ibid. » urotaenia Blkr. Nat. T. N. Ind. III p. 257. . Serranus crapao CV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. » nebulosus OCV. ibid. polypodophilus Blkr. ibid. 12. » boenack ibid. Es NA y Jed jh mk OO ied 13. » celebicus Blkr. Nat. T. N. Ind. HH p. 217. 14. Mesoprion phaiotaenia Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Percoid. 15. » annularis CV. ibid. 16. » Russellii Blkr. ibid. 17. » unimaculatus QG. ibid. 18. » monostigma CV. ibid. 9. » fulviflamma Blkr. Nat. T, N. Ind. III p. 555. 20. > madras CV. Verh. Bat. Gen. XXII Percoïd. 21. Therapon servus CV. ibid, 22. » theraps CV. ibid. 28 » puta CV. ibid. 24. Sphyraena jello CV. ibid. 120 , Sillago acuta CV. ibid. » _ maculata QG. ibid. . Polynemus tetradactylus CV. ibid. . Upeneoïdes vittatus Blkr. ibid. » bivittatus Blkr. ibid. » variegatus Blkr. ibid. ‚ Platycephalus scaber CV. ibid. XXII Seclerop. » punctatus CV. Nat. T. N. Ind. I p. 25. ‚ Scorpaena polyprion Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Sclerop. „ Pteroïs kodipungi Blkr. Nat. Tijdschr. N. Ind. III p. 450. „ Minous monodactylus CV. Verh. Bat. Gen. XXII Sclerop. „‚ Otolithus argenteus K,v.H. ibid. XXIII Sciaen. » macrophthalmus Blkr. ibid. ‚ Corvina catalea CV, ibid. . PriStipoma caripa CV. ibid. Ô Diagramma crassispinum Rúpp. ibid. » punctatum Ehr. ibid, . Scolopsides monogramma K. v. H. ibid. » __ Vosmeri CV. ibid. » taeniopterus K. v. H. ibid. » leucotaenia Blkr. Nat. T. N. Ind. III. p. 451. . Pentapus setosus CV. Nat. T. N. Ind. II p. 175. . Dentex tolu CV. Verh, Bat. Gen. XXIII Spar. » upeneoïdes Blkr. » tambulus CV. Verh. Bat” Gen. XXIII Spar. . Lethrinus opercularis CV. ibid. . Gerres poetie CV, ibid Maenoid. » abbreviatus Blkr. ibid. Nat. T. N. Ind. I p. 108. » kapas Blkr. Nat. T. N. Ind. H p. 432. . Anabas scandens CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Doolh. K. . Betta anabatoïdes Blkr. Nat. T. N. Ind. Í p. 269. » trifasciata Blkr. ibid. T p. 107. \ Trichopus trichopterus CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Doolh. K. ‚ Ophicephalus lucius K. v. H. ibid. » striatus Bl, ibid. » marginatus CV. ibid. » bankanensis Blkr. > marulioïdes Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 424. ‚ Chaetodon oligacanthus Blkr. Verh. Bat. Gen. XXII Chaetod. ‚ Chelmon rostratus CV. ibid. . Scatophagus argus CV. ibid. ‚ Drepane punctalg CV. ibid. ‚ Holacanthus semicirculatus CV. Nat. T. N. Ind. III p. 452. ‚ Platax Blochii CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Chaetod. . Pimelepterus altipinnis CV. ‚ Psettus rhombeus CV. Verh. Bat. Gen. XXIII Chaetod. ‚ Toxotes jaculator CV. ibid. ‚ Scomber kanagurta CV. ibid. XXIV Makr. . Cybium Croockewitii Blkr. ibid. Nat. T. N. Ind. I p. í61. » konam Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Makr.Nat. T. N. Ind. 1 p. 957. » guttatum CV. Verh. B. Gen. XXIV Makr. „‚ Chorinemus Commersonianus CV. ibid, » tol CV. ibid. » sancti Petri CV. ibid. ‚ Trachinotus mookalee CV. ibid. ‚ Trichiurus savala CV. ibid, . Elacate mottah CV. ibid. ‚ Megalaspis Rottleri CV. ibid. ‚ Selar malam Blkr, ibid. Nat. T. N. Ind. I p. 562. » _ Hasseltii Blkr. ibid. ibid. p. 359. » _Kuhlii Blkr. ibid. ibid. p. 360. _ „ Carangoïdes citula Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Makr. » gallichthys Blkr. ibid. » praeustus Blkr. ibid, Nat. T. N. Ind. I p. 363. . Gnathanodon speciosus Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Makr. ‚ Stromateoides atoukoia Blkr. ibid. Nat. T. N. Ind. 1 p. 369. . Equula gomorah CV. Verh. Bat. Gen. XXIV Makr. » lineolata CV, ibid. >» filigera CV. ibid. . Amphacanthus Kopsii Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 483. » javus CV. Yerh. Bat. Gen. XXIII Teuthid. » virgatus CV. ibid.” D) dorsalis CV. ibid. ‚ Atherina duodecimalis CV? Nat. T. N. Ind. II p. 485. . Mugil eunnesius CV. ibid. HI p. 454. » _ melanochir K. v. H. ibid, III p. 423. » _parsia Ham. Buch. ? ibid. II p. 166. ‚ Petroskirtes bankanensis Blkr. . Gobius kokius CV.sVerh. Bat. Gen. XXII Gobioïd. » caninus CV. ibid. » eriniger CV. Nat. T., N. Ind. HI p. 453. » eyanomos Blkr. Verh. Bat, Gen. XXIT Gobioïid, „ Periophthalmus chrysospilos Bikr. „ Callionymus sagitta Pall. Nat. T. Ned. I p. 31. » Schaapii Blkr. ibid. HI p. 455. BENE EE ee 122 . Echeneis neucrates L. Verh. Bat. Gen. XXIV Chiroc. Lutod. ‚ Batrachus grunniens CV. Nat. T., N. Ind. II p. 484. » diemensis Richards. ibid. III p. 168. . Amphisile scutata Cuv. ibid. II p. 245. . Nandus nebulosus CV. ibid. III p. 92. . Catopra fasciata Blkr, ibid. II p. 65, » Grootii Blkr. ibid. III p. 90. . Amphiprion bifasciatus Bl. Schn. ibid. III p. 282. » percula CV. ibid. III p. 287. . Pomacentrus katunko Blkr. ibid. III p. 169. » taeniops CV? . Glijphisodon bengalensis CV. Verh. Bat. Gen. XXI Kamsch. Labr. . Crenilabrus oligacanthus Blkr. Nat. T. N. Ind. III p. 68. „ Julis (Halichoeres) modestus Blkr. Verh. Bat. G. XXII Gladsch. Labr. sek » ) strigiventer Benn. Nat. T. N. Ind. II p. 251. A » ) polyophthalmus Blkr. mik » ) leparensis Blkr. . Bagrus nemurus CV. Verh. Bat. Gen. XXI Silur. batav. » __sondaicus CV. ibid. . Arius tonggol Blkr. ibid. x __macruropterygius Blkr. ibid. . Osteogeneiosus Valenciennesii Blkr. ibid. „ Plotosus castaneoïdes Blkr. Nat. T. Ned. Ind. II p. 491. . Clarias melanosoma Blkr. ibid. III p. 427. ‚ Heterobranchus tapeinopterus Blkr. . Chaca bankanensis Blkr. Nat. T. N. Ind. III p. 455. . Plotosus lineatus CV. Verh. B. Gen. XXI Silur. batav. » unicolor CV. ibid. ‚ Rohita Waandersii Blkr. . Barbus lateristriga CV. Nat. T. N. Ind. III p. 95. » _ bilitonensis Blkr. ibid. HI p. 96. » _ binotatus K. CV. ‚ Systomus apogon CV. Nat. T. N. Ind. III p. 428. . Leuciscus cephalotaenia Blkr. N, T. N. Ind. III p. 97. » Einthovenii Blkr. ibid. III p. 434. ‚ Belone caudimacula Cuv. Verh. Bat. Gen. XXIV Snoek. . Hemiramphus Commersonii CV. ibid. » Gaimardi CV. ibid. ' » Dussumieriì CV. ibid. » Quoyi CV. Nat. T. N. Ind. II p. 494. » Buffonis CV. ibid. III p. 7íf. . Exocoetus mento CV. Verh. Bat. Gen. XXIV Snoek. V. . Chiroeentrus dorab CV. ibid. XXIV Chiroc. 153. 154. 155. 156. 157. 158. 159. 160. 161. 162. 163. 164. 165. 166. 167. 168. 169. 170. 47. 172. 173. 174. 175. 176. 177. 178. 179. 180. 181. 182. 183. 184. 185. 186. 187. 188. 189. 190. 191. ‚ 192. 193. Albula bananus CV. ibid. Dussumieria elopsoïdes Blkr. ibid. Harengula dispilonotus Blkr. Nat. T. Ned, Ind. HI p. 456. Pellona Grayana CV. Verh. Bat. Gen. XXIV Haring. » _‘Russellii Blkr. ibid. Nat. T. N. Ind, III p. 72. Rogenia argyrotaenia Blkr. ibid. Nat. T. N. Ind, HI. 457. Spratella kowala Blkr. ibid. ibid. III p. 492. Alausa kanagurta Blkr. Verh. B. Gen. XXIV Har. » ctenolepis Blkr. ibid, Nat. T. N. Ind. III p. 74. Engraulis rhinorhynchos Blkr. ibid. ibid. III p. 494. » Grayi Blkr. ibid. ibid. II p. 492. » Browniì CV. Verh. B. Gen. XXIV Har. » trì Blkr. ibid. Nat. T. N. Ind, III p. 436. » setirostris CV. Verh. B. Gen. XXIV Haring. Chatoessus chacunda CV. ibid. » selangkat Blkr. ibid. Nat. T. N. Ind, III p. 458. » nasus CV. ibid. Nat, T. N. Ind. II p. 223. Saurus ophiodon Cuv. Verh. Bat. Gen. XXIV Chiroc. » trachinus T. Schl. Nat. T. N. Ind. III p. 2941. Saurida tombil CV. Verh. Bat. Gen. XXIV Chir. Hippoglossus erumei Cuv. ibid. XXIV Pleuron. Rhombus lentiginosus Richards. ibid. Achirus pavoninus Lacép ibid. : Plagusia quadrilineata K. v. H. ibid. Nat. T. N, Ind. I p. 412. » javanica K. v. H. ibid. ibid. Ll p. 414. Machaerium reticulatum Blkr. Ophisurus Schaapii Blkr. Monopterus javanensis Lacép. Verh. Bat. Gen. XXV Muraen. Symbr. Tetraödon oblongus Bl. ibid, XXIV Blootk. V, » lunaris CV. ibid, » argenteus Lacép. Monacanthus Cantoris Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Balist. Nat. T. N. Ind. III p. 80. Pogonognathus barbatus Blkr. Verh. B. Gen. XXIV Balist. Triacanthus Nieuhofii Blkr. ibid. Nat. T. N. Ind. III p. 459. » oxycephalus Blkr. ibid, ibid. IL p. 496. » Russellii Blkr. verh. B. Gen. XXIV Balist. Hippocampus taeniopterus Blkr. Nat, T. N. Ind. HI p. 306. Carcharias (Prionodon) menisorrah CV. Verh. Dat. Gen. XXIV Pla- giost. » (Scoliodon) acutus Rüpp. MH. ibid. Trygon zugei Bürg. ibid » uarnakoïdes Blkr. ibid. ha be, akad 7 19 d à RU rs ë ier N En vi En Ab ‘ Fer AN hadi 4 Ti en, Je DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE, PERCOIDEI. Apogon macropteroïdes Blkr. Äpog. corpore oblongo compresso, altitudine 84 circiter in ejus longitudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite 834 circiter in longitudine corporis, vix longiore quam alto; oculis diametro 3 circiter in longitudine capitis, a linea rostro-frontali paulo remotis; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; orbitis et osse suborbitali edentulis; rostro oculo multo bre- viore ; maxillis dentibus parvis serie externa seriebus internis paulo ma- joribus curvatis; maxilla superiore inferiore paulo breviore sub medio oculo desinente; praeoperculo angulato angulo rotundato, margine interno rect- anguio edentulo, margine externo angulo inferneque praesertim denticu- lato ; ossibus opercularibus ceteris edentulis; lineis dorsali et ventrali con- vexis; squamis lateribus 23 p. m. in serie longitudinali; linea laterali rectius- eula leviter arborescente ; pinna dorsali spinosa dorsali radiosa multo hu- miliore, acuta, spinis gracilibus 2° ceteris longiore, 1* 2e duplo fere bre- viore; dorsali radiosa corpore multo humiliore, acuta, angulata; pectorali- bus obtusiusculis analem attingentibus 44 circiter, ventralibus acutis 62 eirciter in longitudine corporis; spina ventrali ante pinnam pectoralem in- serta; anali longa, acuta, corpore minus duplo humiliore, emarginata; caudali emarginata lobis? (partim abruptis); colore corpore flavo-auran- tiacos vittis corpore rubris transversis leviter obliquis curvatis gracilibus p. m. 23; capite corporeque punctis et punctulis nigris vel fuscis arenato, punetis genis operculisque majoribus, punctulis cauda confertissimis macu- lam diffusam magnam similantibus;s pinnis omnibus pulchre roseo-rubris; iride tota flava. B. 1. D. 6 —1/9 vel 1/10. P+ 2/il. V. 1/oo A. Mi Tewel S/ie: Os 1e et lat. brev. Habit. Insul. Lepar, in mari. Longitudo speciminis unici 74///, Aanm. Deze soort is zeer na verwant aan Apogon macrop- terus Kav. H. Im habitus hebben beide soorten veel van el- kander, doch bij Apogon maeropterus is het ligchaam doorschij- © 725 nend geelachtig en ontbreken de roode dwarsche strepen des ligchaams, terwijl de staart er slechts eene kleine zwarte vlek heeft. SPAROIDEL. Dentex upeneoïdes Blkr. Dent. corpore oblongo compresso, altitudine 44 fere in ejus longitudine, latitudine. 2 circiter in ejus altitudine; capite convexo obtuso, mulloideo, 4 et paulo in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus longitudine; oeculis diametro 3 in longitudine capitis; linea rostro-frontali convexa; rostro convexo oeulo non vel vix breviore; osse suborbitali pos- tice oblique obtuse rotundato, altitudine 14 circiter in oculi diametro; maxillis aequalibus, superiore sub oculi margine anteriore desinente; den- tibus maxillis plurisegtatis, serie externa conicis majoribus, maxilla supe- riore caninis 6 conicis brevibus, maxilla inferiore caninis nullis; praeoper- eulo squamis in series 3 dispositis; squamis ciliatis, lateribus 50 p. m. in serie longitudinali; pinna dorsali spinis gracilibus, flexilibus, mediis cete- ris longioribus, corpore duplo circiter humilioribus, membrana inter singu- las spinas leviter emarginata, parte radiosa parte spinosa humiliore postice acuta; pectoralibus acutis 54, ventralibus acutis 6 fere, caudali profunde incisa lobis acutis superiore longiore 44 ad 44 in longitudine corporis; anali dorsali humiliore postice acuta; colore corpore roseo inferne nitido argenteo intermixto; pinnis roseis, dorsali radiosa vitta longitudinali flava „margini superiori approximata; iride rubra. x BNG: 10/9 vel 10/10. P. 2/14. V. 1/5. A. 3/1 vel 3/8. Co A7 et lat. brev. Habit. Banka, in Sinu Klabat dicto. _Longitudo speciminis unici 143”. Aanm. Deze soort is na verwant aan Dentex Peronii CV. doch bij deze is het ligchaam minder slank, het profiel spitser, zijn de schubben talrijker (meer dan 60 op eene overlangsche rei), de staartvinkwabben spitser enz. Dente marginatus CV. moet evenzoo na aan bovenbeschrevene soort verwant zijn doch heeft 8 kleine hondstanden en de staartvin zwart gerand. Mijne soort _ heeft in habitus veel van een Upenoïdes, aan welke overeen- komst ik den soortnaam heb ontléend. 796 OPHICEPHALOÏDEL. Ophucephalus bankanensis Blkr. Ophiceph. corpore elongato antice cylindrico postice compresso, altitu- dine 8 et paulo in ejus longitudine; capite acuto conico-subpyramidali, 4 circiter in longitudine corporis; latitudine et altitudine ecapitis 2 circiter in ejus longitudine; linea rostro-frontali declivi rectiuseula; fronte et ver- tice planiusculis; oculis diametro 54 circiter in longitudine capitis, dia- metro 1% circiter a se invicem distantibus; maxilla inferiore maxilla supe- riore paulo longiore, antice dentibus pluriseriatis parvis, lateribus biseria- tis serie interna majoribus caninoïdeis 8 vel 4; maxilla superiore sub ocu- li parte posteriore desinente, 22 in longitudine capitis, dentibus pluriseri- atis parvis, caninoïdeis nullis; dentibus palatinis et vomerinis uniseriatis caninoïdeis; squamis cycloïdeis, lateribus 60 p. m., capitis parte postocu- Jari p. m. 12 in serie longitudinali; linea laterali antice paulo descenden- te postice rectiuscula; pinnis rotundatis, pectoralibus ventralibus longiori- bus capite duplo circiter brevioribus; caudali 54 circiter in longitudine corporis; corpore superne fuscescente et viridi nebulato inferne margarita- ceo-viridi;s capite lateribusque inferne punctis fuscis; operculo macula magna fuscas vitta cephalo-caudali flavescente undulata; pinnis ventralibus byalinis, anali aurantiaca, ceteris fuscescente-viridibus, dorsali et anali marginem versus fuscis, pectoralibus at caudali fusco variegatis. B. D.4l.. B I/1be Vol/5., As 30. C., 12 vel 14 et Takerer. Habit. Provincia Toboali, in fluviis. Longitudo speciminis unici 97”. Aanm. Deze Ophicephalus schijnt na verwant te zijn aan Ophi- cephalus serpentinus CV. van Siam, van welke soort in de groote Histoire naturelle des Poissons slechts eene beschrijving der kleu- ren van het ligchaam voorkomt, benevens eene opgave van de getallen der vinstralen. Die kleuren zijn evenwel eenigzins an- ders dan bij mijn specimen en de getallen der vinstralen ver- schillen aanmerkelijk t.w. D. 44. A. 26. Ophicephalus banka- nensis is ook verwant aan Ophicephalus rhodotaenia Blkr. (Nat. Tijdschr. N. Ind. II. p. 425) van Borneo, doch deze heeft eenig- zins andere kleuren, slechts 25 aarsvinstralen, den kop slechts 11, maal zoo lang als hoog, 50 schubben op eene overlang- sche rei enz. men ee me re a en nd nn ee On dn nr en a 127 CHAETODONTOIDEL Pimelepterus altipinmis GV. Poiss. VIE p. 202. Pimel. corpore oblongo compresso, altitudine 3 et paulo in ejus longi- tudine, latitudine 22% circiter in ejus altitudine; capite obtuso convexo 44 eirciter in longitudine corporis, aeque alto circiter ac longo; oculis dia- metro 3 et paulo in longitudine capitis; linea interoculari convexa linea rostro-ventrali longiore; dentibus maxillis cuneiformibus, maxilla superiore p. m. 40, maxilla inferiore p. m. 32; praeoperculo rotundato denticulatos; squamis etenoïdeis, lateribus 65 p. m. in serie longitudinali; pinna dor- sali parte spinosa parte radiosa humiliore, spinis mediis spinis ceteris lon- gioribus, spina 1° spiaa ultima plus duplo breviore; parte radiosa antice \ . ere . : obtusa rotundata corpore triplo humiliore postice acutangula; pectoralibus ‚et ventralibus acutis 62% circiter in longitudine corporis; anali antice ob- tusa postice acutangula; caudali leviter emarginata, angulis acuta, 44 eirciter in longitudine corporis; colore corpore griseo vittis 23 p. m. lon- gitudinalibus aureo-viridibus; pinnis griseo-fuscescentibus vel nigricantibus ; dorsali ef anali radiosis nigro marginatis; vitta infraoculari argentea. BDE LE/2 vel 11/13. P. 2/14. V. 1/5, A.-3/11 vel.3/12. C. 17 et lat. brev. Synon. Piméleptère à& hautes nageoïres CV. Poiss. VII. p. 202. Habit. Banka, prope Karang hadji, in mari. bed Longitudo speciminis unici 160”. Aanm. Deze soort, behoorende tot de afdeeling van Pime- lepterus, bij welke de straalachtige. rugvin de doornachtige in hoogte overtreft, breng ik tot Pimelepterus altipinnts GV., wel- ke reeds bekend is van Nieuw Guinea en Bourbon. Het be- schreven specimen behoort tot den nog jeugdigen leeftijdstoe- stand, vermits de soort gezegd wordt de lengte van een’ arm ‘te bereiken. BLENNIOIDEL Petroskirtes hankanensis Blkr. Petroskirt. corpore elongato compresso, altitudine 64 circiter in ejus Tongitudine; capite convexo, 54 circiter in longitudine corporis; altitudine 3 capitis 12 circiter, latitudine 2 circiter in ejus longitudine; linea rostro-fron- tali convexas rostro vix ante os prominente; crista occipitali nulla; cirro regione postoculari superiore oculo multo breviore; oculis diametro 4} in Hi. 55 a 728 longitudine capitis, diametro 14 circiter a se invicem distantibus; rictu sub oculi parte anteriore desinente; maxillis antice tantum dentatis, den- tibus confertissìmis, maxilla superiore p.m.36, maxilla inferiore p. m. 40; maxilla superiore caninis 2 mediocribus curvatis, maxilla inferiore canino longissimo valde curvato; apertura branchiali rotundata oculo vix minore ; cute laevi; linea laterali inconspicua; pìnnis radiis omnibus simplicibus; dor- sali paulo ante aperturam branchialem incipiente et prope pinnam caudalem desinente, margine superiore convexanon emarginata, corpore minus duplo humiliore, radio nullo producto; pectoralibus obtusis 74 circiter, ventra- libus 84 circiter, caudali convexa radiis aliquot paulo productis 5 et paulo in longitudine corporis; anali dorsali humiliore margine inferiore convexo; corpore superne olivaceo-viridi inferne flavescente, maculis parvis fuscis et punctis coeruleis sparsis variegatis; pinna caudalt basi fusca, post basin flava, postice olivaceo-fusca; pinnis ceteris flavis, dorsali et anali maculis parvis fuscis et vittulis diffusis fuscescentibus variegatis et reticulatis , dor- sali aurantiaco marginata. 6 DE 28E 15. VE ATD. Cl1 et Tate hiers Habit. Koba, prope arenos. Gussong assam, in mari. Longitudo speciminis unici 120”, Aanm. Bij mijn eenig specimen bevinden zich aan de linker zijde der onderkaak @ groote slagtanden, van welke de voor- ste verreweg de grootste is, doch de regterzijde bezit slechts een enkelen grooten slagtand. De soort is herkenbaar aan de slankheid des ligchaams, de onverdeelde bolle rugvin, de korte achteroogsdraden, het aantal tanden in de kaken, de kleuren van ligchaam en vinnen, het niet zigtbaar zijn der zijlijn enz. GOBIOÏDEI Periophthalmus chrysospilos Blkr. Periophth. corpore elongato antice cylindraceo postice compresso, alti- tudine 7 circiter in ejus longitudine; capite obtuso subtruncato convexo, 44 ad 42 in longitudine corporis; altitudine capitis 13 circiter, latitudine 1# eirciter in ejus longitudine; fronte angulata; oculis diametro 4 ad 42 in longitudine capitis, palpebris-magnis; dentibus maxillaribus uniseria- tis, conicis, mediocribus, subaequalibus, utraque maxilla p. m. 40; caninis nullis; rietu subhorizontali sub®culo desinente; labio superiore lato; squa- mis parvis lateribus 70 p. m. in serie longitudinali;, pinna dorsali spi- _ nosa corpore muito altiore subfiabelliformi „ altiore «quam basi longa, spina 1* spinis ceteris Jlongiore masculis in filum producta; dorsali 2* 729 aequantibus; ventralibus in discum integrum unitis; caudali rotundata ob- tusa 5 circiter in longitudine corporis; appendice anali oblonga; colore corpore superne lateribusque coeruleo inferne margaritaceo; capite totoque corpore maculis numerosis irregularibus parvis aureo-aurantiacis; pinna dorsali spinosa inferne aurantiaca, superne antice praesertim violaceo-ni- gra flavo marginata; dorsali radiosa inferne coerulescente, superne auran- tiaca, medio vitta lata longitudinali nigra; pinnis pectoralibus griseo-coeru- leis aureo maculatis; ventralibus analigue pulchre flavis; caudali coerules- cente-violacea. B. 5. D. 10—1/12 vel 1/13. P. 15. V. 1/5. A. 10 simpl. + 3 vel 4 fiss. C. 8 vel 10 et lat. brev. Habit. Karang hadji, in mari. Longitudo 2 speciminum 106” (femin.) et 112” (mascul.). Aanm. Deze fraaije soort is zeer kenbaar aan haar met goud- kleurige vlekjes geteekend blaauwachtig ligchaam, volkomen schijfvormig vereenigde buikvinnen, 10 rugdoornen, enkelen zwarten band over de 2e rugvin enz. LABROÏDEI CTENOIDEI. Pomacentrus taentops CV. Poiss. V. p. S17P Pomac. corpore oblongo compresso, altitudine 22 ad 3 ecirciter in ejus longitudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite obtuso con- vexo 4 et paulo in longicudine corporis, aeque alto eirciter ac longo; ‚ oculis diametro 3 fere in longitudine capitis; linea rostro-frontali convexa; _osse suborbitali oculi diametro multo humiliore, postice emarginato den- ticulato; dentibus utraque maxilla p. m. 34 vel 86 apice emarginatis; _ praeoperculo obtusangulo, margine posteriore dentibus valde conspicuis; d operculo postice spina unica brevi plana; dorso ventre multo altiore et _convexiore; squamis lateribus 26 p. m. in serie longitudinali; linea late- rali sub anteriore parte pinnae dorsalis radiosae interrupta; pinnis’ dorsa- Ji et anali radiosis rotundatis obtusis, dorsali spina postica spinis ceteris Ë | longiore, membrana inter singulas spinas emarginata lobata; pectoralibus _ obtusis 42 circiter, ventralibus acutis radio le producto 3%, caudali emar- | _ ginata lobis rotundatis 4 et paulo in longitudine corporis; colore corpore op viridi-fuscescente cauda rubescente; operculo superne gutta nigricante; Á Ie __ vittis 3 oculo-maxillaribus coeruleis; iride vitta coerulea; capite antice vitis 2 maxillo-dorsalibus rostro convergentibuús; squamis capite, corpore EE „eorpore humiliore; pectoralibus obtusis rotúndatis longitudine caput sub- 730 ca; pinnis ceteris fuscis; dorsali radiosa radium 8m inter et 11” maculs rotunda nigra coeruleo cincta. B. 5. D. 13/14 vel 13/15. P. 2/15. V. 1/5. A. 2/14 vel 2/15. C. 15 vel 17 et lat.-brev. Synon. Pomacentre à trait sous Voeil CV. Poiss. V p. 317% Habit. Koba, prope aren. Gussong assam, in mari. Longitudo speciminis unici 62/'/. Aanm. Ik breng deze soort slechts met twijfel tot Pomacen- trus taeniops CV, vermits in de beschrijving daarvan het aan- tal rugvinstralen wordt opgegeven tezijn =12/[7 of 12/16 en dat der aarsvinstralen = 2/13, terwijl de hoogte des ligchaams er nog geen tweemaal zou gaan in zijne lengte. Van Poma- centrus taentomelopon verschilt boven beschreven specimen door zijne zwarte rugvinvlek, talrijker tanden der kaken enz. LABROIDEL CYCLOIDEL Julis (Halichoeres) leparensis Blkr. Jul. (Halich.) corpore subelongato compresso, altitudine 43 ad 42 in ejus longitudine, latitudine 2 ad 2 et paulo in ejus altitudine; capite acuto A cireiter in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus longitudine; oculis diametro 24 circiter in longitudine capitis; linea ros- tro-frontali declivi convexiuscula; dentibus maxillis medioeribus, maxilla superiore antice caninis 2 medioeribus, postice dente angulari mediocris; labiis carnosis; linea laterali auntice plurimis squamis dichotoma postice indivisa; squamis lateribus 26 p. m. in serie longitudinali, squamis thora- cicis ceteris non majoribus; pinnis dorsali et anali basì glabris, postice angulatis, dorsali spinis posticis spinis ceteris longioribus; pectoralibus obtusis 6, ventralibus acutis 8 circiter, caudali obtusa convexa 6 ad 64 in longitudine corporis; colore corpore pulchre rubro ventre margaritaceo 5 squamis dorso pluribus macula fusca; squamis dorso lateribusque plurimis margine libero fuscescentibuss lateribus inferne vittis 4 longitudinalibus dilute flavis, vitta superiore oculo-caudali; cauda superne postice oecello nigro rubro cincto; capite vitta oculo-maxillari lata profunde fusca; regione postoculari macula oblonga transversa fusca; operculo superne striis longi- tudinalibus curvatis 4 flavescentibus; maxilla inferiore flava; pinnis dor- sali et anali rubris ocellis dillutioribus in series 2 vel 3 longitudinales dispositis, dorsali maculis 2 nigris annulo pellucido ecinctis, 1* parva spi- er SD nt a KE ee eh te Sca Bet ES 751 nam lm inter et 2m, 2, majore radium 1* inter et 3m; pinnis pectoralibus violascentibus, basi vitta transversa flava; ventralibus flavis; caudali rubra. B.6. D. 9/12 vel 9/18. B. 2/12.- V. 1/5. A. 3/12 vel 3/13, C. 4 et lat. brev. Habit. Insul. Lepar, in mari. Longitudo 6 speciminum 54/'’ ad 64///. Aanm De rijkdom van den Índischen archipel aan soorten van Julis schijnt onuitputtelijk te zijn. Ik bezit er thans reeds 37, waarvan 3 behooren tot de afdeeling Júlis, 34 tot de afdeeling Halichoeres. De boven beschrevene soort is een der sierlijkst ge- kleurde van haar geslacht en behoort de groep van Julis (Ha- lichoeres) notopsis Van Hass., Julis (Halichoeres) miniatus Van Hass., Julis (Halichoeres) binotopsis Blkr., Julis (Halichoeres) timo- rensis Blkr., Julis (Halichoeres) Hoevenü Blkr, Julis (Hali- choeres) variegatus Rüpp. Julis nebulosus CV, allen met kleine of middelmatige hondstanden en twee zwarte of donkerblaauwe rugvinvlekken tusschen de beide eerste doornen en tusschen de voorste stralen. Zij laat zich echter van deze soorten ge- makkelijk onderkennen aan de zwarte staartvlek en de Á gele strepen langs de onderste helft der zijden, alsmede aan de ove- rige kleuren. Julis (Halichoeres) polyophthalmus Blkr. Jul. (Halich.) eorpore subelongato compresso, altitudine 44 ad 42 in ejus longitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite acuto 44 circiter in longivudine corporis; altitudine capitis 12 circiter in ejus lon- gitudine; oculis diametro 82 circiter in longitudine capitis; linea rostro- frontali declivi convexiuscula; dentibus maxillis mediocribus anticis 2 ca- ninis mediocribus; maxilla superiore dente angulari recto medioeri promi- nente; linea laterali antice singulis squamis bifida vel trifida, cauda sim- pliee; squamis lateribus 26 p. m. in serie longitudinali; squamis thoracicis squamis ceteris minoribus; pinnis dorsali et anali basi glabris, postice an- gulatis, dorsali spina postica spinis ceteris longiore; pectoralibus obtusis 64, ventralibus acutis 7 circiter, caudali obtusa convexa 6 circiter in longitudine corporis; colore corpore profunde rubro-violaceo; fascia ce- phalo-caudali aureo-fusca supra lineam lateralem lineae dorsali parallela; squamis dorso plurimis macula nigricante; dorso insuper maculis 4 vel 5 luteis distantibus basi pinnae dorsalis approximatis; lateribus ocellis car- mosinis coeruleo cinctis valde approximatis in series 7 longitudinales dis- . We Eh Eed. 132 positis; capite superne violaceo, lateribus carmosino, mento flavo; vittis rostro-oculari, mento-oculari opercularibusque rubro-violaceis; pinnis dor- sali et anali rubro-violaceis; dorsali margine tricolore flavo, fusco et au- reo, anali margine flavo; dorsali ocellis carmosinis coeruleo cinctis parte spinosa in series 2 parte radiosa in series 3 longitudinales dispositis, ocellis dorsali spinosa anterioribus superioribus unitis vittam longitudina- lem efficientibus; anali ocellis carmosinis coeruleo cinctis in series 3 lon= gitudinales dispositis, ocellis seriebus inferioribus plurimis unitis vittam longitudinalem efficientibus; pinnis pectoralibus violascentibus basi flavis; ventralibus flavis radio 1® violaceo; caudali basi carmosina, medio ru- bra, postice nigricante-violacea, angulis flava, basi medioque annulis nu- merosis coerulescentibus. B. 6. D. 9/18 vel 9/14. P. 2/19. V. 1/5. A. 3/12 vel 3/13. C. 14 et lat. brev. Habit. Insul. Lepar, et Cauer, Sumatrae occidentalis, in mari. Longitudo 2 speciminum 72''’ et 73''/, Aanm. Deze uiterst fraaije soort is voornamelijk kenbaar aan de talrijke karmosijnroode , ronde, in overlangsche reijen geplaatste vlekken van ligchaam en vinnen. SILUROÏDEL. Heterobranchus tapeinopterus Blkr. Heterobr. corpore elongato antice cylindraceo postice compresso, altitu- dine 91 ecirciter in ejus longitudine; capite convexo obtuso 62% in longi- tudine corporis; altitudine capitis 12, latitudine 1 et paulo in ejus lon- gitudine; seuto capitis leviter granuloso; impressione frontali ovali, occipitali nulla; osse interparietali brevi acuto, apice impressione super- fictali ; oculis diametro 18 circiter in longitudine eapitis; cirris nasalibus et inframaxillaribus internis basin, supramaxillaribus inframaxillaribusque ex- ternis apicem pinnae pectoralis attingentibus vel subattingentibus; vitta dentium vomerinorum postice non producta; pinna dorsali radiosa pinnae dorsali adiposae subcontigua corpore duplo circiter humiliore; pinna dor- sali adiposa corpore plus quadruplo humiliore cum basi pinnae caudalis unita; anali ante medium pinnae dorsalis radiosae incipiente, corpore du- _plo cireiter humiliore, cum basi pinnae caudalis unita; pectoralibus acu- tiusculis ventralibus multo longioribus 10 ecirciter in longitudine corporis, spina valde crassa postice dentata; caudali rotundata 6 et paulo in longi- An et rd nn add AE en tn Se te nie TE 7 ge nd 753 tudine corporis; colorc corpore fusco, pinnis viridescente-fuscis, dorsalt radiosa analique marginem liberum versus dilutiore. BROD 1/23 0: Ps 1/B.,M- 1/5. A, 1/48, C.-22, Habit. Provincia Toboali, in fluviis. Longitudo speciminis unici 124/!!, Aanm. De geslachten Heterobranchus en Chaca zijn in den Indischen Archipel tot nog toe slechts op het eiland Banka aangetroffen en geven ten opzigte der geographische verbreiding van de Siluroïden aan Banka een eigenaardig karakter. Het voorkomen van Heterobranchus op Banka is des te merkwaar- diger, vermits de bekende soorten van dit geslacht t. w, Heterobranchus bidorsalis Geoffr., Heterobranchus longyfilis CV. en Heterobranchus senegalensis GV. slechts in de Nijl en de Senegal voorkomen. De Bankasche soort is gemakkelijk her- kenbaar aan het vereenigd zijn van de lage vet- en de aars- vin met de staartvin, aan de getallen der vinstralen, aan de lengte der voeldraden, aan den indruk op het interparietaal uitsteeksel, aan de insertie der aarsvin voor het midden der straalachtige rugvin enz. Haren naam heb ik ontleend aan de lage vetvin. CIJPRINOIDEL Rohsta Waandersi. Blkr. Rohit. corpore oblongo compresso, altitudine 4 circiter in ejus longi- tudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite obtuso 5% circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 1% circiter, latitudine 12 circi- ter in ejus longitudine; oculis diametro 4 eirciter in longitudine capitis, 12 circiter in capitis parte postoculari; distantia interoculari 2 fere in longitudine capitis; rostro convexo, poris non conspicuis, vix ante os pro- _minente, oculo multo longiore; maxilla superiore inferiore longiore, longe ante oculum desinente; cirris labialibus maxillaribus longioribus oculum _ attingentibus, maxillaribus angulum oris non superantibus; labiis valde carnosis, papillis brevibus ciliatis; dentibus pharyngealibus triseriatis serie externa 5; osse scapulari trigono apice rotundato; linea rostro-dorsali ca- pite convexa; dorso elevato ventre convexiore; linea laterali rectiuscula lineam rostro-caudalem non attingente; squamis parte libera longitudina- TA EEN OET a NE AETR 0 TPN 154 liter striatis, lateribus 35 p. m. in serie longitudinali, 12 p. m. in serie transversali; inguinibus squamis elongatis; pinna dorsali ante pinnas ven- trales incipiente, acuta, non vel vix emarginata, corpore humiliore, basi 43 circiter in longitudine corporis; pectoralibus acutis 64 fere, ventrali- bus acutis 7 circiter in longitudine corporis; pectoralibus ventrales non attingentibus; anali acuta non vel vix emarginata corpore duplo circiter humiliore; caudali profunde excisa lobis acutis 44 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne fusco-viridi marginibus squamarum pro- fundiore, inferne rubro marginibus squamarum dilutiore; fascia oculo- caudali lata nigra; pinnis dorsali earmosina, ceteris aurantiaco-rubris. B. 3. D. 4/12 vel 4/18. P. 2/14. V. 1/8, A. 3/5. vel 3/65. C. 19 et lat. brev. Habit. Provincia Toboali, in fluviis. Longitudo speciminis unici 198''/, Aanm. Van de soorten van Rohtta van den Indischen Archipel bezit ik er 4 met bruinen of zwarten staartband, t. w. Rohita erythrurus GV., Rohita milim Blkr., Rohita triporos Blkr. en de bovenbeschrevene. De Bankasche soort is van die drie gemakkelijk te onderkennen, aan het gemis der groote spuitporiën, het niet uitgerand zijn der rug- en aarsvin en aan harefraai roode zijden. Ik noem haar ter eere van haren ontdekker , den heer VAN BLOEMEN WAANDERS, administrateur der tinmijnen van het distrikt Marawang op het eiland Banka. OPHIDINI. Machaervwum reticulatum Blkr. Machaer. corpore elongato compresso, altitudine 11 ad 124 in ejus lon- gitudine, latitudine 14 ad 2 fere in ejus altitudine; capite acuto convexo 64 ad 72 in longitudine corporis; altitudine capitis 2 in ejus longitudine; oeulis diametro 5 ad 6 et paulo in longitudine capitis, minus diametro 1 ase invicem distantibus; linea rostro-frontali convexa; rostro, absque maxil- la, oeulo non vel paulo longiore, labiis carnosis; dentibus conicis obtusis subaequalibus utraque maxilla utroque latere plus quam 40; maxilla su- periore inferiore breviore sub oculo desinente; capite genis opereculisque superne tantum squamoso; squamis lateribus 200 ad 230 in serie - Jongitudinali; linea laterali anteriore laternm parte tantum conspicua, an- te anum desinente; pinnis verticalibus membrana squamosis; dorsali supra / | | | 4 pd & y } “ At 155 vel vix post apicem pectoralium incipiente, corpore duplo circiter humi- liore; pectoralibus rotundatis 34 ad 84 circiter in longitudine capitis; a- pali antice in 83° sexta corporis parte incipiente, corpore plus duplo hu- miliore; caudali acuta rotundata; colore corpore fuscescente-rubro flaves- eente reticulato et transversim praesertim marmorato; capite inferne ven- treque guttis et maculis polymorphis margaritaceo-coeruleis; operculo ma- cula magna nigricante coeruleo cincta; pinnis fuscescentibus verticalibus basi annulis coeruleis, dimidio libero striis obliquis coeruleis. B: 6. D. 77 vel 78 + C. 10 + A. 64 vel 65 =D. C. A. 151 vel 153. twi (U p Habit. Marawang, in aquis fluvio-marinis, et Insul. Lepar, in mari. Longitudo 2 speciminum 162''’ et 365''/, Aanm. Van Machaerium waren tot nog toe slechts 2 soor- ten bekend, Machaerium subducens Richards. van Nieuw Holland en Machaerium nebulatum Blkr. van Singapore. Machaerium re- ticulatum is alzoo de derde soort van dit merkwaardige geslacht en kenbaar aan het fraai gemarmerde van haar ligchaam , aan de groote donkere operkelvlek, welke echter bij het oudere specimen weinig uitgedrukt is, aan hare talrijke kaakstanden , bolle snuitvoorhoofdslijn enz. MURAENOÏDEI Ophisurus Schaap Blkr. Ophisur. corpore cylindraceo, postice compresso, valde elongato, alti- tudine 32 p. m. in ejus longitudine; capite acuto, convexo, corpore lati- ‚ Ore, 9 et paulo in longitudine corporis; altitudine capitis 3} circiter in ‚ ejus longitudine; oculis diametro 12 ecirciter in longitudine capitis, 2 cir- ‚ citer in longitudine rostri; rostro acuto, convexo, 6 eirciter in longitu- dine capitis, paulo longiore quam basi lato, apice parum carnoso; tubu- lis nasalibus oculo brevioribus; rietu paulo post oculam producto, 4 fere in longitudine capitis; labio superiore papillato; maxilla superiore inferi- ore multo longiore; dentibus palatinis, nasalibus, vomerinis inframaxilla- _ ribusque conicis brevibus valde obtusis, pluriseriatis; palatinis apicem it ‚ vittae dentalis vomerinae et dentes nasales attingentibus seriebus 6 p. m. dispositis; dentibus nasalibus quadriseriatis in thurmam oblongo-ovalem * _ eollocatis p. m. 22; vomerinis in thurmam elongatam lamina dentali palatina multo longiorem dentes nasales subattingentem collocatis, anticis quinque- seriatis, posticis triseriatis; inframaxillaribus 5-ad 6-seriatis, seriebus lami- na dentali palatina longioribus; symphysi glabra; apertura branchiali se- milunari; cute lacvi rugosula; linea laterali nucha ineipiente, bene con- 8 in. 56 % Kak br 756 spicua, tubulosa; pinna dorsali quarta parte capitis longitudinis post aper- turam branchialem incipiente et ad apicem caudae desinente, corpore plus duplo humiliore, radiis duplicatis, postice emarginata; pinnis pectoralibus rotundatis 4 fere in longitudine capitis; anali antice in posteriore dimi- dio 8°° sextae corporis partis incipiente, radijs duplicatis posticis radiis dorsalibus posticis oppositis, corporé duplo circiter humiliore, postice emarginata; colore corpore superne viridi inferne flavescente; pinnis viri- dibus, dorsali analique fusco marginatis. Bi 24 D:310 pr meE. tar. rZI8 PD. mm Habit. Pankalpinang, in mari. Longitudo speciminis unici' 766/'', Aanm. Deze Opluúsurus, welke ik opdraag aan den verdien- stelijken ontdekker, den heer D. F. Scuaar, resident van Banka, behoort tot de.groep met stompe veelreijige gehemelte- , neus-, ploegbeens- en onderkaakstanden en alzoo tot de groep van. Ophisurus cancrivorus Richards., Ophisurus sinensis Richards. , Ophisurus semicinctus Bichards., Ophisurus boro Ham. Buch. , Ophisurus baccidens Canten Ophisurus húijpselopterus Blkr. Deze species verschillen van de onderwerpelijke voornamelijk door de volgende kenmerken. Ophisurus cancrivorus. Neusplaat cirkelrond met p. m. 15 tanden; 33 kieuwstralen; rugvin onmiddellijk achter de basis der borstvin beginnende; anus V,, van de geheele lengte voor hef midden des ligchaams geplaatst; geene merkbare zijlijn; kleur bruin (volgens de afbeelding gaat de hoogte des ligchaams ongeveer 2% maal in zijne lengte). Ophisurus sinensis. Tandplaten smaller dan bij Ophisurus cancrivorus. (Nog niet met zekerheid als eene van Ophisurus cancrivorus verschillende soort te kenmerken). Ophisurus semicinctus. Neusplaat met ongeveer 39 tanden, die door geene vrije ruimte van de ploegbeenstanden geschei- den zijn, Gehemelte en onderkaakstanden 2 - tot 8: Lig- chaam met banden geteekend. Ophisurus boro. Gehemelte - ploegbeens - en onderkaakstan- den in den regel driereijig. Neusplaat met 3 — 10 tanden. Dia-_ meter van het oog Î7 -, bekspleet 3!/, maal in de lengte van den kop. Rugvin beginnende achter het einde der borstvin. — Ophisurus baccidens. Neusplaat cirkelvormig, door eene glad- de ruimte van: de ploegbeenstanden gescheiden. D. 259 ad Bies: 737 \ 271 A. 167 ad 180. B. 34. Kop 8V, tot 82/, maal in de ge- heele lengte des ligchaams. Rugvin boven de voorste helft der borstvin beginnende. Ophisurus hypselopterus. Hoogte des ligchaams A6 maal in zijne lengte; kop bijkans 12 maal in de lengte des ligchaams. Rugvin met de halve lengte van den kop achter de kieuwope- ning beginnende. B. 3f p.m. D. 386. P. 12. A. 261. GIJMNODONTES. Tetraödon argenteus Lacép. Ann. Mus. Hist. Nat. IV p. 203, 211, tab. 58 fig. 2. T. Schleg. Faun. japon. Poiss. p. 275 tab. 121 fig. 2, Tetraöd. corpore elongato subtetragono, altitudine 54 circiter in ejus longitudine, antice vix vel non ‘altiore quam lato; capite 82 circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus longitudine; linea rostro-frontali convexa; oculis superis, diametro 3 in Íongitudine capitis, minus diametro 1 a se invicem distantibus; maribus utroque la- tere 2 in papillo eoncavo perforatis; maxilla superiore ante maxillam in- feriorem prominente; labiis valde carnosis; rostro, fronte, vertice, dorso ventreque spinulis scabris; mento, genis, lateribus caudaque glabris; linea ° Jaterali rostro incipiente, oculum ecingente, post oculum deorsum versus adscendente et tum curvatura valde aperta caudam versus descendente; | ventre caudaque inferne leviter carinatis; cauda depressa multo latiore quam alta; pinnis dorsali et anali oppositis, aequalibus, ecorpore paulo 4 humilioribus, acutis, plus duplo altioribus quam basi longis; peectoralibus \ obtusis 7 circiter, caudali emarginata lobis acutis superiore longiore 58 circiter in longitudine corporis; colore corpore superne olivaceo inferne Î griseo -margaritaceo; fascia maxillo - infraoculo-caudali latissima niten- s te argentea; dorso maculis irregularibus numerosis olivaceo-fuscis; regi- one praeoperculari macula magna trigona argentea; operculo margine bran- 5 chiali nigra; pinnis dorsali, anali pectoralibusque viridescentibus; caudali 4 dimidio superiore pulchre flava apice violascente, dimidio inferiore basi ) Á griseo marginem posteriorem versus violascente. MD: 1/9. P. 2/14. A. 1/8. C. 10 et lat. brev. Habit. Koba, apud Tandjong Berikat, in mari. | __ Batavia, Toasia, Javae occidentalis in mari. Sambas, Borneo occidentalis, in fluviis. _ Longitudo 3 speciminum 100’! ad 156///. Aanm. Zonder twijfel behooren mijne specimina tot Tetraödon argenteus Lacép. zooals die soort in de Fauna japonica is afge- ‘beeld. De kleuren zijn daar echter niet juist terug gegeven 1 738 en volgens de beschrijving van de heeren Temminck en Scurr- GEL zou de formule der vinstralen van de door hen waarge- nomene specimina zijn D. Î3. P. 18. A. Îf, welke getallen aanmerkelijk van die van mijn specimen verschillen. Mijne voorwerpen behooren tot eenen nog eenigzins jeugdigen leeftijd en hebben nog niet de halve lengte van het in de Fauna japo- nica afgebeelde. TRYGONES: Trygon uarnakoïdes Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Pla- giost. p. 72. Tryg. corpore disciformi, disco aeque longo circiter ac lato, antice acuto, linea rostro-pectorali antice praesertim concaviuscula; capite lon- gitudine 22 ad 2} in latitudine disci maxima; rostro acuto 44 ad 3% in latitudine disci, superne sulco longitudinali; oculis diametro 4 ad 6 in Jongitudine rostri, diametris 24 ad 3 a se invicem distantibus; foramine temporali trigono oculo majore; valvula nasali anteriore rictum non at- tingente, ciliis non vel vix conspicuis; rictu sinuoso latitudine 24 ad 3 in longitudine rostri praeorali; velo postmaxillari superiore fimbriato; fun- do cavitatis oris quadripapillato; dentibus maxillis obtusis; dorso linea media et circa lineam mediam granulis subcordiformibus, granullis aetate provectiore aetate juvenili numero multo majoribus; regione granulosa aetate provectiore antice usque ad rostrum postice usque ad caudam sese extendente; medio dorso tuberculis 2 vel 1 granulis multo majoribus; cauda disco multo (plus triplo) longiore, vestigio pinnarum nullo, ante et post spinam longam tota glabra; corpore superne fuscescente-viridi maculis nullis, inferne albescente. Synon. Zrygon acuta K. v. H. fig. inedit. Ikan Pareh. Mal. Batav. Samar. Habit. Pankalpinang, in mari. Batavia, Samarang, in mari. Latitudo 8 speciminum 180’'’ ad 255’. Aanm. Deze soort verschilt van Zrygon wvarnak Rüpp. aan welke zij het naast verwant is, doordien zij de schijf even lang als breed heeft en den staart, behalve den grooten ge- wonen doorn, geheel glad, terwijl bovendien alle vlekteeke- _ ning ontbreekt, de oogen betrekkelijk kleiner zijn en de kor- relachtige schubben bij voorwerpen van dezelfde grootte veel minder talrijk. Scripst Batavia Calendis Octobris mpcocru. DERDE BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER LICHT HIJOLOGISCHE FAUNA CELEBES. DOOR Dr. P. BLEEKER. In Mei 1851 publiceerde ik eene tweede bijdrage tot ken- nis der vischfauna van Celebes, in den tweeden jaargang van het Natuurkundig tijdschrift voor Nederlandsch Indië, en bragt daarin het aantal bekende vischsoorten van dat eiland op 146. In Junij, Augustus en September dezes jaars ontving ik eenige nieuwe verzamelingen van visschen van Celebes en wel van Makassar , Boelekomba en Kema. Die van Makassar heb ik te danken aan den wetenschappelijken zin van den heer W. J. Â. W. Borrs, kapitein der infanterie; die van Boelekomba aan de welwillendheid van den heer H. R. J. Fontans, van wien ik reeds in 1851 eene verzameling insgelijks van Boelekomba ontvangen had, en die van Kema van den heer A. Turpass, officier van gezondheid der 2de klasse, die mij ook in het be- zit gesteld heeft van door hem verzamelde visschen van Ceram en Ternate. Deze verzamelingen bevatten weder vrij talrijke soorten, welke nog niet van de fauna van Celebes bekend wa- 740 ren en meerderen daarvan zijn ook nieuw voor de wetenschap. Het is mij een genoegen, hier openlijk mijne erkentelijkheid uit te drukken aan genoemde heeren, zonder welker belangeloozen ijver voor de wetenschap de onderwerpelijke tak van kennis nog op een zeer laag standpunt zou zijn. De verzamelingen van Makassar, van den heer Boers bevat- ten de volgende species. 1. Serranus cijanostigma K. v. H. 32. Acanthurus humeralis CV, 2. » cijanostigmatoïdes Blkr. 83. Naseus lituratus CV. 3. Mesoprion Sebae Blkr. 94. Amphacanthus corallinus CV. 4, » macolor Blkr. == Dia- 35. » _ javus CV. cope macolor CV, 96. Batrachus grunniens CV. 5. Therapon puta CV. 87. Fistularia immaculata Comm. 6, » servus CV. 98. Cichlops melanotaenia Blkr. 7. Holocentrum orientale CV. 39. Amphiprion trifasciatus CV. 8. Upeneoïdes variegatus Blkr. 40. Glijphisodon bengalensis CV. 9. Dactijlopterus orientalis CV. 41. Cheilio auratus Comm. 10. Platijcephalus isadanthus CV, 42. 11. Heterognathodon xanthopleura 49. Crenilabrus oligacanthus Blkr. Tautoga melapterus CV. Blkr. 44. Julis (Halichoeres) casturi Blkr. 12. > nemurus Blkr. 45. Cheilinus fasciatus CV. 18. Diagramma polijtaenia Blkr. 46. » chlorurus Blkr. 14. Dentex taeniopterus CV. 47. Scarus naevius CV ? 15. Chaetodon oligacanthus Blkr. 48. Plotosus unicolor K. v. H. 16. » vagabundus CV. 49. Exocoetus oxijcephalus Blkr. dE » chrijsozonus K. v. H. 50. Engraulis Graiji Blkr. 18. Caesio chrijsozonus K. v. H. 51. Chatoessus selangkat Blkr. 19. Holocanthus dux Lac. 52. Saurida nebulosa CV. 20. » imperator CV. 53. Conger bagio Cant. 21. Platax Boersii Blkr. 54. Ophisurus brachijsoma Blkr. 22. Pempheris moluca CV. 55. Balistes praslinus Lac. 23. TFrichiurus haumela CV. 56. » conspicillam Bl. Schn. 24. Selar boöps Blkr. 57. » _ lineatus Bl. 25. » Kuhlii Blkr. 58. Triacanthus Russellii Blkr. 26. Carangoïdes talamparah Blkr. 59. 27. Chorinemus Commersonianus CV. 60. 28. Gnathanodon speciosus Blkr. 61. 29. Equula gomorah CV. 62. 30. Acanthurus matoïdes CV. 63. 31. » celebicus Blkr. Muraena pseudothyrsoïdea Blkr. Tetraödon lunaris Cuv. Diodon punctatus Cuv. Taeniura lijmma MH. Scijllium maculatum Gr. Hardw. 741 De kollektie van Boeloekomba van den heer Forranes bevat, behalve eenige der hiervoren opgesomde, nog talrijke andere soorten, t. w.: 1. Cheilodipterus heptazona Blkr. 23. Pagrus longifilis CV. 21. Diagramma crassispinum Rüpp. 43. Balistes lineatus Bl. Schn. 22. Scolopsides monogramma K. v. H. 44. Tetraödon lunaris Cuv. 2. Serranus marginalis CV, 24. Caesio erijthrogaster K. v. IÌ. 9. » pardalis Blkr. 25. Gerres filamentosus CV. |  > rhijncholepis Blkr. 26. Scatophagus argus CV. | 5. Mesoprion striatus Blkr. 27. Psettus rhombeus CV. | 6. > decussatus K. v. H. 28. Scomber loo CV. de » octolineatus Blkr. 29. Trachinotus mookalee CV. 8 » phaiotaenia Blkr. 30. Selar Kuhlii Blkr. tE » quadriguttatus Blkr. 81. Selaroïdes leptolepis Blkr. 10. » bottonensis CV, 92. Seriola Ruúppellii CV. Bt ver oo coeruleopunctatus Blkr, 33. Gazza minuta Blkr. 12. » melanospilos Blkr. 34. Equula ensifera CV. 13. » janthinuropterus Blkr. 85. Amphacanthus vermiculatus CV. | 14. Therapon servus CV. 36. Opistognathus Sonneratii CV. | 15. Holocentrum orientale CV. 37. Gobius Fontanesii Blkr. 16. Sphijraena obtusata CV. 38. Eleotris melanopterus Blkr. Î 17. Upeneus barberinoïdes Blkr. 89. Cheilio auratus Comm. Í 18. Apistus plagiometopon Blkr. 40. Tautoga melapterus CV. | 19. Pristipoma hasta CV. 41. Cheilinus chlorurus Blkr. 20. » therapon Blkr. 42. Scarus fraenatus Lac. ? De verzameling van Kema van den heer TFurpass bestaat uit de volgende soorten: 1. Serranus celebicus Blkr, 10. Carargoïdes blepharis Blkr. 2 » cijanostigmatoïdes Blkr. 11. Carangichthijs tijpus Blkr. f 3 » boenack CV. 12. Eleotris ophicephalus K. v. H. 4. Mijripristis pralinius GV, ? 18. » __melanopterus Blkr. | 5. Upeneoïdes bivittatus Blkr. 14. Julis (Julis) lunaris Bl, Schn. 6. Pristipoma caripa CV, 15. Hemiramphus Commersonii CV. 7. Trachinotus Baillonii CV. 16. Plagusia marmorata Blkr. 8. Chorinemus sancti Petri CV. 17. Balistes lineatus Bl. Schn. 9. Caranx Forsteri CV. 18. Monacanthus melanuropterus Blkr, Hierbij bevinden zich tevens nog 2 soorten uit het meer van Tonpano , t. w‚: 742 1. Ophicephalus striatus Bl. 2. Anabas scandens CV. Uit eenige ín mijn bezit zijnde teekeningen afkomstig van het vroegere lid der Natuurkundige kommissie Forsten, ont- waar ik nog, dat onder zijn opzigt te Kema zijn afgebeeld : 1. Serranus punctulatus CV, 2. Scolopsides margaritifer CV, Niet minder dan 84 soorten dezer kollekties zijn nieuw voor de kennis van Celebes en 18 daarvan tevens nieuw voor de wetenschap, t. w. Serranus rhijncholepts, Mesoprion melano- spilos, Mesoprion janthinuropterus, Upeneus barberinovdes, Apis- tus “plagiometopon, Eleotris melanopterus, Heterognathodon nemurus, Diagramma polytaenia, Platax Boersü, Carangich- thijs tjpus , Acanthurus celebicus , Gobius Fontanesi, Cichlops melanotaenia , Julis (Halichoeres) casturi, Exocoetus oxycepha- lus, Ophisurus brackhiyjsoma, Muraena pseudothijrsoïdea , Mo- nacanthus melanuropterus. In het geheel zijn mij thans van Celebes bekend de hieron- „der opgesomde species: 1. Apogon novemfasciatus CV, Nat, Tijdschr. N.I. III p. 168. Mac. 2 » nigripinnis CV. Mac. 83. Ambassis Dussumierii Verh. Bat. Gen. XXII. Percoïd. Bulac. 4. Cheilodipterus heptazona Blkr. ibid. Bul. 5. Serranus cijanostigma CV. ibid, Mac. Bul. 6 » boenack CV. ibid. Bul. Kem. 7 » sexfasciatus K. v. H. ibid. Mac. 8 » pardalis Blkr. ibid. Bul. 9. » marginalis CV. ibid. Bul. 10. » merra CV. Mac. 11. » cijanostigmatoïdes Blkr. Verh. B. G. XXII. Perc. Mac. Kem. 12. » celebicus Blkr. Nat. T. N. Ind. II. p. 247. Bul. Kem. 13. » corallicola K. v. H. Mac. 14. » punctulatus CV. Nat. Tijdschr. N. I. [II p. 570. Kema. 15. » rhijncholepis Blkr. Bul. 16. Mesoprion Sebae Blkr. — Diacope Sebae CV. Verh. Bat. Gen. XXII. Perc. Mac. Bul. 17. » Russellii Blkr. = Diacope notata GV. ibid. Mac. 13. » unimaculatus QG. ibid. Mac. JAS 19. Mesoprion annularis CV. ibid. Mac, Bul. 20. » octolineatus Blkr. — Diacope octolineata CV. ibid. Bul. 22. » xanthopterijgius Blkr. ibid. Bul. 23. » decussatus K. v. H. ibid. Bul. 24. » striatus Blkr. ibid. Bul. 25. » phaiotaenia Blkr. ibid. Bul. 26. » janthinuropterus Blkr. Bul. 27. » eoeruleopunctatus Blkr, — Diacope coeruleopunc- tata CV. N. T. N. Ind. II. p. 169. Bul. 28. » bottonensis Blkr, = Diacope bottonensis CV. ib. 170. Bul. 29. » quadriguttatus Blkr, = Diacope quadriguttata CV. ibid. p. 233. Bul. 29. » melanospilos Blkr. Bul. 30. » bitaeniatus Blkr, — Diaeope bitaeniata CV. Mac. 31. >» fuscescens CV. 32. » taeniops CV. 93. » macolor Blkr. — Diacope macolor CV. Mac. 34. Diploprion bifasciatum K. v. H. Mac. 95. Dules maculatus CV. ? Aq. dulc. 36. Therapon servus CV. Verh. Bat. Gen. XXII Perc. Mac. Bul. 2 » theraps CV. ibid. Mac. 98. » puta CV. ibid. Mac. 39. Holocentrum orientale CV. ibid. Mac. Bul. 40. » leonoïdes Blkr. ibid. Mac. 41. Mijripristis pralinius CV.? Nat. Tijdschr. N. I. II p. 234. Kem. 42. Sphijraena Commersonii CV. Verh. B. Gen. II Perc. Kem. 43. » jello CV. ibid. Bul. 44, » obtusata. ibid. Bul. 45. Sillago acuta CV. ibid. Mac. Bul. 46. Polijnemus tetradactijlus CV. ibid. Mac. 47. » mierostoma Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 217. Baul. 48. Upeneus barberinoïdes Blkr. ibid. III p. 262. Bul. 49. Upeneoïdes vittatus Blkr. = Upeneus vittatus CV. Verh. B. G. XXII Percoïd. Mac. Bul. 50. » bivittatus Blkr.= Upeneus bivittatus CV. ibid, Kema. 51. » variegatus Blkr. ibid, Mac. Bul. 52. Dactylopterus orientalis CV. Nat. T. N. IL. III p. 264. Mac. 53. Platycephalus insidiator Bl. Verh. Bat. G. XXII Sclerop. Bul. 54. » scaber CV. ibid. Mac. 55. » isacanthus CV? Nat. Tijdschr. N. Ind. II p. 481, III p. 63. Mac. 56. » pristiger GN Mac. 57. Scorpaena picta CV. Mac. dik 58. Pterois zebra CV. Nat. Tijdschr. N. Ind, III p. 265. Mac. 59. Apistus plagiometopon Blkr. Bul. 60. Otolithus argenteus K. v. H, Verh. Bat. Gen. XXIII Sciaen. Mac. 61. Umbrina Kuhlii CV. ibid. Mac. 62. Pristipoma hasta CV. ibid. Bul. 63. » therapon Blkr. ibid. - Bul. 64. » caripa CV. ibid. Kema. 65. » kaakan CV. Mac. 66. Diagramma punctatum Ehr. CV. Verh. B.G. XXIII Sciaen. Bul. 67. » crassispinum Rüpp. ibid. Bul. 63. » pelytaenia Blkr. Mac. 69. Scolopsides monogramma K. v. H. Verh. B. G. XXII Sciaen. Bul. 70. » torquatus CV, ibid, Bul. 71. » Vosmeri CV. ibid. Mac. 72. » margaritifer CV. ibid. Kema. H5: » lycogenis CV. ibid. Mac. 74. Heterognathodon xanthopleura Blkr. ibid. Nat. T. NI. I p. 101. Mae. 75. » nemurus Blkr. Mac. 76. Malacanthus taeniatus CV. Nat. T. N, Ind. HI p. 218. Baul. 77. Pagrus longifilis CV. Bul. 78. Dentex taeniopterus CV. Verh. B. Gen. XXIII Spar. Mac. den op miecrodon Blkr. Nat, T. N, Ind. II p. 219. Bul. 80. A nematopus Blkr. ibid. II p. 219. Bul. 81. » obtusus S. Müll (Spec?) Mac. 92. Lethrinus latifrons Rupp. Nat. T. N. Ind. II p. 220 Bul. 88. Caesio pinjalo Blkr. Verh. B. Gen. XXIII Maen. Nat. T. N. I. I p. 105. Bul. 84 » _erythrogaster K. v. H. ibid, Mac. Bul. 85 » __ehrysozonus K. v. H. ibid. Mac. 86. Emmelichthys leucogrammicus Blkr, ibid. N. T. NI. I p. 108. Mac. Bul. 87. Gerres filamentosus CV. ibid. Bul. 88. Chaetodon vagabundus CV. ib. XXIII Chaetod. Mac. 99. » oligacanthus Blkr. ibid. Nat. T. N. 1. p. 105. _ Mac. 90. » vittatus Bl. Schn. ibid. Mac. ij1. » chrysozonus K. v. H. ibid. Mac. 92, » Kleinii Bl, Mac. 93. Heniochus macrolepidotus CV. Verh. Bat. G. XXIII Chaetod. . Zanclus cornutus CV. ibid. . Drepane punctata CV,== Drepane longimana CV. ibid. Mac. Bul. ‚ Scatophagus argus CV. ibid. Mac. Bul, . Holacanthus dux Lac. Mac. 745 98. Holacanthus imperator CV. Mac. 99, Platax Boersii Blkr. Mac. 100. Pimelepterus indicus K. v. H. Nat. T. N. Ind. III p. 727. Mac. 101. » marciae QG. 102. Psettus rhombeus CV. Verh. B. Gen. XXIII Chaetod. Bul. 103. Pempheris moluca CV. ibid. Mac. 104. Toxotes jaculator CV. ibid. Mac. 105. Anabas scandens CV. ibid. Doolh. Kieuw. Kema, Tondan. 106. » variegatus Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 220. Kema. 107. Ophicephalus striatus Bl. Verh. B.G. XXII Doolh. Kieuw. Tondano. 108. Scomber loo CV. ib. XXIV Makr. Bul. 109. Cybium guttatum CV. ibid. Mac. 110. » Commersonii CV. ibid. Mac. 111. Chorinemus sancti Petri CV. ibid. Mac. Kem. 112, » Commersonianus CV. ibid. Mac. 113. » aculeatus CV. Mac. 114. Trachinotus mookalee CV. Verh. B. G. XXIV Makr. Bul. 015. » Baillonii CV. ibid. Kema. 116. Trichturus haumela CV. ibid. Mac. 117. Megalaspis Rottleri Blkr. ibid. Mac. 118. Decapterus kurra Blkr. ibid. N. T. N. Ind. I p. 358. Mac. 119. Selar Hasseltii Blkr. ibid. ibid. p. 359. Mac. 120. » Kuhlii Blkr. ibid. ibid. p. 860. Mac. Bul. 121. » torvus Blkr. ibid. Bul. 122. » boöps Blkr. ibid. Mac. 123. Selaroïdes leptolepis Blkr. ibid. Mac. Bul. 124. Caranx Forsteri CV. ibid. N. T. N. Ind. III p. 164. Bul. Kema. 125. Carangichthys typus Blkr. Kema. 126. Carangoïdes talamparah Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Makr. Mac. 127. » citula Blkr. ibid. Bul. 128. » blepharis Blkr. ibid. Kema. 129. Gnathanodon speciosus Blkr. ibid, Mac. 130. Seriola Ruppellii CV. ibid. Bul. 131. Coryphaena chrijsurus CV. Mac. 132. Stromateus niger Bl. Verh. B. Gen. XXIV Makr. N. T. N. Ind. I p. 370. Mac. 133. Gazza minuta Blkr. ibid. Bul. 184, Equula ensifera CV. ibid, Bul. RS. OO» gomorah CV. ibid. Mac. Bul. 136. » bindoïdes Blkr. ibid. N. T.N.Ind. I p. 372 Bul. E57. » oblonga CV. ibid. Bul. 138. » insidiatrix CV. ibid. Bul. 139. Mene maculata CV. ibid. Mac. 140. 141. 142. 143. 144. 145. 146. 147. 148. 149. 150. 15t. 152. 153. 154. 155. 156. 157. 158. 159. 160. 161. 162. 163. 164. 165. 166. 167. 168. 169. 170. 171. 172. 175. 174. 175. 176. 177. 178. 179. 746 Amphacanthus vermiculatus CV. ib. XXIII Teuth. Bul. » javus CV. ibid. Mac. » corallinus CV. ibid. Mac. » vulpinus M. Sch. Kema. Acanthurus matoïdes CV. Verh. Bat. G. XXII Teuth. Mac. » humeralis CV. Mac. » celebicus Blkr. Mac. Naseus lituratus CV. Mac. Cestraeus plicatilis CV, ? Aq. dulc. Atherina argijrotaeniata Blkr. Contr. ichth. Celeb. Journ. Ind. Arch. 1849. Mac. Opistognathus Sonneratii CV? Nat. T. N, Ind. II p. 221. Bul. Gobius celebius CV. » Fontanesii Blkr. Bul. Sicydium ecynocephalum CV. Menado. Eleotris belobrancha CV. Menado aq. dul. » melanopterus Blkr. Bul. Kema. » ophicephalus K. v. H. Verh. B. Gen. XXII Go- | bioïd. Kema. Platyptera aspro K. v. H. Menado. Callionymus filamentosus CV. Nat. T. N. Ind. HI p. 278. Batrachus grunniens CV. Nat. Tijdschr. N. I. II p. 484. Mac. Fistularia immaculata Comm. ibid. Mac. Cichlops melanotaenia Blkr. Mac. Pseudochromis fuscus Mull. Frosch. Amphiprion ephippium CV. Mac. » percula CV. Nat. T. N. Ind. III p. 287. » trifasciatus CV. Mac. Premnas trifasciatus CV. Mac. Pomacentrus trimaculatus CV. » nigricans CV. » albifasciatus M. Schl. ’ Glyphisodon bengalensis CV. Verh. Bat. Gen. XXI Kamsch. Labr. Mac. » coelestinus CV. ibid. Menad. » waigiensis CV. ib. Bul. » melas K. v. H. ib. » rahti CV. Nat. T. N. Ind. III p. 287. Crenilabrus oligacanthus Blkr. Nat. T. N. Ind. III p. 68. Mac. Cossyphus Schoenleinii Agass. Tautoga melapterus CV. Verh. B. Gen. XXII Gladsch. Labr. Mac. Bul. Cheilio auratus CV. Nat. T. N. Ind. II p. 221. Mae. Bul. Novacula pentadactyla CV. ib. II p. 222. Bul. 11 » _ (Halichoeres) casturi Blkr. ‚ Cheilinus chlorurus Blkr. —= Cheilinus guttatus Blkr. =— Spa- rus chlorurus Bl. Verh. B. G. XXII Gl. Labr. » fasciatus CV. ibid. » decacanthus Blkr. Nat. T. N. Ind. II p. 256. . Scarus naevius CV ? » _fraenatus Lac. ? . Plotosus unicolor K. v. H. Verh. B. G. XXI Sil. bat. 188. » lineatus CV. ibid. 139. » macrophthalmus Blkr. ibid. 190. Belone annulata CV. 191. » timucoïdes. S. Müll (spec?) 192. Hemiramphus melanurus CV. Verh. B. G. XXIV Snoek. 195. » erythrorhynchos CV. 194. » Commersonii CV. Verh. B. Gen. XXIV Snoek. 195. » Dussumierii CV. 196. Exocoetus oxycephalus Blkr. . Chiroeentrus dorab CV. Verh. B. G. XXIV Chir. ‚ Elops saurus CV. ibid. ‚ Megalops indicus CV. ibid. ‚ Sardinella leiogaster CV. ibid. Haring. » elupeoïdes Blkr. ibid. …. Clupeoïdes macassariensis Blkr. ibid. . Spratella tembang Blkr. ibid. . Spratelloïdes argyrotaenia Blkr. ibid. . Engraulis Grayi Blkr. ibid. Nat. T.N. Ind. JI p. 492, » encrasicholoïdes Blkr. ibid. ibid. III p. 173. » Zollingeri Blkr. ibid. „ Chatoessus selangkat Blkr. ibid. Nat. T. N. Ind. III. p. 458. » nasus CV. Nat. T. N. Ind. IT p. 223. „ Notopterus Bontianus CV.? ? p. . Conger bagio Cant. ‚ Saurida tombil CV. Verh. B. G. XXIV Chir. Salm. » nebulosa CV. Nat. T. N. Ind. III p. 292. ‚ Ophisurus brachysoma Blkr. „ Plagusia lida Blkr. Verh. B. G. XXIV Pleuron. Nat. T. N. Ind. I p. 418. » marmorata Blkr. ibid. ibid. I p. 411. „ Muraena pseudothyrsoïdea Blkr. „ Balistes armatus Lac. ibid. Balist. Nat. T.N. Ind. I. p. 224. » _ praslinus Lac. ibid. » _conspicillum Bl. Schn. „ Julis (Julis) lunaris CV. Verh. B.G. XXII Gladsch. Labr. Bul. Kem. Mac. Mac. Bul. Mac. Bul. Bul. 748 221. Balistes lineatus Bl. Schn. ibid. N.T.N. Ind. II p. 260. Mac. Bul. Kem. 222. Monacanthus melanuropterus Blkr. Kema. 223. Triacanthus Russellii Blkr. ibid. Mac. 224. Pogonognathus barbatus Blkr. ibid. Mac. 225. Tetraödon lunaris Cuv. ibid. Blootk. Mac. Bul. 226. » Honkenii Bl. Mac. 227 » argenteus Lacép. Mac. 228. Diodon punctatus Cuv. Verh. Bat. Gen. XXIV Blootk. Mac. 229. Chiloscyllium punctatum MH. Verh. B. G. XXIV Plagiost. Mac. 250. Scyllium maculatum Gr. Hardw. ibid, Mac. 231. Carcharias (Prionodon) sorrah Val. ibid. Mac. 232. Sphyrna Blochii MH. ibid. Mac. 253. Rhynchobatus laevis MH. ibid. Mac. 234. Narcine timlei MH. Mac. 235. Taeniara lymma MH. Verh. B.G. XXIV Plagiost. Nat. T. N. Ind. III p. 85. Mac. Bul. . Áëtobatis flagellum MH. Mac. Pr Cte WE er DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTICAE. PERCOIDEL. Serranus rhyncholepis Bikr. Serran. corpore oblongo compresso, altitudine 4 fere in ejus longitudi- ne, latitudine 2 eirciter in ejus altitudine; capite convexo 84 ecirciter in longitudine corporis; altitudine capitis }2 circiter in ejus longitudine; o- culis diametro 44 circiter in longitudine capitis; linea rostro-dorsali fron- te convexa; rostro toto squamoso; maxilla superiore squamis nullis, maxil- la inferiore inferne tantum squamosa; maxilla superiore inferiore paulo brevi- ore, post oeulam desinente, dentibus pluriseriatis, serie externa conicis, serie- bus internis setaceis antice longioribus in thurmas 2 collocatis et insuper caninis 2 medioeribus; maxilla inferiore dentibus antice pluriseriatis serie interna longioribus, antice caninis 2 parvis; praeoperculo subrectangulo, margine posteriore convexo dentibus valde conspicuis angulum versus majoribus; suboperculo interoperculogue margine glabris; operculo spi- nis 3, media longiore, superiore breviore; dorso elevato valde convexo; ventre rectiusculo; squamis lateribus ciliatis 80 p. m. in serie longitudinalis pinnis- dorsali et anali radiosis rotundatis; dorsali spinosa dorsali radiosa non altiore, spinis mediis spinis ceteris longioribus corpore paulo plus duplo humilioribus; pectoralibus rotundatis 5, ventralibus acutis 64 cir= citer, caudali obtusa convexa 5A circiter in longitudine corporis; anali spina media capite triplo circiter breviore;s colore corpore pinnisque fus- CO; squamis lateribus singulis guttula flavescente vel coerulescente; mem=- brana pinnae dorsalis spinosae parte lobata flava. B. 7. D. 11/17 vel ì1/18. P. 2/16. V. 1/5. A. 3/7 vel 3/8. GC. 17 et lat. brev. Habit. Bulucomba, Celebes austro-oecidentalis, in mari. Longitudo speeiminis uniei 172''/, Aanm. In habitus heeft Serranus rhincholepis veel van Ser- ranus labriformis Jen. (Zoöl. Beagle, Fish. p. 8 tab. 3) van den Galapagos Archipel, doch deze verschilt er voornamelijk van door aanmerkelijk kortere borstvinnen, het gevlekt zijn des lig- chaams met bruingeel, zwart en wit en door de roode vinranden. 750 Mesoprion melanospilos Blkr. Mesopr. corpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus lon- gitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite convexo 34 cir-_ citer in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus longitu- dine; oculis diametro 84 circiter in longitudine capitis; linea rostro-fron- tali declivi-convexiuscula; osse suborbitali sub oeulo oeulo duplo circiter humi- liore; maxilla superiore inferiore paulo longiore, sub medio oculo desi- nente, dentibus serie externa conicis antice caninis 4 vel 6 mediocribus; maxilla inferiore dentibus serie externa conicis anticis lateralibus vix vel non majoribus; praeopereulo postiee et inferne denticulato, incisura profunda quasi bipartito, parte inferiore rotundato; operculo spinis 2 planis parum conspicuis; dorso elevato; squamis lateribus 60 p. m. in serie longitudi- nali; pinnis dorsali et anali radiosis rotundatis, dorsali spinosa radiosa paulo altiore, spina 1* ultima breviore, 5* ceteris longiore 24 circiter in altitudine corporis; pectoralibus acutis 4, ventralibus acutis 6, caudali emarginata angulis acuta 5 fere in longitudine corporis; anali spina 2° ceteris longiore, parte radiosa dorsali radiosa non altiore; colore capite dorsoque violascente, lateribus inferneque flavo; dorso macula magna diffusa nigra lineam lateralem inter et radios dorsales anteriores; pinnis flavis vel aurantiacis, dorsali spinosa nigro marginata, pectoralibus basi superne macula nigra parva. B.'7. D. 10/14 vel 10/15. P. 2/14. V. 1/5 A. 3/8 ‘velsen U. J7et lat. brev. Habit. Bulucomba, in mari. Longitudo speciminis unici 146'//, Aanm. Deze soort is na verwant aan Mesopion fulviflamma (Diacope fulviflamma GV.) , doch heeft de praeoperkelinsnij- ding veel dieper, de zwarte zijvlek wat meer achterwaarts en nagenoeg boven de zijlijn geplaatst, 1 straal meer in de rug- vin, mist de gele overlangsche banden enz. Mijn specimen, na reeds geruimen tijd in spiritus bewaard te zijn, vertoont donkere strepen, welke op den rug schuins, aan de zijden horizontaal geplaatst zijn. De soorten van Mesoprion (Diacope en n_Mesoprion CV.) on- dergaan veelal aanmerkelijke veranderingen in kleurteekening met toenemenden leeftijd, dikwijls zoodanig, dat de oude vis-_ schen niet meer op de jongere gelijken. Zulks bemoeijelijkt reeds de bepaling dier soorten, maar die bepaling is boven- dien voor vele soorten moeijelijk wegens de onvolledige be- . ä lk h 751 schrijving der kenmerken inhet groote vischwerk van den nieuweren tijd, naar hetwelk evenwel de ver van groote boe- kerijen en musea verwijderde ichthijologen hunne bepalingen groo- tendeels moeten rigten. Behalve dat welligt eenige der daarin beschrevene soorten van Diacope en Mesoprion behooren ver- eenigd te worden, zuilen misschien ook later door anderen bepaalde soorten tot daar reeds bedoelde behooren te wor- den terug gebragt. Mesoprion janthinuropterus Blkr. Mesopr. corpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus lon- ‚ gitudine, latitudine 22 circiter in ejus altitudine; capite 32 circiter in 5 longitudine corporis; altitudine capitis 1% ecirciter in ejus longitudine; oculis diametro 4} circiter in longitudine capitis; linea rostro-frontali de- clivi concava; osse suborbitali sub oeulo oeulo paulo humiliore; maxillis subaequalibus, superiore sub oculi dimidio anteriore desinente, dentibus serie externa conicis antice caninis 4 internis. parvis externis magnis; maxilla inferiore dentibus serie externa conicis, lateralibus aliquot majo- ribus caninoïdeis; praeoperculo vix exciso, leviter emarginato margine posteriore et angulo denticulato, dentibus angulo rotundato valde couspi- cuis, margine posteriore minimis; operculo spina unica plana obtusa vix conspicua; dorso elevato; squamis lateribus 50 p. m. in serie longitudi- nali; pinna dorsali parte spinosa parte radiosa paulo altiore, spina 1° ce- teris breviore, 5° ceteris longiore 28 in altitudine corporis; parte radiosa rotundata; pinnis pectoralibus acutis 44, ventralibus acutis 64, caudali Ga extensa truncata angulis acuta 44 in longitudine corporis; anali spinis 2% et 3° subaegualibus, parte radiosa angulata dorsali radiosa altiore; colo- _re corpore superne rubro-violascente inferne roseo; rostro violascente; dor- so lateribusque singulis squamis punctulo fusco, strias obliquas et longi- tudinales efficientibus; pinna dorsali basi rubescente dimidio superiore vio- lacea; pectoralibus et anali rubris; ventralibus aurantiacis; caudali basi rubra maxima parte violacca. BED. 10/14 vel 10/15. P. 2/15. V. 1/5. A. 3/8 vel 3/9. C. 17 et lat. brev. Habit. Bulucomba, in mari. Longitudo speciminis unicì 192'//, Aanm. Hoezeer ik boven geschetste soort niet kan terug- _ brengen tot eenige mij bekende, beweer ik daarmede niet, dat zij niet tot de eene of andere daarvan kan behooren, en stel HI. 57 752 ìk haar slechts voorwaardelijk als eene nieuwe voor. - Reeds meermalen heb ik gewezen op het onvoldoende der beschrij- vingen van vele soorten van Mesoprion in het groote nieuwere vischwerk , waardoor het soms zeer moeijelijk ja onmogelijk | wordt daarnaar alleen de soorten te bestemmen. Bij de onaan- nemelijke splitsing door Cuvier van Mesoprion en Diacope in 2 ge- slachten is het dikwerf zelf moeijelijk te bepalen of sommige soorten met geringe praeoperkeluitranding, zooals de hier on- derwerpelijke, tot zijnen Mesoprion of Diacope te brengen zou- den zijn. Ik heb den naam der soort ontleend aan hare donker vio- lette staartvin. Mesoprion macolor Blkr. Mesopr. corpore oblongo compresso, altitudine 84 circiter in ejus- lon- gitudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite obtuso convexo 32 circiter in longitudine corporis, aeque alto circiter ae longo; oculis dia- metro 84 circiter in longitudine capitis; linea rostro-frontali ante oculos praesertim convexa; osse suborbitali sub oculo oculi diametro duplo fere humiliore; maxillis subaequalibus, superiore sub oculi dimidio anteriore desinente; rictu valde obliquo; dentibus maxillis serie externa seriebus internis majoribus conicis, intermaxillaribus inframaxillaribus majoribus; caninis maxilla superiore 6 parvis; maxilla inferiore antice caninoïdeis 10, lateribus caninoïdeis nullis; praeoperculo subrectangulo angulo rotun- dato, margine posteriore incisuris profundis 2 superiore inferiore profun- diore tuberculum interoperculare dentiforme recipiente, dentibus angulo dentibus ceteris majoribus; operculo spinis nullis; dorso elevato; squamis lateribus 50 p. m. in serie longitudinalis pinnis dorsali et anali radiosis acutis, aequalibus, dorsali spinosa altioribus; dorsali spinosa spinis 3* et 4° longissimis spina l° duplo cireiter longioribus; pectoralibus acutis ana- lem attingentibus 82, ventralibus acutis 54 circiter, caudali emarginata lobis obtusis 44 circiter in longitudine corporis; anali spina postica spi- nis 1* et 2° longiore; colore capite et corpore superne nigro, lateribus in ferne ventreque albo; nigro dorso maculis rotundis magnis albis 5, ma- eulis 3 ad basin pinnae dorsalis, maculis 2 lineae laterali approximatis; lateribus inferne fascia axillo-caudali lata nigra caudalem inferiorem attin- gente; pinnis nigris, dorsali et anali radijs posticis et caudali apicibus albis. B. 7, D.-10/1A vel 10/15: P.:2/15: Ner1/6: A. SALT vEt REDT et lat. brev. 753 Synon. Rolat Valent. Ind. Amb. III p. 348 fig. 1. Macolor Renard Poiss. Mol. I tab. 9 fig. 60. II tab. 7 fig. 30. Diacope macolor CV. Poiss. II p. 313. Less. Mém. Soc. Hist. nat. IV p. 409. Voy. Coquill. Zoöl. II p. 230 tab. 22 fig. 2. Habit. Macassar, in mari. Longitudo speciminis unici 280/'/. Aanm. De afbeelding van den heer Lesson is vrij naauw- keurig, doch vertoont een witte rugvlek meer dan mijn spe- cimen. SCLEROPAREL Apistus plagiometopon Blkr. Apist. corpore oblongo compresso, altitudine 44 circiter in ejus longi- tudine, latitudine 14 circiter in ejus altitudine; capite acuto 84 circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 14 circiter in ejus longitudine; linea rostro-frontali declivi recta; oculis diametro 4 circiter in longitudine capitis, minus diametro 1 approximatis; fronte inter oculos depressa; ros= tro oculo breviore; maxilla superiore inferiore breviore sub medio oculo desinente; rictu valde obliguo; dentibus maxillis, vomerinis palatinisque minimis; cirris nullis; spinis suborbitalibus 2, superiore inferiore duplo fere longiore sub medio oculo desinente; praeoperculo spinis 4 superiore medioeri operculum non superante, ceteris parvis; squamis lateribus fere inconspicuis; linea laterali vix curvata sub posteriore pinnae dorsalis ra- diosae parte desinente; pinna dorsali spinosa divisa parte anteriore tri- spinosa basi tantum eum parte pinnae posteriore unita, spinis 2* et 8° subaequalibus corpore vix humilioribus sed spinis ceteris majoribus, 1° post oculum inserta; pinnis dorsali et anali radiosis convexis; pectoralibus obtusis capite paulo brevioribus 4 circiter in longitudine corporis, radio libero nullo; ventralibus acutiusculis pectoralibus paulo brevioribus ana- lem non attingentibus; anali spina 8* ceteris longiore corpore minus duplo humiliore; caudali truncata 5 circiter in longitudine corporis; colore cor- pore pinnisque, caudali excepta, profunde fusco; capite, maxilla superiore praeoperculoque maculis luteis; caudali viridescente fusco variegata. B D.°3—10/6.-P. 1/10. V. 1/5. A. 3/5. C. 10 vel 12 et lat. brev Habit. Bulucomba, in mari. Longitudo speciminis unici 45'//, Aanm. Bij den eersten oogopslag hield ik deze soort voor dezelfde als Apistus depressifrons Richards. (Zoöl. Samar. Fish. p. 1 tab 3 fig. 1, 2), welke mij gebleken is dezelfde te zijn 154 als mijne Apistus binotopterus (Nat. Tijdschr. N. Ind. 1 1850 p. 26) doch welker beschrijvingik niet kende, omdat de zoö- logie der reis van het schip Samarang eerst in 1850 voltooid en eerst in 1851 mij onder de oogen gekomen is. Apistus plagiometopon heeft echter veel kortere borstvinnen dan Apis- tus depressifrons en ligchaam en vinnen, de staartvin alleen uit- zonderd, donkerbruin, terwijl kaken en wangen er met eenige geelachtige vlekken geteekend zijn. | Andere na aan haar verwante soorten zijn Apistus trachi- noïdes GV. en Apistus Zollingeri Blkr. doch beiden hebben de voorste rugdoornen veel korter en andere kleuren, terwijl de getallen der vinstralen van Apistus trachinovdes anders zijn (D. 3—12/A vel 3—13/4. P. 1/11 V. 1/4) en bij Apistus Zollin- geri de ΰ rugdoorn boven den achterrand den oogs staat. Apistus dracaena CV., insgelijks zeer na aan bovengenoemde soorten verwant, heeft grootere onderoogkuils- en praeoper- kel-doornen, D. 12/8. A. 3/6. P. 12, enz. SCIAENOÏDEL Heterognathodon nemurus Blkr. Heterogn. corpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus longitudine absque pinna caudali, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine;' capite acuto 34 circiter in longitudine corporis absque pinna caudali; al- titudine capitis }4 circiter in ejus longitudine; linea rostro-frontali decli- vi rectiuscula; oculis diametro 4 circiter in longitudine capitis; fronte limboque praeoperculari squamosis; rostro acuto oculo vix longiore; osse suborbitali alepidoto, angulo oris oculi diametro plus duplo humiliore, emarginato; maxilla superiore inferiore vix longiore ante oculum desi- nente, antice caninis 4, externis internis longioribus, curvatis, divergen- tibus; osse maxillari superiore glabro; maxilla inferiore caninis 2 conicis rectis prominentibus divergentibus; praeoperculo rectangulo angulo obtuse rotundato, margine posteriore denticulato; operculo spina unica parva plana; linea dorsali linea ventrali multo convexiore; squamis ciliatis, la- teribus 55 p. m. in serie longitudinali ; squamis inguinibus interventralibusque acutis elongatis; pinna dorsali spinis gracilibus mediis ceteris longioribus membrana inter singulas spinas excisa, parte radiosa postice rotundata; pectoralibus obtusiusculis 5 circiter, ventralibus acutis radio 1° producto 755 4 circiter in longitadine corporis absque pinna caudali; anali postiee an- gulata; caudali semilunariter emarginata radio angulis in filum pinna lon- giorem produeto; colore corpore roseo-hyalino fasciis 2 longitudinalibus latis flavis, superìiore oculo-dorsali supra lineam lateralem decurrente, inferiore diffusa maxillo-oculo-caudali; ventre insuper fasia longitudinali rosea; linea laterali violascente; pinnis roseis, eaudali medio flava, mar- ginibus violascente. Bon 10/9 vel.10/10. PB. 2/14. Vo 1/5. A/3/7,vel. 3/8. C. 1. et lat. brev. Habit. Macassar, in mari. Longitudo speciminis unici absque filo caudali 230''', cum filo caudali 857, Aanm. Vroeger reeds heb ik geduid op de groote ver- wantschap tusschen Meterognathodon en Pentapus. De ver- wantschap wordt door deze soort weder nader aangetoond. Zij zou geheel tot Pentapus te brengen zijn indien de praoperkel- tanden en haar niet van uitsloten en haar zelfs volgens de Cuviersche familiebepaling tot de Sciaenoïden of wel tot de Maenoïden deed brengen Diagramma polijtaenia Blkr. Diagramm. corpore oblongo compresso, altititdine 34 circiter in ejus longitudine, latitudine 2 et paulo in ejus'altitudine; capite obtuso, valde convexo, 44 circiter in longitudine corporis, aeque alto ae longo; oculis diametro 32% in longitudine capitis; linea rostro-frontali rostro valde de- clivi rectiuscula; osse suborbitali angulo oris oculi diametro paulo humi- liore; maxilla superiore inferiore vix longiore sub oculi parte anteriore _ desinente; dentibus maxillis serie externa conicis aequalibus seriebus in- _ ternis majoribus; maxilla inferiore poris 6 valde conspicuis; pracoperculo ‚ rectangulo angulo rotundato, margine posteriore leviter emarginato; squa- mis lateribus 100 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali ra- diosis acute rotundatis altitudine subaequalibus, corpore plus duplo hu- _ milioribus; dorsali spinosa spinis 3°, 4° et 5° spinis ceteris longioribus, corpore triplo circiter humilioribus; pectoralibus acutis 54 in longitudine corporis; ventralibus acutis pectoralibus vix brevioribus; anali spina 2* spina 3° longiore, spina 1° minima; caudali truncata angulis acuta 5 et paulo in longitudine corporis; colore corpore pinnisque pulchre aurantiaco- flavo; ventre flavescente-griseo; fasciis capite corporeque longitudinalibus 9 margaritaceo-coeruleis nigro marginatis, fasciis 4 superioribus vertice et 736 fronte incipientibus et basi pinnae dorsalis desinentibus, fasciis & sequenti- bus cephalo-caudalibus, fascia inferiore maxillo-anali; ore interne rubro. B. 6. D. 12/22 vel 12/23. P. 2/15, V. 1/5. A. 3/7 vel"3/8. ©. 17 et lat. brev. Habit. Macassar, in mari. Longitudo speciminis unici 301’'/. Aanm. Deze fraaije soort is gemakkelijk van alle bekende te onderkennen aan haar fraai geel ligchaam en hare 9 overlang- sche zwart gerande parelkleurige banden. SPAROIDEL Pagrus longifilis CV. Poiss. VI p. 118. Pagr. corpore oblongo compresso, altitudine 24 circiter in ejus longitu- dine, latitudine 84 circiter in ejus altitudine; capite convexo obtuso, lon- gitudine 14 circiter in ejus altitudine, 44 circiter in longitudine corporis; linea’ rostro-frontali fronte convexa rostro concaviuscula; oculis diametro 3 ecirciter in longitudine capitis; osse suborbitali oculi diametro altiore, _alepidoto; maxillis dentibus tri- vel pluriseriatiss maxilla superiore inferi- ore paulo longiore, sub oculo desinente, dentibus antice caninis 2 coni- cis, globularibus majoribus serie externa p. m. 8 serie secunda p. m. 5; maxilla inferiore antice caninis 4 vel 6 eonicis, globularibus majoribus se- riebus externa et interna p. m. 4; praeoperculo subrectangulo angulo ro- tundato, limbo alepidoto; operculo spina unica plana; squamis lateribus 50 p. m. in serie longitudinali, 22 p. m. in serie transversali; pinna dorsali spinosa spina 1° brevissima, spinis 5 sequentibus maxime productis flexili- bus, anticis 2 corpore altioribus, tota pinna dorsali longioribus; spinis 5 posticis totis osseis non productis; membrana inter spinas anteriores usque prope basin pinnae incisa; dorsali radiosa margine superiore convexa; peetoralibus acutis 8 circiter in longitudine corporis; ventralibus pectora- libus brevioribus radio primo in filum producto; anali spinis 2° et 38° sub- aequalibus, parte radiosa postice angulata; caudali emarginata angulis a- cutiuscule rotundatis 5 circiter in longitudine corporis; colore corpore su- perne roseo inferne roseo-argenteo; pinnis roseis; membrana dorsali spi- nosa nigro marginata. B6. DeAl1/10- vel, EI/LI. B 2/185: Vor THO VAALS SA OPEN NO Geel et lat. brev. Synon. Kooroota Russ. Corom. Fish. II p. 1 fig. 101. Pagre à longs filets CV. Poiss. VI p. 118. Habit. Bulucomba, in mari, 757 Longitudo speciminis unici 201'’/, Aanm. Deze soort is zeer waarschijnlijk Pagrus longdfilis GV. van welke door Russerr eene vrij goede afbeelding gegeven is. Bij mijn specimen bevindt zich slechts een enkele korte doorn voor de verlengde rugdoornen en ik vind er 9 of 10 aarsvin- stralen en niet 8, zooals in het groote vischwerk opgegeven wordt. Russerr’s afbeelding vertoont 7 verlengde rugvinstra- len, terwijl bij mijn specimen slechts 5 verlengd en buigzaam zijn. De kleuren van mijn exemplaar hebben door den wijn- geest veel geleden. Overlangsche banden zie ik er niet. CHAETODONTOIDEL Holacanthus dux Lacép. Poiss. IV p. 584. GV. Poiss: VII p. 138. Rupp. N. W. F. Abyss. F. R. M. p. 97. Holac. corpore oblongo compresso, diametro dorso-ventrali 8 circiter in longitudine corporis; capite obtuso 5 circiter in longitudine corporis; li- nea rostro-frontali inferne concaviuscula; linea rostro-dorsali linea rostro- ventrali breviore; oculis diametro 84 circiter in longitudine capitis; osse suborbitali angulo oris altitudine oculi diametro aequali vel altiore inferne den- ticulis 3 vel 4 vix conspicuis; praeoperculo margine dentato dentibus ali= quot ceteris majoribus, spina oculo duplo ecirciter longiore; squamis late- ribus 50 p. m. in serie longitudinali; pinna dorsali spinosa spina ulti- ma ceteris longiore , parte radiosa rotundata corpore duplo circiter hu- miliore; pectoralibus obtusis 54 eirciter, ventralibus acutis radio 1° pro- _ ducto 44 ad 5 fere, caudali rotundata obtusa 54 circiter in longitudine corporis; anali rotundata corpore duplo circiter. humiliore; capite fusces- cente-aureo, vittis coeruleis violaceo marginatis, rostro=frontali, praecocu- lari, dorso-postoculari sub oculo desinente et dorso-operculari; corpore fasciis transversis pulcherrine flavo-aureis 8, ls et 2? dorso-ventralibus, 38°, 4a, 52, 6° et 7° dorso-analibus, 8* caudali; fascia post singulas fascias au- reas margaritaceo-coerulea late utroque latere violaceo-nigricante limba- tas fasciis corpore auterioribus semilunariter curvatis convexitate antror- sum spectantibus; pinna dorsali spinosa fasciis corporis tincta, nigro mar= ginata; dorsali radiosa nigra coeruleo marginata et maculis numerosis par- vis azureis picta; pectoralibus aurantiaco-flavis; ventralibus pulcherrime fla- vis; anali fasciis longitudinalibus curvatis 11 vel 12 coeruleis et rubris 758 d alternantibus, coeruleo et nigro margiginata; caudali pulchre flava auran- tiaco marginata. B. 6. D. 14/19 vel 14/20. P. 2/14. V. 1/5, A. 3/19 vel 3/20. C. 17 et lat. brev. Synon. Martoginne De Vlam. Recueil No. 230. Ikan Sarasa jang bariska v. Gestreepte Sarasa-visch Valent. Ind. Amb. III p. 474 fig. 405. | Ikan Sengadjt molukko v. Molukze Hartog Valent. ibid. p. 504 fig. 507. Duchesse Renard Poiss. Mol. I tab. 14 fig. 81. Chietse-visch vel Toille peinte Renard ib. II tab. 38 fig. 169. Chaetodon diacanthus Boddaert Epist. ad Gaub. de Chaet. diac. 1772 Act. Soc. nat. Berol. III p. 459. Chaetodon dur Gmel. L. Syst. nat. ed. 13° p. 1255. Chaetodon Boddaertii Gmel. ibid. p. 1243. Chaetodon fasciatus Bl. Ausl. Fisch. tab. 195. Gestreifte Klippfisch Bl. ibid. | Bandoulière rayée Bl. ibid. Molacanthe duc Lac. Poiss. IV p. 534. CV. Poiss. VII p. 138 Acanthopode Boddaert Lac. ibid. p. 559, 560. AÁcanthopode Boddaertit Lac. ibid. " Aanm. De afbeeldingen van Rerarp en VALENTIJN zijn ui- terst inkorrekt en zelfs die van Brocu laat veel te wenschen over. Door hare heldere en fraaije kleuren is deze soort een der sierlijkste van haar geslacht. Holacanthus imperator GV. Poiss. VIT p. 185. Habit. © Macassar, in mari. LJ Longitudo speciminis unici a rostro usque ad basin pinnae caudalis zoer, Aanm. Mijn specimen heeft het achterste gedeelte des lig- chaams zoodanig beschadigd, dat eene volledige beschrijving er van niet mogelijk is. De talrijke reeds gepubliceerde af beel- dingen dezer soort in de werken van VALENTIJN, ReENARD, BLOCH en LacÉrÉpr, laten alle meerder of minder te wenschen over. _Platax Boersùú Blkr. Plat. corpore rhomboïdeo, (absque pinnis) altiore quam longo, (pinna 759 eaudali inelusa longiore quam alto); linea dorso-rostro-ventrali arcum eirculi similante; linea rostro-frontali leviter convexa; linea rostrospeeto- rali linea rostro-dorsali duplo breviore; ecapite 44 circiter in longitudine corporis, duplo altiore quam longo; rostro non prominente; oculis diame- tro 21 circiter in longitudine capitis; osse suborbitali angulo oris oculi diametro plus duplo humiliore; poris inframaxillaribus utroque latere 3 vel 4; squamis lateribus 45 p. m. in serie longitudinali; pinnis dorsali et anali acutissimis elongatis, dorsali corpore altiore; pectoralibus obtusis capite vix brevioribus; ventralibus acutissimis pinnam caudalem attingen- tibus spina capite longiore; colore corpore griseo vel fuscesente-griseo ; fascia oculari et dorso-ventrali nigricantibus; pinnis pectoralibus viridibus, ventralibus nigris, ceteris viridi-nigrieantibus, caudali postice flavo mar- ginata. B. 6. D. 5/34. P. 2/13 vel 2/14. V. 1/5. A. 3/27. C. 17 et lat. brev. Habit. Macassar, in mari. Longitudo speciminis unici 150/'/. Aanm. Deze soort staat in verwantschap tusschen Platax teira CV., Platax Blochiü CV., en Platax Gaimardi GV. In habitus heeft zij het meest van Platax tetra door haar cirkel- vormig profiel, maar bij Platax teira is het ligchaam even lang als hoog en het profiel boven de kruin sterker gebogen. Met Platax Blochit GV., en Platax Gaimardi GV. heeft zij gemeen, dat het ligchaam hooger is dan lang, doch bij Platax Blochit is het profiel stomphoekig, de snuit-voorhoofdslijn nagenoeg regt en de snuit vooruitstekende, terwijl er de vertikale en de buikvinnen, bij exemplaren van dezelfde grootte als het boven- beschrevene, aanmerkelijk korter zijn. Bij Platax Gaimard CV. is het ligchaam even even hoog als lang met inbegrip der staartvin, schijnt het oog meer achterwaarts geplaatst te zijn, reiken de buikvinnen slechts tot het midden der aarsvin, is de buikvindoorn meer dan drie maal korter dan de langste buikvinstraal, heeft de borstvin 19 stralen , enz. Ik draag deze nieuwe soort op aan den heer W.J. A. W. Boers, aan wien hare kennis te danken is. HI 58 760 SCOMBEROIDEL. Carancicuruys Blkr. Dentes supramaxilares et inframaxillares pluriseriati, serie ex- terna longiores, maxilla inferiore antice aliquot caninoidei. Den- tes vomerini, palatini, linguales. Praeoperculum denticulatum. Linea lateralis scutis spiniferis armata. Membrana branchí- ostega radiis 77, Aanm. Dit nieuwe geslacht is zeer merkwaardig wegens het getand zijn des praeoperkels, hetwelk men, voor zoover mij bekend is, nog bij geene enkele soort van Scomberoïden van de groote afdeeling met gewapende zijlijn heeft aangetrof- fen. Reeds hierdoor verdient het als een afzonderlijk genus aangemerkt te worden, doch ook in zijn tandenstelsel levert het bijzonderheden op, welke het van Carangoïdes Blkr. en Caranx Blkr. doen verschillen. Overigens staat het is verwant- schap tusschen Caranx Blkr. en Carangovdes Blkr. en heeft in habitus het meest van laatstgenoemd genus. Carangichthys typus Blkr. Carangichth. corpore oblongo compresso, altitudine 3 fere in ejus lon- gitudine, latitudine 8 eirciter in ejus altitudine; capite convexiusculo 4 fere in longitudine corporis, aeque alto circiter ae longo; vertice ele- vato convexiusculo; linea rostro-frontali declivi rectiuscula; oculis maxi- ma parte in anteriere dimidio corporis sitis, diametro 84 eirciter in lon- gitudine capitis, minus diametro 4 a linea rostro-frontali remotis;s osse suborbitali angulo oris oculi diametro duplo bumiliore; rostro oculo non longiores maxillis aequalibus, superiore deorsum valde protractili, sub 5 medio oculo desinente; dentibus maxillis serie externa. seriebus internis longioribus ecurvatis subaequalibus; maxilla inferiore antice dentibus ali- quot eaninoïdeis; praeoperculo margine posteriore dentibus valde conspi- cuisz dorso elevato convexo; linea ventrali obtusangula linea dorsali mul- to humiliore; genis, operculis superne et triangulis pectoralibus lateralibus — superne squamosis; triangulis lateralibus inferne et triangulo inferiore to= tis alepidotis; linea laterali usque sub radio pinnae dorsalis radiosae — medio ecirciter curvata, curvatura valde aperta, postice scutis spiniferis — p. m. 22, latissimis 12 ecirciter in altitudine corporis; pinnis acutis; dors 761 sali spinosa spina 3s ceteris longiore corpore triplo eireiter humiliore; dorsali radiosa acutissima corpore paulo humiliore; pectoralibus acutis capite brevioribus 44 circiter in longitudine corporis; ventralibus acutis pectoralibus paulo brevioribus, spinas anales attingentibus; spinis analibus parvis, posteriore longiore; pinna anali acutissima dorsali radiosa paulo humiliore; caudali lobis acutiuscule rotundatis 44 circiter in longitudine corporis; corpore superne viridescente inferne argenteo, toto aureo nebu- lato; operculo postice nigricante; pinna dorsali viridi apicem versus fuscescente; dorsali radiosa, anali, ventralibus, caudalique basi auran- fiacis, dimidio libero rubro-fuseis nigro marginatis; pectoralibus auran- tlaco-flavis. B. 7. D. 1 procumb. + 7—l—1l/18. P. 2/22. V. 1/5. A. 2—1/17. C. 17 et lat. brev. Habit. Kema, Celebes septentrionalis, in mari. Longitudo speciminis unici 115///. Aanm. In habitus heeft deze soort vrij veel van Carangordes fulvoguttatus Bkr. en Carangoïdes oblongus Blkr. doch is da- delijk herkenbaar aan haar sterk getand praeoperkel, aan hare kleuren enz. TEUTHIDES. Acanthurus celebicus Blkr. Acanth. corpore oblongo compresso, altitudine 8 fere in ejus longitu- dine, latitudine 3 et paulo in ejus altitudine; capite subrhomboïdeo 42 eirciter in longitudine corporis, altiore quam longo; oculis diametro 32 circiter in longitudine capitis; linea rostro-frontali inferne praesertim con- cava; rostro acuto; osse suborbitali oculi diamet\o duplo circiter altiores dentibus maxillis dimidio apicali denticulatis, maxilla superiore p. m. 16, maxilla inferiore p. m. 20; limbo praeoperculari valde obtusangulo lineae rostro-frontali snbparallelo; operculo et osse humerali valde striatis; squa- mis ctenoïdeis, parvis, deciduis, lateribus 80 p. m. in serie longitudinalis cauda spina oculo duplo fere breviore; pinnis dorsali et anali obtusis ro- tundatis, dorsali spina postica spinis ceteris longiore; dorsali radiosa et anali altitudine 24 circiter in altitudine corporis; pinnis pectoralibus acutis 44 ad 44, ventralibus acutissimis 5% circiter in longitudine corpo- ris; caudali radiis lateralibus valde productis 84 cireiter in longitudine corporis; colore corpore aurantiaco-fusco, capite profundiore; labiis ni- gris flavo vel coeruleo limbatis; pinnis dorsali, anali et ventralibus 762 nigricante-fuscis; pectoralibus dimidio basali nigris dimidio apicali auran- tiacis; caudali nigricante-viridi limbo posteriore aurantiaco. B. 5. D. 8/26 vel 9/25. P. 2/14. V. 1/5. A. 3/24 vel 3/25. C. 16 et lat. brev. Habit. Maecassar, in mari. Longitudo speciminis unici 225’. Aanm. Van de talrijke bekende bruinachtig gekleurde en ongestreepte soorten van Acanthurus met eigenlijke schubben is er geene, welker beschrijving voldoende op de bovenstaande past. Acanthurus celebicus is kenbaar. aan het langwerpige lig- chaam, hol profiel met vooruitstekenden snuit, hooge afgeron- de rug- en aarsvin, zeer verlengde zijdelijke staartvinstralen, , zwarte rug-, aars- en buikvinnen, witte lipbanden, zwart- en oranjekleurige borstvinnen enz. Eene na aan deze verwante soort is Acanthurus fuliginosus Less. (Voyag. Goquill. Zoöl. p. Î49 Poiss. tab. 27 fig. 2), doch behalve ligtere kleuren der vinnen en meer gewelfd voorhoofd, zou deze tot formule der rug- en aarsvin hebben D. 9/28 A. 3/20, welke getallen te zeer van de boven opgegevene afwijken om eene verdere toenadering toe te laten. Acanthurus humeralis GV. Poiss. X p. 170. Aecanth. corpore oblongo compresso, altitudine 3 et paulo in ejus lon- gitudine, latitudine 24 circiter in ejus altitudine; capite subovali 5 circi- ter in longitudine corporis, altiore quam longo; oculis diametro 4 et pau- lo in longitudine ecapitis; linea rostro-frontali convexa inferne tantum le- viter concavas rostro obtuso; osse suborbitali oeuli diametro plus duplo altiore; dentibus utraque maxilla 16 vel 18 dimidio apicali denticulatis den- ticulis obtusis; limbo praeoperculari valde obtusangulo ; operculo et osse hu- merali valde striatis; squamis ctenoïdeis, parvis, lateribus 125 p. m. in serie longitudinali; cauda spina oeulo non vel vix breviore; pinnis dorsali et anali postice obtusiusculis angulatis, dorsali spina postica spinis ceteris longiore corpore plus triplo humiliore; pinnis pectoralibus acutis 5 et pau- lo, ventralibus acutis 6} circiter, caudali emarginata lobis acutissimis val- de productis superiore longiore 4 circiter in longitudine corporis; colore corpore fusco; fascia longitudinali humerali aurantiaco-rubra nigro lim- bata longitudine pinnae pectoralis; regione nasali macula diffusa viridis; pinnis nigris pectoralibus postice coeruleis; caudali postice medio late se- milunariter alba nigro marginata. 165 B: 5. D.-9/24 vel 9/25. P. 2/15. A. 3/22 vel 3/23. C. 18 et lat. brev. Synon. kan Panglima of Veldheer Valent. Ind. Amb. III p. 409 fig. mas. Groot Eylander ou Insulaire de Manipe Renard Poiss. Mol. II tab. 12 fig: 55. Acanthurus olivaceus Bl. Schn. Syst. posth. p. 213. Acanthurus eparad Less. Voy. Coquill. Zoöl. II p. 147 tab. 27 fig. 1. Acanthure eparai Less. ibid. Acanthure à epaulette CV. Poiss. X p. 170. Eparaï Insul. Taitens. Habit. Macassar, in mari. Longitudo speciminis unici 258'//, Aanm. Volgens Lrsson gaaf in den verschen toestand een blaauwe band langs den achterrand des operkels en langs de basis der rugvin en is de formule van zijn specimen = D. 9/23. P. 14. V. 1/4. In het groote vischwerk is de formule op- gegeven = D. 9/25. P. 16. V. 1/5, dus meer beantwoordende aan die van het boven beschreven specimen. Naseus lituratus GV. Poiss. X p. 208. Nas. corpore oblongo compresso, altitudine 22 in ejus longitudine, la- titudine 3 fere in ejus altitudine; capite acuto 44 circiter in longitudine corporis, aeque alto circiter ac longo; oculis diametro 4 eirciter in longi- tudine capitis; linea rostro-frontali concava, fronte tantum convexa; fronte non cornuta; rostro acuto oculo triplo fere longiore; regione praeoculari sulco trigono; dentibus utraque maxilla 30 p. m. conicis obtusiusculis; operculo kumerogue squamosis; praeoperculo valde obtusangulo rotundato; squamis corpore minimis conspicuis, scabris; cauda utroque latere laminis 2 rotundis spiniferis armata, spinis latis valde eompressis oculo non vel vix brevioribus; pinna dorsali spina 1* crassissima spinis ceteris radiisque multo longiore, 34 circiter in altitudine corporis; dorsali radiosa parte an- teriore parte posteriore altiore corpore plus quadruplo humiliore; pecto- ralibus apice acutis 62 circiter, ventralibus acutis 8 et paulo, caudali se- milunariter emarginata angulid" acuta 5 et paulo in longitudine corporis; anali corpore plus sextuplo humiliore; colore corpore castaneo; regione supraoculari et ventre castaneo-rubris; labiis rubris; vitta oculo-maxil- lari rubra inferne postrorsum curvata; rostro nigricante; cauda rubra vel aurantiaca, inter laminas spiniferas vitta transversa coerulea; dorso et ven- 764 tre vitta coerulea ad basin pinnae dorsalis et analis; pinna dorsali antice tota postice dimidio inferiore nigra, postice dimidio superiore flavo su- perne nigro inferne coeruleo limbata; pectoralibus viridi-fuscis; ventrali- bus aurantiacis; anali aurantiaco-rubra nigro et albo marginata basi pos- tice fascia longitudinali viridi-fusca; caudali castanea postice margine du- pliee aurantiaco-viridi et flava vel alba. Bi4, D.6/31. P. 2/15. V.1/SS A. 2/31 C. oJ6tetslatstbrev- Synon. Jkan Maroeke of Maroeke visch Valent. Ind. Amb. III p. 371 Mikel 77. Marougue Renard Poiss. Mol. I tab. 28 fig. 128. Leervisch ou Poisson revêtu de cuir Ren. ibid. II tab. 31 fig. 147. Larpurus lituratus Forst. apud CV. Poiss. X p. 208. Acanthurus lituratus Bl. Schn. Syst. posth. p. 216» Acanthurus harpurus Shaw Gen. Zoöl. IV, I p. 381. Aspisusrus elegans Rüpp. Atl. R. N. Afr. F. R. M, p. 61 tab. NSP Monoceros ecornis Ehr. apud Rüpp. Atl. R. N. Afr. F. R. M. p. 61. Prionurus eoume Tess. Voy. Coquill. Zoöl. IT p. 151. Nason bariolé CV. Poiss. X p. 208. Aspisurus lituratus Rüpp. N. Wirb. F. Abyss. F. R. M. p. 130. Eoume Insul. Taïtens. Habit. Maecassar, in mari. Longitudo speciminis unici 235'''. Aanm. De getallen der rug- en aarsvinstralen schijnen bij deze soort aan aanmerkelijke verschillen onderhevig te zijn, daar andere schrijvers ze vermelden als slechts te bedragen D. 6/25 A. 2/28. Bij het specimen van de Roode zee, afgebeeld in het werk van de heer Rürrerrr, is de rugvin anders gekleurd en van voren geheel geel terwijl er de randstralen der staart- vin zwart zijn en zeer verlengd, wat bij mijn voorwerp het geval niet is. GOBIOIDEL db Gohbvus Fontanesii Blkr. „Gob. corpore elongato compresso, altitudine 9 ad 10 in ejus longitu- dine, latitudine 14 circiter in ejus altitudine; capite obtuso convexo, 6 circiter in longitudine corporis, duplo longiore quam alto; oculis diame- 765 tro 4 circiter in longitudine capitis, valde approximatis, totis in anterio= re dimidio capitis sitis; cute orbitali palpebraeformi; vertice squamoso; rostro convexo, obtuso, laevi, oculo breviore; rietu obliquo, sub medio oeulo desinente; maxillis dentibus pluriseriatis, maxilla superiore seriebus internis minimis, serie externa conicis curvatis majoribus; maxilla infc- riore antice dentibus seriebus internis minimis, serie externa conicis cur- vatis mnjoribus, lateribus medio caninoïdeis 4 curvatis; sulco oculo- operculari inconspicuo; squamis parvis, lateribus 90 p. m. in serie lon- gitudinali, squamis caudalibus squamis pectoralibus multo majoribus; appendice anali oblonga, obtusa; pinna dorsali spinosa corpore altiore spina 3* ceteris longiore; dorsali radiosa corpore altiore sed dorsali spi- nosa humiliore postice angulata; pectoralibus rotundatis capite vix bre- vioribus; ventrali acuta capite paulo longiore; anali corpore non altiore postice angulata; caudali obtusiuscule rotundata 44 circiter in longitudine corporis; corpore rufo fasciis 3 latis transversis diffusis fuscis, 1° sub pin- na dorsi spinosa, 2% et 8 sub pinna dorsi radiosa; capite superne punc- tis flavis; pinnis dorsali 12 et ventrali fuscis, ceteris rufis, verticalibus marginem liberum versus fuscis, dorsali radiosa basi membrana inter sin- gulas radios macula pulchre flava. BRD REN /lsnvele 1/16; 2 lv Meab/5 ir Aal 6e welval/17 C,o18 vel 15 et lat. brev. Habit, Bulucumba, in mari. Longitudo speciminis unici 156'// Aanm. Deze soort behoort tot de groep van Gobius lance- olatus Bl. en heeft daarmede groote verwantschap , maar hare staartvin is aanmerkelijk korter en stomper, hare borstvinnen en buikvinnen zijn langer, de vinstralen talrijker, de aars veel verder achterwaarts geplaatst enz. Van andere verwante Ame- rikaansche soorten, zooals Gobius baccalaus CV., Gobius sma- ragdus GV. en Gobius brasiliensis Bl. is zij even gemakkelijk te onderkennen. Gobius hasta T. Schl. (Faun. jap. Poiss. p. 144 tab. 75 fig. Î) van Japan, welke insgelijks tot deze groep behoort, heeft aanmerkelijk ranker ligchaam, andere kleurtee- kening, D. 8 — 20, spitsere staart- en borstvinnen enz. PSEUDOGCHROMIDES. Cichlops melanotaenia Blkr. Cichl, corpore oblongo compresso, altitudine 4 in ejus longitudine, la- 766 titudine 24 circiter in ejus altitudine; capite obtuso, convexo, 5 in lon- gitudine corporis, paulo altiore quam longo; oculis diametro 4 in longi- tudine capitis; rostro obtuso oculo breviore; osse suborbitalf oculi dia- metro humiliore; maxilla superiore 24 circiter in longitudine capitis, sub oculo desinente; maxilla inferiore prominente; rictu valde obliquo; den- tibus maxillis pluriseriatis, serie externa conicis majoribus, maxilla su- periore antice caninis 2, maxilla inferiore antice caninis 2 et utroque la- tero canino unico; dentibus vomerinis in vittam gracilem subsemilunarem dispositis; maxillis, mento rostroque alepidotis; fronte, vertice ossibus- que opercularibus totis squamosis, anacanthis; squamis ciliatis, lateribus 60 p- m. in serie longitudinali; linea laterali e tubulis simplicibus compo- sita, antice valde adscendente, sub radio pinnae dorsalis 19° circiter in- terrupta et sub radio dorsali 15° reincipiente; pinnis, ventralibus excep- tis, basi squamosis; dorsali ante radicem pectoralis incipiente, postice acuta, corpore paulo humiliore, radiis anticis radiis posticis longissimis plus duplo brevioribus; pectoralibus rotundatis 54 eirciter, ventralibus acutis- simis subfiligeris 42 circiter in longitudine corporis; anali postice acuta dorsali paulo humiliore; caudali rotundata 44 circiter in longitudine cor- poris; colore corpore superne fusco-rubro, inferne pulchre rubro; dorso lateribusque vittis 10 nigris longitudinalibus, 1* ad basin pinna dorsalis, 2* supra lineam lateralem, 98° sub media pinna dorsali desinente, 4* pos- tice cum 1* unita, 5*, 6*, 72 et &* basin pinnae caudalis attingentibus, 9° et 10* gastro-analibus; genis oblique fusco striatis; pinnis pulchre rubris, verticalibus nigro marginatis; dorsali antice punctis postice vittulis longi- tudinalibus profundioribus; anali vittis obliquis profundioribus; pectorali- bus superne basi macula triquetra nigra. B&D. 2/25, vel 2/26..B. 2/17. Ml /5e AxS/ld vel Sine iCie ok lat. brev. Habit. Macassar, in mari. Longitudo speciminis unici 185''/, Aanm. Deze uiterst fraaije soort is na verwant aan Ct- chlops cyclophthalmus J. Müll. Trosch., beschreven en afgebeeld in de Horae ichthyologicae van de heeren Troscuer en J. Mür- LER (aflev. III p. 24 tab. 4 fig. f), zoo zelfs, dat afmetingen des lig- chaams en getallen der vinstralen van mijn specimen vrij naauw- keurig aan de aangehaalde beschrijving beantwoorden. Evenwel spreken daar de heeren Mürrer en TroscneL van 4 hondstanden in de bovenkaak, van inplanting der rugvin boven de basis der borstvin en van gelijke hoogte van alle rugvinstralen, ter- wijl zij niets vermelden van de zeer scherp uitgedrukte over- 767 langsche banden des ligchaams. Volgens de afbeelding van Ci- chlops cyclophthalmus te oordeelen, is de buikvin er veel korter en begint de staartzijlijn veel verder achterwaarts dan bij C4- chlops melanotaenia. LABROIDEI CTENOÏDEL Amphiprion trifasciatus GV. Poiss. V p. 297. Amphipr. corpore oblongo eompresso, altitudine 2# ad 8 in ejus longi- tudine, latitudine 24 ad 24 in ejus altitudine; capite obtuso convexo 4 ad 42 in longitudine corporis, paulo altiore quam longo ; linea rostro-fron- tali convexa; fronte plana; oeculis diametro 3 eirciter in longitudine capitis; fronte alepidota; osse suborbitali sub oculo oculo plus duplo humiliore den- ticulis nullis sed spina parva deorsum spectante armato ; maxillis aequalibus ‚dentibus conicis valde conspicuis; maxilla superiore sub oculi parte anteriore desinente; rictu curvato; pracopereulo rectangulo angulo rotundato leviter dentato; ossibus opercularibus ceteris spinoso-dentatis -spinis gracilibus; squamis lateribus 50 p. m. in serie longitudinalis linea laterali simplice sub pinnae dorsalis parte posteriore interrupta; pinna dorsali partem spi- nosam inter et radiosam valde incisa, parte spinosa parte radiosa humi- lore spinis mediis ceteris longioribus, parte radiosa obtusa rotundata; pectoralibus rotundatis et ventralibus obtusis 5 circiter in longitudine cor- poris; anali rotundata, dorsali radiosa humiliore; caudali obtusa rotun- data 5 eirciter in longitudine corporis; colore corpore fuscescente-nigro, capite dilutiore; fascia dorso-operculari lata usque ad apicem pinnae dor- “salis radiosae producta et fascia dorso-anali lata margaritaceis; cauda margaritacea; pinna caudali nigra marginibus et angulis late margarita- ceis; pinnis dorsali, ventralibus analique nigris, anali albo marginata; pectoralibus violaceis. DR I/lA,vel.1l/15: P.-2/17. V. 1/5. A.-2/12 vel -2/18: C,-15 vel 17 et lat. brev. “ Synon. Amphiprion à trois bandes CV. Poiss. V p. 297. Habit. Macassar, in mari. Longitudo 2 speciminum 84//’ et 85'//, Aanm. Ik breng de bovenbeschrevene specimina tot Amphi- prion trifasciatus CV., niettegenstaande de staartvinnen er uit- _gerand zijn en de rug langs de rugvin de witte streep mist, welke verschillen slechts op eene verscheidenheid duiden. Mijne ui. 59 768 specimina hebben eene bijzonder groote overeenkomst met die, welke ik van Amphiprion bifasciatus Bl. Schn. bezit en zijn daarvan, behalve door den parelkleurigen staart en donkerder. gekleurd ligchaam, slechts te onderscheiden door minder bol profiel en aanmerkelijk platter voorhoofd. LABROÏIDEI CYCLOÏDEI Julis (Halichoeres) casturi Blkr. Jul. (Halich.) eorpore oblongo compresso, altitudine 83 circiter in ejus longitudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite acutiusculo 4 in longitudine corporis; altitudine capitis 11 circiter in ejus longitudine ; oeulis diametro 5 ecirciter in longitudine capitis; linea rostro-frontali su-_ perne ante oculos concava rostro convexa; rostro oculo longiore; labiis carnosis; dentibus maxillis parvis conicis, caninis nullis; dente angulo oris dentibus ceteris longiore, prominente; dorso humilis linea ventrali linea dorsali convexiore; linea laterali singulis squamis tubulo simplice notata; squamis lateribus 25 p. m. in serie longitudinali; squamis sub basi pinnae pectoralis squamis ceteris multo majoribus; pinnis dorsali et anali basi glabris, dorsali spina postica spinis ceteris longiore sed radio 1° mul- to humiliore, parte radiosa corpore triplo humiliore postice angulata; pectoralibus in dimidio corporis superiore sitis acutis 6 circiter, ventra- libus acutis 8 et paulo in longitudine corporis; anali corpore triplo hu- miliore postice angulata; caudali convexa 6 ecirciter in longitudine corpo- ris; colore corpore superne viridi, lateribus flavo, inferne margaritaceo- viridi; vittis corpore 4 longitudinalibus rubro-violaceis, superiore ad ba-_ sin pinnae dorsalis decurrente, 2° rostro-supraoculo-caudali, 38° maxillo-in- fraoculo-laterali ante apicem pinnae pectoralis desinente, inferiore mento= thoracico-caudali mento postrorsum et deorsum curvata thorace infra pinnam pectoralem decurrente; pinna dorsali rubra nigro marginata, parte spinosa vitta longitudinali nigricante; pinna caudali flava; pinnis ceteris viridibus. B. 6D. 9/11 vel 9/12.,B. 2/11. Na 1/5, A 8/11 vele Gee LEE lat. brev. Synon. Gallenay castourt Renard Poiss. Mol. I tab. 24 fig. 133. Habit. Macassar, in mari. Longitudo speciminis unici 130///, Aanm. Deze soort is het naaste verwant aan Julis (Ha- dichoeres) balteatus QG., doch laat zich onderkennen aan den eigenaardigen loop der overlangsche paarse banden, hoo- nn 7169 ger ligchaam, stomperen kop enz. Bij Julis (Halichoeres) bal- deatus QG. gaat de kin-operkelband slechts tot aan de kieuw- opening en gaat een band uit den oksel naar den staart. In mijne Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van de Banda-eilanden heb ik Renarp’s Gallenai castouri ten onregte (even als de heer Varenctennes) tot Julis balteatus QG. gebragt. Scarus naevius CV. Poiss. XIV p. 188? Scar. corpore oblongo compresso, altitudine 44 ad 33 in ejus longitu- dine, latitudine 2 in ejus altitudine; capite acutiusculo, leviter convexo, inter oculos planiusculo, 4 et paulo in longitudine corporis, longiore quam alto; oculis lineae frontali approximatis, diametro 5 eirciter in longitudine capitis; rostro convexo oculo multo longiore; labiis carnosis maxillas totas tegentibus; maxillis roseis, marginibus liberis denticulis utroque la- tere 20 p. m. crenulatis, dentibus angularibus nullis; maxilla inferiore superficie externa scabriuscula; maxilla superiore superficie externa gla- bra; squamis lateribus 22 in serie longitudinali, 8 in serie transversali; linea laterali singulis squamis valde arborescente; pinna dorsali spinis gracilibus subaequalibus corpore minus triplo humilioribus, membrana in- ter singulas spinas valde incisa non lobata; dorsali radiosa rotundata; pin- nis pectoralibus obtusis rotundatis 13 in longitudine ecapitis; ventralibus obtusiusculis capite duplo circiter brevioribus; anali angulata dorsali ra- diosa humiliore; caudali convexa 6 circiter in longitudine corporis; colo- re corpore superne aureo-viridi, inferne aurantiaco-flavo; genis olivaceis fasciis 2 transversis flavis; operculis olivaceo et flavo variegatis; squamis corpore plurimis macula magna irregulari nigricante-viridi; ventre insuper guttis luteis; pinna dorsali aurantiaco-viridi maculis magnis viridi-nigri- cantibus subfasciatim dispositis; pinnis ceteris aurantiacis, pectoralibus _ basi macula magna nigricante, ventralibus, anali caudalique viridi-fusco nebulatis, ED: 0/10 vel 9/11. P. 2/11. V. 1/5. A. 3/9 vel 3/10. C, 12 et lat. brev. Synon. Scare aur taches brunes CV. Poiss. XIV p. 188. Habit. Macassar, in mari. Longitudo 2 speciminum 205''’ et 228''’, Aanm. Deze soort moet na verwant zijn aan Scarus vaigiensis CV. (Poiss. XIV p. 159) van de Sechellen, doch laat er zich „miet wel mede vereenigen, daar van Scarus vaigiensis gezegd wordt, dat zij de oppervlakte der kaken glad heeft, dat er 7710 elke schub eene roodbruine vlek heeft, dat de groenachtige vertikale vinnen bruine stippen op de stralen hebben en de borst- en buikvinnen grijs zijn. Ik breng mijn specimen tot Scarus naevius CV. (Poiss. XIV p. 188) ofschoon de beschrij- ving der kleuren van den heer VALENCIENNEs eenigzins van de mijne afwijkt en van Scarus naevius gezegd wordt, dat zij de randen der kaken glad heeft. Scarus fraenatus Lacép. Poiss. IV p. 18 tab. 1 fig. 2. GV. Poiss. XIV p. 168? Secar. corpore oblongo compresso, altitudine 34 circiter in ejus longi- tudine, latitudine 2 et paulo in ejus altitudine; capite convexo, acuto, 3} circiter. in longitudine corporis, longiore quam alto; oculis a linea frontali remotis , diametro 6 circiter in longitudine capitis; rostro acuto, convexo, oculo vix duple longiore; labiis carnosis maxillas totas tegen- tibus;s maxillis roseis superficie externa glabris, margine libero crenulatis, utroque latere dentibus plus quam 20, angulis maxilla superiore dentibus 2, maxilla inferiore dente 1 extrorsum spectantibus; squamis lateribus 22 in serie longitudinali, 8 p. m. in serie transversali; linea laterali singulis squamis non vel vix arborescente; pinna dorsali spinis gracilibus subac- qualibus corpore plus triplo humilioribus, parte radiosa angulata; pinnis pectoralibus acutis 14 circiter, ventralibus acutis 12 circiter in longitudine capitis; anali angulata dorsali non vel vix humiliore; caudali radijs an- gularibus productis 5 ecirciter in longitudine corporis; corpore dimidio anteriore fusco-olivaceo, dimidio posteriore viridi-favescente, marginibus squamarum rubescentibus; colore lateribus profundiore ante apicem pin- nae pectoralis desinente; capite fascia maxillo-operculari lutea; rostro fusco-olivaceo; labio inferiore viridi et rubro limbato; pinna dorsali vio- Jascente antice profundiore, aurantiaco et violaceo limbata; anali dimi- dio basali violacea dimidio libero rubra; pinnis ceteris rubescentibus. B. 5. D. 9/10 vel 9/11. P. 2/12. V. 1/5. A. 3/9 vel 3/10. C. 13 et late brev. Synon. Scare bridé Lacép. Poiss. IV p. 12 tab. 1, fig. 2.? Habit. Bulucomba, in mari. Longitudo speciminis unici 245''/ Aanm. Het bovenbeschreven specimen vergelijkende met de afbeelding van Scarus fraenatus van Lackrùpr (Hist. Poiss. IV, tab. 1 fig. 2) komt het mij voor, dat het daartoe te brengen is, vooral op grond van de sterke afscheiding van het voorste 771 donkere van het achterste lichter gekleurde gedeelte des lig- chaams, den kaakoperkelband en de verlengde staartvinhoe- ken. Die afbeelding verschilt echter nog in zoo talrijke op- zigten van mijn specimen, dat men ligtelijk geneigd zou kunnen zijn, mijn specimen tot eene eigene species te brengen. Vol- gens aangehaalde afbeelding toch is de kop veel stomper en boller, zijn de rug- en aarsvinnen veel lager dan bij mijn specimen en is het punt van scheiding tusschen de donkere en heldere ligchaamshelft zoo ver achter de punt der borstvinnen als deze vinnen lang zijn. Indien die afbeelding alzoo betrek- king heeft tot dezelfde „soort als het bovenbeschreven speci- men , is zij zeer onnaauwkeurig. CommersoN vond deze soort in den Indischen Oceaan en heeft ‚daarvan eene afbeelding nagelaten, naar welke de figuur in het werk van LacÉrpkpr is genomen en naar welke de korte beschrijvingen van Lackrkpr en VALENCIENNES opgemaakt zijn. Ten opzigte der door mij opgegevene kleuren moet ik aanteekenen, dat zij door den wijngeest waarschijnlijk aanmerkelijk geleden hebben. ESOCGES. Exocoetus oxycephalus Blkr. Exocoet. corpore elongato quadrilatero, fere aeque lato ac alto, altitu- dine 7 eirciter in ejus longitudine; capite prismatico acuto, 54 ad 54 in lon- gitudine corporis; altitudine capitis ad medium oculum 2 in ejus longitudine linea rostro-frontali deelivi-rectinscula ; fronte concaviuscula; oculis diame- tro 3 circiter in longitudine capitis, diametro 1 ad 14 a se invicem dis- tantibus; rostro oculo minus duplo breviore; maxillis dentibus minimis, superiore, ore clauso, inferiore vix breviore, inferiore non cirrata symphysi vix tuberculata; squamis lateribus 50 p. m.in serie longitudinali; pinna dor- sali non vel vix ante analem incipiente, corpore duplo humiliore, anali non vel vix longiore; pectoralibus pinnae dorsalis partem posteriorem attingenti- bus, 2 fere in longitudine totius corporis; ventralibus pinnae analis partem mediam vel posteriorem attingentibus radiis 2 mediis ceteris longioribus 5 eirciter in longitudine corporis; anali corpore plus duplo humiliore: eaudali lobo inferiore longiore 44 ad 44 in longitudine corporis; colore dorso profunde coeruleo, lateribus ventreque margaritaceo vel argenteo; 712 pinnis dorsali et caudali virideseentibus, ventralibus analique hyalinis, pectoralibus violaceo-coeruleis. fi B. 11. D. 1/9-vel 1/10. P. 1/15 vel 1/16. V.6. A. 1/11 vel 2/10. C. 15 et lat. brev. Habit. Macassar, Batavia, in mari. Longitudo 3 speciminum 195''/ ad 215'!/, Aanm. Deze soort is verwant aan die, welke ik in mijne Bijdrage tot de kennis der Snoekachtige visschen van den In- dischen Archipel (Verh. Bat. Gen. XXIV) beschreef onder den naam van Emocoefus unicolor CV?. Zij laat zich echter ‘hiervan gemakkelijk onderscheiden door spitseren en lageren kop, niet bollen snuit, niet of naauwelijks voor de aarsvin beginnende rugvin, die niet of. naauwelijks langer is dan de aarsvin enz. | Aan Erocoetus speculiger-CV. beantwoordt zij door gelijke ge- tallen der rug- en aarsvinstralen enz. doch verschilt er van; door minder langwerpig ligchaam, gemis der borst- en buik- vinvlekken enz. Ik kan haar ook niet terugbrengen tot eenige der overige talrijke reeds bekende soorten van Exocoetus, welker beschrijvingen echter, uit een diagnostisch oogpunt, in het .al- gemeen nog aanmerkelijk te wenschen overlaten. CLUPEOIDEI. Clupeoïdes macassarienis Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Har. Vissch. j Clupeoid. corpore elongato compresso, altitudine. 7 ad 74 in ejus lon- gitudine, latitudine 14 ecirciter in ejus altitudine; capite acuto 44 ad 42 in Jongitudine corporis; altitudine capitis 2 in ejus longitudine; oculis dia- metro 4 ecirciter in longitudine capitis; ore antico dentibus omnibus mi- nimis taetu tantum conspicuis; maxillis aequalibus superiore sub oeuli lim- bo anteriore desinente; dorso humili leviter convexo; ventre obtuso non serrato; squamis deciduis, lateribus 82 p. m. in Serie longitudinali; linea laterali recta bene conspicua; axillis inguinibusque squamis elongatis nul- lis; pinna dorsali fere tota ante ventrales sita, acuta, nom emarginata, corpore paulo humiliore; pectoralibus et ventralibus acutis, pectoralibus capite minus duplo brevioribus sed ventralibus longioribus; anali in 4° quin- ta corporis parte sita, humillima, capite triplo breviore; caudali profunde 113 _ incisa lobis obtusiusculis 7 in longitudine corporis; colore corpore superne profunde coeruleo lateribus et inferne argenteo; pinnis hyalinis, caudalí basi striis 4 longitudinalibus profunde coeruleis. B. 6. D. 2/9. P. 1/11, V. 1/7. A. 1/8. -C, 17 vel 19 et:lat. brev. Synon. Clupea macassariensis Blkr. Contrib, Ichth. Celeb. in Journ. Ind, Archip. 1849 p. 72. Habit. Macassar, et Ternate, in mari. } Longitudo 6 speciminum 60//’ ad 70/'/, Aanm. Deze soort verschilt van Clupeovdes borneënsis Blkr. (Nat. T. N. Ind. [ p. 270, Verh. Bat. Gen. XXIV Haring. p. 17) door stompen niet gezaagden buik, bijkans geheel vóór de buikvinnen ingeplante rugvin, blaauwe kleur des ligchaams , blaauwe staartstrepen enz. Sardinella clupeoïdes Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Ha- | ring. p. 19. Sardin. corpore stbelongato compresso, altitudine 44 ad 5 in ejus lon- gitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite acuto 43 ad 54 in longitudine corporis, paulo longiore quamalto; linea rostro-frontali decli- vi rectiuscula; oculis diametro 34 ad 8% in longitudine ecapitis; maxillis aequalibus, superiore ante oculum desinente 8 et paulo in lopgitudine ca- __pitis, inferiore dentibus nullis conspicuis; dentibus palatinis et pterygoïdeis parvis bene conspicuis; lingua fere tota dentibus scabra; ossibus frontalibus posterioribus striatis; dorso et ventre obtusis rotundatis; ventre scutis 26 p. m. postice obtusis truncatis non dentatis; squamis deciduis non striatis, ‘lJateribus 35 p. m. in serie longitudinali; axillis inguinibusque squamis elongatis; linea laterali inconspicua; pinna, dorsali postice in anteriore ‘corporis parte sita, ventralibus opposita, acuta, vix emarginata, corpore duplo vel fere duplo humiliore; pectoralibus et ventralibus acutis,. pecto- ralibus 12 in longitudine capitis ventralibus multo longioribus; anali hu- „millima pectoralibus paulo breviore, radiis 2 ultimis ceteris erassioribus; eaudali profunde incisa lobis acutis 5 circiter in longitudine corporis; colore dorso coeruleo, lateribus ventreque argenteo; rostro nigro; pinnis hyalinis vel flavescentibus, dorsali apicem et caudali marginem posteri- orem versus fuscescentibus. Bebe Ds 18. P. 16-vel 17. V..1/7,.A. 17 vel 18. GC. 17 et, lat. breve Synon. Amblygaster clupeoïdes Blkr. Contrib. Ichth. Faun. Celeb. in Journ. Ind. Archip. 1849 p. 73. Jkan Lemuru et Ikan Bulan bulan Mal. Batav. Pe 714 + Habit, Macassar, Batavia, in mari. Longitudo 16 speciminum 110'’’ ad 203'//. Aanm. Te Batavia wordt deze soort gewoonlijk slechts bij de koraaleilandjes der reede gevangen. Zij is verwant aan Sardinella letogaster CV. doch hooger van ligchaam, heeft eene aanmerkelijk kortere bovenkaak, minder buikschilden en zij- schubben, mist de vlekteekening der zijden enz. Spratella tembang Blkr. Verh. Bat. Gen. XXIV Ha- ring. p. 28. Spratell. corpore subelongato compresso, altitudine 5 ad 44 in ejus lons gitudine, latitudine 24 ad 22 in ejus altitudine; capite acutiusculo 5 ad 5t in longitudine corporis, paulo longiore quam alto; oculis diametro 34 ad 4 in longitudine capitis; ore antico rietu parvos rostro oculo juniori- bus non, adultis vix longiore; maxilla superiore edentula sub oculi lim- bo anteriore desinente; maxilla inferiore symphysi denticulis aliquot tac- tu magis quam visu conspicuis; dentibus palatinis vix conspicuis utro- que latere in thurmam oblongam dispositis; lingua medio tantum crista denticulis vix conspicuis leviter scabra; lineis dorsali et ventrali rotun- datis; dorso ventre paulo convexiore medio interdum leviter gibboso; linea laterali conspicua; squamis parte basali vulgo transversim parte libera vulgo longitudinaliter striatis, lateribus 40 p. m. in serie longitu- dinali; axillis inguinibusque squamis elongatis; ventre cultrato scutis p- m. 30 ad 32 postice dentatis serrato; pinna dorsalt postice in anteri- ore dimidio corporis sita, medio ventralibus opposita, corpore duplo hu- miliore, emarginata; pectoralibus acutis capite brevioribus sed ventralibus duplo fere longioribus; anali humillima, dorsali vix longiore, radiis 2 pos- ticis ceteris crassioribus; caudali lobis acutis 5 circiter in longitudine cor- poris; colore eorpore superne coeruleo, lateribus inferneque argenteo; ros- tro nigro; pinnis hyalinis vel flavescentibus; dorsali superne et caudali postiee nigro marginatis, dorsali antice basi macula triangulari nigra. B. 6, D. 18 wel 19. .P. 14 ad 16. V. W/7 A. 18 rad 200 NEE brev, Synon. Clupea gibbosa Blkr., Contrib. Ichth. Celeb. in Journ. Ind. Ar- chip. 1849 p. 72. Jkan Tembang Mal. Batav. Habit. Maecassar, Batavia, in mari. Longitudo 30 speciminum 84’ ad 185'//. Aanm. Spratella tembang is na verwant aan Spratella fim- hl 775 briata CV. doch onderscheidt er zich van, doordien de buiklijn minder bol is dan de ruglijn, door rankere vormen, minder scherp gekielden buik enz. Te Batavia wordt zij, even als Spratella fimbriata CV. dagelijks bij duizenden ter markt ge- bragt. SprarerLoïpes Verh. Bat. Gen. XXIV Haring. p. 99, Ossa maxiilaria superiora maxillam superiorem maxima par- te constituentia, postice non producta. Rictus parvus. Dentes supramaxillares , inframaxillares, vomerini, linguales. Pinnae ventrales. Membrana branchiostega radiis 6. Spratelloides argyrotaemra Blkr. Verh. Bat. Gen. ibid, Spratelloïd. corpore elongato compresso, altitudine 7 circiter in ejus longitudine, latitudine 14 circiter in ejus altitudine; capite acuto 5 in longitudine corporis, duplo longiore quam alto; oculis diametro 84 circi- ter in longitudine capitis; rostro acuto oculo longiore; ore antico rictu parvo; maxilla superiore ante oculum desinente postice leviter denticula- ta, inferiore vix prominente; vomere antice et lingua medio denticulatis; dorso non carinato; ventre parum cultrato non vel vix serrato; squamis « « « « ? linea laterali inconspicua; pinna dorsali tota vel fere tota ante pinnas ventrales medio dorso sita, acuta, corpore vix hnmiliore, non emarginata; pectoralibus acutis ventralibus longioribus; anali humili; cau- dali semilunariter emarginata lobis acutis 7 in longitudine corporis; colore corpore flavescente-hyalino (?) fascia cephalo-caudali argentea; rostro ni- gro; pinnis hyalinis (?). B. 6. D. 12. P. 16? V. 1/7. A. 13 vel 14, C. 17 et lat. brev. Synon. Clupea argyrotaeniata Blkr. Contr. Ichth. Celeb. Journ. Ind, Ar- chip. 1849 p. 72. Habit. Macassar, Ternate in mari. Longitudo 9 speciminum 62''/ ad 70'', Aanm. In habitus heeft deze soort veel van Clupea gracilis T. _Schl. (Faun japon. Poiss.). tab. 108, doch volgens de heeren Teu- MINCK en SCHLEGEL zijn daar geenerlei tanden in kaken, gehe- BL. 60 776 melte of tong waargenomen, zoodat zij tot Alausa schijnt te behooren. De tanden van Spratelloïdes argúrotaenia zijn echter uiterst klein en het zou wel kunnen wezen, dat eene nadere waarneming ze insgelijks bij Clupea gracilis T. Schl. deed vin- den. MURAENOÏDEI. Oplusurus brachysoma Blkr. Ophisur. corpore eylindraceo postice compresso, valde elongato, altitu- dine 22 p. m. in ejus longitudines capite acuto convexo, corpore non la- tiore, 10 ecirciter in longitudine corporis; altitudine capitis 24 ecirciter in ejus longitudine; oculis diametro 10 et paulo in longitudine capitis, pau- lo longiore quam basi lato, apice parum carnoso; tubulis nasalibus oculo brevioribus; rictu post oculum producto 3 fere in longitudine capitis; la- bio superiore papillato; maxilla superiore inferiore multo longiore; den- tibus palatinis, nasalibus, vomerinis inframaxillaribusque granulatis obtu- sissimis, pluriseriatis, palatinis ante apicem laminae dentalis vomerinae desinentibus, 4- ad 5- seriatis; disco nasali subovali dentibus p. m. 18 ab apice laminae dentalis vomerinae spatio glabro remotis; lamina dentali vomerina laminis dentalibus palatinis etinframaxillaribus longiore, postice acuta, medio dentibus 5- ad 6- seriatis; dentibus inframaxillaribus 4- ad 5- seriatis; symphysi glabra; apertura branchiali semilunari; cute laevi rugosula; linea laterali nucha incipiente, conspicua, tubulosa; pinna dor- sali quïinta parte capitis longitudinis post aperturam branchialem incipien- te, corpore duplo circiter humiliore, ad apicem caudae desinente, radiis duplicatis, postice vix emarginata; pinnis pectoralibus rotundatis 3 circitêr in longitudine capitis; anali antice in dimidio posteriore 3% sextae cor- corporis partis incipiente, corpore plus duplo humiliore postiee emargina- ta, radiis posticis radijs dorsalibus oppositis; colore corpore profunde oli- 4 vaceo inferne dilutiore; pinna dorsali profunde viridi margine late nigri- cante; pectoralibus analique nigricantibus. B. 25. D. 304 p. m. P. 15, A. 200 p. Tú. Habit. Macassar, in mari. Longitudo speciminis unici 740//. Aanm. Deze Oplusurus behoort tot dezelfde groep als Ophi- } surus Schaapti Blkr., Ophisurus cancrivorus Richards. enz. doch á } Î 3 _ d laat zich gemakkelijk van alle bekende soorten dier groep on- derscheiden door haar betrekkelijk hoog ligchaam, gering aantal kieuwstralen, door de getallen der rug- en aarsvinstralen , door haar tandenstelsel, kleuren, lengte van bekspleet en borst- vinnen enz. Zij schijnt nog het naaste verwant te zijn aan Ophisurus cancrivorus, doch deze zou 33 kieuwstralen hebben, de borstvinnen korter, de bekspleet wijder (volgens de afbeel- ding 21, maal gaande in de lengte van den kop), geene zigt- bare zijlijn, groote lip- en de snuitporiën en de gehemeltetan- den reikende tot aan de spits der tandplaat van het ploeg- been. Conger bagio Gant. Mal. Fish. p. 916. _Cong. corpore valde elongato compresso, altitudine 22 ad 17 in ejus lon- gitudine, latitudine 14 ad 12 in ejus altitudine; capite acuto 6 ad 64 in longitudine corporis; rostro acuto, apice carnoso, clavato, 32 circiter in longitudine capitis; linea rostro-frontali, apice rostri excepto, concavius- eula; oculis diametro 10 ad 11% in longitudine capitis, 28 ecirciter in lon- gitudine rostri, 1 ad 14 in rietus parte postoculari;, naribus anticis tubu- latis; maxilla superiore inferiore longiore; dentibus palatinis conicis bre- vibus, anticis uniseriatis, posticis pluriseriatis, serie externa serie secun- da brevioribus; lamina dentali palatina medio denticulis parcis vel nulliss dentibus nasalibus periphericis subulatis, elongatis, 4 ad 6, mediis bres vibus uniseriatis p. m. 5; dentibus vomerinis tri-vel pluriseriatis, in thur- mam elongatam dentes nasales attingentem rostro vix longiorem dispositis, seriebus lateralibus brevibus conicis, serie media elongatis tricuspidatis 6 ad 10; dentibus inframaxillaribus symphysi 14 ad 22, serie externa 6 ad 12 parvis, serie interna 8 ad 10 subulatis elongatis; dentibus inframaxillari- bus lateralibus conicis et compressis, brevibus, anticis biseriatis, posticis tri-vel quadriseriatis, dentibus serie externa erectis nee extrorsum spec- | tautibus dentibus serie secunda compressis minoribus; rietu longitudine 24 circiter in longitudine capitis; regione postmaxillari poris seriatis no- . ° . . . Ld tata; linea laterali tubulosa; pinna dorsali supra vel vix ante aperturam branchialem incipiente, antice corpore plus, postice corpore minus duplo ‚ humiliore; pinnis pectoralibus acute rotundatis 31 ad 84 in longitudine _ eapitis; anali postice in 2* quinta vel anticee in 3* quïnta corporis parte _incipiente, corpore plus duplo humiliore; colore corpore superne olivaceo= _ viridi inferne argenteo vel flavescente-argenteo; pinnis viridi-flavestentie bus, verticalibus nigro limbatis. B: 20 vel 21. D. 250 ad 270. P. 14 vel 15. A. 192 ad 224. C. 10 p.m. 778 Synon. Muraena bagio Ham. Buch. Gang. Fish. p. 24, 364. Muraenesox tricuspidata MaecCl. Apod. Fish. Beng. Calc. Journs Nat. H. IV p. 409 tab. 24 fig. 1, a, b. a Hamiltonti MacC]. ibid. V p. 182 tab. 8 fig. 3 et p."2r07 he bengalensis MacCl. ibid. p. 182. Congrus tricuspidatus Richards. Ichth. Sulph. p. 105 tab. 51 fig. 2. Ichth. Ereb. Terr. p. 110. Conger hamo T. Schl. Faun. Jap. Poiss. p. 262 tab. 114 fig. 9 Hamo Japonens. Ho-Shen Chinens. Jkan Putje kanipa Mal. Batav. Habit. Macassar, Batavia, in mari. Longitudo 16 speciminum 400/'’ ad 830''/. Aanm. Deze soort komt te Batavia weinig minder dikwijls voor dan Conger talabon Cuv. (Bijdr. kenn. Muraen. Symbranch. Ind. Arch. p. 18. Verh. Bat. Gen. XXV), wordt door de Chi- nezen en inlanders niet van Conger talabon Cuv. onderschei- den en is even weinig gewild als voedingsmiddel. In de maag van eenige specimina vond ik nog volkomen goed herkenbare specimina van Poljnemus tetradactylus CV., Spratella tembang Blkr. en Engraulis Brownü CV., enkelen van meer dan 180’ lengte. Muraena pseudothyrsoidea Blkr. Muraen. corpore elongato compresso, altitudine 12 ecirciter in ejus lon- gitudine; capite acuto 7 circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 12 eirciter in ejus longitudine; linea rostro-dorsali fronte concava vertice convexa; oculis diametro 10% eirciter in longitudine capitis; naribus an- ticis tubulatis, posticis non tubulatis;s rostro convexo oculo minus duplo longiore, vix vel non ante maxillam inferiorem prominente; rictu post oeculos producto 24 circiter in longitudine capitis; dentibus omnibus acu- tis, palatinis, nasalibus, inframaxillaribus vomerinisque uniseriatis; pala- tinis compressis anticis posticis longioribus, utroque latere p. m. 12; den- tibus disco nasali peripheria dentibus palatinis longioribus compressis p. m. 12, medio dentibus subulatis 3 postieo ceteris longiore; dentibus vo- mere dentibus ceteris brevioribus 7 p. m.; dentibus inframaxillaribus com- — 7119 pressis anticis posticis longioribus utroque latere p. m. ì9; apertura bran- chiali dimidio corporis inferiore sita oculo vix minore; cute laevi squa- mis inconspicuis; linea laterali inconspicua; pinna dorsali ante aperturam branchialem incipiente, corpore duplo circiter humiliore; anali postice in quarta septima corporis parte incipiente corpore plus quadruplo humiliore; colore corpore pinnisque nigricante-fusco flavescente pulcherrime et te- nuissime marmorato. BD S20 p. mA. 220 p. ms C, 12: ps m. Habit. Macassar, in mari. Longitudo speciminis unici 560''/. Aanm. Deze soort gelijk in habitus en kleurteekening zoo volkomen op Muraena thyrsovdea Richards. (Voij. Sulph. Fish. tab. 49 fig. 1), dat ik, zonder onderzoek van het tandenstelsel, haar voor daarmede identisch zou gehouden hebben. Een naauwkeurig onderzoek van mijn specimen doet mij echter ontwaren, dat de gehemelte-, onderkaaks-en ploegbeenstanden volstrekt eenreijig zijn, terwijl de heer Rrararpson van Muraena thiyrsoïdea op- geeft (Voij. Ereb Terr. Fish. p. 91), dat de tanden dezer been- deren op twee reijen zijn geplaatst. Zouden misschien zelfs de tandreijen in aantal kunnen verschillen bij voorwerpen van de- zelfde soort? Hoezeer ik zulks voor als nog niet kan aanne- men, komt het mij niet overbodig voor, de aandacht er op te vestigen. Van de meesten mijner soorten van Mwuraenovden slechts één of een paar specimina bezittende, kan ik voorals nog hier- omtrent tot geene bepaalde uitkomst geraken. Hoe het zij, mijn specimen valt, wat tandenstelsel betreft, geheel in de groep van Muraena helena L, Muraena nubila Richards, Muraena scoliodon Blkr, Muraena reticulata Richards. , Muraena ocellata Agass., Muraena punctata Bl. Schn. enz. 760 BALISTINI. Balastes conspicillum Bl. Schn. Syst. posth. p. 474. Less. Voy. Goquill. Zool. II p. 112 tab. 9 fig. 1. QG. Voy. Uranie. Cuv. Règn. anim. Richards. Ichth. Chin. Jap. Rep. 1ök Meet. Brit. Ass. p. 204. T. Schl. Faun. jap. Poiss. p. 290 tab. 129 fig. 1; Cant. Gat. Mal. Fish. p. 844. Balist. corpore oblongo compresso, altitudine 24 circiter in ejus longi- tudine, latitudine 3 in ejus altitudine; capite 84 circiter in longitudine corporis, altiore quam longo; oculis diametro 6 circiter in longitudine ca- pitis; linea rostro-frontali declivi-rectiuscula; rostro oculo triplo ad qua- druplo longiore; suleo praeoculari oculo vix longiore; labiis valde car- nosie; dentibus utrague maxilla 8 anticis lateribus majoribus, lateralibus emarginatis; apertura branchiali ante basin superiorem pinnae pectoralis desinente; scutis lateribus 45 ad 50 p. m. in serie longitadinali usque ad aperturam branchialem; cauda parte angustata duplo fere altiore quam’ lata, spinis obtusis parvis 17 ad 23 in series 3 vel 4 longitudinales dis- positis; pinna dorsali spinosa spina 1° rostro paulo breviore, quadrata, scabra, apice obtusa denticulata, membrana pinnam dorsalem radiosam non attingente; pinnis dorsali radiosa, pectoralibus et anali obtusis rotunda- tis, dorsali et anali corpore plus quadruplo humilioribus; pinna ventrali scutosa spina 1* tota scabra, spinulis sequentibus non conspicuis; cau- dali convexa 7 ecirciter in longitudine corporis; corpore nigro, dorso aurantiaco-olivacco reticulato, dimidio inferiore caudaque maculis aliquot magnis rotundis et polymorphis dilute rubris; rubro ante pinnas pectora- les praevalente; rostro media altitndine fascia rubra ferri equini formam referente, circulo quadricolore labia, rostri apicem mentumque ecingente, circulo anteriore coeruleo gracili labiali, 2° aurantiaco lato labiali, 85° ni- gro et 4° rubro mento-rostralibus; pinnis dorsali 1* nigra, dorsali 2° a- nalique basi fascia flava, marginem versus rubescentibus, rubescentem inter et flavum fascia grisea; pectoralibus viridibus basi vitta transversa duplice nigra et flava; caudali basi marginibusque nigra, medio rubra, nigro margine posteriore postice leviter flavo marginato. Dara BAAS AOL GEND: Synon. Sarasa visch Valent. Ind. Amb. III p. 391 fig. 142, Turin saratse Ren. Poiss. Mol. I tab. 15 fig. 88. 781 Maanvisch ou Poisson de la lune Ren. Poiss. Mol. II tab. 28 fig. 138, Balistes americanus Luacép. Poiss. I p. 375 tab. 16 fig. 2. Son- ner. Journ. Physique III p. 445. Baliste américain Luaacép Poiss. I p. 375 tab. 16 fig. 2. Balistes bicolor Shaw Gen. Zoöl. V p. 407 tab. 168. Baliste du grand Océan Less. Voy. Coq. Zoöl. MH p. 113 tab, SEL Rhinacanthus eonspicillum Swains. Nat. Hist. Fish. Lardn. Cy- clop. II p. 325. Momoniwo Japonens. Akscharek Insul. Carolin. Habit. Macassar, Solor, in mari. Longitudo speciminis descripti 330///. Aanm. De bovenstaande beschrijving is genomen naar een vol- wassen specimen, bij hetwelk de kleuren nog zeer goed bewaard waren. Ik bezit nog twee andere beschadigde gedroogde spe- cimina van Solor. De heer Canror heeft de kleuren beschreven van den jeugdigen leeftijdstoestand. Monacanthus melanuropterus Blkr. Monaec. corpore oblongo compresso, diametro dorso-anali 22 ad 22 in *ejus longitudine, latitudine 3 ecirciter in, diametro dorso-anali; capite a- cuto 32 circiter in longitudine corporis, multo altiore quam longo; ocu-’ lis diametro 4 fere in longitudine capitis; linea rostro-frontali concava; rostro acuto oculo triplo circiter longiore; dentibus maxilla superiore 8, maxilla inferiore 6, angularibus obtusis, ceteris acutis; apertura branchi- ali ante pinnam pectoralem desinente; squamis minimis vix conspicuis, spinulis minimis erectis scabris; cauda nec setosa nec spinis armata; spina dorsali supra oculi partem anteriorem inserta, Yostro paulo longiore, acuta, postice et antice denticulata denticulis antice majoribus, membrana gracili spinula gracili suffulta; pinnis radio producto nullo; dorsali radi- osa et anali obtusis, rotundatis, diametro dorso-anali plus quadruplo hu- milioribus, radiis omnibus simplicibus; pectoralibus obtusis convexis; ven- trali triangulari squamis majoribus valde scabra, spina 1% infra pinnam prominente postice et apice valde dentata, radiis occultis vel subocecultis; caudali convexa 54 circiter in longitudine corporis; colore corpore aureo- fusco; pinnis dorsali radiosa, anali et pectoralibus aurantiacis, caudali nigricante-fusca. 182 D. 2 — 33. En 13. A. 30. Ù: 12. Habit. Kema, Celebes septentrionalis, in mari. Longitudo speciminis unici 73///, Aanm. Deze Monacanthus behoort tot de groep van Mona- canthus choirocephalus Blkr, Monacanthus nemurus Blkr en Mo- nacanthus komuki Blkr, van alle welke zij zich onderscheidt door meer voorwaartsche plaatsing van den ranken rugdoorn boven het voorste gedeelte van het oog, door het vooral achterwaarts zwakker getand zijn van dien doorn, door holler profiel, an- dere getallen der rugvinstralen, bruine kleur des ligchaams , zwarte ongebande staartvin enz. Scripsi Batavia Calendis Septembris et Octobris mpccern. Mae Beda G VAN DE UITKOMSTEN DER MELSENSPROEVEN, GEDAAN IN DE SUIKERFABRIEK OEDJONG ROESSI, IN DE RESIDENTIE TAGAL, WERKENDE MET TOESTELLEN VAN DEROSNE EN CAIL, IN HET JAAR 1850. DOOR Br. PF. HH. FROMBERG. De grondbeginselen, waarop de methode van suikerbereiding, door den heer Mersens voorgesteld, berust, zijn de volgende: 19. Afsluiting van het rietsap van de aanraking met de damp- kringslucht. Dit wordt bewerkt door de bijvoeging van dub- bel zwaveligzuren kalk. De helft van het in genoemd zout be- vatte zuur ontwijkt langzamerhand uit het vocht. De damp- vormige laag van het zuur, die zich onophoudelijk boven het 18h sap bevindt, ontneemt de zuurstof aam de dampkringslucht, overal waar zij er mede in aanraking is. Terwijl het zwaveligzuur daarbij in zwavelzuur veranderd wordt, dat zich met den kalk van het Melsens-zout tot gips _ verbindt, wordt die zuurstof verhinderd als zoodanig in het sap te dringen. Het gevormde zwavelzuur, telkens een gedeelte kalk aan het genoemde zout ontnemende, drijft het daarmede verbonden ge- weest zijnde zwaveligzuur uit, en. op deze wijze heeft er eene aanhoudende vernieuwing plaats van de laag gasvormig zuur die zich boven het sap bevindt. Die afwering van de zuurstof der lucht belet 1°. De gisting van het rietsap, welke zonder die zuurstof niet plaats kan hebben. 20, De kleuring van het sap, die een gevolg is van de verbin- ding der zuurstof met de zoogenaamde extraktieve stoffen, met de eiwit-en olieachtige deelen van het sap. Hierbij wordt èn de reeds aanwezige kleurstof vernietigd, èn de vorming van nieuwe voorgekomen. 9, Zou, volgens den heer Mersens, door de zoogenaamde anti- septische eigenschap van het meergenoemde zout eene koagu- latie en defekatie der stikstofhoudende bestanddeelen van hefsap plaats hebben. Het zal lager blijken, dat de eigen- lijke defekatie of nederzakking der gekoaguleerde stoffen zeer onvolkomen geschiedt. De voordeelen, uit de bevestiging dezer beginselen te ver- wachten, zijn duidelijk en bepaald. De vorming van kleuren- de deelen, die zich met de suiker vermengen, benadeelt hare hoedanigheid; de gisting, in werking gebragt door de zuurstof 3 der lucht, ea onderhouden door de eiwitachtige bestanddeelen van het sap, vermindert allengs de hoeveelheid van kristalli- À seerbare suiker, die achtereenvolgend in glucose, alkohol en — azijnzuur veranderd wordt. | De ter bereiding van het zout gebruikte toestel bestaat uit _ een lang kegelvormig, ijzeren fornuis, waarvan de top in eene tweemaal regthoekig gebogene ijzeren pijp uitloopt, welker uit- 785 einde in een vat met kalkmelk geplaatst wordt. Hierin staat eene tweede pijp van denzelfden vorm, die in een tweede vat uitkomt, ter verzameling van het gas, dat uit het eerste gbij te hevige werking mogt ontsnappen. Ter aanvoering van lucht om de verbranding der zwavel te onderhouden, die op een’ ijzeren bak, op een derde der hoogte in het fornuis geplaatst wordt, is eerst gebruik gemaakt van eene patent-brandspuit. Later is eene zuig-en perspomp, die door het waterwiel in be- weging gebragt werd, op de pijp geplaatst. Doch de kleppen der zuigers werden dikwijls onklaar door mede opstijgenden zwa- veldamp. Men is dus tot het gebruik der brandspuit terugge- keerd, waarmede men goed heeft kunnen doorwerken. Bij de bereiding van het zout ondervond ik ín het eerst moei- jelijkheden; zoo wegens de aanhoudende ontsnapping der zwa- veligzure dampen door al de voegen van het fornuis, waarin de zwavel verbrand werd, als wegens herhaald uitdooven der zwavel zelve. Werd hierbij uit onoplettendheid, met het aan- voeren van lucht voortgegaan, en deze dus onveranderd in het kalkwater gedreven, dan werd een gedeelte van het reeds ge- vormde zout ia gips veranderd. Hierdoor wordt de bewerking vertraagd, en is tevens eene hoeveelheid zwavel nutteloos ver- bruikt geworden. De ontsnapping van het gas werd allengs belet; maar het is steeds moeijelijk om, ook al houdt men, na de uitdooving der zwavel, dadelijk met het aanvoeren van lucht op, de vor- ming van gips geheel te voorkomen. Men zou het best doen, die aanvoering steeds minder te doen zijn, dan voor de ont- vlamming van de geheele oppervlakte der zwavel vereischt wordt, dewijl alsdan bijna zeker al de zuurstof van de overstrijkende lacht door de brandende zwavel wordt verteerd. Ik heb het zout nooit tot meer dan 7° B. kunnen brengen, hetgeen „deels aan hef niet afkoelen der kalkmelk, deels aan de in- strooming van onverbonden zuurstofgas toe te schrijven is. De verhouding van kalk tot het water was Î op 30 gewigts- deelen. _ Pe hoeveelheid te verbranden zwavel is, by volkomen juiste 786 bewerking mede ongeveer Î deel. Deze zwavel neemt iets min- der dan één deel zuurstof op, om zwaveligzuur te worden; het geheel levert dus 30 deelen van het vloeibare zout van 10°. B., waarin drie deelen van het zout in droogen staat bevat zijn. Eerst met volkomen goede toestellen, en na aan deze be- reiding gewoon te zijn geraakt, zal men echter in staat zijn, in wezenlijkheid met de genoemde hoeveelheid zwavel uit te ko- men. Bij de bereiding der suiker zelve naar deze methode, werd omstreeks 0,2%, van het zout, met eene groote, afgemetene hoeveelheid water in een’ kleinen houten bak gedaan. Deze ontledigde zich met een pijpje in een’, van onderen met gaten voorzienen bamboe, die op korten afstand over den bovensten cij- linder bevestigd was. De tijd bekend zijnde, waarin het bakje ledig liep, en tevens, hoeveel sap in dien tijd verkregen werd, was het gemakkelijk te berekenen, hoeveel percent van het zout nog bovendien bij elke defekatie moest toegevoegd worden. Het sap had dus reeds in de afvoergoot een ander voor- komen verkregen, en vertoonde zich graauwgroen en troebel, door gedeeltelijke koagulatie der eiwitstof. In de defekatie- pannen, na bijvoeging der overige hoeveelheid van het Melsens- zout, een oogenblik tot het kookpunt verhit zijnde, bleek het, dat, na een half uur, en zelfs na 24 uren rust, zich slechts weinig zoogenaamd vuil had afgescheiden. Het vocht was troe- bel, door de vele en groote, onduidelijke, graauwgroene vlok- ken. Hare groote oppervlakte, en waarschijnlijk ook de invloed van het zout, veroorzaakten, dat deze vlokken in sus- pensie bleven. Na eene voorafgaande proef, op kleine schaal, gelukte het mij, eene volkomene defekatie te bewerken door bijvoeging van kalkmelk , waarvan ongeveer juist zoo veel be- noodigd was, als bij de gewone werkwijze met kalk alleen. Het soms geheel heldere, soms een weinig opalescerende vocht had eene lichte rijnwijnkleur, en de snel nedervallende _ vlokken waren klein en als zamengeschrompeld. Het is mij ge- bleken, dat, wanneer men een weinig kalkmelk bij het water-_ 7187 heldere Melsens- zout voegt, dit onmiddellijk een zwaar korre- _ lig bezinksel laat vallen , waarschijnlijk een mengsel van neutra- len en basisch zwaveligzuren kalk, en daardoor wordt dus wel die. snelle nederploffing der eiwitstof te weeg gebragt. In de drie proeven, die onder mijn eigen opzigt genomen zijn, werd bij de eerste geene filtratie aangewend , en het vocht, in de vacuumpan zijnde, van tijd tot tijd met een weinig kalk vermengd. In de tweede werd gefiltreerd, over oud en niet herlevendigd beenzwart, en tevens de kondensator gebruikt; daardoor werd het sap meer gekleurd dan bij de eerste proef, het- welk ik, ofschoon met weinig gevolg, trachtte te verbeteren door bijvoeging van een weinig bisulphis calcis (het Melsens- zout). | In de derde proef werd weder niet gefiltreerd, en geen kalk in de vacuumpan toegevoegd. De tot behoorlijke dikte verkookte stroop had, bij het vloei- jen uit de vacuumpan, eene zeer lichte honigkleur, en ver- hardde zeer spoedig in de vormen. Door die lichte kleur der stroop was het onderscheid in tint met de, over de geheele oppervlakte gekristalliseerde suiker, weinig in het oog val- lend. Daar nu bovendien deze suiker veel vaster en digter in den vorm zamengepakt was, dan gewoonlijk, liet zij aan de boven- dien geringere hoeveelheid stroop minder gelegenheid tot uit- lekking. Door die gele stroop, tusschen de kristallen inge- sloten en zich als verhardende, is deze suiker, in den ruwen staat, geelachtig van kleur. De uitlekkende stroop bevat volstrekt geene melasse. Het is eene bijna zuivere oplossing van suiker in water, die vol- komen den reuk van het versche riet heeft, en zonder eeni- gen brandigen of stekenden smaak, die zelfs aan de beste, van _hersmolten suiker verkregene, groene stroop eigen is. De uit deze stroop gekookte tweede suiker verschilde dan ook in _ kleur weinig van hoofdsuiker. De uitkomsten dezer drie proeven waren de volgende: 188 fo. Uit 5000 liters sap ($) van 10° B Hoofdsuiker _ / j ; 1,302 Amst. ® 2de suiker . ' 4 p ô Tier 5 2de stroop S \ 5 ET 20, Uit 16000 liters sap s) van 100 B Hoofdsuiker _. : 6 erts ERE ri: Ide suiker 8 7 k ì . 1,092 „ 2de stroop 6 1,040 „ 3°. Uit 9,860 liters sap van 10140 B. | Hoofdsuiker … à j 8 . 2484 Amst. ® 2de suiker ; st 5 ' 802 „ 2de stroop É $ í ; 840 „ De hoofdsuiker der fÎste proef was tusschen No. 18 en 19, de 2de suiker ,op open vuur gekookt, half No. 16 en half No. 14. Het berigt van den beambte, over de hoedanigheid der sui- ker van de 2de en 3de proef, luidt als volgt: „De hoofdsuiker, 2de proef, was over het algemeen, wat ‚witheid en grein aangaat, gelijk aan goede middelmatige, gewone „eerste , en had zeer zeker, afzonderlijk geleverd of verkocht kun- „nende worden, No. 18 overtroffen. Het gedeelte dier suiker, „dat totaal van de stroop ontdaan was, was zeer wit, „„ aanmerkelijk ingedroogd, zeer hard, en als men er op sloeg, „dan gaf het eenen vrij helderen klank. Het overige was vrij ‚droog, maar geel door de stroop, die daar nog niet geheel s‚uit ontlaten was. De tweede suiker van dezelfde -proef „heeft de verwachting overtroffen. Zij behoefde, wât grein „aangaat, bijna niet voor de eerste onder te doen, en verschil- „de er in witheid slechts weinig van. Afzonderlijk gedroogd, ‚‚ ware het ruim No. 17 geworden. Zoo min aan de tweede, „als aan de eerste waren koppen, tenzij men dat puntje, ‚„hetwelk men bij alle soorten van suiker op deze fabrieken „een weinig stroop ziet bijblijven, koppen noemen wil. Als-_ ($) Na aftrek van hetgeen in de opzuigings-bakken enz. moest blijven, en waarvan de hoeveelheid zoo goed mogelijk bepaald werd. 709 ‚dan nog zoude het hoogstens een pond per pot worden. „„Op de uitgekleide, eerste stroop, welke natuurlijk rijker is, „dan de van zelf uitgevloeide,” (en die niet afzonderlijk tot 2de suiker verkookt is),, lag boven op, bijna in iedere tempollang „, eene dunne korst suiker, die zich daar, niettegenstaande de ‚‚ potten altijd op de tempollangs gebleven waren, gezet had. „Zij was bijzonder zoet van smaak en, niettegenstaande zij „ruim eene maand oud was, slechts weinig of niet gefermen- „teerd. De uitgekleide stroop in de tempollangs der 2de sui- ‚‚ker kwam in smaak zeer nabij aan gewone eerste stroop. „Ook op deze stroop was eene vorming van suiker merkbaar, „, doch veel minder, dan bij de eerste stroop. ‚De hoofdsuiker, 3de proef, verschilde in hoedanigheid veel ‚van die der tweede proef, zijnde het grein zeer zwak en ‚, broos; zelfs zoodanig, dat bij het uitstorten een groot gedeel ‚te van het grein tot poeder verviel, en nog ongedroogd, bij ee- »nige aanraking opstoof. Ook wat witheid aangaat, was zij „iets minder, dan die der 2de proef, maar had echter geene ‚‚, meerdere koppen. „De 2de suiker was nog minder, dan de eerste. Zij is ‚‚tweemalen gekleid geweest. Na de storting was zij zeer nat „„en bijna greinloos. Hoewel zij aanmerkelijk oud was, was ‚‚de helft van elken pot zoo nat en strooperig, dat zij op zij- ‚de gelegd moest worden. „Het bovendeel was redelijk blank, en tusschen No. Î7 en ZE io Mg Voor de fste en 3de proef is 1%, en voor de 2de 5, % van het zout van 109 B. gebezigd geworden. Bij de eerste werd, in de vacuumpan, van tijd tof tijd een weinig kalk ge- voegd, bij de derde niet. Met uitzondering der 2de suiker 9de proef, zijn al de ande- ‘re slechts eens gekleid geworden. Van zwavelreuk of smaak was, ook dadelijk na de koking tot suiker, geen spoor aanwezig. De stroop had geheel den reuk en smaak van het versche riet, 790 De vergelijkende analijsen, van deze proefsuiker en van ge- wone stoomsuiker gedaan, hebben de volgende uitkomsten op- geleverd. Suiker naar de Melsens-methode bereid Gewone met stoom. op open vuur. stoom. ee e Suiker. D= ge KS 3 Hs sE © 5 5 shehiri Ca z E le) 0) Er re eb} e Dias Sin a 5 Asch. 0,5% 03% 0,43% 0,37% * 0,08% be Water. A12- 3h4- 128- 1,02: 1,88 - EN Ss )Kalkaarde _— 2 0,05- 0,15- 0,02- SS ef Gips. 0,24- 0,19- 0,29 OAT OOH SZ SflJzeroxyde 0,10- 0,002- 0,06- O005- 0,Ol- 8 Z 5 \Kiezelaarde 0,07 - 0,03.- 0,04 — 0Olse > 0,02 Hieruit blijkt dus hoofdzakelijk, dat in {0,000 pond gewo- ne gekleide. stoomsuiker 8 pond asch of onverbrandbare stoffen bevat zijn, en in gekleide Melsenssuiker ongeveer 40 pond of vijfmaal zoo veel. De eerste was tweemaal door beenzwart gefiltreerd, de laatste in het geheel niet. Van die asch bestaat, in de eerste, 3% gedeelte, in de laat- ste % uit gips; dus respectivelijk 3 en 29 pond op 10,000 pond suiker. Ook de hoeveelheid ijzeroxijde is in de Melsens-suiker veel Ì grooter, dan in de gewone. Het niet filtreren der eerste, maar ook de oplosbaarheid van het gevormde gips en het oplos- send vermogen van het zwaveligzuur op het ijzeroxijde, dat in het rietsap bevat is en waardoor het mede in de kris- Ö tallisatie wordt opgenomen, zijn de oorzaken dezer inmeng- É selen, die echter aan de suiker volstrekt geene schadelijke * eigenschappen mededeelen. 4 Geen spoor van koper is in eenige dezer suikers te ontdek - Î ken, en de oplossing in water der gekleide is geheel helder, De laatste vyf bouws suikerriet dezer fabriek zijn, zonder ' mijn opzigt, mede naar de Melsens- methode verwerkt gewor- Î aah Al 791 den. Er is daarbij echter niet met al die orde en oplettend- heid gehandeld, welke noodig zouden geweest zijn, om de re- sultaten als volkomene bewijzen vóór of tegen de methode aan te nemen. Men heeft ook de verkregene hoeveelheden suiker niet gewo- gen, omdat men het sap niet altijd geheel verkookt heeft. Zij zijn alle eenmaal gekleid, gedurende zes dagen. De volgende korte bijzonderheden zijn mij later medegedeeld. Îste proef, den 6den November 1850. 10 liters Melsens-zout à 10e B, en ter defekatie, 8 liters kalk- melk van Î6e B. per 1000 liters sap van f0°e B. Verwerkte hoeveelheid sap 44 defekaties, elk à 1000 liters. Zonder filtratie. De hoofdsuiker is geheel No. Î7; de tweede suiker kristal- liseerde slechts zeer langzaam; het kristal was klein, en de reuk scherp en stekend. 2de proef, den 7den November 1850. 8 liters Melsenszout à 10° B. en 7, liters kalkmelk van 16° B. per 1000 liters sap van 10° B. Verwerkte hoeveel- heid sap 97 defekaties, elk à 1000 liters. Tweemaal door beenzwart gefiltreerd, ter hoogte van 1,3 Ned. el. De hoofdsuiker was ruim No. 18. De stroop in de toppen der tweede suiker had eenen onnatuurlijken smaak, die ook bij blootstelling aan de lucht niet verloren ging, 3de proef, den 8&sten November 1850. 6/5, liters Melsenszout, à 10° B. en G!/ liters kalkmelk van 16° B, per 1000 liters sap van 10° B. Verwerkte hoeveelheid sap J5 defekaties, elk a.1600 liters. Eenmaal gefiltreerd, over eene laag beenzwart van Î$ Rijnl. duimen dikte. Hoofdsuiker weder geheel No. 18, ruim. Er was slechts weinig stroop in de 2de suiker gebleven, en de smaak dezer stroop verschilde weinig of niet van die van het versche rict. De koppen der eerste suiker hielden, in het algemeen een weinig stroop in, voornamelijk die zonder filtratie, hoe- wel niet aanmerkelijk, en die stroop was nog zeer licht van “kleur. | HL Gt behe erder he — 792 De tweede suiker der beide laatste proeven zoude van een grooter gedeelte der koppen ontdaan moeten worden, om een leverbaar No. f7 daar te stellen. De tweede suiker van de 2de en 3de proef was fraai van: | kristal, zelfs in dat gedeelte van het brood, hetwelk niet van stroop ontdaan was. In geene dezer proeven is, na de defekatie, eenige kalk toe- gevoegd geworden, en dus eveneens gehandeld, als in de laatste der vroegere, onder mijn opzigt gedaan. Van den kondensator is in geene dezer proeven gebruik ge- maakt. De scherpe stekende reuk van de tweede suiker (proef van 6 November), was waarschijnlijk toe te schrijven aan het gebruik eener te groofe hoeveelheid Melsens-zout, vooral bij niet toe- voeging van kalk na de defekatie of gedurende het verkooken tof stroopdikte. De onnatuurlijke smaak van de stroop der 2de suiker, proef, # van 7 November, kan alleen afgehangen hebben van het oplossen # van vreemde deelen uit het beenzwart, door de nog te groote hoeveelheid van het zout. Dit wordt te waarschijnlijker, door dat de stroop der 2de suiker van de proef van 8 November, den verschen rietsmaak behouden had; terwijl hier, bij aan- merkelijk minder Melsens-zout, eene veel dunnere laag been- zwart was gebezigd geworden. Eene vergelijking der hoeveelheid suiker, met gewone stoom- bereiding verkregen in de fabriek Soemberkareng, eene der best werkende in de residentie Bezoekt, moge hier dienen , om aan te toonen, waarin de voornaamste voordeelen der Melsens-me- # thode bestaan. “ 193 Gewone stoombereiding met Howarp's toestellen. Hoeveelheid sap vóór de defekatie , doch na eene koude kalkzuivering. ' . 12,559,750 liters. Gemiddeld spec. gewigt. “ 4 . ongeveer 10° B. Verkregen hoofdsuiker, No. 18. . 17,847 pikols. de en Zde suiker, van No.16, 12en 10. 6,848 „ Dus in procenten Hoofdsuiker : … ë p k ae van hef 2de en 3de suiker. 5 : 3 dns zrekd sap.
» Lvattende. B1,0845 „ kwik; 100 grm. erts bevatten dus 73,418 grm. kwik. 2de soort. Zwavelkwikerts, afkomstig van Batoe adjoen , laras Soeboe gorop , distrikt Sudjoendjang. Deze erts bedroeg 64,8 grm. aan gewigt; hij bestond uit meestal kleine stukjes zwavelkwik met veel zwart glinsterend zand gemengd; voorts zijn ingemengd eenige rolsteentjes en fragmenten van de reeds bij de Îste soort vermelde minera- len. Door den magneet konden 17,6 grm. titaanhoudend ijzer- zand er worden uitgetrokken; de erts veranderde daardoor weinig van aanzien om reden nog veel zwart glinsterend zand bijgemengd bleef, dat niet of moeijelijk den magneet volgde. Van den door den magneet gezuiverden erts, 47,2 grm. aan gewigt bedragende, heb ik 5,844 grm., na goede vermenging in een porcelleinen kroes gegloeid, tot er zekerheid was ver- kregen, dat de kwikverbinding door de hitte was uitgedreven, het overblijvende woog 2,048 grm. Gedurende deze bewerking werd de erts donkerder van kleur, vervolgens zwart, ontwik- Ö42 kelde zwaveligzuur, brandde met eenen blaauwachtigen tint, sublimeerde zwavelkwik met wat kwik en liet een residuum achter van eene bruingrijze kleur, waarin vele glinsterende puntjes verdeeld waren. Met phosphorzout of borax behan- deld, verkreeg men, behalve de bekende ijzerreaktie, eene schoone chroomreaktie, waardoor de overtuiging is verkregen, dat het gedeelte zwart zand, hetwelk niet of moeijelijk den magneet volgde, grootendeels uit chroomijzerzand bestond. Uit het gewigtsverlies door gloeijen van den erts ontstaan, laat zich het zwavelkwikgehalte berekenen op 47,313 ten hon- derd erts, waarin bevat zijn 40,786 kwik; ik moet echter op- merken, dat dit gehalte eenigzins te hoog is berekend, wegens de wijze van bewerking zelve; evenwel kan de daardoor ontstane fout naauwelijks een ten honderd bedragen. Deze kwikerts is dus hoofdzakelijk een mengsel van titaan- houdend ijzerzand, chroomijzerzand en zwavelkwik, waarschijn- lijk verkregen door uitwassching van zand wáarin de erts bevat is. IJZERERTS, afkomstig van Basilian, laras Soelit ajer , distrikt XX Kottas. De erts vertoont eene kristallijne in het massive overgaande massa; sommige exemplaren zijn met sporen van koolzure strontiaanaarde bevattende kalkaderen doortrokken. | | Het kristal behoort tot het 3- en Î- assige systeem, bezit metaalglans, is staalgraauw tot ijzerzwart van kleur; som-_ mige exemplaren zijn tafelvormig afgezonderd, meestal glad, zelden gestreept en eenigzins bont; de streek is graauw , me- taalglanzend; de erts wordt door den magneet zwak aan-_ getrokken; voor de blaasbuis op kool is hij uiterst moeije- lijk smeltbaar; in de binnenste vlam wordt hij zwart en 843 sterker magnetisch. In borax voor de blaasbuis behandeld, is de erts oplosbaar onder vorming der bekende ijzerreaktie; de mangaanreaktie was flaauw. Van chroom was niets waar te nemen ; met soda behandeld, was de mangaanreaktie iets duidelijker. Fijn gewreven geeft de erts een bruinachtig poeder, het- welk met chloorsodium, zwavelzuur en wat water behandeld, geen chloor ontwikkelde. In zoutzuur is de erts voor ‘het grootste gedeelte oplosbaar; de gele oplossing, met zwavel- waterstofgas behandeld, ontkleurde zich onder afscheiding van zwavel; hiervan afgefiltreerd en het filtraat met zwavelammo- nium behandeld, werd een zwart praecipitaat verkregen van zwavelijzer, sporen van zwavelmangaan bevattende. Eenig erts in zoutzuur opgelost, het filtraat met de behoor- lijke voorzigtigheid met ammonia behandeld, chloorammonium toegevoegd en met barnsteenzure ammonia ontleed zijnde, ont- stond barnsteenzuur ijzeroxyde; het filtraat hiervan met. zwa- velammonium behandeld, gaf slechts sporeif van een praeci- pitaat. Eene proef ter opsporing van phosphorzuur genomen, bleef zonder gevolg. Ten einde het ijzergehalte te bepalen, heb ik 7,14 grm. fijn gewreven’ erts met eene voldoende hoeveelheid zoutzuur en salpeterzuur gekookt, de oplossing met chloorammonium en ammonia in overmaat behandeld, gefiltreerd, het verkregen prae- cipitaat gewasschen, in zoutzuur opgelost, vervolgens met potas- saoplossing kokend ontleed. Er ontstond yzeroxydehydraat, dat gegloeid 6,030 grm. ijzeroxyde opleverde, beantwoordende aan 4,221 grm. iijzer, voor 100 grm. erts 59,118 grm. ijzer be- dragende, hetwelk in den erts, grootendeels in den vorm van oxyde aanwezig is. Ofschoon niet is aan te nemen, dat het ijzergehalte in dezen erts gelijkmatig is verdeeld, blijkt evenwel uit deze proef de geschiktheid van den erts tot uitsmelting van ijzer. Sh K O LEN. Aste. soort, afkomstig van Batoe tiga, laras Soelit ajer, distrikt XX Kottas. Deze soort vertoont eene schieferachtig afgezonderde klei, doortrokken van koolachtige deelen, van zwavelijzer, „kristal- len van iijzervitriool, van aluin, en hier en daar ook sporen van zwavel, Zij hebben eene grijze, bruine, tot in het zwarte gaande kleur , zijn eenigzins vetachtig op het gevoel, dof, ech- ter hier en daar met glinsterende plekken; zij hebben voorts eene bruine streek, eene bladerige struktuur, tusschen welke men hier en daar overblijfselen van planten duidelijk ontwaart. Deze schieferachtige kleisoort, bij de geognosten meer onder den naam van „kohlenletten” bekend, vormt gewoonlijk het dak der bruinkolen, waarmede zij zelfs laagsgewijze afwisselt. Eene naauwkeurige beschrijving van het voorkomen dezer schie- erachtige klei zoude dus wel belangrijk zijn. 2de. soort, afkomstig van Batoe tiga, laras Soelit ager, distrikt XX Kottas. _ Deze kolen zijn bruin tot graauwzwart van kleur, dof of gedeeltelijk van zwak vetachtigen glans; zij bestaan uit eene kompakte massa van eene meer of min houtachtige struktuur, of uit los zamenhangende bladen van eene oneffene tot schieferachtige breuk. Soortelijk gewigt tusschen 1,4 en 1,6. Ze zijn grootendeels doordrongen van glinsterende, witachtige, naaldvormige kristallen van eenen zamentrekkenden scherpen smaak; voor de blaasbuis verhit, ontwikkelen zij eenen ei- genaardigen empyreumatischen reuk, gemengd met veel gas van zwaveligzuur; zij branden met eene zwak licht gevende vlam en laten eindelijk eene betrekkelijk ruime hoeveelheid roodbruine asch achter. Ten einde de bruikbaarheid dezer 845 kolen nader te onderzoeken, zijn de volgende proeven ge- nomen. 1. Bepaling van het watergehalte. 10,024 grm. fijngewreven stof zoo lang bij 1009. C. ge- droogd, als nog gewigtsverlies plaats had, verloren 0,837 grm. aan gewigt. 100 grm. kolen bevatten dus 8,35 grm. water. 2. Bepaling der in gedestilleerd water oplosbare deelen. 10,02% grm. stof met genoegzame hoeveelheden gedestilleerd water behandeld, en het overblijvende bij 1000. C. gedroogd , woog het laatste 8,467 grm.; dus verlies 1,557 grm. Uit het onderzoek der oplossing is gebleken, dat zij be- vat zwavelzuur ijzerprotoxyde, zwavelzure aluinaarde , zeer kleine hoeveelheden van gips, bitteraarde en silika. Ten einde de hoeveelheid dezer stoffen te bepalen, werd de helft daar- van met salpeterzuur en chloorbaryum behandeld, uit het verkregene zwavelzure behoorlijk gedroogde praecipitaat van barietaarde , 0.590 grm. wegende, het zwavelzuurgehalte bere- kend, zijnde 0,2027 grm. en bedragende voor de geheele op- lossing 0,4054 grm. Vervolgens werd de andere helft der oplossing met chloor- ammonium en ammonia behandeld, en uit het verkregen praecipitaat door potassaoplossing op bekende wijze 0,156% grm. gegloeid iijjzeroxyde daargesteld; deze hoeveelheid beant- woordt aan 6,1408 grm. ijzerprotoxyde, gevende met 0,1564 „ zwavelzuur 0,2972 „ droog zwavel- zuur ijzerprotoxyde, hetwelk met 45,66 ten honderd water vereenigd, 0,547 grm. gekristalliseerd iijzervitrool vormt, be- dragende voor de geheele oplossing 1,094 grm. Uit deze proef laat zich de hoeveelheid zwavelzuur, welke met de aluinaarde is vereenigd, op 0,0926 grm. berekenen 846 gevende 0,1321 grm. zwavelzure aluinaarde, die met 48,59 wa- ter 0,257 grm. gekristalliseerd zout vormt. 100 grm. kolen bevatten dus 10,914 grm. ijzervitriool en 2,565 „ gekristalliseer- de zwavelzure aluinaarde, terwijl de kleine hoeveelheden van kalkaarde, bitteraarde en silica onbepaald bleven. 3. Bepaling der in zoutzuur oplosbare deelen. Hetgeen in water onopgelost bleef, werd met zoutzuur in de warmte behandeld; de hoeveelheid der uitgetrokken zelfstandigheid bedroeg voor 10,024 grm. kolen 0,116 grm.; derhalve voor 100 grm. kolen 1,169 grm. Door dit zuur zijn voornamelijk uitgetrokken aluinaarde, ijzeroxyde, kalkaarde en weinig phosphorzuuur. 4. Bepaling. Hetgeen in de 3e bepaling onopgelost bleef, werd in een platinaschoteltje verbrand; hierbij ontwaarde men nog eenen zwaveligzuren reuk, door de ontleding van eenig zwavelijzer gevormd; men verkreeg eene ligte bruinroode asch op 100 grm. kolen 19,62 grm. bedragende, welker bestanddeelen ijzeroxyde, aluinaarde, kiezelaarde en kleine hoeveelheden mangaanoxydeoxyduul waren. Uit dit onderzoek blijkt, dat de kolen door de groote hoeveel- heid asch, die ze na het branden terug laten, door de be- trekkelijk groote hoeveelheid der in water en zuren oplos- bare zouten enz., als brandstof weinig waarde hebben; door behoorlijk wasschen met water en droogen kan echter hare deugdelijkheid als brandstof eenigzins verbeterd worden. SCHEIKUNDIG ONDERZOEK MINERALE WATEREN EILAND BAWEAN, DOOR J. P. VAN ROUVEROIJ VAN NIEUWAAL. IH. Bron van Sangcapoera. Het water dezer bron vertoont de volgende eigenschappen: het is reuk- en bijna smakeloos, helder, wordt bij ver- warming troebel onder gasontwikkeling, kleurt blaauw lak- moespapier rood, welke kleur bij drooging weder verdwijnt. Na de verwarming wordt rood lakmoespapier blaauw gekleurd; het soortelijk gewigt is 0,0021 bij 28 C. Het kwalitatief onderzoek heeft de volgende stoffen aangetoond: koolzuur , chloor, potassa, soda, kalkaarde, bitteraarde, ijzer- protoxijde, kiezelaarde en aluinaarde. KWANTITATIEVE ANALYSE. 1. Bepaling der Vaste deelen. 22218 grm. water tot droogwordens uitgedampt en zachte ed __gloeijing van het overblijfsel, gaven 0,2 grm zout. 100 grm. water 0,09002 grm. zout. 848 2. Bepaling van het Chloor. 166,635 grm. water gaven 0,015 grm. bij 100 C°. gedroogd chloorzilver , waarin 0,00371 grm. chloor. 100 grm. water 0,00223 grm. chloor. 5. Bepaling van het Potassium. 110,09 grm. water gaven 0,073 grm. bij 100 C°. gedroogd chloor platina- chloorpotassium, waarin 00f 169 B potassium. 100 grm. water 001061 potasstum. 4. Bepaling van het Chloorpotassium. 100 grm. water gaven volgens de 2de bepaling 0,00223 grm. chloor. Deze geven met 0,00246 grm. potassium 0,00469 grm. chloorpotasstum. 5. Bepaling der Koolzure potasch. 110,09 grm. water met zoutzuur overzadigd, tot droog wor- dens uitgedampt en zacht gegloeid, gaven na wederoplossing 0,061 grm. bij 100 C. gedroogd chloorzilver waarin 0,01507 grm. chloor. 100 grm. water 0,01369 grm. chloor. 100 grm. water gaven volgens de 2de bepaling 0,0023 grm. chloor. Het verschil chloor 0,01146 grm. komt overeen met 0,0071f grm. koolzuur. Van de verkregene hoeveelheid potassium zijn 0,00246 grm. gebonden aan het chloor; het verschil 0,00815 grm. potassium geeft met 0,00150 „ zuurstof en 0,00458 „ koolzuur 0,01423 grm. koolzure potasch. 849 6. Bepaling der Koolzure soda. Het verschil koolzuur 0,00254 grm. geeft met 0,00358 „ Soda 0,00612 erm. koolzure soda. 7. Bepaling der Kiezelaarde, Het zout, bij de eerste bepaling verkregen, gaf 0,00562 grm. gegloeide kiezelaarde. 100 grm. water, 0,0025 grm. Miezelaarde. 8. Bepaling der Alwinaarde. Het filtraat der kiezelaarde gaf 0,007 grm. gegloeide aluinaar- de, door sporen van iijjzeroxijde gekleurd. 100 grm. water 0,00315 grm. aluinaarde. 9. Bepaling der Koolzure alkaarde. Het filtraat der aluinaarde gaf met koolzure ammonia be- handeld, 0,063 grm. bij 100 C. gedroogde koolzure kalk- aarde. 100 grm. water 0,03978 grm. koolzure kalkaarde. 10. Bepaling der Koolzure bitteraarde. Het filtraat van den koolzuren kalk gaf 0,058 grm. gegloeide phosphorzure bitteraarde, waarin 0,0212 grm. bitteraarde, welke met 0,0222 grm. koolzuur 0,043 grm. koolzure bitteraarde, geven. 100 grm. water 0,0195 grm. koolzure bitteraarde. 850 Resultaat. 100 grm. water bevatten. grm. Koolzure potasch 8 : ' ‚_ 0,01423 ‚h soda is ad 6 „ 0,00612 5e kalkaarde U. . 0,03978 E bitteraarde / S € : „ 0,01950 Chloorpotassium ì à : „ _0,00469 Kiezelaande ny ar y= iel: aten ant Aluinaarde met sporen van iijzeroxijde ' ‚ 0,00315 Totaal j . 0,08997 Het kalksediment, hetwelk de bron afzet, bestaat uit eene ta- melijk vaste massa van eene grijze kleur, is zandig op het gevoel en bestaat uit koolzure kalk- en bitteraardes silika, aluin- aarde, iijzeroxijde en sporen van phosphorzuur, Het water der bronnen 3, 4en 5 op de Geologische kaart van den heer C. pr Groor te vinden, zijn insgelijks door mij on- derzocht; daar ik ze, op een klein verschil in het soortelijk gewigt na, geheel met de beide voorgaande bevond overeen te komen, heb ik mij alleen tot het kwalitatief onderzoek er van bepaald. Het water uit de Telaga dert doewa dessa, heb ik insgelijks slechts kwalitatief onderzocht, daar de geringe hoeveelheid zouten het kwantitatief onderzoek van minder belang maakte: het is reuk- en smakeloos, kleurt rood noch blaauw lakmoes- papier, wordt bij verdamping naauwelijks troebel en bevat een weinig koolzuur en chlooralkaliën , sporen van silika en aluinaarde en voorts een weinig koolzure kalkaarde en bit- teraarde. 0 VER HET SCHEIKUNDIG ONDERZOEKEN VAN JAVAANSCHE PLANTEN, DOOR “_ D.W. ROST VAN TONNINGEN. Het is nagenoeg twee jaren geleden, dat ik in een artikel (zie Nat. Tijdschrift voor N. L. jaarg. I p. 290) berigtte, dat ik mij bezig hield met het onderzoeken van eenige inlandsche plan- ten, welker geneeskrachtige eigenschappen min of meer door de ondervinding waren aangewezen en welk onderzoek voorna- melijk de strekking had om de aan- of afwezigheid van alka- loïden of indifferente stoffen uit te maken, terwijl tevens van twee inlandsche gewassen de Soeren (Cedrela febrifuga) en Te- leoen (Terminalia moluccana) een dusdanig onderzoek werd medegedeeld. Het zal niet bevreemden, dat bij het voortzetten van dit werk bij voorkeur de aandacht was gevestigd op die planten, wel- ke den naam hadden van koortswerende eigenschappen in sommige hunner deelen te bezitten; nooit toch zijn meer- dere pogingen hiertoe in het werk gesteld en is tevens groo- 52 ter belangstelling in deze zaak getoond dan thans, nu er gegronde vrees is begonnen te ontstaan dat door een onbedachtzaam uit- roeijen der Amerikaansche kinabosschen , deze onmisbare boom zoo al niet uitgeroeid dan toch door zijne schaarschte den reeds hoogen prijs der kinine meer en meer zal doen stijgen en hierdoor aan hare algemeene aanwending paal en perk zal worden gesteld (fl). Men kan de pogingen, welke in den te- genwoordigen tijd voor de overbrenging der kinaplant op Java worden in het werk gesteld, niet genoeg waarderen, en bij eenen gunstigen uitslag was hierdoor niet alleen aan Java maar aan de geheele menschheid een wezenlijk geschenk ge- geven; ieder die slechts eenigzins bekend is met de onmisbaar- heid dezer plant en harer produkten, welke in zoovele ziekten met schitterende resultaten toegediend worden, zal hiervan de innige overtuiging bezitten. Om eene meer algemeene en gemakkelijke aanschaffing der kinine of daaraan gelijke stof te verkrijgen, staan „voorname- lijk twee wegen open. 1°. Het aanplanten van kinaboomen in landen, welke in ligging, klimaat en bodem met het oorspron- kelijke vaderland dezer plant zooveel mogelijk overeenkomen. 2°,. Het bestendig en grondig onderzoeken van andere gewas- sen, welke eenigen naam als koorstwerende verkregen hebben. Wat het eerste middel betreft, is het van algemeene bekend- heid, dat zulks reeds vroeger en nog dezer dagen is beproefd in Ss’ rijks plantentuin te Buitenzorg, met kinaboompjes, welke door de zorg van eenige nederlandsche hoogleeraren en onder de be- (a) Om zulks regt duidelijk te maken is het slechts noodig aan te ha- len, dat behalve het gebruik in Amerika zelf, jaarlijks 20,000 kwin- talen naar het buitenland worden uitgevoerd en alleen de Bolivische kom- pagnie 200,000 kilo per jaar aflevert; elke kinaboom nu levert 6—10 kilo bast (bij eene gemiddelde hoogte van 10 ned. ellen en 2 palmen dikte), terwijl als de afgeschilde boom niet sterft, dat echter meestal gebeurt, er ongeveer 20 jaren verloopen eer een nieuwe bast gevormd is; in den laatsen tijd evenwel hakte men de boomen tot meerder gemak maar eenvoudig om, zonder om nieuwe geregelde aanplantingen als anderzins te denken; iedereen kan zich ket noodzakelijke gevolg van eene derge- lijke handelwijze voorstellen. 853 scherming van het gouvernement aldaar aangebragt waren. Den uitslag dezer proeven, van welke wij verwachten, dat zij bij mo- gelijke mislukking zullen herhaald en niet als afgedaan beschouwd worden, wordt gewis met groote belangstelling te gemoet ge- zien (1). Volgens ons oordeel kan bij de noodige volharding en zorg, gevoegd bij het in aanmerking nemen der geognostische en klimatologische verhoudingen, waaronder de kinabosschen in Zuid-Amerika leven, deze uitkomst niet dan gunstig zijn. Het tweede aangevoerde middel behoort onder die, aan welke door een tal van scheikundigen groote aandacht en ouop- houdelijke vlijt zijn gewijd. Geen land ter wereld waar de volks- menigte, hetzij te regt of ten onregte, niet eenige planten als koortswerende middelen huldigt en weet aan te wijzen, en hoe- veel overdrijving nu ook veelal in deze volksuitspraak moge be- staan , het belang der maatschappij zoowel als de uitbreiding der wetenschap eischen, dat men een dusdanig middel onbevoor- oordeeld onderzoeke en door den geneeskundige, als hiertoe uit- sluitend geroepen, aan de waarheid toetsen laat. Door deze prij- zenswaardige gevoelens geleid , vonden Lr Roux en Bucuner de salicine in eenige wilgen en populieren (Salix montana en pur- purea, Populus tremula enz.), en hoewel nog te kostbaar voor eene algemeene aanwending, was er een tijd, dat het door Mr- QueL te Parijs als een specifiek middel tegen intermitterende koortsen werd aangeprezen, eene aanprijzing evenwel, aan wel- ker waarde thans door velen wordt getwijfeld. Zoo ontdekte in 1826 Oersrror de piperine in onze zoo algemeen bekende pe- perkorrels (piper nigrum) en ook dit ligchaam geniet sedert ve- le jaren den naam van met gunstigen uitslag aan koortslijders gegeven te zijn, terwijl om van meerdere anderen niet te gewa- gen De Koninck en Sras uit den bast der appel-, peren- en prui- menboomen eene stof afscheidden , welke onder den naam van phloridzine bekend, even als de reeds genoemde, met goed gevolg tegen koortsen is aangewend. Ondanks dat streven van zoo- (a) Tot heden zijn eenige exemplaren te Buitenzorg en Tjipannas on- der de zorg van den heer hortulanus TeiJSMANN aldaar groeijende. 854 velen, is men echter tot heden toe niet zoo gelukkig geweest , om de geneeskunde met een ligchaam te verrijken, dat in wer- king aan de kinine gelijk staat, of ten minste hetzelfde vertrou- wen geniet, dat de artsen zoo onbepaald aan genoemd alka- loïed schenken. Nemen wij dus het feit, zooals het zich thans voordoet, door vast te stellen, dat er voor het tegenwoordige niet eene enkele uit planten afgescheidene stof bestaat, zoo krachtig en zeker in werking als de kinine, dan is de eenige gevolgtrek- king, welke voor de beoefenaren der natuurkundige wetenschap- pen hieruit te trekken is deze, dat men zoeken moet zoolang tot men haar vindt of naar waarheid getuigen kan, dat zij niet te vinden is. Dit laatste nu laat zich niet zeggen voor en aleer talrijke onderzoekingen goed uitgevoerd en aan de wereld ken. baar gemaakt zullen zijn, en het eindresultaat dezer redenering is en blijft dus zoeken, proeven nemen, maar dit laatste vooral met oordeel en ondersteund door de ondervinding van zoovele kundige mannen, welke de praktische geneeskundige wetenschap- pen tot eere verstrekken en gegrond op de verwantschappen der planten onderling, zooals ons dat door de botanici in hare gelijksoortige eigenschappen is aangewezen. Eene reeds door wijsgeeren van alle tijden gedane uitspraak, dat elk land tegen zijne dusgenaamde eigenaardige ziekten, ook de middelen bezit, noodig om deze met vrucht te be- strijden, spreekt sterk dáárvoor, dat men uit inlandsche gewas- sen stoffen tracht af te zonderen, in werking gelijk aan de kini- ne, maar, zooals wij reeds vroeger opmerkten, deze stelling al- gemeen uitgesproken is in de verte nog niet bewezen en er kan zelfs van gezegd worden, dat zij, meer dichterlijk dan waar, bij een ruim overzigt der behoeften van de verschillende vol- ken en de daaruit volgende merkantiële betrekkingen, voor een streng logisch onderzoek vallen moet; niemand b. v. die aan de onmisbaarheid van kwik en kina op Java, Nederland en zoovele andere gewesten twijfelen zal, en toch komen deze stof- fen voor zoover bekend is niet alleen daar niet voor, maar weet men zelfs geene waardige representanten aan beiden te- genover te stellen en mogten deze laatste dan ook al aanwe- 855 zig zijn, men zal ze alleen door langdurig onderzoeken kun- nen vinden. Wat nu het opsporen van alkaloïden, zooals de kinine en indifferente stoffen, zooals de salicine, aangaat, behoort zulks vol- strekt niet tot de moeijelijke bewerkingen der scheikunde. Met weinige ingrediënten en werktuigen laten zich groote hoeveel- heden van verschillende planten onderzoeken, zonder dat zelfs eene onafgebrokene tegenwoordigheid van de zijde des bewer- kers vereischt wordt. Men heeft dus hierbij het voordeel, dat te gelijkertijd nog andere zaken ondernomen kunnen worden. Wat de keuze der planten zelve aangaat, — bij de weinige welke door mij aan een onderzoek zijn onderworpen, heb ik mij veelal laten leiden, hetzij door de aanbeveling der ge- neesheeren, hetzij door de nadere verwantschappen, welke zij bezaten met plantenfarmiliën waarin reeds koortswerende al- kaloïden of bittere stoffen aangewezen waren. Het is trouwens genoegzaam bekend, dat bij de natuurlijke rangschikking van het plantenrijk, in sommige familiën onmiskenbare overeenkom- sten in voortbrengselen aan te wijzen zijn. Wij herinneren hier slechts het zetmeel, dat in alle leden der Gramineën gevonden wordt, zoomede vlugtige oliën in de Labiaten, scherpe melksappen in vele Euphorbiaceën — harsen in de Coniferen, terwijl alle soorten van het geslacht Cinchona kinabasten op- leveren. Reeds Linnaeus schreef zulks, en riep niet Decan- DOLLE uit „schijnt ons de natuur in alle deze voorbeelden „niet zelve aan te wijzen, dat de sappen van verwante plan- „tensoorten gelijksoortige eigenschappen bezitten?” en of- schoon vele uitzonderingen dan ook dezen regel niet algemeen geldend doen zijn, kan het niet anders, of ook hij moet mede- werken om den scheikundige bij het uitkiezen van planten, welke hij onderzoeken zal, eene gegronde keuze te laten doen. Van de volgende gewassen op Java te huis behoorende of uit den vreemde er aangebragt, laten wij de resultaten onzer onderzoekingen volgen. Cascarilla muzonensis. Onder het sijnoniem van. Cinchona alba zond mij de heer Teissmann van Buitenzorg eene kleine hoe- Hi. 65 056 veelheid takjes, welker bast hij mij uitnoodigde op kinine te on- derzoeken. De planten zelve, van elders ontvangen en opgekweekt in bovengenoemden plantentuin, waren nog zeer jeugdig en klein , zoodat men tot heden geene aanmerkelijke massa’s er van had kunnen verzamelen. Veel belang stelde ik in dit on- derzoek, te meer daar reeds voor eenige jaren door N. Mir in de Cinchona alba eene plantenbasis was ontdekt, door hem blanchinine genaamd en er door WinckKrer zelfs Chinova- zuur in was aangewezen. De nog frisch groene in vollen bloei staande takjes werden eerst luchtdroog gemaakt en wogen naauwelijks één ned. ons; zij hadden eenen bitteren slijmigen smaak; na herhaalde ma- len met verdund zeezoutzuur warm te zijn uitgetrokken, werd het helder gefiltreerde aftreksel met koolzure soda even alka- kalisch gemaakt, door welke bewerking een hoogst fijn , zwart en door filtrering moeijelijk af te scheiden poeder uitgeschei- den werd; dit laatste, na met water goed afgewasschen te zijn, werd met wijngeest van 80°/, bij kookhitte uitgetrokken, waardoor eene donker gekleurde vloeistof ontstond, welke na affiltrering en uitdamping op een waterbad, eene eenigzins bittere, zamenklevende massa opleverde. Deze met kokenden ether behandeld, liet na affiltrering en drooging eene stof ach- ter, welke duidelijk door den reuk van vochtige kina-extrakten en harsen gekenmerkt werd. Deze hars werd met een zuur uitgetrokken en hetgeen hierdoor opgelost werd afgefiltreerd, _ waarna door ammonia eene nagenoeg witte stof werd geprae- cipiteerd. Dit nederslag, dat zich zeer gemakkelijk in uiterst ver- dunde zuren oploste, reageerde evenwel niet duidelijk alka- Á lisch en bitter genoeg om het met genoegzamen grond als een alkaloïed aan te merken ; op een platinablik verhit, verbrand de het zonder een spoor van asch terug te laten. k Een alkalisch afkooksel van dezen bast bevatte veel van een zeer op acidum pecticum gelijkend zuur; het werd door zuren gemakkelijk als eene gelei nedergeslagen en door alka- liën. opgelost; het bezat verder eene bruine kleur en eenen zeer duidelijken kinabitteren smaak en reuk, welke ook door 1) 857 anderen dan mij waargenomen is; van beiden was het niet door uitspoeling met water of wijngeest te bevrijden. Het behoeft wel geen nader betoog, dat het onderzoek van eene dusdanige kleine hoeveelheid bast, genomen van nog zul- ke jeugdige plantjes, niet als beslissend kon worden opgege- ven, waarom dan ook door den dirigerenden officier van ge- zondheid der eerste klasse den heer G. Wassink, van uit Buiten- zorg eenige boompjes in den plantentuin, welke sedert eenige jaren het groot militair hospitaal te Weltevreden versiert, ge- plaatst zijn geworden, welke, alhoewel tamelijk opgroeijende , meer den habitus van heesters vertoonen, dan dat het zich laat aanzien, dat zij eenmaal tot krachtige groote boomen zullen opgroeijen, iets wat niet sterk getuigt van eene nadere verwantschap met het geslacht Cinchona. Zij maken echter ook thans nog een voorwerp van zorg en verwachting uit, aange- zien besloten is den verderen groei dezer planten af te wachten, totdat zij eenen zekeren wasdom bereikt zullen hebben. De kinaboomen der Amerikaansche bosschen toch worden niet geschild, voor dat zij een twintigtal jaren oud zijn en van het vroegere denkbeeld, dat de jonge, dunne, opgerolde bastpijpjes de meeste koortswerende kracht hadden is men reeds lang teruggekomen, daar het bewezen is, dat juist de dikkere en oudere basten de beste eigenschappen bezitten; waaruit zich a priori het besluit laat trekken, dat men ook aan de Cascarilla muzonensis de noodige tijd tot ontwikke- ling laten moet, om later met grootere hoeveelheden van dezen bast nieuwe proeven in het werk te stellen, van welke niet nagelaten zal worden het publiek berigt te geven. Van de volgende vier planten, door ons onderzocht en waar- bij noch het vinden van alkaloïden noch van indifferente stoffen het onderzoek bekroond heeft, laten wij slechts eene korte aanwijzing volgen. Ophiorhiza mungos (de Tjetjankahan der inlanders) eene plant behoorende tot de klasse der Caprifoliaceën. Zij werd door Karmprer ook tegen den beet van giftige slangen aanbevolen. Alstonia spectabilis (Lamohboom) uit de familie der Apocijneön. 858 Samadera indica (Gatip pahit) met eenen als Quassia bitte- ren bast uit de familie der Therebinthinaceën en de Strjchnos muricata (Kajoe timor) officineel als cortex ligni timorensis, slangenhout, bekend, behoorende tot de familie der Strijchneën en voornamelijk in de binnenlanden van het eiland Timor voorkomende. Van alle deze vier planten is het hout of de schors van tijd tot tijd als koortswerend aangeprezen. Met nog een enkel woord willen wij gewagen van een der- de middel, sedert eenigen tijd opgegeven als misschien de meer. en meer schaarsch wordende kinine eenmaal te zullen kunnen vervangen, namelijk, door deze op scheikundigen weg direkt zamen te stellen. Mogt nog voor weinige jaren alleen het denkbeeld aan zoo iets slechts een medelijdend schouderopha- len den schrijver of ontwerper hiervan bejegend hebben, bij den verwonderlijken en snellen vooruitgang van alles, wat met kunsten en wetenschappen in de minste betrekking staat, bij zooveel vreemds, waarbij als het ware voor het menschelijke genie niets onmogelijks meer is, kan er hoop bestaan, dat te eeniger tijd deze ontdekking zal plaats hebben. Zoowel in het plantaardige als dierlijke leven toch worden stoffen voortgebragt, welke men volkomen gelijk in zamenstelling, voorkomen en uitwerking, door het zamenbrengen der hier- voor noodige invloeden in de chemische laboratoria scheppen kan (wij noemen hier slechts het zuringzuur, mierenzuur, gom, suiker en het ureum, dit laatste geheel uit dezelfde elementen opgebouwd als de kinine enz.). Doch, alhoewel de mogelijkheid dezer ontdekking niet is te ontkennen en er in Frankrijk zelfs eene aanmerkelijke som voor den ontdekker is uitgeschreven, moet men zich niet te veel aan eene dergelijke hoop overgeven, vooral niet als het gevolg hiervan eene ze- kere werkeloosheid ten aanzien der twee eerste middelen we- zen moest; het beproeven van aanplantingen der kinaboomer op Java en in andere landen, zooals thans geschiedt, en het ondere zoeken van de inlandsche gewassen alleen, kunnen met redelijke grond goede gevolgen en eene schoone uitkomst voor de maat schappij van zich doen verwachten. 859 Eindelijk herhalen wij hier den wensch, dat de lust tot deze onderzoekingen bij vele deskundigen op Java moge worden aangewakkerd niet alleen maar ook dat daaraan publiciteit zal gegeven worden, onverschillig of een goed of negatief resultaat verkregen wordt; — want, zooals wij in den eersten jaargang van dit tijdschrift reeds opmerkten, hierdoor alleen is eene schif- ting van onderzochte en nog te onderzoeken zaken mogelijk en kan zoo gehandeld wordende een doel snel en zeker bereikt worden, dat bij stilzwijgendheid of werkeloosheid anders nog lang op zich zal doen wachten. Weltevreden, 25 November 1852. BERIGTEN VAN VERSCHILLENDEN AARD. Aardbevingen op Java in Oktober, November en December 1852. De Javasche Couranten der laatste maanden bevatten weder meerdere berigten van aardbevingen, welke hieronder zijn zamengetrokken. Javasche Courant van Zaturdag 23 Oktober. Van Tagal wordt gemeld, dat aldaar in den avond van den 15den Oktober, tien minuten voor acht ure, eene ligte aard- beving heeft plaats gehad, met eene golvende beweging van _ het zuiden naar het noorden, welke ook in andere gedeelten dier residentie is ontwaard. nn Javasche Courant van Woensdag 27 Oktober 1852. Men schrijft van Magelang den f6den Oktober. — In den avond van gisteren omstreeks 8 ure, is alhier eene ligte schok van aardbeving waargenomen in eene rigting van het noorden naar het zuiden. Het is niet gebleken dat daar- door eenige schade is veroorzaakt. Men schrijft uit Banjoemas 19 Oktober. Á In den morgen van Woensdag den f3den dezes, omstreeks half twaalf ure en in den avond van Vrijdag daaropvolgende tegen kwartier over acht ure, zijn op de hoofdplaats en in de afdeelingen Tjilatjap en Bandjarnegara vrij belangrijke aardbe- 861 vingen gevoeld ; de laatste overtrof ver in hevigheid de eer- ste; zijnde echter daardoor, voor zoo verre bekend is, geene schade aan de gouvernements of aan partikuliere gebouwen veroorzaakt. Van Poerworedjo wordt van den ÎSden Oktober gemeld, dat te Keboemen op den ÎS3den te voren, omstreeks 12 ure des namiddags, vier elkander opvolgende schokken van aard- beving, in de rigting van het oosten naar het westen zijn gevoeld, zonder dat zij eenige schade aan de gouvernements of andere gebouwen hebben veroorzaakt; en dat op den 15den dierzelfde maand, omstreeks 8 ure des avonds, in diezelfde rigting op nieuw negen elkander snel opvolgende, zeer he- vige schokken van aardbeving zijn gevoeld en wel zoodanig, dat de muren van de geldkamer en bureaux te Keboemen zijn gescheurd. De nieuw gebouwde adsistent-residents wo- ning te Keboemen heeft echter niets geleden. Ook heeft zich, omtrent hetzelfde tijdstip, te Poerworedjo en Koetoeardjo die aardbeving in eene sterke mate doen ge- voelen, zonder eenige schade te veroorzaken; de rigting daar- van kon echter moeijelijk worden nagegaan, daar de bewe- ging niet golvend maar meer trillend was en de schokken el kander met eene tijdsruimte van ongeveer 2 sekonden hebben opgevolgd, Javasche Courant van Zaturdag 30 Oktober. In de afdeeling Galoe (residentie Cheribon) is den Í3den Oktober jl. des middags ruim ten 12 ure, een hevige schok van aardbeving gevoeld, in de rigting van het zuiden naar ‚het noorden. Te Tjiamis was het toen stil weder, met hel- deren zonneschijn en weinig bewolkte lucht ; thermometer 82° Ft. Den Îöden Oktober, des avonds ten 8u 15’ werd men we- derom drie schokken gewaar, waarvan de laatste zeer hevig waren, allen in de rigting van het zuiden naar het noorden. Ook toen was het te Tjiamis stil weder met heldere lucht; thermometer 81,5° Ft LA, he Vest, cire kn er 862 Bij geene dezer aardbevingen hebben ongelukken plaats ge- had. Javasche Courant van Zaturdag 18 December. Den 26sten November jl. des morgens ten 6} 45 minuten, heeft men te Soerabaja een’ ligten schok van aardbeving waar- genomen. Volgens berigten van Sumanap meende men in den morgen van den 2Östen November eenen kleinen schok van aardbeving te hebben gevoeld. _De Javasche Couranten van den 22sten, 25 en 29 Decem- ber van het vorige en den öden Januarij van dit jaar, behel- zen berigten van eene vrij hevige aardbeving, die door het ge- heele Westelijke gedeelte van Java tot Samarang, Kadoe en Bagelen gevoeld is. In den nacht van den 20sten op den 2{sten December hoor- de men een onderaardsch gedruisch als van eene zware ban- djir of een rijtuig dat over eene brug gaat en begon ten 122/, u. en voor de oostelijkste plaatsen wat later de grond hevig te schudden, zoodanig zelfs, dat muren omvielen en steenen ge- bouwen scheurden. Door dien het nacht was, is er slechts weinig waargeno- men en loopen de berigten omtrent den duur en rigting der schokken zeer uiteen. Het schijnt echter één aanhoudende langdurige golvende beweging of wel een snelle opvolging van verscheidene schokken van het z. w. naar het n. o. te „zijn geweest. Volgens sommigen zouden deze wel 5 minuten, volgens anderen 11/5, minuut aangehouden hebben. Om de Oost heeft men veel ligteren schok of alleen den hevigsten gevoeld en was de rigting oost en west, zoodat het blijkt, dat het midden der beweging zich bevond in West Java en wel bepaal- delijk in het ‘westen der Preanger regentschappen en in Bui- tenzorg, waar dan ook de beving het hevigst was. 865 Op het observatorium van den tijdbal te Batavia stond de eene astronomische klok, die tevens de meestgevoelige is, stil ten Î2u. Ah’ m. t. en de tweede één minuut later, terwijl de rigting door het aanslaan van de slingers bleek noordelijk en zuide- lijk te zijn. Voor en na de aardbeving heerschte op vele plaatsen een vrij hevige westelijke wind. Het schijnt echter, dat hef ge- durende de beving stil en de lucht afmattend warm was. Vooral te Buitenzorg en in het bijgelegen deel der Prean- ger regentschapben zijn vele gebouwen gescheurd, eenige zelfs gedeeltelijk ingestort, meerdere onbewoonbaar geworden. Menschenlevens zijn daarbij nergens verloren. Aardbeving in de Padangsche Bovenlanden op den 20°" Junij 1852. De redaktie heeft volgend berigt van eene geachte hand ontvan- gen. „Den 2sten Junij 1852 is des avonds omstreeks 7 \/, uur eene „aardbeving waargenomen, welke zich over de gewesten Tan- „nah Datar, XX en XII[ Kottas en misschien nog over andere „deelen van de binnenlanden heeft uitgestrekt. Eerst werd een „dof onderaardsch gerommel gehoord, dat twee sekonden aan- „hield, min of meer overeenkomende met het geluid van den „donder; hierop volgde na eene tusschenpozing van een se- „konde een vrij hevige schok , die slechts een oogenblik aan- „hield; het duurde echter 5 à 6 sekonden nog eer de aarde „‚ volkomen rustig was. De rigting was waarschijnlijk z. z. w. en ‚‚n.n. 0. De lucht was helder en onbewolkt tijdens dit voorviel. ‚Den geheelen dag was niets bijzonders in de atmosfeer waar- „ genomen. „Den 2isten Junij kon niets bijzonders aan de vier voor- „naamste vuurbergen in de nabijheid der Selasi, Sago, Merapi „en Singgalang bespeurd worden.” Dn ee 864 Uittreksel wit het Programma van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem voor het jaar 1852. De redaktie deelt hier een uittreksel mede van die gedeel- ten van bedoeld programma, welke zij acht dat in Nederlandsch Indië meer algemeen bekend behooren te worden gemaakt. De Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem vierde haar honderdjarig bestaan onder anderen door het houden eener Algemeene Vergadering den 2isten Mei 1852, en van eene feestrede, die op den 22sten daaraanvolgenden door den hoogleeraar Mr. D. J. van Lenner, dien zij gedurende eene halve eeuw onder hare Leden had mogen tellen , werd uitgesproken, en tot wier uitgave in druk, nadat zij door direkteuren, leden en eene uitgelezene schaar van genoodigden met de meeste belang- stelling was aangehoord, werd besloten. De Algemeene Vergadering op den 2isten Mei 1852 werd door den pre- sident direkteur Jhr. J. P. Tepine van Berknour geopend met eene aan- spraak, waarin hij het gewigtige van deze bijeenkomst schetste en de belangen der bloeijende Maatschappij aan zijne mede-direkteuren en aan hare leden op eene dringende wijze aanbeval; hij vermeldde daarbij tevens, dat door direkteuren besloten was tot het uitschrijven van twee aanzienlijke Eereprijzen; de eerste voor een belangrijk Natuurkundig werk, de tweede voor eene groote ontdekking in eenig gedeelte der Natuurkundige Weten schappen. De uitloving dezer Eereprijzen werd den volgenden dag vóór den aan- vang van de redevoering, nadat de president-direkteur de bijeenkomst ter gelegenheid van het eeuwfeest had geopend, aan de leden en de genoo- digden door den sekretaris bekend gemaakt met het voorlezen van het volgend besluit: »Direkteuren van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen heb— ben besloten ter gelegenheid van het weerste eeuwfeest der Maatschappij »de volgende premiën uit te loven. — } » Als ten eersten voor het belangrijkste werk in eenig gedeelte der Na- »tuurkundige Wetenschappen, uit te geven in het tijdsverloop van vier ja- pren na de viering van het eeuwfeest op den 22sten Mei 1852, eene som »van Een Duizend Guldens. 7 » Ten tweeden voor de uitmuntendste der groote ontdekkingen, die in »eenig gedeelte der Natuurkundige Wetenschappen mogten gedaan zijn, palmede in het tijdsverloop van vier jaren na de viering van het eeuw- »feest op den 22sten Mei 1852, eene som van Twee Duizend Guldens.’ 865 Zij, die op deze Prijzen oordeelen aanspraak te kunnen maken, zullen hunne werken, en de naauwkeurige beschrijving hunner ontdekkingen aan den Sekretaris der Maatschappij te Haarlem moeten inzenden, vóór den 22sten Mei 1856. De Maatschappij heeft goedgevonden, om van de onbeantwoord geble- vene vragen, waarvan de tijd ter beantwoording op den 1 Januarij II. ver- streken was, de volgende thans aldus te herhalen, OM BEANTWOORD TE WORDEN vVóóR Î JaANnvariIJ 1954. Ï. Aangezien de toenemende schaarschheid van den Kinabast, ten ge- gevolge der veelvuldige inzamelingen in de Amerikaansche kinabosschen en der daardoor veroorzaakte beschadiging dier bosschen, meer en meer een gemis van dat onontbeerlijk geneesmiddel doet vreezen, zoo wordt gevraagd: Geven de natuurkundige wetenschappen genoegzame gronden aan de hand, om te mogen verwachten, dat de aankweeking en voortte- ling der kinaboomen in onze koloniën met een gunstig gevolg kunnen wor- den ondernomen ? IL. Hoewel er een aanmerkelijk verschil bestaat tusschen de zoogenaam- de zoutvormende (kalogene) grondstoffen, Chlorium, Jodium en Bromium, zoo is het toch niet te ontkennen, dat die zelfstandigheden tevens in ve- le opzigten eene groote verwantschap en onderlinge overeenkomst hebben, zoo dat men wel mag twijfelen, of zij werkelijk grondstoffen zijn, te meer, daar ze veelal te zamen of met elkander verbonden, in de natuur aanwe- zig zijn. De Maatschappij verlangt derhalve een nieuw proefondervinde- lijk onderzoek dienaangaande, alsmede eene oordeelkundige beschouwing van het bekende van de bereiding en afscheiding dier zelfstandigheden uit hare natuurlijke verbindingen, met opzigt tot de daartoe gebezigde midde len, en der al of niet overeenstemmende hoeveelheden, door de verschil lende wijzen van bereiding verkregen. UI. In hoeverre kunnen de organische overblijfsels in eene geologische formatie ons een denkbeeld geven van de organische schepping in een be- paald geologisch tijdperk, en welke regelen heeft men in acht te nemen, om niet meer uit de waarnemingen af te leiden, dan zij bij een streng onderzoek leeren ? VI. Welke zijn de verschillende Menschenrassen, die in den , tot het Nederlandsch gebied behoorenden, Indischen Archipel te huis zijn? De Maatschappij verlangt eene, zoo mogelijk, door afbeeldingen opgehelderde naauwkeurige , ook osteologische beschrijving dezer rassen. VIT. Omtrent de bewegingen van het bloed bij de insekten, is men tot nog toe tot geene zekerheid gekomen. De beroemdste natuurkundigen verschillen hieromtrent aanmerkelijk in gevoelen. De Maatschappij verlangt, dat door nieuwe onderzoekingen de wijze bepaald worde, waarop het tot 866 voeding dienend vocht door het ligchaam der insekten bewogen wordt. VIII. Daar de bekende waarnemingen van LeruwennoeK, Fontana en SpaLLANZANI, over het vermogen der Raderdiertjes, om, na langen tijd gedroogd en schijnbaar levenloos bewaard te zijn geweest, weder door be vochtiging te herleven, door EnrenBenG weêrsproken zijn, verlangt de Maatschappij eene kritiek dier waarnemingen, door eigene nasporingen toegelicht. XX. Waarin bestaat de zoogenaamde ciliaire beweging, die op de opper- vlakte van verschillende organen der dieren waargenomen wordt; welke is de ware oorzaak dier beweging, en in hoe verre staat zij in verband met de funktiën der organen, waarop zij plaats heeft? IX. Bij eenige der lagere geslachten der weekdieren en hij sommi- ge, straaldieren meent men gezigtsorganen te hebben gevonden. Men ver- langt eene naauwkeurige beschrijving dezer organen, bij ten minste drie week en drie straaldieren, en van het verband dezer organen met eeni- ge meerder of minder centrale zenuwmassa, door afbeeldingen opgehel- derd, en eene daaruit opgemaakte theorie der wijze , waarop door tusschen - komst van het licht deze dieren, door die oogen, hetzij alleen van de aanwezigheid, hetzij ook van de gedaante en de kleur der voorwerpen, kennis bekomen. XI. De Schildpadden, waarvan de schilden van Celebes en de nabij ge legen eilanden voor den handel naar Europa worden overgebragt, schijnen tot verschillende soorten te behooren: de Maatschappij vraagt daarom eene zoölogische beschrijving dier verschillende Schildpadden van den Indischen Archipel. XIII. De Maatschappij verlangt, dat men onderzoeke of er bij de Varens eene ware bevruchting geschiedt, en zoo ja, op welke wijze deze plaats heeftp XIV. De Maatschappij verlangt eene Botanische beschrijving van het eilan. „Ambon. XVI. De proeven van Bovrienr, Prücker en anderen, hebben het bui- ten twijfel gesteld, dat men eenig deel van het ligchaam, zoo als de vin- ger of zelfs de geheele hand, als dit met eenig ligt verdampbaar vocht overdekt is, of ook zelfs zonder dat, als het door zweet vochtig is, zon- der gevaar van branden, eenige oogenblikken in gesmolten metaal, zoo als b. v. in gesmolten ijzer, kan houden. Men verlangt, dat dit verschijt- sel aan een naauwkeurig onderzoek worde onderworpen. XVII. Kort na de ontdekking van Dacvrrse heeft men onderzoekingen gedaan , om te bepalen, of de Elektriciteit invloed heeft op de voortbren- ging der zoogenaamde Daguerrotype-beelden, die echter tot geene bepaal de besluiten hebben kunnen leiden. De Maatschappij verlangt, dat men in dit opzigt den invloed zoowel der Statische als der Dynamische Elektri- citeit nader onderzoeke. 867 De Maâtschappij heeft goedgevonden dit jaar de volgende Natuurkundige vragen voor te stellen , OM BEANTWOORD TE WORDEN VÓÓR ÌÎ JANUARIJ 1854. IT. De nasporingen over de geslachts-organen der Lichenes, welke onlangs door de heeren H. Irzicsonn, L. R. Turassv en J.D. W. BarmnorreR ge- daan zijn, schijnen een geheel nieuw licht over den bouw en de verrig- ting dier organen te verspreiden. Bijaldien die ontdekkingen bevestigd worden, zal niet alleen de kennis van die afdeeling des plantenrijks op eene belangrijke wijze uitgebreid worden, maar zal daardoor de geheele leer van het dubbele geslacht in de lagere gewassen eene hoogst gewigti— ge aanwinst doen. De Maatschappij wenscht daartoe van hare zijde mede te werken en vraagt eene zorgvuldige herhaling der openbaar gemaakte waarnemingen, en uitbreiding derzelve op andere geslachten en soorten uit andere afdeelingen der Lichenes. Het komt haar daarbij wenschelijk voor, dat de waarnemingen door afbeeldingen en zoo mogelijk door over— legging der afgebeelde voorwerpen en praeparaten opgehelderd en beves- tigd worden. II. Uit latere nasporingen van Ros. Brown, Grirriru, GoerrerT en an- deren, over de Balanophoreën blijkt, dat de planten tot deze groep gebragt , in ’t algemeen eene meer volkomene struktuur, vooral van de vruchtma- kende organen hebben, dan vroeger werd aangenomen. De Maatschappij wenscht dat de kennis dier gewassen, inzonderheid ten aanzien van de ont— wikkeling van het ei en deszelfs bevruchting, in een of meer geslachten , als bijv. Rafflesia, Balanophora, Brugmansta, ter keuze van den schrij ver, door eigene en nieuwe onderzoekingen worde toegelicht. V. Daar door de proeven van C. Lupwricn (Versuche über die Beihülfe der Nerven zu der Speichelsecretion , Hunre Zeitschrift f. rat. Medicin, Neue Folge, Band 1 Heft. 2) de direkte invloed der zenuwen op de af— scheiding van het speeksel schijnt bewezen te zijn, vraagt de Maatschap pij: welke is de invloed der zenuwen op de hoeveelheid en zamenstelling der sekreties ook van andere organen, en hoe is die invloed het best te verklaren. VI. Welke is het nut der kliercellen in de sekretieorganen, en wat brengen zij toe ter bereiding en zamenstelling van het afgescheiden vocht. Men verlangt hierbij althans voor eenige organen een naauwkeurig onder— zoek van de veranderingen, die deze cellen en hare inhoud gedurende de sekretie ondergaan. VIT. Welke is de invloed der zenuwen op het ontstaan en de ontwikke- ling van het ontstekingsproces. Kan ontsteking en etterafscheiding wor- den verwekt na doórsnijding van spinaalzenuwen, hetzij boven hetzij on- der hun ganglion? kan sterke prikkeling van een ganglion eener spinaal— 868 zenuw ook eene peripherische ontsteking in de deelen, waarin die zenuw zich verspreidt , veroorzaken ? VIII. Men verlangt: eene geographische cn geologische beschrijving der steenkolenformatiën in Zuid-Borneo (residentie Banjermassin), benevens eene vermelding van de wijze van bewerking der reeds ontgonnen mijnen en eene ontwikkeling van de verbeteringen, die aan de geheele exploi- tatie zouden kunnen toegebragt worden. IX. Men vraagt eene beschrijving der fossile flora van eenige steenko— lenbeddingen in Borneo (zoo mogelijk met bijvoeging van eenige belang rijke specimina), en hare vergelijking met de tegenwoordige planten der streken waar deze beddingen voorkomen. X; Ook na de vele opmerkingen over het bekende verschijnsel in de Indische zeeën, vooral bij Nieuw Guinea, dat gewoonlijk de melkzee wordt genoemd, verlangt men een vernieuwd onderzoek van de oorzaken, de tijdstippen , rigtingen en uitwerkingen van dit natuurverschijnsel. XII. Veelvuldige waarnemingen van Tuurmann, medegedeeld in zijn be- langrijk , geologisch-kruidkundig werk: Essat de Phijtostatiqgue appliquée à la chaine du Jura et des contrées voisines etc. Berne 1849, hebben dien verdienstelijken natuurkundige tot het besluit geleid, dat de versprei- ding der verschillende soorten van gewassen, en derzelver meer of min weelderige groei, niet zoo zeer van delfstoffelijke verscheidenheid van den bodem , als wel van deszelfs physische en hygroskopische gesteldheid , meerdere of mindere vastheid, verweêring g, vergruizing en van het ver- mogen om water en lucht op te nemen en te binden; en dus meer van physische dan wel van chemische oorzaken, afhankelijk is. Dit besluit, hoewel reeds door anderen bestreden, is echter nog verre van genoegzaam wederlegd te zijn. De Maatschappij verlangt derhalve, dat dit onderwerp door verder onderzoek en door proefnemingen op onderscheidene gronden en gewassen worde opgehelderd , zoo dat men nader tot beslissing van het daaromtrent bestaand geschil gebragt worde. XVII. De Galvanische lichtboog, in verband gebragt met achromatische het licht koncentrerende glazen, geeft gelegenheid om de zoogenaamde Frauenhofersche strepen in het door een prisma van zuiver flintglas ge- vormd spectrum te onderzoeken, zoo als dit met den toestel, door den kundigen Parijsschen instrumentmaker Dugosc Soreir uitgedacht en zamen gesteld, kan worden aangetoond; en daar het uit de door dien vermaar- den instrumentmaker genomen proeven blijkt, dat deze strepen verschil end zijn, naarmate de lichtboog tusschen verschillende metalen wordt sevormd , zoo verlangt de Maatschappij, dat zij naauwkeurig beschreven worden, dat meu haar verschil, naarmate zij door verschillende metalen worden voortgebragt , bij ten minste vier metalen onderzoëke, en dat door het voortbrengen van den lichtboog, ook in het luchtledige, bepaald wor- 669 de, of de strepen in het spectrum, bij de verbranding der metalen , over- eenkomen met die, welke door den lichtboog bij den enkelen overgang der gloeijende stof zonder merkbare verbranding gevormd, worden voort- gebragt, en zoo niet, waarin zij verschillen ? 3 XVIII. Men heeft waargenomen, dat de vonk die bij het afbreken van eenen Galvanischen stroom, die dooreen spiraaldraad gaat, welke om een week ijzeren cilinder is gewonden, versterkt wordt door den stroom, die op het oogenblik van het ophouden van den Magnetischen toestand van Het is dâarbij opmerkelijk, dat wanneer het ijzer in den draad ontstaat. de afbreking van den stroom in de onmiddellijke nabijheid van den ijzeren cilinder geschiedt, de vonk een veel sterker geluid veroorzaakt, dan wan- neer de afbreking op grooteren afstand plaats heeft, zoo als dit door den Amerikaanschen natuuronderzoeker Pace onder anderen is waargenomen. — De Maatschappij verlangt, dat men dit laatste verschijnsel door nieuwe proefnemingen onderzoeke en er de oorzaak van opspore. HISTORISCHE en LETTERKUNDIGE VRAGEN. De Maatschappij heeft goedgevonden de volgende vraag, waarvan de tijd der beantwoording op den 1 Januarij l.l. verstreken was, thans aldus te herhalen. OM BEANTWOORD TE WORDEN vóÓÓR Î JANUARIJ 1954. II. Men vraagt eene geschiedenis van den Maleischen volksstam , die zijn? el el » IJ vermoedelijken oorsprong, zijne takverdeeling , verbreiding en lotgevallen ) Onde 5» ö ö » bijzonder in het vóór-Mohammedaansche tijdvak , zoowel door taalvergelij- dj d ) 6e) king, als uit historische mondelinge en geschrevene overleveringen en gedenkteekenen ontwikkelt. IH. Bij de groote veranderingen, die den laatsten tijd in de staatkundi— ge gesteldheid en de handelsbetrekkingen der aan de Stille Zuidzee aan- grenzende landen en daarin gelegen eilanden reeds hebben plaats gegre- pen , of nog vermoedelijk eerlang plaats grijpen zullen, verlangt men ont— wikkeld te zien, hoe het Oostelijk gedeelte van den aan Nederland ver- bonden Oost-Indischen Archipel door zijne ligging , geographische gesteld ei evolkingen en voortbrengselen, daaraan een gewigtig aandeel zou heid, bevolking tbrengselen , d gewigtig deel kunnen nemen. — - Het zal der Maatschappij aangenaam zijn , wanneer de schrijvers hunne antwoorden , zoo veel mogelijk is, bekorten , door alles daarvan af te la- ten, wat niet volstrekt tot de hoofdzaak , die zij vraagt, behoort. Zij ver=- langt in alles, wat men haar aanbiedt, duidelijkheid met kortheid ge- paard en het welbewezene, van het op losse gronden gestelde , juist on- 870 derscheiden te zien. — Wijders wordt herinnerd, dat, volgens besluit van direkteuren , geen antwoord ter beoordeeling zal worden aangenomen. het- welk blijkt met de eigen hand des schrijvers geschreven te zijn, en zelfs zal eene toegewezene medaille niet kunnen worden afgegeven, wanneer na de toewijzing de hand des schrijvers in het bekroonde stuk duidelijk erkend wordt, alsmede dat geene verhandeling, welke grootendeels tot eene voorlezing gediend heeft, ter beoordeeling bij de Maatschappij kan aangenomen worden, en dat, wanneer men dit van een reeds gunstig beoordeeld stuk mogt ontdekken, alsdan het daaromtrent genomen besluit zou vervallen. De naambiljetten der onbekroonde Verhandelingen zullen ongeopend ver- nietigd worden; hiervan zullen echter de biljetten uitgezonderd zijn, wel- ke bij Verhandelingen behooren, die bevonden zullen worden uit gedrukte werken overgeschreven te zijn; wanneer integendeel de namen der schrij vers openlijk zullen bekend gemaakt worden. Het staat ook aan elk lid vrij naar den prijs te dingen, onder voor- waarde dat zijne Verhandeling, gelijk mede het biljet, met de letter ZL. geteekend zij. De antwoorden moeten duidelijk geschreven, met een verzegeld biljet, des schrijvers naam bevattende, in het Nederduitsch, Fransch, Latijn, Engelsch, Italiaansch of Hoogduitsch (doch met geene Hoogduitsche let- ter), FRANCO gezonden worden aan den sekretaris der Maatschappij, den hoogteeraar J. G. Ss. VAN BREDA, te Maarlem. De eereprijs der Maatschappij voor het voldoende antwoord op elk van hare vragen, is eene Gouden Medaille, op den gewonen stempel der Maat schappij geslagen, met den naam van den schrijver en het jaartal op den rand, of Monderdvijftig guldens, ter keuze van den schrijver, en nog daarenboven , indien het antwoord zulks waardig geoordeeld wordt, eene premie van Monderd-vijftig guldens. — Het zal dengene, die den prijs be- halen zal, niet vrijstaan, zijne Verhandeling, welke bekroond is, hetzij afzonderlijk of bij eenig werk, te doen drukken, zonder de uitdrukkelijke toestemming van de Maatschappij daartoe te hebben bekomen. , 871 Tentoonstelling te Batavia, te houden in 1853. Blijkens het berigt, voorkomende op pag. 647 van dezen jaargang, beliepen de inschrijvingen. À . f 19895. — Sedert zijn nog de volgende ingekomen, als: van Batavia. 8 4 Ki , d „916. — „ Japara. : ° \ d bad 42, — „ Sberabaja. .… Wer REDE ee „ Soerakarta. (het hof) é É … „ 1251. — „ Padang. ‘ E À ’ Ì . „ 105. — „ Madioen. \ 4 N Á . „ 1812. 40 Nienado. . À s î ER WO Er „ Benkoelen. .… B , ; k rn Pho rie „ Banda. : E ; kn Bs 40. — 24522.40 Daarentegen is gebleken dat de inschrijving te Bezoeki te hoog is opgegeven. _ Í Jons Zoodat de inschrijvingen nu beloopen. … f_ 2449740 terwijl nog eenige worden te gemoet gezien van Batavia, Pa- lembang, van de Westerafdeeling van Borneo en van Menado. De ruime inschrijvingen in de binnenlanden van Java getui- gen van de warme belangstelling der Europesche, zoowel als van de inlandsche ingezetenen van Java. Zoodra het program- ma in de Javasche taal gepubliceerd en het doel der tentoon- stelling aan de leden des hofs te Soerakarta bekend was ge- maakt, werd door Z. H. den soesoehoenan persoonlijk inge= schreven eene som van f 600 en door de overige rijksgrooten nog f 651. Aan deheeren A. Fraser, H. L. Dreereman, C. F. Winter , en E. Nerscaer zijn de vertalingen van het programma in de En- gelsche, Fransche, Javasche en Maleische talen te danken; hier- door is de bekendheid en het juiste begrip van het doel der tentoonstelling zeer bevorderd. Ten gevolge van eene openlijke uitnoodiging ter erlanging van projekten voor een tentoonstellingsgebouw, zijn vijf projek- HI. 66 872 ten ingekomen, opgemaakt door de heeren Brommestein, J. Prins, één geteekend Z., één met de spreuk „doe wel en zie niet om” en één van den heer Horm, welk laatste evenwel de termen overschreed, welke voor de kosten der oprigting waren gesteld. Deze projekten, waarvan eenige groote verdiensten bezitten, benevens het reeds vroeger door den heer CG. T. DEeeLEMAN aan- gebodene, zijn gesteld in handen van een kommittee, bestaan- de uit de heeren Jhr. RK. G. B. pr VAINES VAN BRaKELL, Js Trou, leden der kommissie voor den tentoonstelling, en den heer J. VAN STAVEREN, kapitein der genie , welke laatste op uitnoodiging der kommissie wel heeft willen deel nemen aan dit kommittee. Aan deze heeren werd opgedragen om eene keuze te doen uit de ingekomene projekten of, des vereischt, wijzigingen voor te stelien. Na een grondig onderzoek betreffende de uitvoerbaarheid van de verschillende projekten, zoo met betrekking tot de kosten, als tot den tijd voor den bouw benoodigd, heeft genoemd kommittee vermeend den voorkeur te moeten toekennen aan het projekt van den heer C. T. Dezreman, nadat het, in over- leg met dien heer eenigzins was gewijzigd. De kommissie heeft zich geheel vereenigd met het rapport van het kommittee en men is dadelijk overgegaan tot de daarstelling van het gebouw, „hetwelk wordt opgerigt aan den n. o. hoek van het Konings- plein, nabij de citadel. De heer C. T. DreremAN heeft op zich genomen om den bouw te besturen. Het gebouw zal met het front naar de citadel gerigt worden en bestaan uit een’ buitenmuur voorzien van talrijke ramen, omvattende een langwerpig vierkant, ter lengte van 260 en _ ter breedte van 212 voeten; tegen de binnenzijde van den muur wordt eene met pannen gedekte gaanderij van 40 voeten breed- te opgerigt, terwijl de inwendige ruimte, des vereischt, kan worden aangewend om meerdere overdekte lootsen op te rig- ten. De gaanderij biedt eene overdekte ruimte aan van 3000 vierk. ned. ellen. Van vele residentiën zijn reeds de opgaven ontvangen betref= fende de voorwerpen, welke voor de tentoonstelling kunnen worden verkregen, hetzij door vrijwillige inzending, of wel door dadelijken inkoop. Bijna allerwege ondervindt de kommissie de meest welwil- lende medewerking van de verschillende kommittee’s en elders van de residenten. Het aantal voorwerpen, dat voor de tentoon- stelling wordt aangeboden, hetzij ten geschenke of in leen of wel om te worden te geïde gemaakt, overtreft zeer de ver- wachting en hierdoor ziet de kommissie zich in staat gesteld om aanzienlijke aankoopen te doen ín de buitenbezittingen, waar de bevolking niet zoo wel begrijpt, datook in haar belang de tentoonstelling plaats vindt. Door deze dankoopen vleit men zich de belangstelling van die volkeren voor toekomstige on- dernemingen van gelijken aard op te wekken. Het is een zeer verheugend verschijnsel, dat zonder eenige geldelijke ondersteuning van het gouvernement eene dergelijke onderneming belooft zoo wel te zullen slagen; de ruime gel- delijke bijdragen en de talrijkheid der voorwerpen, welke voor de tentoonstelling zijn aangeboden, getuigen, dat men in Indië algemeen bezield is met eenen geest van vooruitgang, dien men nog slechts weinig jaren geleden niet had durven vermoe- den. Het zou zeer te bejammeren zijn indien niet alle gewesten van den Archipel hunne bijdragen leverden , want hierdoor zou verbroken worden het algemeene overzigt, dat de tentoonstelling belooft ten toon te zullen spreiden. Het is te hopen dat de weinigen, die nog achterlijk zijn gebleven in het hunne toe te brengen tot het welslagen dezer onderneming, de overtui- ‚ging zullen erlangen van hare nuttige strekking. Wij zouden het zeer betreuren te moeten melden , dat uit deze of geene residentie geene voorwerpen naar de tentoonstelling waren gezonden. De heeren S. D. Scuier, J. TrouPp, E. W. Crauerus en A. Fraser hebben zich belast met het ontvangen en innemen der voorwerpen. De schout bij nacht kommandant van Z. M. zeemagt in O. Indië heeft de kommanderende officieren van Z. M. stoom- schepen uitgenoodigd om behulpzaam te willen zijn in het over- ‚voeren van voorwerpen voor de tentoonstelling en ook de fak- e 874 torij der Ned. Handelmaatschappij heeft aan hare agenten het- zelfde verzoek gedaan. De heeren Dr. P. Brreken, P. J. Maren en H. L. Drrreman hebben op zich genomen om een ontwerp te maken betreffen- de de inrigting van eenen katalogus. Geschenken aan de V sreeniging. Boek werken. Oratio de regno vegetabili in telluris superficie mutanda efficaci, quam publice habuit die IT m. Martii 1846 quum in athenaeo illustri am- stelaedamensì medicinae et botanices professionem ordinariam auspica-— retur F. A. G. Mrover. Amstel. 1846. 4e. (van den schrijver). Cycadeae quaedam americanae , partim novae. Descripsit F. A. G. Mrover. Amsterd. 1851 4e. (van den schrijver). Fungorum aliquot exoticorum recensio, scripsit F. A.G. Mrover. (Uit Tijd- schr. Wis- en Natuurk. Wetenschappen. Dl. V.). 8°. (van den schrij ver). Animadversiones in Piperaceas herbarii Hookeriani auctore F. A.G. Mrover. (van den schrijver). Manipulus stirpium Blanchetianarum in Brasilia collectarum, determinavit F. A.G. Mrover. (Uit de Linnaea). 8”. (van den schrijver). Symbolae ad Floram surinameusem, scripsit F. A.G. Migver. (Uit de Lin- nea.) 80. (van den schrijver). De Noord Nederlandsche vegetatie in hare hoofdtrekken vergeleken met die der Pruissische Rijn -— provincie door f. A. W. Mrover. 1837. 8°. (van den schrijver). Fungorum species novae surinamenses scripsit C. Moxracxe. Uit het Tijd- schrift voor de Wis- en Natuurk. Wetenschappen DI. IV. 8°. — Van het korresponderend lid den hoogleeraar F. A. W. Miover). Flora Belgii septentrionalis sive Florae Batavae compendium. Vol. II. Pars II. continens Lichenes quos elaboravit H. C. van Harr et Algas, quas elaboravit F. A. G. Mrover. Amsterd. 1840. 8e. (van het korrespon- derend lid F. A. W. Miover). — Vol, II. Pars IT. Egquisetaceae, Fili- ces, Marsiliaceae, Lycopodiaceae, Musci et Hepaticae, elaboratae studio F. A. G. Mrover et M. Dassen, edidit, emendavit atque praefatus est_ H. C. var Harr, Amsterd. 1832. 8°. (van den heer Brreken). — Vol. 1. Pars II., continens Plantas phanerogamicas in Batavo solo repertas 875 post primi voluminis editionem, anni 1825, auctore H.C. van Haurs Amst. 1836 8. (van den heer Brerker). Journal of the Indian Archipelago and Eastern Asìa, edited bij J. R. Locar vol. VI 1852 No. VIT and VIII (van de redaktie). Biang-lala, Indisch leeskabinet tot aangenaam en gezellig onderhoud, on- der redaktie van W.L. Rrrrer en L.J. A. Torrens, Jaargang Ï, Batavia 1852, 80., aflevering V en VI. (van de redaktie). Astronomical observations, made under the direction of M. F. Mavar, Lieut. Un. St. Navy, during the year 1846, at the National observatory , Washington, published by authority of the secretary of the Navy, Washington, 1851 4°. (van den schrijver). Maury’s Sailing directions. Third edition, improved and enlarged. 1851. Washington, 4°. (van den schrijver). On the establishment of an universal system of Meteorological observations by Sea and Land. Washington. 1851. (van den heer M, F. Mavrr, luit. bij de Marine van de Vereenigde staten van N. Amerika, super intendant van het Nationaal observatorium te Washington). Oeuvres de Marrorre, imprimés sur les exemplaires les plus exacts et les plus complets. La Haije, 1740. (van den heer J. Hacrman Jcz). Chymie expérimentale etraisonnée par M. Baum; Paris 1773. (van den heer J. Haeruar Jcz). Lecons de physique expérimentale sur l’ équilibre des liqueurs et sur Ja nature et les propriétés de l'air, traduites de l’ Anglais de R.-Cô- res, professeur de physique expérimentale à Cambridge; Paris, 1762. (van den heer J. Haceman Jcz.). Lectures in experimental philosophy, by Norrer, London, 4748. (van den heer J. Haceman Jcz.). Amusement philosophique sur le language des bètes, par le père Boueranr; La Haije, 1739. 8°. (van den heer J. Haceman Jcz.). Catalogue de 501 étoiles, suivi de tables relativesed’ aberration et de nu- tation, par A. Caerorr; Modène, 1807. (van den heer J. Haceman Jcz.). Annuaire de Chimie, comprenant les applications de cette science à la médecine et à la pharmacie ou Répertoire des découvertes et des nou- vraux travaux en chimie, par B. Mrirrox et J. Reiser avec la col- laboration du docteur F. Hoeren. Paris 1845. (van den heer J. Hacuman Jez.). Loix du magnétisme, comparées aux observations et aux expériences dans les différentes parties du globe terrestre, pour perfectionner la théo- rie générale de l’ aimant, et indiquer par là les courbes magnétiques qu’on cherche à la mer, sur les cartes réduites, par M. Le Mornren. Paris 1776. (van den heer J. Haceman Jcz.). Handleiding tot de kennis der Natuur, uitgegeven door de Maatschappy tot Nut van ’talgemeen. Leiden 1851. 89. (van den heer J. Haceman Joz.). Ed 676 Het regt in Nederlandsch Indië. Regtskundig tijdschrift. Jaarg. IV 1852., Batavia 80. (van de redaktie). Wind and currrent chart of the North Atlantic, by M. F. Mauris. 1850, Thermal Sh. No. 1-8. (van den heer M. F. Mauris). Whale chart by M. F. Mavar. 1851. (Preliminary sketch). (van id.) Wind and current chart, Whale Sh. No. 1-4 by id. (van id.) AE » » of the North Atlantic in 8 Sh., byid. (van id.) Te, » » of the South Atlantic in 4 Sh., by id. (van id.) STN » » of the South Pacific Sh. No. 10, byid. (van id.) Pilot Chart of the North Atlantic in 2 Sh., by id. (van id.) » » » South Atlantic in 2 Sh., by id. (van id.) wp » South Pacific Sh. No. 6, by id. (van id.) oee » Coast of Brazil, by id. (van id.) Trade wind chart of the Atlantic Ocean, by id. (van id.) Chart illustrative of the Cruise of the American Arctic expedition in search of Sir Jour Fraxxrin in the years 1850 & 1851, fitted out by Grin- weLL of New York, compiled by G. P. Wersu U. S. N. (van id.) Overleden. De heer P. Jakres, Lid der Vereeniging, op reis naar Nederland. ennen mmm INDEX SPECIERUM PISCIUM MArAYO-MOLUCCENSIUM IN VOLUMINIBUS DO eb 10. 18. Cheilodipterus quinquelineatus CV, III p. 253. 19 20. 21. 22. 25 24. 25. 26. 27. AS I, II er III Drarir Socieraris SCIENTIARUM INDO-BATAVAE DESCRIPTARUM, ADJECTIS LOCIS HABITATIONIS. ‚ Labrax waigiensis CV. III p. 479. . Apogon amblyuropterus Blkr. III p. 695. Cantoris Blkr. II p. 479. ceramensis Blkr. III p. 256. chrysosoma Blkr. III p. 256. chrysotaenia Blkr. Il p. 168. endekataenia Blkr. III p. 449. Hartzfeldii Blkr. III p. 254. kalosoma Blkr. III p. 448. macropteroïdes Blkr. III p. 724. macropterus K. v. H. II p. 168. novemfasciatus Blkr. III p. 163. orbicularis K. v. H. III p. 254. punctulatus Rüpp. III p. 696. rhodopterus Blkr. III p. 62. roseipinnis CV. III p. 253. vittiger Benn. (sub nom. Ap. mela— norhynchos Blkr.) III p. 255. . Ambassis apogonoïdes Blkr. II p. 200. » » » interrupta Blkr. III p. 696. urotaenia Blkr. III p. 257. Wolffii Blkr. I p. 9. „ Serranus amboinensis Blkr. III p. 258. » » » D aurantius CV. III p. 571. celebicus Blkr. II p. 217. Kunhardtii Blkr. II p. 169. microprion Blkr, II p. 552. Banka, Rio, Singapore. Ceram. Rio. Ceram. Amboina, Ceram. Java. Banka. Amboina. Banka. Lepar. Java, Sumatra. Bali, Timor. Lepar, Sumatra, Ceram. Ceram. Singapore. Amboina. Ceram. Amboina, Ternate. Borneo, fluv. Ceram , Java. Amboina, Banka, Ceram. Borneo, Sumatra, fluv. Amboina. Sumatra. Banka , Sumatra. Celebes, Java, Sumatra. Amboina, Java, Ternate. 878 ‚ Serranus punctulatus CV. II p. 570. » » rhyncholepis Blkr. III p. 749. . Mesoprion amboinensis Blkr. III p. 259. bottonensis Blkr. IT p. 170. chrysotaenia Blkr. II p. 170. coeruleopunctatus Blkr. II p. 169. fulviflamma Blkr. III p. 553. jaathinuropterus Blkr. III p. 751. macolor Blkr. III p. 752. marginatus Blkr. IT p. 556. * melanospilos Blkr. III p. 750. quadriguttatus Blkr. II p- 239. . Myriodon scorpaenoïdes Bris. Barnev. Il p. 480. . Cirrhites pantherinus CV. II p. 232. . Helotes sexlineatus CV. II p. 171. . Dules marginatus CV. III p. 573. ‚ Priacanthus carolinus CV. II p. 235. 4 » » » » Blochii (sub nom. Pr. japonicus CV?) II p. 174. Schmittii Blkr. III p. 572. . Mijcipristis microphthalmus Blkr. III p. 261. parvidens CV.? III p. 260. pralinius CV. II p. 234. violaceus Blkr. II p. 234. ‚ Holocentrum diadema CV. III p. 259. » >» operculare CV. II p. 233. sammara CV. III p. 555. ‚ Percis cijlindrica CV. II p. 235. . Polijnemuslongifilis CV. Ip. 268.1lIp. 418. macronema Blkr. III p. 419. ” > » > D > microstoma Blkr. IT p. 217. polijdactijlus Blkr. III p. 417. „ Upeneus barherinoïdes Blkr. III p. 262. barberinus CV. II p. 172. Brandesii Blkr. II p. 236. trifascìatus CV. IT p. 237. Sumatra, Ternate. Celebes. Amboina. Amboina, Celebes, Ceram Sumatra. Java, Rio, Singapore. Celebes, Sumatra. Amboina, Banka, Java, Sumatra. Celebes. Celebes. Amboina, Ceram, Java, Sumatra. Celebes. Banda, Celebes, Sumatra. Rio, Singapore. Banda. Biliton , Singapore. Ceram, Rio, Sumatra. Amboina, Banda. Amboina, Sumatra. Sumatra. Amboina. Amboina. Banda, Celebes, Ternate. Banda. Amboina. Banda, Sumatra. Amboina , Ceram , Su- matra , Sumbawa. Ämboina, Banda. Borneo , Sumatra, fluv. Borneo, fluv. mar. Celebes, Ceram. Borneo, fluv. Celebes, Ceram, Ternate. Banda, Ceram, Java, Su- maire. Banda. Banda. 100. 079 ‚ Mulloïdes flavolineatus Blkr. III p. 697. . Trigla Brandesii Blkr. 1 p. 24. 65. Peristedion moluccense Blkr. IT p. 24. 66. Dactijlopterus orientalis CV. III p. 264. 67. Platijcephalus isacanthus CV. II p. 48í, III p. 63. 63. » punctatus CV. I p. 25. 69. Pteroïs brachijpterus CV. IIL p. 265. 70. » _ kodipungi Blkr. III p. 450. 71. » zebra CV, IH p. 265. 72. Scorpaena aplodactijlos Bìkr. III p. 265. 73. » bandanensis Blkr. II p. 237. 74. » diabolus CV, III p. 266. Ja » polijlepis Blkr. IL p. 173. 76. Apistus alatus CV. IT p. 174. di. » amblijcephalus Blkr. IT p. 27. 78. » depressifrons Richards. (sub nom. Ap. binotopterus Blkr.)I p. 26. da. » dermacanthus Blkr. HI p. 268. 80. » fusco-virens CV. III p: 269. 81. » hijpselopterus Blkr. IT p. 258. 82. » maacracanthus Blkr. III p. 267. 88. » melas Blkr. T p. 26. 84. » plagiometopon Blkr. III p. 758. 85. » taenianotus CV, III p. 758. 86. Sijnanzeia asteroblepa Richards. Ill p. 419. 87. Otolithus borneënsis Blkr. 1 p. 263. 88. » lateoïdes Blkr. IT p. 98. 89. » macrophthalmus I p. 99. 90. » microdon Blkr. 1 p. 99. 91. Corvina plagiostoma Blkr. I p. 100. 92. » polijkladiskos Blkr. Il p. 420. 93. » sampitensis Blkr. III. p. 421. 4. » trachijcephalus Blkr. T p. 269, 11 p. 200. 5: » Wolfii Blkr. IL p. 66. „96. Pristipoma therapon Blkr. I p. 100. „ Pristipomoïdes tijpus Blkr. II p. 574. 93. „ Lobotes hexazona Blkr. (Coius binotatus Gray) Diagramma polijtaenia Blkr. IIl 755. lp. 9. » mieroprion Blkr. II p. 175. Ceram. Banda. Banda. Amboina, Banda, Cele- bes, Ceram. Amboina ‚ Banka , Java: Celebes, Rio, Singapore. Amboina, Ceram. Banka , Java, Sumatra. Amboina, Ceram. Ceram. Banda. Amboina, Ceram. Amboina, Sumatra. Java. Sumatra. Java , Sumatra. Ceram. Amboina, Banda, Ceram. Banda. Ceram. Sumatra. Celebes. Celebes. Borneo , fluv. mar. Borneo, fluv. Java. Banka , Java. Java, Madura. Java, Madura. Borneo, fluv. Borneo. Borneo, fluv. Borneo , fluv. Celebes, Java. Sumatra. Celebes. Borneo, Sumatra, Java. fluv. 860 101. Seolopsides leucotaenia Blkr. III p. 451. Banka. 102. » personatus CV. IL p. 575. Sumatra. 103. Malacanthúüs taeniatus CV. [l p. 218. Celebes. 104. Girella sarissophorus Cant. IL p. 64. Singapore. 105. Heteroguathodon macrurus Blkr; 1 p. 101. Java. HOES op nemurus Blkr. II p. 754. Celebes. 107. » xanthopleura Blkr. Ip.101. Celebes, Java, Sumatra. 108. Pentapus setosus CV. Il p. 175. Banka, Biliton, Java, Sin- gapore. 109. Pagrus longifilis CV. IIL p. 756. Celebes. 110. Dentex Blochii Blkr. Il p. 176. Java. NE lethrinoïdes Blkr. Ll p. 02. Java, Sumatra. Ti » microdon Blkr, II p. 219. Celebes. 1läg orn mulloïdes Blkr. HI p. 576. Sumatra. 1E ONNA à nematopus Blkr. Il p. 219. Celebes. dl. upeneoïdes Blkr. IL p. 725. Banka. 116. Lethrinus latifrons Rúpp. IL p. 220. Celebes, Ceram. dz, » rhodopterus Blkr, II p. 65. Singapore. 118. » xanthotaenia Blkr. II p. 176. Ceram, Java, Sumatra. 119. Caesio lunaris Ehr. Il p. 177. Java. 120. » _ pinjalo Blkr. I p. 108. Celebes, Java, Sumatra. 121. Emmelichthijs leucogrammicus Blkr. Ip. 103. Amboina, Celebes. 122. Gerres abbreviatus Blkr. I p. 108. Banka, Ceram, Java, Su- matra. 123. » _kapas Blkr. II p. 482. Banka, Java, Rio, Ti- mor. 124. Pentaprion gerreoïdes Blkr. I p. 105. Java. 125. Chaetodon baronessa CV. II p. 239. Amboina, Banka, Ceram, Java. 126 ‚»n dorsalis Rwdt. II p. 240. Banda. 127. » nesogallieus CV. I p. 241. Amboina, Banka, Cele- bes, Java, Ternate. 128. » oligacanthus Blkr. I p. 105. Banda. 129. » pictus Forsk. II p. 177. Amboina, Banda. 150. » punctato-fasciatus CV. II p. 238. Suraatra. 131. » speculum K. v. H. II p. 242. Banda. 132. » strigangulus Soland. II p. 239. Amboina, Banka. 135. » unimaculatus Bl. IT p. 241. Banda. 134. Holacanthus dux Lac. HI p. 757. Celebes. 135. » __ imperator CV. III p. 758. Celebes. 136. » semieirculatus CV. III p. 452. Amboina, Banka. 137. Holacanthus trimaculatus Lacép. II p. 242. Banda. 138. Platax Boersii Blkr. III p. 758. Celebes. 139. 140. 141. 142. 145. 144. 145. 146. 147. 148. 149. 150. 151. 152. 155. 154. 155. 156. 157. 158. 159. 160. 161. 162. 165. 164. 165. 166. 167. 168. 169. 170. 171. 172. 175. 174, 881 Platax gampret Blkr. 1 p. 105. » xanthopus Blkr. I p. 105. Pimelepterus altipinnis CV. II p. 727. Pempheris oualensis IT p. 242. Anabas variegatus Blkr. IT p. 220. Polijacanthus Einthovenii Blkr. II p. 423. Trichopus Leerii Blkr. II p. 577. » striatus Blkr. 1 p. 106, Betta anabatoïdes Blkr. IT p. 269. » trifasciata Blkr. I p. 107. Ophicephalus bankanensis Blkr, IL p. 726. » marulioïdes Blkr. IL p. 424. » melasoma Blkr. IL p. 424. » pleurophthalmus Blkr. Ip. 270. » polijlepis Blkr. III p. 578. » rhodotaenia Blkr. II p. 425. » urophthalmus Blkr. HI p. 578. Scomber brachijsoma Blkr. I p. 356. Thijnnus tonggol Blkr. I p. 356. Cijbium Croockewitii Blkr. T p. 161. » konam Blkr. [ p. 357. Decapterus kurra Blkr. I p. 358. » macrosoma Blkr, IT p. 358, Selar brevis Blkr. I p. 364. » _ Hasseltii Blkr. I p. 359. » _Kuhliüi Blkr. IT p. 360. » « macrurus Blkr. I p. 559. » _malam Blkr. I p. 362. Caranx cynodon Blkr. IL p. 362. » -— Forsteri CV, III p. 164. Carangichthys typus Blkr. III p. 760. Carangoïdes atropus Blkr. I p. 366. » chrysophryoïdes Blkr. IT p. 366. » dinema Blkr. I p. 365. » fulvoguttatus Blkr. Il p. 178. » gymnostethoïdes Blkr. T p. 364. Java, Singapore. Java. Banka. Banda, Java. Celebes , fluv. Borneo , fluv. Sumatra, fluv. Borneo, Java, Sumatra, fluv. } Banka, Biliton, Borneo, fluv. Banka, Java, fluv. Banka, fluv. Banka, Biliton, Borneo, fluv. Borneo , fluv.. Borneo, fluv. Sumatra, fluv. Borneo, fluv. Sumatra, fluv, Java. Java. Banka. Banka, Java. Celebes, Java. Java. Java. Banka, Celebes, Java. Banka, Borneo, Celebes, Java , Madura, Singa- pore , Sumatra. Java, Sumatra. Banka, Java, Rio. Java, Sumatra. Amboina, Borneo, Cele- bes , Java, Sumatra, Timor. Celebes. Java, Madura, Singapore. Java. Java. Java. Java. 180. Stromateus niger Bl. I p. 870. 181. Stromateoïdes atoukoia Blkr. [ p. 369. 182. » cinereus Blkr. IT p. 368. 183. Equula bindoïdes Blkr. IT p. 372. 184. » filigera CV. III 165. 185. » gerreoïdes Blkr. I p. 371. 186. Mastacembelus erythrotaenia Blkr. IF p. 10. 187. » maculatus CV. III p. 93. 188. Amphacanthus canaliculatus Bl? III p. 580. 189. » chrysospilos Blkr. III p. 66. 190. » Kopsii Blkr. II p. 483. 191. Acanthurus celebicus Blkr. III p. 162. 192. » humeralis CV. III p. 762. 193. » melanurus CV. III p. 271. 194. » pentazona Blkr. I p. 107. 195. » scopas CV. II p. 348. 196. Naseus lituratus CV. III p. 763. 197. Priodon annularis CV. III p. 558. 198. » amboinensis Blkr. (sub nom. Keris amboin.). III p. 272. 199. Atherina brachypterus Blkr. II p. 245. 200 » duodecimalis CV. II p. 485. 201. Mugil borneënsis Blkr. II p. 201. 202 » ceramensis Blkr. HI p. 699. 205. » coeruleomaculatus Lacép. III p. 484. 204. » cunnesius CV, III p. 454. 205. » melanochir K. v. H. UI p. 425. 206. » oligolepis Blkr. (sub nomin. Mug. macrolepis Blkr.) HI p. 422. 207. » parsia Ham. Buch. ? III p. 166. 208. Petroskirtes anema Blkr. III p. 273. » >» » » 882 . Carangoïdes hemigymnostethus Blkr. 1 p. 364. ophthalmotaenia Blkr. III p. 270. praeustus Blkr. I p. 363. talamparoïdes Blkr. IL p. 579. „ Leioglossus carangoïdes Blkr. | p. 367. bankanensis Blkr. III p. 727. Java. Amboina. Banka, Java, Rio. Sumatra. Java, Sumatra. Java, Madura , Singapore, Sumatra. Banka, Java, Madura. Java , Singapore. Celebes, Java. Banka, Borneo, Java, Rio, Sumatra, Timor. Borneo , Java. Borneo, Sumatra, fluv. Biliton, Java, Sumatra, fluv. Sumatra. Singapore. Amboina; Banka, Rio. Celebes. Celebes. Amboina, Ceram. Java. Solor. Celebes. Amboina. Amboina, Ceram. Banda. Banka, Java, Rio, Su- matra, Borneo, fluv., Rio, Su- matra,. * Ceram , Sumatra. Java, Rio, Sumatra. Banka, Java, Sumatra. Banka , Madura , Sumatra. Borneo, Java, Borneo , mar. fluv. Java, Timor. Amboina. Banka. 885 210. Petroskirtes mitratus Rúpp. II p. 244. Banda. 211. » rhinorhynchos Blkr. III p. 273. Ceram. 212. » Temminckii Blkr. IL p. 248. Banda, Ternate. 213. Salarias ceramensis Blkr. UI p. 70í. Ceram. 214. > Forsteri CV. I p. 255. Sumatra. 215. gibbifrons QG. I p. 256. Sumatra. 216. » Hasseltii Blkr. IT p. 257, Java. 217. » Kuhlii Blkr. I p. 258. Java. 213. » Oortii Blkr. I p. 257. Java. 219, » Raaltenii Blkr. IT p. 257. Java. 220. » sumatranus Blkr. Í p. 256. Sumatra. 221. Opistognathus Sonneratii CV. II p. 224. Celebes. 222. Gobius anjerensis Blkr. I p. 251. Java. 223. » borneënsis Blkr. IT p. 10. Borneo, fluv. 224. caninoïdes Blkr. III p. 274. Amboina. 225, » ceramensis Blkr. III p. 704. Ceram. 226. » eriniger CV. III p. 453. Banka. 227. » Fontanesii Blkr. III p. 764, Celebes. 223. » Goldmannii Blkr, III p. 167. Timor. 229, » Hoevenii Blkr. II p. 426. Borneo , fluv. 230. » interstinctus Richards. III p. 275. Ceram. 231. » janthinopterus Blkr. II p. 702. Ceram. 252. Kuhlii Blkr. IT p. 251. Java , fluv. 233. » melanosoma Blkr. III p. 703. Ceram. 234. nox Blkr. I p. 248. Sumatra. 235. padangensis Blkr. I p. 248. Sumatra. 236. » periophthalmoïdes Blkr. IT p. 249. Sumatra. 237. phalaena CV, II p. 244. Banda, Ceram, Timor. 258. puntang Blkr. II p. 486. Ceram, Rio. 239. » stethophthalmus Blkr. FT p. 248. Java. 240. » tjilankahanensis Blkr. I p. 251. Java. 241. » xanthosoma Blkr, III p. 703. Ceram. 242. Apocryptes macrolepis Blkr. II p. 66. Borneo, fluv. 243. Sicydium lagocephalum CV, (sub nom. Gob. _ Hasseltii Blkr.) IT p. 250. Java, Sumatra, fluv. 244. Amblyopus urolepis Blkr. III p. 531. Sumatra, fluv. 245. Periophthalmus argentilineatus CV. III p. 276. Ceram. 246. » borneënsis Blkr. I p. 41. Borneo , fluv. 247. » chrysospilos Blkr. III p. 228. Banka. 248. » Koelreuteri CV. IT p. 252. Sumatra. 249. Eleotris Hasseltii Blkr. IT p. 255. Java. 250. » marmorata Blkr. III p. 424. Borneo, Sumatra, fluv. Want. » melanopterus Blkr. III p. 706, Celebes, Ceram. 252. » melanosoma Blkr. III p. 705. Ceram , Sumatra. HI. 67 253. Eleotris muralis QG. Ilf p. 276. Amboina, Ceram. 254 » sexguttata CV. I p. 253. Sumatra. 255 » urophthalmus Blkr. II p. 202. Borneo, fluv. 256. » Wolfii Blkr. JT p. 259. Borneo, fluv. 257, Callionymus dactylopus Ed. Bean. HI p. 559. Amboina. 258. » filamentosus CV. III p. 278. Amboina. 259. » melanotopterus Blkr. T p. 31. Java. 260. » opercularioïdes Blkr. 1 p. 32. Sumatra el) sagitta Pall. IT p. 31. Banka, Borneo, Java. 262, » Schaapii Blkr. IIL p. 455. Banka. 263. Anternnarius caudimaculatus Richards. ( sub nom. Ant. urophthalmus Blkr.) III p. 488. Rio. 264 » hispidus Cant. III p. 280. Ceram. 265. __» __polyophthalmus Blkr. III p. 644. Banda. 266. » raninus Cant. III p. 707. Ceram. 267. Batrachus diemensis Richards. III p. 168. Ceram, Timor. 268. » grunniens CV, II p. 484. Banka, Java, Rio. 269. Halieutea stellata Cuv. III p. 279. Ceram , Japonia. 270. Fistularia immaculata Comm, III p. 281. Amb., Cel., Ger., Jávs, Japonia. | 271. Amphisile scutata Kl. IT p. 245. Amb., Banka, Banda, Jav., Tern. 272. Nandus nebulosus Blkr. III p. 92. Banka, Biliton , luv. 273. Catopra fasciata Blkr. IT p. 65. Bank. , Born. , Sumtr. fl. , 274 » Grootii Blkr. III p. 90. Banka , Biliton , fluv. 275. » nandoïdes Blkr. II p. 172. Java. 276. Pseudochromis fuscus M. Frosch. III p. 708. Ceram. ze 884 277. Cichlops melanotaenia Blkr. II p. 765. Celebes. 278. Amphiprion bifasciatus Bl. Schn. II p. 282. Amboina, Banka, Ceram Ì 279. » chrysargurus Richards. (s.n. A. Xan- thurus Blkr. (nec CV). HI p. 560. Amboina, Banda. 230. > melanopus Blkr. III p. 561. Amboina. 231. » percula CV, III p. 287. Ceram, Lepar, Sumatra. 282. » trifasciatus CV. III p. 767. Celebes. 285. Pomacentrus chrysopoecilus K. v. H. III p. 284. Ceram, Java. 284. » eyanospilos Blkr. III p. 709. Ceram. 285. » katunko Bikr. HI p. 169. Amboina, Banka, Suma- tra, Ternate, Timor. _ 286. > melanopterus Blkr. III p. 562. Amboina. 287. » nematopterus Blkr. UI p. 285. Amboina. 233. » pavo Lacép. II p. 247. Banda, Ceram. 289. » prosopotaenia Blkr. IL p. 67, Java, Singapore. 290. » prosopotaenioïdes Blkr. III p. 286. Amboina. 291. > taeniometopon Blkr. II p. 235. Amb., Cer., Jav., Su 292. Pomacentrus taeniops CV. IIL p. 729. 293. Dascyllus aruanus CV. Il p. 247. 294. » xanthosoma Blkr. IL p. 247. 295. Glyphisodon bonang Blkr. HI p. 582. 296. » plagiometopon Blkr. IL p. 67. 27. » gab CVE MI p.287. 298. » septemfasciatus CV. UI p. 582. 299. Heliases frenatus CV.? (Glyph. bandanensis Blkr. IL p. 243), HI p. 710. 900. » xanthochir Blkr. IT p. 249. 301. Labroïdes paradiseus Blkr, Il p. 249. 302. Crenilabrus nematopterus Blkr. II p. 250. 903. » oligacanthus Blkr. Il p. 489, LIL p. 68. 304. Cheilio auratus Comm. IT p. 221. 305. » hemichrysos CV. IL p. 255. 906. Julis (Julis) dorsalis QG. IIi p. 564. 907. » (Halichoeres) balteatus OG. ll p. 259. 308. » (_» ) bandanensis Blkr. H p. 254. 309. » (_» ) binotopsis Blkr. HI p. 731. 910. » (_» ) casturi Blkr. HI p. 768. 311. » ( » ) dieschismenacanthus Blkr. HI p. 645. EN (ext) eleaans K. v. H. IIl-p. 289. 913. » ( _» }) Hartzfeldii Blkr. HI p. 563. 914. » ( » ) Hoevenii Blkr. II p. 250. 915. » ( _» }) interruptus Blkr. II p. 252. 916. ». ( _» ) kalosoma Blkr. III p. 289. Pl > :( > } kawarin Blkr. III p. 172. 818. » ( _» ) leparensis Blkr, HIE p. 730. 919. » (_» } melanurus Blkr. IF p. 251. 920. >» ( » )-miniatus K. v. B. II -p. 174. 821. » (_» ) polyophthalmus Blkr. Hip. 71. 322. » ( » ) Renardi Blkr. IT p. 253. 929: » (+ } spilurus-Blkr. II p. 252 Bal » ( » ) strigiventer Benn. II p. 251. 925. » (_» ) timorensis Blkr. III p. 171. 926. Cheilinoïdes cyanopleura Elkr. IL p. 70. 927. Cheilinus ceramensis Blkr. IIi p. 290. 928. » decacanthus Blkr. IT p. 256. 929. Scarus fraenatus Lacép. II p. 770. 930. » naevins CV. III p. 769. 931. » singaporensis Blkr. III p. 69. 832. Callyodon waigiensis CV. II p. 256. ö85 Banka. Banda, Ceram, Sumatra, Sumbawa, Ternate. Banda. Sumatra. Singapore. Amboina, Java, Sumatra. Java, Sumatra. Banda, Ceram’, Java, Sumbawa, Ternate. Banda, Ternate. Amboina, Banda, Sumatra. Banda. Bank. Geleb., Rio, Singap. Banda, Ceram, Ternate. Amboina, Java, Sumatra. Banda. Banda, Ternate. Lepar , Sumatra. Celebes. Banda. Ceram , Java. Amboina. Banda. Amb., Banda, Cer., Tim. Amboina, Geram, Ternate. Timor. Lepar. Banda. Timor. Armboina, Bali, Sumatra, Lader, Janda. Banda, Banda. Timor. Sumatra. Ceram, Lepar. Java. Ceram. Celeb. Amboina, Amb. , Banda, Celebes. Celebes. Java, Bids Singapore. Banda, Ceram, 886 333. Wallago dinema Blkr. IT p. 202. Borneo, Sumatra, fluv. 834. » Leerii Blkr. II p. 427. Borneo, Sumatra, fluv. 335. Silurus apogon Blkr. IT p. 67. Borneo, fluv. 336. » bicirrhis CV. IT p. 274. Borneo, Java, fluv. 337. » ___eryptopterus Blkr. T p. 270. - Borneo, fluv. 398. » __hexapterus Blkr. II p. 203. Borneo, Sumatra, fluv. 339. » laïs Blkr. II p. 428. Borneo, fluv. 940. » leptonema Blkr. III p. 584. Sumatra, fluv. 341. » limpok BElkr. HI p. 585. Sumatra, fluv. 342. » macronema Blkr. IT p. 208. Borneo, fluv. 343. » palembangensis Blkr. III p. 584. Sumatra, fluv. s44. » phaiosoma Elkr. IT p. 428. Biliton, Borneo, fluv. 945. *» phalacronotus Blkr. IT p. 429. Borneo. fluv. 846. Pangasius hexanema Blkr. III p. 588. Java, Sumatra, fluv. 347. » juaro Blkr, III p. 589. Sumatra, fluv. 948. » macronema Blkr. I p. 11. Borneo, fluv. 349. » polyuranodon Blkr. III p. 425. Borneo, fluv. 350. » rios Blkr. IT p. 295. Borneo, fluv. 351. Bagroïdes melanopterus Blkr. IT p. 204. Borneo, Sumatra, fluv. 352. Bagrus hypselopterus Blkr. III p. 588. Sumatra, fluv. 353. » poecilopterus K. v. H. (jun. s. n. Bagr. miceropogon Blkr., II p. 94. Biliton , Borneo, fluv. 354. » Wolfii Blkr. II p. 205. Borneo, Sumatra, fluv. 355. Arius borneënsis Blkr. IT p. 67. Borneo, fluv. 356. » melanochir Blkr. HI p. 590. Sumatra , fluv. 357. » truncatus CV. III p. 426. Borneo , mar. fluv. 958. Ketengus typus Blkr. I p. 271. Born., fluv., Jav., Mad. — 359. Pimelodus borneënsis Blkr. II p. 430. Borneo , fluv. 360. » platypogon K. v. H. II p. 591. Java, Sumatra, fluv. 361. Clarias leiacanthus Blkr. II p. 430. Borneo, fluv. 362. » melasoma Blkr. III p. 427, Bank. , Born., Sumatr., fl. 363. » pentapterus Blkr. II p. 206. Borneo , fluv. 364. Heterobranchus tapeinopterus Blkr, III p. 732. Banka, Borneo, fluv. 365. Chaca bankanensis Blkr. III p. 455, Banka, fluv. 366, Plotosus albilabris CV. III p. 70. Singapore. 867. » _castaneoïdes Blkr. II p. 491. Banka, Rio. 368. Barbus bilitonensis Blkr. III p. 96. Banka, Biliton, fluv. 369. » _gobioïdes Blkr. HI p. 592. Sumatra, fluv. 370. » _Hoevenii Blkr. II p. 207. Borneo, Sumatra, fluv. 971. » _ kalopterus Blkr. I p. 13. Borneo, Sumatra, fluv. 57e Arak kusanensis Blkr. III p. 429. Borneo, fluv. À 973. » _lateristriga CV. III p. 95. Banka, Biliton, Java, Su- — matra, fluv. 374. Systomus apogon CV. III p. 428. Bank., Born. Jav. Sum., fl. 375. 376. 377. 978. 379, 380. s81. 382. 983. 384. 385. 386, 387. 388. 989. 990. 991. 992. 393. 94. 395. 396. 397. 398. 399. 400. 401. 402. 403. 404. 405. 406. 407. 408. 409. 410. 411. 412. 413. 414. 415. 887 ‘ Systomus bulu Blkr. I p. 207. » melanopterus Blkr. (jun. sub nom. Barb. melanopterus Blkr.) Ip. 11. » microlepis Blkr. IT p. 12. » truncatus Blk, I p. 18. Capoeta ampalong Blkr. III p. 594. » enoplos Blkr, II p. 431. » microlepis Blkr. IT p. 206. » padangensis Blkr. III p. 593. Dangila microlepis Blkr. II p. 595. » spilurus Blkr. IT p. 272. » sumatrana Blkr. III p. 596. Rohita Artedii Blkr. Il p. 434. » cyanomelas Blkr, III p. 597, » enneaporos Blkr. Ill p. 596. » melanopleura Blkr. HI p. 430. » Schlegelii Blkr. 1 p. 484. » triporos Blkr. Ill p. 598. » Waandersii Blkr. III p. 735. Leuciscus cephalotaenia Blkr, IL p. 97. » dusonensis Blkr, l p. 14. » Einthovenii Blkr. II p. 434. » kalochroma Blkr. 1 p. 272. » oxygastroïdes Blkr. Il p. 431. » sumatranus Blkr. III p. 601. » thynnoïdes Blkr. III p. 599. » trinema Blkr. III p. 600. > uranoscopus Blkr. I p. 14. Cobitis barbatuloïdes Blkr. II p. 435. » _ hymenophysa Blkr. III p. 602. » Jaklesii Blkr. III p. 604. » _ macracanthus Blkr. III p. 603. Luciocephalus pulcher Bikr. I p. 273, III p. 99. Belone leiuroïdes Blkr. 1 p. 479. » leiurus Blkr. I p. 94. » _ melanotus Blkr. I p. 94. » __schismatorhynchos Blkr. T p. 95. Hemiramphus borneënsis Blkr. Ip. 273, II p. 63. » Buffonis CV. III p. 711. » fluviatilis Blkr. I p. 95. » phaiosoma Blkr. III p. 99. » Quoyi CV. III p. 491. Borneo, Sumatra, fluv. Borneo, Sumatra, fluv. Borneo, fluv. Borneo, Sumatra, fluv. Sumatra, fluv. Borneo, Sumatra, fluv. Borneo, fluv. Sumatra, fluv. Sumatra, fluv. Borneo, fluv. Sumatra, fluv. Borneo, fluv. Sumatra, fluv. Sumatra, fluv. Sumatra, fluv. Borneo, fluv. Sumatra, fluv. Banka, fluv. Banka, Biliton, fluv. Borneo, Sumatra, fluv. Banka, Borneo, fluv. Borneo, fluv. Born. , Jav. , Sumatr., fl. Sumatra, fluv. Sumatra, fluv. Sumatra, fluv. Borneo, Sumatra, fluv. Borneo, fluv. Sumatra, fluv. Sumatra, fluv. Sumatra, fluv. Biliton, Borneo, fluv. Biliton, Singapore. Java. Java, Singapore. Java. Borneo, fluv. Banka, Ceram. Java, fluv. Biliton, fluv. Amboina, Banka, Java, Rio, Singapore. . Exocoetus oxycephalus Blkr. IT » » Da » » » » » » » > D » > D)/ > 888 „ Chirocentrus hypselosoma BElkr. II 771 E 2 Hasseltii Blkr. T p. 422. „ Dussumieria elopsoïdes Blkr. T p. 421 pitvsl: ei Ik . Harengula dispilonotus Blkr. IL p. 456. ‚ Clupeoïdes borneënsis Blkr. 1 p. 275. macassariensis Blkr. II p. 772. xanthopterus Blkr. IT p. 499. ‚ Rogenia argyrotaenia Blkr, HI p. 457. ‚ Spratella kowala Blkr. II p. 492. „ Sardinella clupeoïdes Blkr. UI p. 773. . Pellona Hoevenii Blkr. III p. 712. Russellii Blkr. III p. 72. pseudopterus Blkr. III p. 432. temmbang Blkr., UI p. 774. . Álausa ctenolepis Blkr. II p. 74. . Engraulis erocodilus Blkr. I p. 15. „ Spratelloïdes argyrotaenia Blkr. III p. 7 ld d ed Je enerasicholoïdes Blkr. III p. 173. Grayi Blkr. II p. 492. Pfeifferi Blkr. III p. 433. rhinorhynchos Blkr. III p. 434. tri Blkr. III p. 436. . Coilia borneënsis Blkr. IL p: 437. macrognathos Blkr. II p. 436. „ Chatoessus nasus CV. II p. 228. selangkat Blkr. III p. 458. Blkr. olim) 1 p. 428. lopis Blkr. IT p. 423. . Notopterus borneënsis Blkr. II p. 437. kapirat Blkr. (Not. Bontianpus CV. maculosus Blkr. 11 p. 4938. hypselonotus Blkr. III p. 604. poecilurus Blkr. III p. 295. sumatranus Blkr. I p. 409. . Osteoglossum formosum M. Schleg II p. 496. „ Saurida nebulosa CV. II p. 292. ‚ Saurus synodus CV, II p. 257. trachinus T. Schl. III p. 291. . Astronesthes chrysophekadion Blkr. I p. 424. „ Rhombus aspilos Blkr. I p. 408. Celebes, Java. Borneo, Java, Singapore. Bank., Jav., Mad. , Sum. Java, Madura, mar. fluv. Banka. Borneo, fluv. „Celebes, Ternate. Celebes, Java, Sumatra. Ceram, Java, Sumatra. Banka, Madura, Singapore. Borneo, Java, Borneo, fluv. Banka, Java. Banka, Java, Rio, Sumat. Borneo, mar. fluv. Celebes, Java, Sumatra. Celebes, Ternate. Banka, Java, Singapore. Borneo , fluv. Java, Madura, Sumatra, Amb. Cel., Cer., Tim. Banka, Celebes, Ceram, Java, Rio, Sumatra. Borneo, fluv. Bank. , Born., Jav., Mad. Banka, Borneo, Java. Borneo, Sumatr., mar. fl. Borneo, mar. fluv. Banka, Celebes, Ceram. Banka, Celebes, Java. Borneo, fluv. Java, fluv. Borneo, Java, fluv. Borneo, fluv. Sumatra, fluv. Borneo , fluv. | Amboina, Banda, Celebes. d Banda. Amb., Bank., Cer., Bali. Java. Jap. Amboina. A Amb., Band., Cer., Sum. — 889 456. Solea maculata Cuv. I p. 409. Java. 457. Synaptura aspilos Blkr. III p. 74. Singapore. 458. » pan Cant (Solea pan) I p. 410. Biliton, Rio. 459. » panoïdes Blkr. 11 p. 440. Borneo, (luv. 460. Achirus poropterus Blkr. IT p. 410. Java, Sumatra, 461. Achiroïdes leucorhynchos Blkr. IT p. 411. Java, fluv. 462. » melanorhynchos Blkr. (sub. nom. Plagus. melanorh.) Í p. 15. Borneo, {luv. 463. Plagusia Blochii Bìkr. I p. 4il. Java, Madura. 464. » brachyrhynchos Blkr. I p. 414. Java, Singapore. 465. » javanica Blkr. IT p. 414. Banka, Java. 466. » Kopsii Blkr. II p. 494. Amboina, Rio, Sumalras 467. » lida Blkr. Y p. 418. Celebes, Java. 463. » macrolepidota Blkr. I p. 415. Java. 469. » macrorhynchos Blkr. I p. 413. Java. 470. » marmorata Blkr. IT p. 411. Celebes, Java. 471. » melanopterus Blkr. IT p. 415. Bali, Java, Sumatra. 472. D microlepis Blkr. I p. 418. Borneo , fluv. 473. » oxyrhynchos Blkr. IT p. 416. Java. 474, » quadrilineata K. v. H. I p. 412. Banka, Java, Rio, Sum. 475. Machaerium nebulatum Blkr, III p. 76. Singapore. 476. » reticulatum Blkr, II p. 784. Banka, Lepar. 477. Oxybelus Brandesii Blkr. I p. 276. Banda, Ceram. 478. Conger bagio Cant III p. 777. Celebes , Java. 479. » talabon Cuv. III p. 77. Borneo, Java, Singapore, 480. Ophisurus brachysoma Bkr. III p. 776, Celebes. 481 » hypselopterus Blkr. II p. 69. Borneo , fluv. 482. » maculosus Cuv. II p. 258. Banda. 485 » Schaapii Blkr. III p. 735. Banka. 484. Muraena ceramensis Blkr, III p. 297. Ceram. 495. » ita Richards. IN p. 294. Ceram. 486. » mieropterus Blkr. TIL p. 298. Ceram. 487. » pseudothyrsoïdea Blkr. III p. 778. Celebes. 483. » Richardsonii Blkr. III p. 296. Ceram , Sumatra. 489. » __ variegata J. R. Forst. Richards. [II p. 295. Amboina , Ceram. 490. Symbranchus inmaculatus Bl. (Tetrabranchus microphthalmus Blkr.) II p. 69. [II p. 438. Borneo, Bengala. 491. Balistes armatus Lacép. II p. 224. Celebes. 492. » conspicillum Bl. Schn. III p. 780. Celebes, Solor. 495. » flavimarginatus Rupp. II p. 303. Amboina, Ceram. 494. » lineatus Bl. Schn. IT p. 260. Amb., Band. Cel. Sumatr. 495. » vidua Soland. HI p. 565. Amboina. 496. Monacanthus Cantoris Blkr. UI p. 80. Banka, Java, Singapore. „ Monacanthus melanuropterus Blkr. III p. 781. Celebes. . Alutarius laevis Cuv. ITI p. 304. prionurus Blkr. IT p. 260. „ Triacanthus Blochii Blkr. III p. 81. » » » » 890 Nieuhofii Blkr. HI p. 459. oxycephalus Blkr. II p. 496. „ Ostracion Sebae Blkr. IL p. 259. tesserula Cant. III p. 305. ‚ Diodon novemmaculatus Cuv. Ill p. 567. „ Tetraödon argenteus Lacép. III p. 737. » aspilos Blkr. II p. 495. calamaroïdes Blkr. I p. 96. hypselogeneion Blkr. IIT p. 300. kappa Russ. III p. 301. Kunhardtii Blkr. I, p. 97, III p. 79. laterna Richards. III p. 299. leiurus Blkr. I p. 97, III p. 440. margaritatus Rúpp. III p. 302. modestus Blkr. 1 p. í6, III p. 440. naritus Richards. III p. 439. palembangensis Blkr, III p. 605. testudineus Bl. III p. 78. virgatus Richards. III p. 299. ‚ Syngnathus boaja Blkr. I p. 16. >» » » . Syngnathoïdes Blochii Blkr. IT p. 259. ‚ Hippocampus kuda Blkr. III p. 82. » » gastrotaenia Blkr. III p. 713. haematopterus Blkr. II p. 259. heterosoma Blkr. II p. 441. moluccensis Blkr. III p. 806. taeniopterus Blkr. III p. 306. . Pegasus pristis Blkr. III p. 606. » volans L. III p. 307, . Solenostoma paradoxum Lacép III p. 309. ‚ Ginglymostoma Rüppellii Blkr. UI p. 83. . Pristis zysron Blkr. III p. 441. . Rhinobatus armatus Gr. Hardw. III p. 85. ‚ Trygon macrurus Blkr. III p- 607. » uarnakoïdes Blkr. III p. 738. é Taeniura lymma MH. HI p. 85. Chimaera monstrosa Le TEE p: 309. Ceram , Java, Sumbawa. Banda. Singapore. Bank., Born., Cer., Sum. Bank., Jav., Rio, Sumatr. Banda. Ceram. daden had ek oden anak he nd Amboina. | Bank. , Born., Jav. , m. fl. Rio. Java. Amboina, Ceram. Amb., Cer., Jav., Sumatr. | Jav., Rio, Sing., Sum. | Amboina, Sumatra. Borneo , Java, Sum., fluv. Amboina. | Borneo, Sumatra, fluv. | Borneo, mar. fluv. Sumatra, fluv. Java, Singsp., Sumatr. | Amboina, Ternate. Borneo, Sumatra, fluv. Ceram. Amb. , Band, Cer., Tern. Borneo, fluv. Amb., Band., Cer., Tern. Singapore. Amboina. Amboina, Banda, Ceram. Sumatra. Amboina, Ceram. Ceram. Java, Singapore. Borneo, fluv. Java, Singapore. Java, Sumatra. Banka, Java. Amb., Cel. , Jav., Sing: Ceram. EE Nen PEES oe NAKONAD ICAO UND) INHONHD DD AEENVA ONTETENDZBLUIKLS00 TO NAV ABI V HEUE IAD UE zer CLELD OA or Rp en src ak © Wen en en Ee Ee e, pd 8 % Ù ES [ Hs uodnrouy Ì | NNI Sf AND ae in we nr zt 4 EEP BIV ART SSS: Npe ian AND u A PSN ni WEES ner mt DN rts EN, U a nj gen Ber ET ens Zn ar ef 5 p ES KI \ ee & en 1 EN MH OO U D. N°. VIL Supplement-nummer. Brapz. Dr. O. Mountkr, Phijsische karakterbeschrijving der Ja- panezen. Dr. C. M. Scawanen, Reis naar en aanteekeningen betref- fende de Steenkolen van Batoe Belian (zuidoostkust van Borneo), bewerkt door Dr. J. H. Croocxewir Hz. . Dr. P. Brrrker, Nieuwe bijdrage tot de kennis der Ichthy- ologische fauna van Ceram. ; Idem, Nieuwe bijdrage tot de kennis der Ichthyologische fauna van het eiland Banka. Idem, Derde bijdrage tot de kennis der Ichthyologische fauna van Celebes. . k 5 5 6 Dr. P. EF. H. Fromsere, Verslag van de uitkomsten der Melsensproeven , gedaan in de suikerfabriek Oedjoeng roessi, in de residentie Tagal, werkende met toestel- len van Derosne en Carr, in het jaar 1850. Dr. J. H. Croockgwitr Hz., Over de wijze van uitsmelting (herleiding) van den tinerts door de Chinezen op het eiland Banka. … N h P. J. Marer, Onderzoek van lood-, koper-, kwik- en ijzer- ertsen en van kolen, door den heer H. W. Scnwa- NENFELD ter Westkust van Sumatra aangetroffen. 655 673 689 115 831 ER Win Oe „nn! e ‚ . 5 8 8 pm \ $ ê, d 3 } % At eh > be As À Be DL dt P. van RouveroIs van Nues Scheikundig onderzoek van minerale wateren van hek eiland Bawean. PS D. W. Rost van ToNNINGEN, Over het scheikundig er A8 On onead van „gesaaasche, pranten. vreet kneed dd PIE ° Berigten van. verschillenden” An 7 & Aardbevingen op Java, in Oktober, November en De- cember 1852. vin ee CN N Aardbeving in de ‘Padangsche a, op den 20sten Junij 1852. jk breton Te ind A Ld Uittreksel uit het programma van de Hollandsche Maat- schappij van Wetenschappen te Haarlem voor het jaar 1852. p / 5 ’ : b 864 à df nt SR Eed __ Tentoonstelling te Batavia „te houden in 1853 so Geschenken. aan de ien ERE f e, Index specierum piscium malayo-moluccensium in Volu- minibus 1, IL et IL Diarii Societatis Scientiarum Indo-Batavae descriptarum, adjectis Iocis habitationis. In Nederland verkrijgbaar bij den boekhandelaar | DER * Post te Utrecht. ini sn \ É e a 1 RAS « d ge De, ih „er \ Lé hl - ae 4 F Pd 2 we - N v . d £ , op he d r k . Del … ' EN al 5 pe vi KE Ó Ee \ Ï AO an hi 4 BU LIN Te P HAR Le KININE, eraf tb dd Tut 1 tik Ì Üfk mé it ij fb hi IN en IE ON ij ve IN \ ût it UIN LAA AEEA vi \ KE Kan Bk RARE MARS VR ri NAE „\ IAA ti N Ke AN LE Rij \ | ALI fr ' et ki ‚/ | AA } Find í Nr bk Wit EN AN EN ved en Kh! UN ot ‘ aje same je éne e pe erder ré „sn den : edet pd er pre ha „re deni HTS $ at br À ara P en, È ter Seer en vee ee ee endindd be nj ve Dee mp tee en epe oee ns : Ee tree En ne, Ten : GE enten nn men wpa ad ne en de